Mijn Geliefde Profeet

HIJ VEREERT DE WERELD MET ZIJN KOMST (ZIJN GEBOORTE)

De zeven lagen van de aarde en de zeven hemelen – kortom het hele universum – wachtten vol eerbied en vreugde op hun Meester, de Sayyid al-Mursalîn, de Khâtam al-Anbiyâ, de Habîb-i Hudâ. Alle schepselen hadden zich gereed gemaakt om hem in de taal van hun toestand toe te roepen: “Welkom, yâ Rasûlallah!” 53 jaar vóór de Hijra, vijfenvijftig dagen na de gebeurtenis van de Olifant, op de twaalfde van de maand Rabî’ al-awwal, in de nacht van zondag op maandag, tegen het ochtendgloren, werd in Mekka, in de wijk van de zonen van Hâshim, in een huis bij de heuvel Safâ, hij geboren op wie zo vurig werd gewacht: de nûr van Allâhu ta’âlâ, Muhammad Mustafâ (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam). Door zijn komst kwam het universum opnieuw tot leven. De duisternis werd plotseling verlicht door de “Nûr”.1

Dit is de nacht waarin die edele
Met zijn nûr de werelden verfraait.
Deze nacht maakt hij de wereld tot een Paradijs,
Deze nacht schenkt de Haqq de dingen barmhartigheid.
Deze nacht verheugen zich de mensen van het hart,
Voor deze nacht geven de minnaars hun ziel.
Mustafâ is barmhartigheid voor de werelden,
Mustafâ is de voorspreker van de zondaars.

Mijn umma, mijn umma

Âmina, de gelukkigste van de moeders, die de hoogste van alle eerbewijzen ontving, vertelde over haar zwangerschap: “In de dagen dat ik zwanger was van die Vorst, heb ik geen enkele pijn of last gekend. Ik merkte niet eens dat ik zwanger was. Maar na zes maanden zei op een dag, tussen slapen en waken, iemand tegen mij: ‘Weet jij van wie je zwanger bent?’ Toen ik antwoordde: ‘Ik weet het niet,’ deelde hij mij mee: ‘Weet dan dat je zwanger bent van de laatste van de profeten!’ Toen de bevalling naderde, kwam die persoon opnieuw en zei: ‘O Âmina! Geef het kind, wanneer het geboren is, de naam Muhammad.’ In een andere overlevering luidt het: ‘O Âmina! Geef het kind, wanneer het geboren is, de naam Ahmad!’”

Ook het moment van de bevalling vertelde onze moeder Âmina als volgt: “Toen het moment van de bevalling kwam, hoorde ik een ontzagwekkende stem. Ik begon te huiveren. Daarna zag ik een witte vogel, die kwam en met zijn vleugel over mij streek. Van angst en huivering bleef geen spoor over. Op dat ogenblik kreeg ik dorst; het was alsof ik brandde van hitte. Naast mij zag ik een kom sorbet, wit als melk. Die gaven zij mij te drinken. Ik dronk; hij was zoeter dan honing, en koel. Mijn dorst was voorbij. Daarna zag ik een grote nûr; mijn huis werd zo vol nûr dat ik niets anders zag dan die nûr.

Willen jullie van het vuur gered worden,
Spreek dan met liefde en vurig de salât uit!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Habîballah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Nûra ’Arshillah.

“Ik ben de habîb van Allâhu ta’âlâ, Zijn geliefde. Ik ben de leider der profeten. Ik zeg het niet om te roemen” Hadîth sharîf

De vroegere plaats van het huis waarin onze Meester de Profeet werd geboren (Tegenwoordig is hier de Bibliotheek van Mekka gevestigd)

Het huis waarin onze Meester de Profeet werd geboren, behoorde toe aan zijn overgrootvader Hâshim ibn ’Abdu Manâf. Het lag 300–400 meter ten noordoosten van de Ka’ba.

Tijdens de Hijra vertrouwde onze Meester de Profeet dit gezegende huis toe aan ’Aqîl ibn Abî Tâlib. De kleinzonen van ’Aqîl verkochten het aan Muhammad ibn Yûsuf Thaqafî.

Later werd dit gezegende huis gekocht door Khayzurân Khâtûn, de moeder van Hârûn ar-Rashîd, en tot moskee gemaakt.

Deze moskee, die door de Abbasiden en de Mamelukken werd bewaard, werd ook in de Ottomaanse tijd met zorg in stand gehouden. Sultan Sulaymân Khan de Wetgever (Kanûnî) liet haar opnieuw bouwen.

In de loop van de geschiedenis werd zij vele malen hersteld.

In 1924 werd deze moskee afgebroken. Het huis dat hier in 1950 door shaykh ’Abbâs Qattân werd gebouwd, is sinds 1959 in gebruik als de Openbare Bibliotheek van Mekka.

Op dat moment zag ik vele vrouwen die mij omringden en mij dienden. Zij waren lang van gestalte en hun gezichten straalden als de zon. Zij leken op de meisjes van de stam van ’Abdu Manâf. Ik stond versteld van hun plotselinge verschijning. Een van hen zei: ‘Ik ben Âsiya, de vrouw van Fir’awn!’ En een andere: ’En ik ben Maryam bint ’Imrân; en dit zijn de hûrî’s2 van het Paradijs.’

Op datzelfde ogenblik zag ik een witte, lange zijden stof die van de hemel tot op de aarde reikte. Er werd gezegd: ‘Bedek hem voor de ogen van de mensen.’ Op dat moment verscheen er een zwerm vogels. Hun snavels waren van smaragd en hun vleugels van robijn. Ik was van angst gaan zweten, en uit de zweetdruppels die vielen verspreidde zich een geur van muskus. Terwijl ik in die toestand was, werd de sluier van mijn ogen weggenomen. Ik zag de hele aarde, van het oosten tot het westen. De engelen hadden mij omringd.

Meteen na zijn geboorte legde Muhammad ’alayhis-salâm zijn gezegende hoofd neer in sajda en hief hij zijn wijsvinger op. Daarna daalde uit de hemel een stuk witte wolk neer, dat hem omhulde. Ik hoorde een stem die zei: ‘Voer hem overal rond, van het westen tot het oosten. Voer hem rond, opdat de hele wereld hem ziet met zijn naam, zijn gestalte en zijn eigenschappen. Laat hen weten dat zijn naam Mâhî is, dat wil zeggen dat Allâhu ta’âlâ door hem de sporen van de shirk uitwist.’

Daarna verdween ook die wolk uit het zicht, en ik zag Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam) gewikkeld in een witte wollen doek. Op datzelfde moment kwamen er drie personen wier gezichten straalden als de zon. De een had een zilveren kan in de hand, de ander een waskom van smaragd en de derde een zijden doek. Het was alsof er muskus uit de kan druppelde. Zij legden mijn gezegende zoon in de waskom. Zij wasten zijn gezegende hoofd en voeten en wikkelden hem in de zijde. Daarna brachten zij een welriekende geur aan op zijn gezegende hoofd en kohl op zijn gezegende ogen, en verdwenen uit het zicht.”

Uit de hemel daalden de engelen, rij na rij,
En gingen, als om de Ka’ba, in tawâf om mijn huis.
De hûrî’s kwamen, groep na groep, met wierookgeur,
Door de nûr van hun gezichten werd mijn huis vol nûr.
Ook werd in de lucht een rustbed uitgespreid,
Sundus was zijn naam; een engel spreidde het uit.
Toen ik al deze dingen duidelijk voor mij zag,
Bleef ik op slag vol verwondering staan.
Plotseling spleet de muur open,
Drie hûrî’s kwamen en werden mij zichtbaar.
Sommigen zeggen dat van die drie schoonheden
De een Âsiya was, met een gelaat als de maan;
De ander was, zonder twijfel, Maryam Khâtûn,
En de derde een beeldschone uit de hûrî’s.
Vol vriendelijkheid kwamen die drie maangezichten
En groetten mij op datzelfde ogenblik.
Zij kwamen rondom mij zitten
En brachten elkaar de blijde boodschap van Mustafâ.

Toen Muhammad ’alayhis-salâm werd geboren, waren bij onze moeder Âmina: Shifâ Khâtûn, de moeder van ’Abdurrahmân ibn ’Awf; Fâtima Khâtûn, de moeder van ’Uthmân ibn Abi’l-’Âs; en Safiyya Khâtûn, de tante van onze Profeet. Ook zij hebben de nûr die zij zagen en de andere gebeurtenissen die plaatsvonden als volgt verteld:

Shifâ Khâtûn vertelt: “Ik was die nacht bij Âmina om haar te helpen. Ik hoorde dat Muhammad ’alayhis-salâm meteen na zijn geboorte een smeekbede deed en vurig smeekte. Uit het onzichtbare werd gezegd: ‘Yarhamuka Rabbuk’. Daarna kwam er een nûr tevoorschijn die zoveel licht gaf dat alles van het oosten tot het westen te zien was…” Shifâ Khâtûn, die nog van vele andere gebeurtenissen getuige was, zei: “Toen hem het profeetschap werd bekendgemaakt, was ik een van de eersten die zonder enige aarzeling tot het geloof kwamen.”

“Bij de Opstanding, wanneer iedereen zwijgt, zal ik spreken. Wanneer niemand zich kan verroeren, zal ik voor hen voorspraak doen” Hadîth sharîf

Alle schepselen werden vervuld van vreugde,
Het verdriet verdween, de wereld kwam weer tot leven.
Alle deeltjes van de wereld verhieven hun stem,
En riepen elkaar toe en zeiden: welkom!
Welkom, o verheven Sultan, welkom,
Welkom, o bron van de goddelijke kennis, welkom.
Welkom, o geheim van de Furqân, welkom,
Welkom, o geneesmiddel voor de pijn, welkom.
Welkom, o nachtegaal van de tuin der schoonheid,
Welkom, o vertrouweling van de Dhu’l-Jalâl.
Welkom, o maan en zon van Allah,
Welkom, o u die nooit van de Haqq gescheiden bent.
Welkom, o toevlucht van de zondige umma, welkom,
Welkom, o toevlucht van de hulpelozen, welkom.
Welkom, o oogappel van de Khalîl,
Welkom, o uitverkoren geliefde van de Jalîl.
Welkom, o barmhartigheid voor de werelden,
Welkom, u bent de voorspreker van de zondaars.
Welkom, o koning van de beide werelden,
Om u zijn het bestaan en de ruimte geschapen.

Safiyya Khâtûn vertelde: “Toen Muhammad ‘alayhis-salâm werd geboren, bedekte een nûr alles rondom. Meteen na zijn geboorte boog hij zich neer in sajda; daarna hief hij zijn gezegende hoofd op en zei met heldere tong: ‘Lâ ilâha illallâh, innî Rasûlullah.’ Toen ik hem wilde wassen, werd gezegd: ‘Wij hebben hem al gewassen gezonden.’ Men zag dat zijn navelstreng al was doorgesneden en dat hij besneden was. Meteen na zijn geboorte boog hij zich neer in sajda. Op dat moment zei hij zachtjes iets; ik bracht mijn oor bij zijn gezegende mond, en hij zei: ‘Ummatî, ummatî!’ (Mijn umma, mijn umma!).”3

Zo, met het gezicht naar de Baytullah, legde die Rasûl
Zijn gelaat op de grond en boog zich neer in sajda.
In sajda loven zijn hoofd en zijn tong de Haqq,
En met opgeheven vinger belijdt hij de tawhîd.
Hij zegt: “O mijn Mawlâ, tot U heb ik mijn gezicht gewend,
O Allah, schenk mij mijn umma.”
Met heel zijn hart zijn streven aan de Haqq verbindend,
Zei hij: “Mijn umma, o mijn umma!”

Toen onze geliefde Profeet werd geboren, was zijn grootvader ’Abdulmuttalib bij de edele Ka’ba, waar hij Allâhu ta’âlâ aanriep en smeekbeden deed. De geboorte werd hem als volgt als blijde boodschap aangekondigd:

Plotseling boog de Ka’ba zich in sajda neer in de richting van de Maqâm Ibrâhîm en keerde daarna in haar vroegere stand terug. ’Abdulmuttalib hoorde de Ka’ba in welsprekende taal zeggen: “Allâhu akbar! De stem van Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zal mij reinigen van de afgoden.” Op dat moment viel de afgod Hubal voorover. Er klonk een stem: “Âmina heeft een zoon ter wereld gebracht. Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zal de mensen uit de duisternis van de dwaling brengen naar de nûr van de rechte leiding (hidâya). Haqq ta’âlâ heeft hem als profeet gezonden tot de mensen en de jinn. O engelen, wees getuige dat hem de sleutels van alle schatten zijn gegeven. Vergeet de dag van zijn geboorte niet; laat die dag tot de Dag des Oordeels jullie feestdag zijn.” Toen ’Abdulmuttalib deze woorden hoorde, stond hij van verbazing sprakeloos. Met de gedachte “Droom ik soms?” streek hij met zijn hand over zijn borst. Weer hoorde hij een stem: “O hoofd van de Quraysh, wat maakt je zo bang?” Hij had de kracht niet om te antwoorden.

Toen hij het huis van Âmina naderde, zag hij een vogel op het dak. Die had zijn vleugels over het huis uitgespreid en het bedekt. De bergen van Mekka straalden van zijn nûr. Een witte wolk gaf het huis schaduw. Twee engelen die voor de deur stonden, beletten hem naar binnen te gaan. Terwijl hij dacht: “Wat is dit? Droom ik soms?”, drong de muskusgeur die van binnen kwam in zijn neus.

’Abdulmuttalib, die op de dag van de geboorte van Muhammad ’alayhis-salâm vele gebeurtenissen zag, was zeer verheugd over deze blijde boodschap en zei: “De glorie en de eer van deze zoon van mij zullen zeer verheven zijn.”4

Om zo’n groot geluk te vieren gaf ’Abdulmuttalib vanaf de zevende dag na de geboorte drie dagen lang een feestmaal voor de bevolking van Mekka. Bovendien liet hij in iedere wijk van de stad kamelen slachten en stelde hij die ter beschikking van mensen en dieren.5 Aan wie hem tijdens het feestmaal vroegen welke naam hij het kind had gegeven, antwoordde hij: “Ik heb hem de naam MUHAMMAD (sallallâhu ’alayhi wa sallam) gegeven.” En aan wie vroegen waarom hij hem niet de naam van een van zijn voorvaderen had gegeven, antwoordde hij: “Omdat ik wil dat Allâhu ta’âlâ en de mensen hem prijzen en roemen.”6 In een andere overlevering wordt meegedeeld dat het Âmina Khâtûn was die hem de naam “Muhammad” gaf.

O u wiens schoonheid een stralende volle maan is,
O u, de steun van allen die gevallen zijn.
O u, het geneesmiddel voor de pijn van de harten,
O u, de sultan van alle schepselen.
U bent de sultan van alle profeten,
Het licht van de ogen van de awliyâ en de reinen.
O u, het zegel op de troon van de risâla,
O u, het zegel van het profeetschap.

“Op de Dag des Oordeels ben ik de imam der profeten, hun prediker, en degene die voor hen allen voorspraak doet. Ik zeg dit niet om te roemen” Hadîth sharîf

Toen uw nûr de wereld verlichtte,
Maakte uw rozengelaat de wereld tot een rozentuin.
De duisternis van onwetendheid en dwaling verdween,
De tuin van de kennis bereikte zijn volmaaktheid.
Yâ Habîballah, kom ons te hulp,
Verblijd ons bij de laatste adem met de aanblik van uw gelaat.

Belangrijke gebeurtenissen in de nacht waarin Rasûlullah werd geboren

Vóór de geboorte van Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en op het moment van zijn geboorte vonden vele gebeurtenissen plaats als tekenen dat hij de wereld met zijn komst zou vereren. Bekende personen uit die tijd hadden al dromen gezien voordat onze Meester de Profeet geboren was. Wanneer zij hun dromen lieten uitleggen door de waarzeggers (kâhin) en de bekende geleerden van die tijd, zeiden dezen dat “deze dromen erop wezen dat Muhammad ’alayhis-salâm zou komen”.

‘Abdulmuttalib, de grootvader van onze geliefde Profeet, vertelde: “Eens was ik in slaap gevallen. Door de droom die ik zag, werd ik met een grote huivering wakker. Ik wilde meteen naar een waarzegger gaan om hem die te laten uitleggen. Toen ik bij hem kwam, keek hij mij in het gezicht en zei: ‘O hoofd van de Quraysh! Wat is er met je gebeurd? Je ziet er heel anders uit dan anders. Is er soms iets belangrijks gebeurd dat je in deze toestand heeft gebracht?’ Ik zei: ‘Ja, ik heb een vreselijke droom gezien die ik nog aan niemand heb verteld.’ Ik ging bij hem zitten en begon te vertellen:

’Vannacht zag ik in mijn droom een zeer grote boom. Het ene uiteinde reikte tot de hemel en zijn takken spreidden zich uit naar het oosten en het westen. Van die boom straalde zo’n nûr dat de zon ernaast maar zwak bleef.

Nu eens was hij te zien, dan weer verdween hij uit het zicht. De mensen hadden zich naar hem gewend. Ieder ogenblik nam zijn nûr toe. Sommigen van de stam Quraysh hielden zich vast aan de takken van die boom, en anderen probeerden hem om te hakken. Een jongeman hield degenen tegen die hem wilden omhakken. Hij had een heel mooi gezicht; tot nu toe heb ik nog nooit zo’n gezicht gezien. Bovendien verspreidden zich van zijn lichaam heerlijke geuren. Ik strekte mijn hand uit om een tak van de boom te grijpen, maar ik kon hem niet bereiken.’

Toen ik mijn droom had verteld, veranderde het gezicht van de waarzegger.

Hij werd bleek. Daarna zei hij: ‘Daarin heb jij geen aandeel!’ Ik vroeg: ‘Wie heeft er dan een aandeel in?’ Hij zei: ‘Zij die zich aan de takken van die boom vasthouden.’ En hij vervolgde: ‘Uit jouw nageslacht zal een profeet komen; hij zal over alle streken heersen, en de mensen zullen tot zijn religie toetreden.’ Daarna wendde hij zich tot mijn zoon Abû Tâlib, die bij mij was, en zei: ‘Deze zal waarschijnlijk zijn oom zijn.’” Abû Tâlib vertelde deze gebeurtenis aan onze Meester de Profeet toen hem het profeetschap was bekendgemaakt, en zei: “Die boom is Abu’l-Qâsim, al-Amîn, Muhammad ’alayhis-salâm.”

In de nacht waarin onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm ter wereld kwam, verscheen er een ster. De joodse geleerden die haar zagen, begrepen dat Muhammad ’alayhis-salâm geboren was.

Hassân ibn Thâbit, een van de Metgezellen, vertelt: “Ik was acht jaar oud. Op een ochtend rende een jood schreeuwend rond: ‘Hé, joden!’ Toen de joden zich om hem heen verzamelden en vroegen: ‘Wat is er? Waarom schreeuw je zo?’, antwoordde hij: ‘Weet dat vannacht de ster van Ahmad is opgegaan! Ahmad is vannacht ter wereld gekomen…’”

In de nacht waarin Rasûl-i akram werd geboren, vielen alle afgoden in de Ka’ba voorover op de grond.

’Urwa ibn Zubayr overlevert: “Een groep van de Quraysh had een afgod. Eenmaal per jaar liepen zij in tawâf om hem heen, slachtten kamelen en dronken wijn. Toen zij op zo’n dag weer bij de afgod kwamen, vonden zij hem voorover op de grond gevallen. Zij zetten hem overeind, maar hij viel weer om. Dit herhaalde zich drie keer. Terwijl zij hem daarop aan alle kanten goed steunden en rechtop zetten, klonk er een stem: ‘Er is iemand geboren; de hele aarde is in beweging gekomen. Alle afgoden die er zijn, zijn gevallen. De harten van de koningen beefden van angst!’” Deze gebeurtenis viel precies samen met de nacht waarin Muhammad ’alayhis-salâm werd geboren.

In de stad Madâ’in stortten de veertien torens (bastions) van het paleis van de Chosroes van Perzië in. De Chosroes en zijn volk, die die nacht door het lawaai en de schrik wakker werden, lieten de vreselijke dromen uitleggen die enkele van hun vooraanstaanden hadden gezien, en begrepen dat dit het teken was van iets groots.

De bekendste waarzeggers legden deze dromen zo uit: “Zij kondigen aan dat Syrië (Shâm), de Tigris, de Eufraat, Irak en Perzië het gebied van de islam zullen worden.”

“Ik ben ter wereld gebracht uit de besten, de uitverkorenen van de mensen die in iedere eeuw, in iedere tijd hebben geleefd” Hadîth sharîf

Makka al-Mukarrama en omgeving

Ook in die nacht doofden plotseling de enorme vuren van de majûs, dat wil zeggen de vuuraanbidders, die al duizend jaar brandden. Zij noteerden de datum waarop het vuur doofde: die viel samen met de nacht waarin de torens van het paleis van de Chosroes waren ingestort.

Ook trok in die nacht in één ogenblik het water weg uit het meer van Sâwa, dat toen als heilig gold, en viel het meer droog.

Het dal van de rivier de Samâwa, aan de kant van Syrië, waar al duizend jaar geen water meer had gestroomd en dat was uitgedroogd, liep die nacht vol, trad buiten zijn oevers en begon te stromen.

Vanaf de nacht waarin Muhammad ’alayhis-salâm werd geboren, konden de shaytâns en de jinn de waarzeggers van de Quraysh geen nieuws meer brengen over de gebeurtenissen. Aan de waarzeggerij kwam een einde…

In de nacht waarin Habîb-i akram werd geboren, en ook daarna, vonden behalve deze voorvallen, die tot dan toe nooit waren gezien, nog vele andere gebeurtenissen plaats. Dit alles waren tekenen dat de laatste Profeet, Muhammad ’alayhis-salâm, was geboren.7

De Nacht van de Mawlid

De nacht waarin onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) werd geboren, heet de Nacht van de Mawlid. Mawlid betekent “de tijd van de geboorte”.

Na de Nacht van Qadr is het de kostbaarste nacht, en omdat onze geliefde Profeet in deze nacht werd geboren, wordt hun die zich daarover verheugen vergeven.

In deze nacht levert het lezen, beluisteren en leren van de toestanden en wonderen die bij de geboorte van onze Meester de Profeet werden gezien, veel beloning (thawâb) op. Onze geliefde Profeet vertelde er ook zelf over.

Ook de Metgezellen kwamen in deze nacht op één plaats samen; zij herdachten die dag en lazen en vertelden erover.

De moslims in alle delen van de wereld vieren ieder jaar de twaalfde nacht van de maand Rabî’ al-awwal als de Nacht van de Mawlid. Overal worden de qasîda’s van de Mawlid gereciteerd en wordt de Sultan van het universum herdacht.

De umma van iedere profeet heeft de geboortedag van haar profeet tot een feestdag gemaakt. Ook deze dag is voor de moslims een feestdag, een dag van blijdschap en vreugde.

“Mij prijzen (mawlid en ilâhî’s reciteren) is aanbidding (’ibâda). Aanbidding onder het slaan op de daf (een instrument), te midden van vermaak en spel, is niet toegestaan” Hadîth sharîf

Âmina Khâtûn is zijn moeder,
Uit die parelmoerschelp werd die parel geboren.
In de maand Rabî’ al-awwal,
In de twaalfde nacht, de nacht vóór maandag,
In die nacht waarin de beste der mensen werd geboren,
Wat heeft zijn moeder toen al niet gezien!
De moeder van die Habîb zei: ik zag
Een wondere nûr, waar de zon als een mot omheen draait.
Als een bliksem schoot hij plotseling uit mijn huis,
Tot aan de hemelen werd de wereld vol nûr.
De hemelen gingen open, de duisternis verdween,
Ik zag drie engelen met drie lichten in de hand.
De een in het oosten, de ander in het westen,
De derde stond rechtop op het dak van de Ka’ba.
Op dat ogenblik riep de Ka’ba plotseling luid
En zei: vannacht is de zon van de wereld geboren.
O Allah, omwille van die Muhammad,
Omwille van Ahmad, de bron van de voorspraak,
Moge de Helper tevreden zijn met zijn umma,
Rahmatullâhi ’alayhim ajma’în.
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Habîballah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Nûra ’Arshillah!
Süleyman Çelebi