ZIJN KINDERTIJD
Toevertrouwd aan een zoogmoeder
Toen onze moeder Âmina haar stralende kindje in haar armen nam, was het alsof zij de pijn om het overlijden van haar man ’Abdullah vergat. Nadat zijn moeder onze Meester de Profeet negen dagen had gezoogd, diende Thuwayba Khâtûn, een slavin van Abû Lahab, hem enkele dagen als zoogmoeder. Thuwayba Khâtûn had eerder Hamza gezoogd, en later zoogde zij ook Abû Salama. De hâfiz Ibn Jazarî zegt: “Abû Lahab werd in een droom gezien, en men vroeg hem in welke toestand hij verkeerde. Hij zei: ‘Ik onderga de bestraffing van het graf. Maar ieder jaar, in de nacht van de twaalfde van de maand Rabî’ al-awwal, wordt mijn bestraffing verlicht. Dan vind ik verlichting door het koele water te zuigen dat tussen twee van mijn vingers vandaan komt. In de nacht waarin Rasûlullah ter wereld kwam, bracht mijn slavin Thuwayba mij die blijde boodschap. Uit vreugde liet ik haar vrij en droeg ik haar op hem als zoogmoeder te dienen. Daarom wordt mijn bestraffing in die nachten verlicht.’” In die tijd was het bij de bevolking van Mekka de gewoonte hun kinderen aan een zoogmoeder toe te vertrouwen. De kinderen werden naar de hooglanden in de omgeving gestuurd, waar de lucht goed en het water zoet was, en bleven een tijd bij de zoogmoeders aan wie zij waren toevertrouwd. De reden daarvan was het hete klimaat van Mekka. Ieder jaar kwamen daarom vele vrouwen naar Mekka. Ieder van hen nam een kind mee om het te zogen. Wanneer zij de kinderen, eenmaal opgegroeid, teruggaven, ontvingen zij een ruime beloning en veel geschenken. In het jaar waarin onze Meester de Profeet werd geboren, kwamen ook vele vrouwen van de stam Banû Sa’d, die in de hooglanden woonde, naar Mekka met het voornemen zoogmoeder te worden. Ieder van hen had al een kind meegekregen om het te zogen. Onder de stammen rond Mekka was de stam Banû Sa’d zeer bekend om haar eergevoel, haar vrijgevigheid, haar moed en haar bescheidenheid, en om haar zuivere Arabisch. De vooraanstaanden van de stam Quraysh wilden hun kinderen het liefst aan deze stam toevertrouwen. Dat jaar heerste er in het land van de Banû Sa’d een hevige droogte en hongersnood. Halîma Khâtûn, uit deze stam, vertelt over die toestand: “Dat jaar trok ik door de velden en verzamelde kruiden, en ik dankte Allâhu ta’âlâ dat ik ze vond. Soms gingen er drie dagen voorbij zonder dat ik iets in mijn mond stak. In die toestand kreeg ik een kind. Aan de ene kant was er de honger, aan de andere kant de last van de bevalling. Er waren ogenblikken dat ik van de honger aarde en hemel, nacht en dag niet meer kon onderscheiden. Op een nacht viel ik in de woestijn in slaap. In mijn droom dompelde iemand mij onder in water dat witter was dan melk en zei: ‘Drink van dit water.’ Ik dronk tot ik verzadigd was. Daarna drong hij erop aan dat ik nog meer dronk. Ik dronk en dronk; het was zoeter dan honing. ‘Moge je melk overvloedig zijn, o Halîma! Herken je mij?’ vroeg hij. Toen ik zei dat ik hem niet herkende, zei hij: ‘Ik ben de lof en de dank die je in je nood hebt uitgesproken. O Halîma! Ga naar Mekka. Daar zal een “Nûr” je metgezel worden, en je zult overvloedig gezegend worden. Vertel deze droom aan niemand!’ Toen ik wakker werd, vond ik mijn borsten vol melk, en ik zag dat de nood en de honger mij hadden verlaten.” Dat jaar waren er vanwege de hongersnood meer zoogmoeders dan in andere jaren naar Mekka gekomen, om tegen betaling kinderen te zogen en zo hun nood te lenigen.
“Wij zijn niet geschapen om te spelen” Hadîth sharîf
De woestijn van de zonen van Sa’d
Allen hadden haast om de kinderen van de rijke families te krijgen. De vrouwen die zich hadden gehaast, hadden ieder een kind meegekregen. Maar omdat onze Meester de Profeet een wees was, toonden zij geen belangstelling voor hem, met de gedachte dat zij niet veel loon zouden krijgen. Onder deze vrouwen was ook Halîma Khâtûn, die bekendstond om haar kuisheid, haar reinheid, haar hilm, dat wil zeggen haar zachtmoedigheid, haar schroom en haar goede karakter. Omdat het dier waarop zij reden zwak was, waren zij te laat in Mekka aangekomen. Maar die vertraging werd voor hen de oorzaak dat zij meer verkregen dan wat zij zochten. Toen zij met haar man door Mekka liep, zagen zij dat de kinderen van de rijke families al waren weggegeven. Toch wilden zij niet met lege handen terugkeren. Met een kind terugkeren was hun enige wens geworden.
Ten slotte ontmoetten zij een eerbiedwaardige man met een zeer innemend gelaat. Het was ’Abdulmuttalib, het hoofd van Mekka. Nadat hij hun wens had vernomen, zei hij dat zij zijn kleinzoon moesten nemen en dat zij daardoor groot geluk en voorspoed zouden verkrijgen. De genegenheid en de vriendelijkheid van ’Abdulmuttalib trokken hen aan. Zij namen zijn voorstel meteen aan. Daarna bracht de oude grootvader Halîma Khâtûn naar het huis van Âmina.
Halîma Khâtûn vertelt: “Toen ik bij het kind kwam, lag hij, in doeken gewikkeld, vredig te slapen op een kleed van groene zijde, en rondom verspreidde zich een geur van muskus. Ik stond versteld en raakte in een oogwenk zo aan hem gehecht dat mijn hart het niet over zich kon verkrijgen hem wakker te maken. Toen ik mijn hand op zijn borst legde, werd hij wakker, keek mij aan en glimlachte. Ik was zo betoverd door die glimlach dat ik buiten mezelf raakte. Daarna bedekte ik zijn gezicht, met de gedachte dat zijn moeder mij zo’n mooi en gezegend kind niet zou geven, en nam hem meteen in mijn armen. Ik gaf hem mijn rechterborst en hij begon te drinken. Ik gaf hem mijn linkerborst, maar hij dronk niet. ‘Abdulmuttalib wendde zich tot mij en zei: ‘Wees verheugd! Onder de vrouwen is er niemand geweest die zo’n gunst kreeg als jij!’1
Nadat Âmina Khâtûn mij haar geliefde kindje had gegeven, zei zij: ‘O Halîma, drie dagen geleden hoorde ik een stem die zei: “De vrouw die jouw zoon zal zogen, is van de stam Banû Sa’d, uit het geslacht van Abû Dhu’ayb.”’ Daarop antwoordde ik: ‘Ik ben van de stam Banû Sa’d, en de kunya van mijn vader is Abû Dhu’ayb.’”
Halîma Khâtûn vertelde verder: “Âmina Khâtûn vertelde mij nog vele andere gebeurtenissen en gaf mij haar aanbevelingen. Ik vertelde haar op mijn beurt de droom die ik had gezien voordat ik naar Mekka kwam, en dat er onderweg rechts en links van mij stemmen klonken die zeiden: ‘Wees verheugd, o Halîma! Het zal jou gegeven zijn die nûr te zogen die de ogen verblindt en de werelden verlicht.’”
Halîma Khâtûn zegt: “Ik nam Muhammad ‘alayhis-salâm en verliet het huis van Âmina. Ik ging naar mijn man. Ook hij keek naar het gezicht van het kind in mijn armen, raakte buiten zichzelf en zei: ‘O Halîma! Tot vandaag heb ik nog nooit zo’n mooi gezicht gezien!’ En toen hij de zegen zag die wij kregen zodra wij hem bij ons hadden genomen, zei hij: ‘O Halîma! Weet dat je een zeer gezegend kind van hoge waarde hebt genomen.’ Ik antwoordde: ‘Bij Allah! Dat was juist wat ik wenste; ik heb gekregen wat ik wilde.’”
Vanaf het moment dat Halîma Khâtûn en haar man Muhammad ’alayhis-salâm meenamen en uit Mekka vertrokken, begonnen zij zijn zegen te ontvangen. Hun magere ezel, die niet snel kon lopen, was een volbloed geworden. Hoewel de karavaan waarmee zij gekomen waren eerder was vertrokken en al ver weg was, haalden zij haar in en lieten haar achter zich. Nadat zij in het land van de Banû Sa’d waren aangekomen, kregen zij een overvloed en een zegen die nooit eerder waren gezien. De uiers van hun dieren, die eerder weinig melk gaven, raakten tot overlopens toe vol. Hun buren, die dit zagen, stonden versteld en begrepen duidelijk dat het kwam door het kind dat zij hadden genomen om te zogen. Onze Meester de Profeet dronk alleen aan de rechterborst van zijn zoogmoeder Halîma Khâtûn.
“Geen van mijn voorvaderen heeft ontucht gepleegd. Allâhu ta’âlâ heeft mij ter wereld gebracht uit reine, goede vaders en reine moeders” Hadîth sharîf
De linkerborst liet hij over aan zijn zoogbroer. Toen hij twee maanden oud was, kroop hij. Met drie maanden kon hij staan, en met vier maanden liep hij, steunend tegen de muur. Met vijf maanden liep hij, met zes maanden begon hij snel te lopen. Met zeven maanden ging hij overal heen. Met acht maanden begon hij verstaanbaar te spreken, en met negen maanden heel duidelijk. Met tien maanden begon hij met pijl en boog te schieten.
Halîma Khâtûn vertelde: “Toen hij begon te spreken, waren zijn eerste woorden: ‘Lâ ilâha illallâhu wallâhu akbar. Walhamdu lillâhi Rabbil-‘âlamîn.’ Sinds die dag strekte hij zijn hand naar niets uit zonder de naam van Allâhu ta’âlâ te noemen. Hij at niets met zijn linkerhand. Toen hij begon te lopen, bleef hij weg van de plaatsen waar de kinderen speelden en zei tegen hen: ‘Wij zijn hier niet voor geschapen.’ Iedere dag omhulde hem een nûr als het licht van de zon, die daarna weer wegtrok. Hij sprak met de maan, en telkens als hij naar haar wees, bewoog de maan.”
Vanwege de droogte raakten zij in grote nood, en op een keer gingen zij naar buiten om een smeekbede om regen te doen. Zij namen Muhammad ’alayhis-salâm mee, deden de smeekbede en verkregen omwille van hem overvloedige regen en zegen. Halîma Khâtûn vertelt: “Toen Muhammad ‘alayhis-salâm twee jaar werd, speende ik hem. Daarna gingen mijn man en ik naar Mekka om hem aan zijn moeder terug te geven. Maar wij hadden door hem zoveel zegen verkregen dat het ons zwaar viel van hem te scheiden en zijn gezegende gezicht niet meer te zien. Ik vertelde zijn moeder over hem. Âmina Khâtûn zei: ‘Mijn zoon heeft een grote glorie.’ Ik zei: ‘Bij Allah, ik heb nog nooit iemand gezien die meer gezegend was dan hij.’ Daarna zocht ik allerlei redenen en vroeg Âmina Khâtûn of hij nog wat langer bij ons mocht blijven. Zij stelde ons niet teleur en gaf toestemming dat hij bij ons bleef. Met hem keerden wij terug naar onze stam. Daardoor raakte ons huis vol zegen, en namen ons bezit, ons goed en onze naam toe. Wij verkregen talloze gunsten.”2
Een wolk boven zijn gezegende hoofd
Halîma Khâtûn vertelde: “Op een dag vroeg de Vorst der wereld (sallallâhu ‘alayhi wa sallam): ‘Overdag zie ik mijn broers niet. Wat is de reden?’ Ik zei: ‘Zij gaan de schapen hoeden. Pas ’s avonds komen zij thuis.’ Daarop zei hij: ‘Stuur mij ook met hen mee. Ik wil ook de schapen hoeden.’ Ik zocht uitvluchten en voerde allerlei verontschuldigingen aan. Ten slotte zei ik, om hem tevreden te stellen: ‘Goed dan.’
De volgende dag kamde ik zijn gezegende haren, kleedde hem aan en stuurde hem met zijn zoogbroers mee.
Enkele dagen ging hij mee en kwam hij terug. Op een dag, toen zijn zoogzus Shaymâ van het veld kwam, vroeg ik: ‘Waar is mijn zoon Muhammad, het licht van mijn ogen?’ Zij zei: ‘In de woestijn.’ Toen ik vroeg: ‘Hoe verdraagt mijn lieveling deze hitte?’, antwoordde Shaymâ: ‘O moeder! Hem zal nooit iets overkomen. Want boven zijn gezegende hoofd beweegt steeds een wolk met hem mee; zo wordt hij beschermd tegen de hitte van de zon.’ Toen ik zei: ‘Wat zeg je allemaal? Is het werkelijk waar wat je zegt?’, zwoer zij het. Pas toen was ik gerust.
Het openen van zijn gezegende borst (Shaqq-i sadr)
Op een middag kwam zijn zoogbroer Damra weer naar mij toe en zei: ‘Moeder! Kom gauw!… Wij hoedden de schapen met mijn Qurayshitische broer. Plotseling kwamen er drie mannen in het groen gekleed. Zij namen mijn broer bij ons weg en brachten hem naar de top van de berg. Zij legden hem op zijn rug en sneden met een mes zijn buik open. Toen ik kwam om het u te vertellen, waren zij er nog. Ik weet niet of mijn broer nog leeft of niet.’ Halîma Khâtûn vertelde verder: Op dat ogenblik schoot het bloed mij naar het hoofd. Haastig kwamen wij daar aan en zagen hem. Meteen kuste ik zijn gezegende gezicht en hoofd en vroeg: ‘O licht van mijn ogen! O mijn zoon, barmhartigheid voor de werelden! Wat is dit? Wat is je overkomen? Wie heeft je kwaad gedaan?’
Hij zei: ’Nadat ik van huis was weggegaan, zag ik twee mannen in groene kleren. De een had een zilveren kan in de hand, de ander een waskom van groene smaragd. De waskom was gevuld met iets dat witter was dan sneeuw. Zij brachten mij naar de top van de berg. Een van hen legde mij op mijn rug. Terwijl ik toekeek, opende hij mijn borst tot aan mijn navel. Ik voelde geen enkele pijn of last. Zij staken hun hand erin en haalden alles eruit wat erin was. Zij wasten het met dat witte en legden het terug op zijn plaats. De een zei tegen de ander: “Sta op; nu zal ik mijn taak vervullen.” Hij stak zijn hand erin en haalde mijn hart eruit. Hij verdeelde het in twee stukken, haalde er iets zwarts uit en wierp het weg. En hij zei: “Dit was het aandeel van de shaytân in jouw lichaam. Wij hebben het eruit gehaald en weggeworpen. O geliefde van Allâhu ta’âlâ! Wij hebben je beveiligd tegen de influisteringen (waswasa)3 en de listen van de shaytân.” Daarna vulden zij mijn hart met iets fijns en zachts dat zij bij zich hadden. Zij verzegelden het met een zegel van nûr. Nog steeds voel ik de koelte van dat zegel in al mijn ledematen. Toen een van hen zijn hand op de geopende plek legde, genas mijn wond. Daarna wogen zij mij tegen tien mensen van mijn umma, en ik woog zwaarder. Zij wogen mij tegen duizend mensen, en weer woog ik zwaarder. Daarop zei een van hen tegen de ander: “Houd nu op hem te wegen. Bij Allah, ook al woog je hem tegen zijn hele umma, dan nog zou hij zwaarder wegen.” Daarna kuste ieder van hen mijn hand en mijn gezicht, en zij lieten mij hier achter en gingen weg.’ De geopende plek bleef zichtbaar op zijn gezegende borst.”4
Deze gebeurtenis, die onze geliefde Profeet overkwam en die in het eerste vers van soera al-Inshirâh van de Qur’ân al-karîm wordt meegedeeld, heet “Shaqq-i sadr”, dat wil zeggen het openen van zijn borst.
Nadat Muhammad ’alayhis-salâm het profeetschap was bekendgemaakt, zeiden enkele van de Metgezellen: “Yâ Rasûlallah! Wilt u ons over uzelf vertellen?” Hij zei: “Ik ben de smeekbede van mijn voorvader Ibrâhîm. Ik ben de blijde boodschap van mijn broeder Îsâ!
En ik ben de droom van mijn moeder. Toen zij zwanger van mij was, zag zij dat er een nûr van haar uitging die de paleizen van Syrië verlichtte… Ik ben gezoogd en grootgebracht bij de zonen van Sa’d ibn Bakr.”
Toen hij vier jaar was geworden, bracht Halîma Khâtûn hem naar Mekka en gaf hem terug aan zijn moeder. Zijn grootvader ’Abdulmuttalib gaf Halîma Khâtûn zeer grote geschenken en overlaadde haar met weldaden. Toen Halîma Khâtûn hem in Mekka achterliet, verwoordde zij de pijn van het afscheid met deze woorden: “Het is alsof mijn ziel en mijn hart bij hem zijn achtergebleven.”
“Zolang ik Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zoogde, was ik uiterst tevreden over hem. Hij maakte nooit iets vuil. Hij urineerde één keer per dag en nacht, en daarna niet meer tot datzelfde tijdstip” Halîma Khâtûn
Het overlijden van zijn geëerde moeder
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) groeide tot zijn zesde jaar op bij zijn moeder. Toen hij zes was, ging zijn moeder met hem en met een slavin die Umm Ayman heette naar Medina, om de verwanten en het graf van zijn vader ’Abdullah te bezoeken.
Zij bleven daar een maand. In Medina leerde onze Meester de Profeet zwemmen in een vijver die toebehoorde aan de zonen van Najjâr. In die tijd zag een joodse geleerde bij hem de tekenen van het profeetschap. Hij kwam dichterbij en vroeg hem naar zijn naam. Toen hij zei: “Ahmad”, riep die geleerde: “Dit kind zal de Profeet van de eindtijd worden!” Ook enkele andere joodse geleerden die daar waren, zagen bij hem het teken van het profeetschap en spraken er onder elkaar over dat hij profeet zou worden.
Umm Ayman, die deze woorden van hen hoorde, bracht onze moeder Âmina op de hoogte. Zijn gezegende moeder vreesde dat hem iets zou overkomen; zij nam hem mee en ging op weg terug naar Mekka. Toen zij op een plaats kwamen die Abwâ heette, werd onze moeder Âmina ziek. Haar ziekte verergerde en zij verloor vaak het bewustzijn.
Terwijl zij naar haar geliefde zoon Muhammad ’alayhis-salâm keek, die aan haar hoofdeinde stond, zei zij: “O zoon van hem die door de gunst en de hulp van Allâhu ta’âlâ, in ruil voor honderd kamelen, werd gered van de vreselijke pijl van de dood! Moge Allâhu ta’âlâ je gezegend maken. Als wat ik in mijn droom heb gezien uitkomt, zul jij door Allâhu ta’âlâ, de Bezitter van majesteit en overvloedige edelmoedigheid, gezonden worden om de kinderen van Âdam het halâl en het harâm bekend te maken. Janâb-i Haqq zal jou beschermen en behoeden voor de afgoden en de afgoderij die sinds oude tijden met de volken zijn meegekomen.” En zij sprak deze verzen uit:
Het nieuwe wordt oud, het levende sterft,
Wat veel is raakt op – wie blijft er jong?
Ook ik zal sterven; mijn enige verschil is dit:
Ik heb jou gebaard – dat is mijn eer.
Ik laat een goed kind achter,
Ik sluit mijn ogen met een gerust hart.
Mijn naam zal altijd op de lippen blijven,
De liefde voor jou leeft altijd voort in de harten.
Daarna overleed zij. Zij werd daar begraven. Onze moeder Âmina was twintig jaar oud toen zij overleed. Umm Ayman nam de Meester der werelden met zich mee en bracht hem na een reis van enkele dagen naar Mekka, waar zij hem aan zijn grootvader ’Abdulmuttalib toevertrouwde.5
Zijn ouders waren gelovigen
De vader en de moeder van Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) waren van de religie van Ibrâhîm ’alayhis-salâm.6 Dat wil zeggen: zij waren gelovigen. De geleerden van de islam hebben bekendgemaakt dat zij van de religie van Ibrâhîm ’alayhis-salâm waren en dat zij, nadat Muhammad ’alayhis-salâm het profeetschap was bekendgemaakt, weer tot leven werden gewekt om tot zijn umma te behoren, de kalima-i shahâda hoorden en uitspraken, en zo ook tot deze umma gingen behoren.7
Bij zijn gezegende grootvader
Muhammad ’alayhis-salâm groeide tot zijn achtste jaar op bij zijn grootvader. Zijn grootvader ’Abdulmuttalib was een geliefd man in Mekka, die verschillende zaken bestuurde; hij was ontzagwekkend, geduldig, van goed karakter, oprecht, moedig en vrijgevig. Hij gaf de armen te eten en gaf zelfs voedsel aan dieren die honger en dorst leden.
Hij geloofde in Allâhu ta’âlâ en in het hiernamaals. Hij hield zich ver van het kwade en bleef weg van alle lelijke gewoonten van de Jâhiliyya (de tijd van onwetendheid). In Mekka verhinderde hij onderdrukking en onrecht, en de gasten die kwamen, ontving hij met eer. Het was zijn gewoonte zich in de maand Ramadân terug te trekken op de berg Hirâ. ’Abdulmuttalib, die van kinderen hield en vol tederheid was, drukte zijn geliefde kleinzoon aan zijn borst en liet hem dag en nacht niet van zijn zijde gaan. Hij toonde hem grote liefde en tederheid. In de schaduw van de Ka’ba zat hij met hem op het kussen dat alleen voor hemzelf bestemd was, en tegen wie hem wilden tegenhouden zei hij: “Laat mijn zoon met rust; zijn glorie is verheven.”8 Hij drukte Umm Ayman, de kinderverzorgster van onze Meester de Profeet, met nadruk op het hart goed voor hem te zorgen en zei: “Zorg goed voor mijn zoon. De mensen van het Boek zeggen over deze zoon van mij dat hij de profeet van deze umma zal worden.” Umm Ayman zei: “In zijn kinderjaren heb ik hem nooit over honger of dorst horen klagen. ’s Morgens dronk hij een slok Zamzamwater. Wanneer wij hem te eten wilden geven, zei hij: ‘Ik wil niet, ik ben verzadigd.’”
Wanneer ’Abdulmuttalib sliep of alleen in zijn kamer was, liet hij niemand bij zich binnen behalve Muhammad. Vol tederheid drukte hij hem aan zijn borst, streelde hem en genoot buitengewoon van zijn woorden en zijn gebaren. Aan tafel nam hij hem naast zich, zette hem op zijn knie, gaf hem het beste en lekkerste van het eten, en ging niet aan tafel zitten voordat hij was gekomen. Over hem zag hij vele dromen, en van vele gebeurtenissen was hij getuige.
Eens heerste er in Mekka droogte en hongersnood. Naar aanleiding van een droom die hij had gezien, nam ’Abdulmuttalib Muhammad ’alayhis-salâm bij de hand, beklom de berg Abû Qubays en deed deze smeekbede: “O Allah, verblijd ons omwille van dit kind met een gezegende regen.” Zijn smeekbede werd aanvaard en er viel overvloedig regen. De dichters van die tijd bezongen deze gebeurtenis in hun gedichten.
De monnik uit Najrân
Op een dag, toen ’Abdulmuttalib bij de Ka’ba zat, kwam een monnik uit Najrân naar hem toe en begon met hem te praten. Op een gegeven moment zei hij: “Wij hebben gelezen dat in de boeken de kenmerken staan beschreven van de profeet die als laatste uit de zonen van Ismâ’îl zal komen. Deze plaats, dat wil zeggen Mekka, is zijn geboorteplaats. Zijn kenmerken zijn zus en zo!” – en hij begon ze een voor een op te sommen. Op dat moment kwam onze geliefde Profeet bij hen. De monnik uit Najrân begon hem aandachtig te bekijken; daarna kwam hij dichterbij, keek naar zijn ogen, zijn rug en zijn voeten, en zei vol opwinding:
“Janâb-i Haqq zal jou beschermen en behoeden voor de afgoden en de afgoderij die sinds oude tijden met de volken zijn meegekomen” Âmina Khâtûn
“Hij is het. Is dit kind uit jouw nageslacht?” Toen ’Abdulmuttalib zei: “Hij is mijn zoon!”, zei de monnik uit Najrân: “Volgens wat wij in de boeken hebben gelezen, mag zijn vader niet in leven zijn!” ’Abdulmuttalib legde uit: “Hij is de zoon van mijn zoon. Zijn vader is overleden toen zijn moeder zwanger was, nog voordat hij geboren werd.” Daarop zei de monnik: “Nu heb je de waarheid gesproken.” Toen zei ’Abdulmuttalib tegen zijn zonen: “Hoor wat er over de zoon van jullie broer wordt gezegd, en waak over hem en bescherm hem goed.”
Het overlijden van zijn gezegende grootvader
Toen het overlijden van ’Abdulmuttalib naderde, riep hij zijn zonen bijeen en zei: “Nu is voor mij de tijd gekomen om van deze wereld naar het hiernamaals te verhuizen. Mijn enige zorg is deze wees. Had ik maar een lang leven, dan zou ik deze dienst met liefde blijven verrichten! Maar wat valt eraan te doen? Mijn leven zal er niet lang genoeg voor zijn. Nu branden mijn hart en mijn tong in het vuur van dit verlangen. Ik wil deze parel aan een van jullie toevertrouwen. Wie van jullie zal zijn rechten naar behoren in acht nemen en in zijn dienst niet tekortschieten?” Abû Lahab knielde neer en zei: “O meester van de Arabieren! Als u iemand in gedachten hebt aan wie u dit toevertrouwde pand wilt overdragen, des te beter; zo niet, dan neem ik deze dienst op mij.” ’Abdulmuttalib zei tegen hem: “Je bezit is groot. Maar jij bent hardvochtig en hebt weinig barmhartigheid. En het hart van een wees is gewond en teer. Het breekt snel.” Ook enkele van zijn andere zonen herhaalden hetzelfde verzoek. ’Abdulmuttalib noemde de eigenschappen van ieder van hen en aanvaardde hen niet. Toen de beurt aan Abû Tâlib kwam, zei deze: “Ik wil dit meer dan zij allen. Maar zolang mijn oudere broers er waren, paste het mij niet voor te gaan. Mijn bezit is gering, maar mijn trouw is groter dan die van mijn broers.” ’Abdulmuttalib zei: “Je spreekt de waarheid. Jij bent het die deze dienst waard is. Maar ik raadpleeg hem in iedere zaak en handel naar zijn wens. En iedere keer kom ik tot het juiste resultaat. Ook hierover zal ik hem raadplegen. Wie van jullie hij verkiest, die aanvaard ook ik.”
Daarna wendde hij zich tot onze geliefde Profeet en vroeg: “O licht van mijn ogen! Met verlangen naar jou ga ik naar het hiernamaals. Welke van deze ooms van je kies jij?”
Onze Meester de Profeet stond meteen op, sloeg zijn armen om de hals van Abû Tâlib en ging op zijn schoot zitten. ’Abdulmuttalib was toen zeer opgelucht en zei: “Lof zij Allâhu ta’âlâ. Dit is ook wat ik wilde.” Daarna wendde hij zich tot Abû Tâlib en vroeg: “O Abû Tâlib! Deze parel heeft de tederheid van vader en moeder niet gekend. Zorg dus voor hem zoals het past en waak met heel je hart over hem. Ik houd jou voor beter dan mijn andere kinderen. Dit grote en zeer kostbare pand heb ik aan jou toevertrouwd. Want jij en zijn vader zijn van dezelfde moeder. Bescherm hem zoals je jezelf beschermt. Aanvaard je deze laatste wil van mij?”
“Ik aanvaard hem,” antwoordde hij. Toen omhelsde ’Abdulmuttalib onze geliefde Profeet, kuste zijn gezegende hoofd en gezicht en snoof zijn geur op. Daarna zei hij: “Wees allen getuige dat ik nooit een heerlijker geur heb geroken dan deze en nooit een mooier gezicht heb gezien dan dit.”9
Onder de bescherming van Abû Tâlib
Na het overlijden van zijn grootvader begon de Meester van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) vanaf zijn achtste jaar bij zijn oom Abû Tâlib te wonen, en hij groeide onder diens bescherming op. Abû Tâlib was in die tijd, net als zijn vader ’Abdulmuttalib, een van de vooraanstaanden van de Quraysh in Mekka: een geliefd en gerespecteerd man naar wiens woord men luisterde. Ook hij toonde onze Meester de Profeet grote liefde en tederheid. Hij hield meer van hem dan van zijn eigen kinderen; zonder hem bij zich te hebben sliep hij niet en ging hij nergens heen, en hij zei: “Jij bent zeer goed, zeer gezegend!” Abû Tâlib begon niet te eten voordat Muhammad zijn hand had uitgestrekt; hij wilde dat die als eerste begon. Soms liet hij voor hem een aparte tafel dekken. Wanneer hij ’s morgens wakker werd, zagen zij dat zijn gezicht straalde als de maan en dat zijn haren gekamd waren. Abû Tâlib had niet veel bezit, en zijn gezin was groot. Nadat hij Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) onder zijn bescherming had genomen, kreeg hij overvloed en zegen. Toen de mensen door de droogte in Mekka in nood raakten, nam Abû Tâlib hem mee naar de Ka’ba en deed een smeekbede. Door zijn zegen viel er overvloedig regen. Zij werden gered van de droogte en de hongersnood.10
Uit het geslacht van Ghâlib zal een Profeet opstaan,
Tussen Zamzam en de Steen zal hij staan.
Help hem, met heel het volk van de stad,
O zonen van ’Âmir, het geluk ligt in hem te helpen.
“Nu is voor mij de tijd gekomen om van deze wereld naar het hiernamaals te verhuizen. Mijn enige zorg is deze wees. Had ik maar een lang leven, dan zou ik deze dienst met liefde blijven verrichten! Maar wat valt eraan te doen? Mijn leven zal er niet lang genoeg voor zijn. Nu branden mijn hart en mijn tong in het vuur van dit verlangen” ’Abdulmuttalib
De reis Mekka–Busrâ
De monnik Bahîra
Toen onze geliefde Profeet ongeveer twaalf jaar oud was, zag hij op een dag dat Abû Tâlib zich voorbereidde op een handelsreis. Toen hij begreep dat Abû Tâlib hem niet wilde meenemen, werd hij bedroefd en zei tegen hem: “Bij wie laat u mij in deze stad achter als u weggaat? Ik heb geen vader en niemand die medelijden met mij heeft!…” Deze woorden troffen Abû Tâlib diep, en hij besloot hem ook mee te nemen. Na een lange reis hield de handelskaravaan halt in Busrâ, bij een klooster van de christenen.11
In dit klooster woonde een monnik die Bahîra heette. Deze geleerde monnik, die vroeger een van de joodse geleerden was geweest en later christen was geworden, bezat een boek dat van hand tot hand was doorgegeven en in het geheim werd bewaard, en daaruit beantwoordde hij de vragen die hem werden gesteld. Hoewel de karavaan van de Quraysh in de voorgaande jaren vele malen langs deze plek was getrokken, had hij er nooit aandacht aan geschonken. Iedere ochtend klom hij op het dak van het klooster, keek in de richting waar de karavanen vandaan kwamen en wachtte zoekend en nieuwsgierig op iets. Maar deze keer gebeurde er iets met de monnik Bahîra: vol opwinding schrok hij op en sprong overeind. Want toen de karavaan van de Quraysh in de verte zichtbaar werd, merkte hij op dat er een wolk met hen mee kwam aanzweven. Deze wolk gaf onze Meester de Profeet schaduw. Toen de karavaan halt hield, zag Bahîra ook dat de takken van de boom waaronder Habîb-i akram was gaan zitten, zich over hem heen bogen, en hij raakte nog meer in opwinding. Onmiddellijk liet hij tafels dekken. Daarna stuurde hij iemand en nodigde allen die in de karavaan van de Quraysh waren voor de maaltijd uit. De mensen van de karavaan lieten onze geliefde Profeet bij hun goederen achter en gingen naar de monnik. Bahîra keek aandachtig naar wie gekomen waren en vroeg: “O mensen van de Quraysh, is er onder jullie iemand die niet naar de maaltijd is gekomen?” Zij zeiden: “Ja, er is één persoon.” Want hoewel de Quraysh gekomen waren, was de wolk er nog steeds. Toen hij dat zag, had hij begrepen dat er iemand bij de karavaan was achtergebleven. De monnik Bahîra drong erop aan dat ook hij zou komen. Zodra hij kwam, begon Bahîra hem aandachtig te bekijken en te onderzoeken. Hij vroeg Abû Tâlib: “Is dit kind uit jouw nageslacht?” Toen Abû Tâlib zei: “Hij is mijn zoon,” zei Bahîra: “In de boeken staat geschreven dat de vader van dit kind niet in leven zal zijn; hij is niet jouw zoon.” Deze keer antwoordde Abû Tâlib: “Hij is de zoon van mijn broer.” Op de vraag van Bahîra: “Wat is er met zijn vader gebeurd?” zei hij: “Zijn vader is kort voor zijn geboorte overleden.” Bahîra zei: “Je hebt de waarheid gesproken. En wat is er met zijn moeder gebeurd?” Abû Tâlib antwoordde: “Ook zij is overleden.” Daarop zei Bahîra: “Je hebt de waarheid gesproken,” wendde zich tot onze Meester de Profeet en vroeg hem te zweren bij de afgoden. Maar onze geliefde Profeet zei tegen Bahîra: “Laat mij niet zweren bij de namen van de afgoden. Er is voor mij in deze wereld geen grotere vijand dan zij. Ik verafschuw hen.”
Toen liet Bahîra hem zweren bij Allâhu ta’âlâ en vroeg: “Slaap jij?” Hij zei: “Mijn ogen slapen, maar mijn hart slaapt niet.”
Bahîra stelde nog vele andere vragen en kreeg de antwoorden. De antwoorden die hij kreeg, kwamen precies overeen met de boeken die hij vroeger had gelezen. Daarna keek hij naar de gezegende ogen van onze geliefde Profeet en vroeg Abû Tâlib:
“Ik getuig dat jij de Rasûl van Allâhu ta’âlâ bent!.. Hier is de Meester der werelden… Hier is de Rasûl van de Heer der werelden… Hier is de grote Profeet die Allâhu ta’âlâ als barmhartigheid voor de werelden heeft gezonden!” De monnik Bahîra
“Is deze roodheid altijd in zijn gezegende ogen?”
“Ja, wij hebben haar nooit zien verdwijnen,” antwoordde hij.
Toen Bahîra zag dat ook dit teken klopte, wilde hij, opdat zijn hart volledige zekerheid zou krijgen, het zegel van het profeetschap zien. Maar onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wilde uit welvoeglijkheid zijn gezegende rug niet ontbloten.
Toen zei Abû Tâlib: “O licht van mijn ogen! Vervul ook deze wens van hem!” Daarop ontblootte hij zijn gezegende rug, en Bahîra aanschouwde het zegel van het profeetschap in al zijn schoonheid, naar hartenlust. Ontroerd kuste hij het, en de tranen stroomden als een vloed uit zijn ogen. Daarna zei hij:
“Ik getuig dat jij de Rasûl van Allâhu ta’âlâ bent!” En met nog luidere stem zei hij: “Hier is de Meester der werelden… Hier is de Rasûl van de Heer der werelden… Hier is de grote Profeet die Allâhu ta’âlâ als barmhartigheid voor de werelden heeft gezonden…”
De Quraysh die daar waren, zeiden verwonderd: “Hoe groot is de waarde van Muhammad in de ogen van deze monnik!”
Toen wendde Bahîra zich tot Abû Tâlib en zei:
“Dit is de laatste en de eervolste van de profeten. Zijn religie zal zich over de hele aarde verspreiden en de oude religies opheffen. Neem dit kind niet mee naar Syrië. Want de Kinderen van Israël zijn zijn vijanden. Ik vrees dat zij zijn gezegende lichaam schade zullen toebrengen. Over hem zijn vele verbonden en beloften gesloten.”
Abû Tâlib vroeg:
“Wat zijn die verbonden en beloften?” Bahîra antwoordde:
“Allâhu ta’âlâ heeft van alle profeten, en als laatste van Îsâ ’alayhis-salâm, de belofte afgenomen dat zij hun umma’s de komst van de Profeet van de eindtijd zouden bekendmaken.”
Na deze woorden van Bahîra zag Abû Tâlib ervan af naar Syrië te gaan. Hij verkocht zijn goederen in Busrâ en keerde terug naar Mekka.12 Wat hij van Bahîra had gehoord, bleef Abû Tâlib zijn hele leven in de oren klinken. Hij hield nog meer van onze Meester de Profeet. Tot zijn dood beschermde hij hem en hielp hem in al zijn zaken.
Zijn reis naar Jemen met zijn oom Zubayr
Onze geliefde Profeet, een uitzonderlijk mens die in al zijn toestanden deugden en schoonheden bezat, was opgegroeid en zeventien jaar geworden. In die tijd nam zijn oom Zubayr, die voor de handel naar Jemen ging, hem mee, opdat zijn handel gezegend zou zijn. Ook op deze reis werden vele buitengewone dingen bij hem gezien. Toen zij in Mekka terugkwamen, werden deze dingen verteld, en onder de stam Quraysh begon men te zeggen: “Zijn glorie zal zeer verheven worden.”13
