DE AHL AL-BAYT VAN ONZE MEESTER DE PROFEET
Alle leden van de familie van onze geliefde Profeet worden Ahl al-Bayt genoemd. Zijn gezegende echtgenotes, zijn dochter Fâtima en ’Alî, hun gezegende kinderen Hasan en Husayn, en ook al hun kinderen en kleinkinderen, en bovendien de zonen van Hâshim, aan wie de reine afstamming van onze Profeet verbonden is – zij allen zijn Ahl al-Bayt. De Ahl al-Bayt van Rasûlullah bestaat uit drie groepen: de eerste zijn zij die door afstamming, door bloed verwant zijn; zijn tantes van vaderszijde behoren hiertoe. De tweede zijn zijn reine echtgenotes. De derde zijn de dienstvrouwen die altijd in de huizen van zijn echtgenotes waren om hun haar te kammen, hun eten te koken, de kamers te vegen, de was te doen en het huishoudelijk werk te verrichten. Ook Bilâl, Salmân en Suhayb, die het werk buitenshuis deden en in de moskee de adhân lieten klinken, aten en dronken uit het Huis van Gelukzaligheid. Op een dag ging Rasûlullah naar het huis van zijn oom ’Abbâs, liet hem en zijn kinderen naast zich plaatsnemen, bedekte hen met zijn ihrâm en zei: “O mijn Heer! Dit is mijn oom, de broer van mijn vader. En dit zijn mijn Ahl al-Bayt. Zoals ik hen met deze mantel van mij bedek, zo bedek ook U hen en bescherm hen tegen het vuur van de Hel!”
De redenen voor de huwelijken van onze Meester de Profeet
Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) trouwde voor het eerst toen hij vijfentwintig jaar oud was, met Khadîja (radiyallâhu ’anhâ). Khadîja was veertig jaar oud en weduwe. Maar haar bezit, haar schoonheid, haar verstand, haar kennis, haar eer, haar afkomst, haar kuisheid en haar welgemanierdheid waren zeer groot. Zij leefden vijfentwintig jaar samen. Zolang Khadîja leefde, trouwde Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) met geen andere vrouw.
Na het overlijden van onze moeder Khadîja (radiyallâhu ’anhâ) trouwde onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) voor de tweede keer, toen hij vijfenvijftig jaar oud was, met onze moeder ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ), de dochter van Abû Bakr. Hij sloot de nikâh met haar op bevel van Allâhu ta’âlâ. Tot hij naar het hiernamaals vertrok, leefde hij acht jaar met haar. Zij was zeer verstandig, scherpzinnig, geleerd, beschaafd, kuis en vroom. Omdat haar geheugen zeer sterk was, vroegen de Metgezellen haar veel dingen en leerden die van haar.
Al zijn andere huwelijken sloot hij om religieuze of politieke redenen, of uit barmhartigheid en weldadigheid. Al deze vrouwen waren weduwen, en de meesten van hen waren op leeftijd. Bijvoorbeeld: toen de kwellingen en de schade die de ongelovigen in Mekka de moslims berokkenden een ondraaglijk peil bereikten, was een deel van de Metgezellen naar Abessinië geëmigreerd. De koning van Abessinië, de Negus, was christen. Hij stelde de moslims verschillende vragen, was vol bewondering over de rijpe antwoorden die hij kreeg, en kwam tot het geloof. Hij deed de moslims veel goeds. ’Ubaydullah ibn Jahsh echter, die tot het geloof gekomen leek te zijn, liet zich, om aan de armoede te ontkomen, door de priesters misleiden; hij werd een afvallige (murtadd) en ruilde zijn religie in voor de wereld.1 Deze vervloekte, die de zoon was van een tante van vaderszijde van onze Meester Rasûlullah, zette ook zijn vrouw Umm Habîba onder druk en spoorde haar aan de religie te verlaten en rijk te worden; maar toen zij zei dat zij armoede en dood zou aanvaarden, maar de religie van Muhammad ’alayhis-salâm niet zou verlaten, verstootte hij haar. Hij verwachtte dat zij in ellende zou wegkwijnen en sterven. Maar binnen korte tijd stierf hij zelf. Umm Habîba was de dochter van Abû Sufyân, die toen de opperbevelhebber van de Quraysh in Mekka was. Onze Meester Rasûlullah voerde in die tijd zeer zware veldslagen tegen de legers van de Quraysh, en Abû Sufyân streed met al zijn krachten om de islam te vernietigen. Rasûlullah hoorde van de kracht van het geloof van onze moeder Umm Habîba (radiyallâhu ’anhâ) en van de zeer bittere toestand die haar was overkomen. Hij schreef de Negus een brief en vroeg: “Ik zal trouwen met Umm Habîba, die daar is. Sluit mijn nikâh! Zend haar daarna hierheen.” De Negus was al eerder moslim geworden. Hij toonde grote eerbied voor de brief, nodigde de moslims die daar waren in zijn paleis uit en gaf een feestmaal. In het zevende jaar van de Hijra werd de nikâh gesloten, en hij gaf geschenken en gaven. Zo ontving Umm Habîba de beloning voor haar geloof en leefde zij daar welgesteld en in rust. Dankzij haar kregen ook de andere moslims rust. Omdat de vrouwen in het Paradijs bij hun echtgenoten zullen zijn, ontving zij het blijde nieuws van de hoogste graad van het Paradijs – en naast dit blijde nieuws worden alle genoegens en gunsten van de wereld zeer klein. Deze nikâh was een van de oorzaken die voor Abû Sufyân de weg baanden naar de eer later moslim te worden. Zoals men ziet, toont deze nikâh ook de graad van het verstand, de scherpzinnigheid, de genialiteit, de weldadigheid en de barmhartigheid van Rasûlullah.2
Een tweede voorbeeld: Hafsa (radiyallâhu ’anhâ), onze moeder, de dochter van ’Umar, was weduwe geworden. Toen ’Umar in het derde jaar van de Hijra aan Abû Bakr en aan ’Uthmân vroeg: “Wil je met mijn dochter trouwen?”, zeiden zij: “Ik zal erover nadenken.” Toen op een dag alle drie en nog anderen bij onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) waren, vroeg hij: “O ’Umar! Ik zie dat je bedroefd bent; wat is de reden?” Zoals men de kleur van de inkt in een flesje gemakkelijk ziet, zo begreep onze Meester Rasûlullah in één oogopslag wat ieder dacht. Als hij het nodig vond, vroeg hij ernaar. Omdat het voor ons fard is tegen hem, ja tegen iedereen, de waarheid te spreken, antwoordde ’Umar: “Yâ Rasûlallah! Ik heb mijn dochter aan Abû Bakr en aan ’Uthmân aangeboden, en zij hebben haar niet genomen.” Omdat Rasûlullah geenszins wilde dat deze drie Metgezellen, van wie hij het meest hield, bedroefd zouden zijn, zei hij onmiddellijk, om hen te verblijden: “O ’Umar! Wil je dat ik je dochter geef aan iemand die beter is dan Abû Bakr en dan ’Uthmân?” ’Umar was verbaasd, want hij wist dat er niemand beter was dan Abû Bakr en dan ’Uthmân. Hij zei: “Ja, yâ Rasûlallah!” Rasûlullah zei: “O ’Umar, geef mij je dochter!” Zo werd Hafsa de moeder van Abû Bakr, van ’Uthmân en van alle gelovigen, en werden zij haar dienaren; en Abû Bakr, ’Umar en ’Uthmân werden elkaar nog nader en nog dierbaarder.3
Een derde voorbeeld: in het vijfde of zesde jaar van de Hijra was onder de honderden gevangenen die van de stam Banû Mustaliq waren genomen, Juwayriya, de dochter van Hârith, het hoofd van de stam. Hij kocht haar, liet haar vrij en sloot met haar de nikâh. Toen zeiden alle Metgezellen (’alayhimur-ridwân): “Wij schamen ons de verwanten van de familie van onze Meester Rasûlullah, van onze moeder, als slavinnen en dienstboden te gebruiken.” Allen lieten hun gevangenen vrij. Deze nikâh was de oorzaak van de vrijlating van honderden gevangenen. Onze moeder Juwayriya (radiyallâhu ’anhâ) vertelde dit altijd en was er trots op. ’Âisha zei: “Ik heb geen vrouw gezien die beter en gezegender was dan Juwayriya.”4 In een hadîth sharîf werd gezegd: “Mijn huwelijken met al mijn echtgenotes en het uithuwelijken van mijn dochters – alles is geschied met de toestemming die Jibrîl (’alayhis-salâm) van Allâhu ta’âlâ bracht.”
Een belangrijke reden waarom onze Meester Rasûlullah vele malen trouwde, was ook het bekendmaken van de religie van de islam. Voordat het vers van de hijâb kwam, dat wil zeggen voordat de vrouwen werd bevolen zich te bedekken, kwamen ook de vrouwen naar Rasûlullah om te vragen en te leren wat zij niet wisten. Als Rasûlullah naar iemands huis ging, kwamen ook de vrouwen, gingen zitten, luisterden en hadden er baat bij. Toen het vers van de hijâb kwam en het de vrouwen werd verboden met vreemde mannen samen te zitten en te praten, ontving hij geen vreemde vrouwen meer. Hij beval hun wat zij niet wisten aan zijn gezegende echtgenote ’Âisha te vragen en van haar te leren. Door de menigte van hen die kwamen vragen, had ’Âisha geen tijd om iedereen te antwoorden. Om deze belangrijke dienst te vergemakkelijken en de last van onze moeder ’Âisha te verlichten, sloot hij de nikâh met zoveel vrouwen als nodig was. Honderden delicate kwesties die de vrouwen betreffen, maakte hij via zijn gezegende echtgenotes aan de moslimvrouwen bekend. Als hij één echtgenote had gehad, zou het moeilijk, ja zelfs onmogelijk zijn geweest dat alle vrouwen het haar vroegen. Om de religie van Allâhu ta’âlâ volledig bekend te maken, nam hij ook de last van vele huwelijken op zijn schouders.
De gezegende echtgenotes van onze Meester de Profeet
Khadîjat al-Kubrâ (radiyallâhu ’anhâ): Zij kwam uit een adellijke, voorname familie van de Quraysh. Zij was de dochter van Khuwaylid ibn Asad ibn ’Abdul’uzzâ ibn Qusayy. Zij is de eerste echtgenote van Rasûlullah. Haar vader was Khuwaylid, haar moeder Fâtima. Zij trouwde met Rasûlullah toen zij veertig jaar oud en weduwe was. Rasûlullah was toen vijfentwintig. Van haar kreeg hij vier dochters en twee zonen. Als weduwe dreef zij handel. Zij had zaakwaarnemers, schrijvers en slaven. Zij was zeer rijk, geleerd en verstandig. Zij is de eerste vrije vrouw die tot het geloof kwam. Toen Jibrîl ’alayhis-salâm voor het eerst verscheen, was Rasûlullah bang geworden. Hij vertelde dit aan Khadîja. Als allereerste kwam Khadîja (radiyallâhu ’anhâ) tot het geloof. De ongelovigen aanbaden afgodsbeelden, geloofden niet in Rasûlullah en spotten met hem. Zij kwelden hem zeer. Khadîja (radiyallâhu ’anhâ) troostte Rasûlullah en gaf hem moed. Al haar bezit en eigendom offerde zij voor hem op. Vijfentwintig jaar diende zij Rasûlullah met trouw. Nooit heeft zij hem gekwetst.
Zij overleed drie jaar vóór de Hijra, drie dagen na de dood van Abû Tâlib, op vijfenzestigjarige leeftijd, in Makka al-Mukarrama.
Tot aan zijn overlijden prees Rasûlullah haar steeds. Toen hij haar op een dag thuis prees, kon onze moeder ’Âisha zich niet inhouden en zei: “Janâb-i Haqq heeft u iemand gegeven die beter is dan zij.” Toen zei hij: “Nee! Er is mij geen betere dan zij gegeven. In de dagen dat iedereen mij een leugenaar noemde, geloofde zij in mij. Toen iedereen mij kwelde, was zij mijn steun. Zij verdreef mijn verdriet.”
Khadîja en haar dochter Fâtimat az-Zahrâ zijn twee van de vier vrouwen van wie in een hadîth sharîf is meegedeeld dat zij de verhevenste zijn van alle vrouwen in de wereld. De derde is Âsiya, de vrouw van Fir’awn, en de vierde Maryam (radiyallâhu ta’âlâ ’anhunna).
“Mijn huwelijken met al mijn echtgenotes en het uithuwelijken van mijn dochters – alles is geschied met de toestemming die Jibrîl (’alayhis-salâm) van Allâhu ta’âlâ bracht” Hadîth sharîf
’Âisha (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de tweede reine echtgenote van Rasûlullah. Zij is de dochter van Abû Bakr as-Siddîq. Haar moeder was Umm Rûmân. Zij werd acht jaar vóór de Hijra geboren. Zij had geen kinderen. Haar nikâh werd gesloten een jaar na het overlijden van Khadîjat al-Kubrâ en twee jaar vóór de Hijra. Drie jaar later, in Medina, werd zij de eer deelachtig in de Hujra-i Sa’âdat te worden gebracht. Haar verstand, haar scherpzinnigheid, haar kuisheid en haar taqwâ waren verbazingwekkend groot. Rasûlullah hield veel van haar en prees haar veel. Haar nikâh werd op bevel van Allâhu ta’âlâ gesloten. Zij werd in een edel vers geprezen. De Metgezellen wendden zich tot haar om hun moeilijkheden op te lossen. Toen Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ‘alayhi wa sallam) overleed, was zij achttien jaar oud. Omdat haar ijtihâd niet overeenstemde met die van ‘Alî, stond zij bij de Slag van de Kameel aan de kant van de Metgezellen die tegen ‘Alî streden. Toen ‘Alî martelaar werd gemaakt, was zij zeer bedroefd. De hurûfîs belasteren haar zeer. Zij zeggen dat zij niet van ‘Alî hield. Maar het was juist ‘Âisha die de hadîth sharîf “’Alî liefhebben behoort tot het geloof” heeft overgeleverd. Zo maakte zij bekend dat zij van hem hield en dat iedereen van hem moet houden. Zij overleed in het zevenenvijftigste jaar van de Hijra, op vijfenzestigjarige leeftijd, in Medina. Haar graf ligt in de Baqî’.
Sawda bint Zam’a (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de derde echtgenote van Rasûlullah. Zij was met haar man tot het geloof gekomen en naar Abessinië geëmigreerd. Toen zij naar Mekka terugkeerden, overleed haar man. Rasûlullah sloot eerst de nikâh met ’Âisha en daarna met Sawda. Sawda nam hij in Mekka in zijn huis op, ’Âisha in Medina. Zij was een zeer barmhartige en kuise dame. Zij overleed in de tijd van ’Umar.5
Hafsa (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de dochter van ’Umar (radiyallâhu ’anh). Haar eerste man was Khunays. Zij emigreerden samen naar Abessinië en naar Medina. Toen zij op jonge leeftijd weduwe werd, bood haar vader haar aan Abû Bakr en daarna aan ’Uthmân aan. Beiden verontschuldigden zich. ’Umar was bedroefd. In het derde jaar van de Hijra werd zij de eer van de nikâh met Rasûlullah deelachtig. Na enige tijd verstootte Rasûlullah Hafsa. Daarna sloot hij op aanwijzing van Jibrîl ’alayhis-salâm opnieuw de nikâh met haar. Zij vastte veel en verrichtte veel gebeden. Zij overleed in het jaar 41 van de Hijra, op zestigjarige leeftijd.
Zaynab bint Khuzayma (radiyallâhu ’anhâ): Zij verrichtte veel aanbidding en gaf veel sadaqa. Eerder was zij de vrouw van ’Abdullah ibn Jahsh. ’Abdullah was de zoon van Umayma, een tante van vaderszijde van Rasûlullah, en werd in de Slag bij Uhud martelaar. Zij werd de eer van de nikâh met Rasûlullah deelachtig, maar overleed acht maanden later.6
Umm Salama (radiyallâhu ’anhâ): Haar naam was Hind. Met haar man Abû Salama behoorde zij tot de eersten die naar Abessinië emigreerden. Abû Salama, de broer van ’Ubaydullah ibn Jahsh, de zoon van Barra, een tante van vaderszijde van Rasûlullah, overleed in Medina in het vierde jaar van de Hijra aan de wond die hij in de Slag bij Uhud had opgelopen. Zij aanvaardde de huwelijksaanzoeken van Abû Bakr en ’Umar niet. Zij werd de eer van de nikâh met Rasûlullah deelachtig. Zij overleed in het negenenvijftigste jaar in Medina, op vierentachtigjarige leeftijd. Zij was de laatste van zijn echtgenotes die overleed.7
“Nee! Er is mij geen betere dan zij (dan Khadîja) gegeven. In de dagen dat iedereen mij een leugenaar noemde, geloofde zij in mij. Toen iedereen mij kwelde, was zij mijn steun. Zij verdreef mijn verdriet” Hadîth sharîf
Juwayriya (radiyallâhu ’anhâ): Zij was de dochter van Hârith, het hoofd van de stam Banû Mustaliq. Zij was gevangengenomen in de Slag bij Muraysî’, die in het vijfde jaar van de Hijra plaatsvond. Haar man, die de zoon van haar oom van vaderszijde was, werd in de strijd gedood. Zij was twintig jaar oud en zeer bevallig, dat wil zeggen mooi. Toen Juwayriya te koop werd aangeboden, bracht haar vader volgens een overlevering een kudde kamelen naar Medina om haar vrij te kopen. Twee voortreffelijke kamelen kon hij niet missen, en hij verborg ze buiten de stad. Rasûl ’alayhis-salâm zei: “Breng ook de twee kamelen die je op die en die plaats hebt verborgen.” Hârith stond versteld en kwam met twee van zijn zonen en nog vele anderen tot het geloof. Rasûl ’alayhis-salâm nam de kamelen aan en gaf hem zijn dochter terug. Ook de dochter kwam tot het geloof. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) vroeg Juwayriya ten huwelijk bij haar vader en sloot met haar de nikâh. Zij overleed in het zesenvijftigste jaar van de Hijra.
Zaynab bint Jahsh (radiyallâhu ’anhâ): Zij was de dochter van Umayma, een tante van vaderszijde van Rasûlullah, en de zuster van ’Abdullah ibn Jahsh. De naam van haar vader was Burra; omdat hij niet tot het geloof kwam, noemde men hem Jahsh. Zaynab behoorde tot de eersten die tot het geloof kwamen.
Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) huwde haar eerst uit aan zijn aangenomen zoon Zayd ibn Hâritha. Omdat Zayd de rechten van Zaynab niet in acht kon nemen, gingen zij in het derde jaar van de Hijra uit elkaar. Rasûl ’alayhis-salâm wilde de nikâh met haar sluiten. Toen Zaynab dit hoorde, verrichtte zij van vreugde een gebed van twee rak’a’s en deed deze smeekbede: “O mijn Heer! Uw Rasûl wil mij. Als U hebt bestemd dat ik de eer krijg zijn echtgenote te zijn, geef mij dan aan hem.” Haar smeekbede werd aanvaard, en het zevenendertigste vers van soera al-Ahzâb werd geopenbaard, met de betekenis: “Toen Zayd met betrekking tot haar had gedaan wat hij wilde (dat wil zeggen: toen hij Zaynab had verstoten), hebben Wij haar jou tot vrouw gegeven.” Omdat Allâhu ta’âlâ de nikâh van Zaynab had gesloten, sloot onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) niet nog eens de nikâh. Zaynab (radiyallâhu ’anhâ) was daar altijd trots op en zei: “Iedere vrouw wordt door haar vader uitgehuwelijkt. Mij echter heeft Allâhu ta’âlâ uitgehuwelijkt.” Zij was toen achtendertig jaar oud. Zij overleed in het twintigste jaar van de Hijra, op drieënvijftigjarige leeftijd.8 Zij deed veel goed, was zeer weldadig en gaf heel graag sadaqa. Ook was zij bedreven in handwerk. Wat zij maakte en alles wat haar in handen kwam, gaf zij aan haar verwanten en aan de armen. De kalief ’Umar gaf elk van de reine echtgenotes van de Profeet twaalfduizend dirham. Zaynab bint Jahsh gaf het, zodra zij het ontving, helemaal als sadaqa weg en verdeelde het. ’Âisha heeft haar daarom zeer geprezen en geroemd. De hadîth sharîf “Van mijn echtgenotes zal degene die als eerste bij mij komt, degene zijn met de open hand”9 had bekendgemaakt dat zij als eerste zou overlijden, want zij was het die de meeste sadaqa gaf.
De onbeschaamde en lasterlijke Franse dichter Voltaire heeft over het huwelijk van Rasûlullah met Zaynab in verzen een toneelstuk geschreven vol verzonnen, laaghartige lasterpraat, in volstrekte tegenspraak met de geschiedenis, met de gebeurtenissen en met de overleveringen. Dit lelijke, weerzinwekkende geschrift, een letterkundige en denker onwaardig, viel in de smaak bij de paus, zijn grote vijand, die hem in de ban had gedaan, en de paus schreef hem een vleiende brief. De kalief van de moslims, sultan ’Abdulhamîd Khan II, stelde, toen hij hoorde dat dit stuk op het toneel zou worden opgevoerd, de regeringen van Frankrijk en Engeland een ultimatum, verhinderde het onmiddellijk en behoedde de hele mensheid voor een beschamende laagheid.
Safiyya (radiyallâhu ’anhâ): Zij was de dochter van Huyayy ibn Akhtab, het hoofd van de joden van Khaybar. In Khaybar was zij verloofd met een jood. Daarna was zij getrouwd met de zeer rijke Kinâna ibn Huqayq. Toen in het zevende jaar van de Hijra Khaybar werd veroverd, werd ook Safiyya gevangengenomen. Zij viel Rasûlullah bij de verdeling toe, en hij liet haar vrij; zij kwam tot het geloof en werd de eer van de nikâh met Rasûlullah deelachtig. Zij overleed in het vijftigste jaar van de Hijra in Medina.10
Umm Habîba (radiyallâhu ’anhâ): Zij was de dochter van Abû Sufyân ibn Harb ibn Umayya en de zuster van Mu’âwiya. Haar moeder heette Hind. Samen met haar man ’Ubaydullah ibn Jahsh werd zij moslim, en zij emigreerden naar Abessinië. Omdat haar dochter Habîba in Abessinië werd geboren, werd zij zelf bekend onder de kunya Umm Habîba (de moeder van Habîba). Haar man liet zich daar door de priesters misleiden, werd afvallig en stierf. Zij bleef alleen, arm en ver van huis achter. Zij zei: “Ik verlaat de religie van Rasûlullah niet.” Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wilde haar verblijden en de nikâh met haar sluiten. In het zevende jaar van de Hijra schreef hij de Negus een brief. Op dit bevel van de Profeet sloot de Negus haar nikâh met Rasûl-i akram en zond haar naar Medina. Zij overleed in het vierenveertigste jaar van de Hijra in Medina.
Maymûna (radiyallâhu ’anhâ): Haar naam was Barra; Rasûlullah veranderde hem in Maymûna. De man van Maymûna was overleden. Toen men na de verovering van Khaybar voor de ’umra naar Mekka was gegaan, werd zij op de terugweg naar Medina de eer van de nikâh met Rasûlullah deelachtig. In het drieënvijftigste jaar van de Hijra werd zij in Mekka ziek. Zij zei: “Breng mij uit Mekka weg, want Rasûlullah heeft meegedeeld dat ik buiten Mekka zal overlijden.” Toen zij haar wegbrachten, overleed zij op de plaats (Sarif genaamd) waar haar nikâh met Rasûlullah was gesloten.11
Mâriya (radiyallâhu ’anhâ): Zij kwam tot het geloof toen zij een slavin van onze Meester de Profeet was, en werd de eer van de nikâh met onze Meester deelachtig. Omdat Mâriya als geschenk was gezonden door Muqawqis, de heerser van Egypte en Alexandrië, zijn haar afstamming (stamboom) en haar geboortedatum niet met zekerheid bekend. Rasûl-i akram kreeg van onze moeder Mâriya een zoon die Ibrâhîm heette. Mâriya was zeer kalm, stil en ingetogen. Zij overleed in de laatste jaren van het kalifaat van ‘Umar, in het jaar 637 n.Chr. (16 van de Hijra), en werd begraven op de begraafplaats Baqî’.12
Rayhâna (radiyallâhu ’anhâ): Zij werd moslim toen zij een slavin van onze Meester de Profeet was. Zij behoorde tot de Banû Qurayza, een van de joodse stammen in Medina. Haar afstamming (stamboom) is Rayhâna bint Sham’ûn ibn Yazîd, of Rayhâna bint Zayd ibn ‘Amr ibn Khunâfa ibn Sham’ûn ibn Yazîd. Haar geboortedatum staat niet vast. Zij overleed vóór onze Meester de Profeet, in het jaar 631 n.Chr. (10 van de Hijra), in Medina en werd begraven op de begraafplaats Baqî’.13
“De sayyids en de sharîfs liefhebben is een oorzaak om bij de laatste ademtocht met îmân heen te gaan” Abû Mujâhid Anwar ibn Nazîf (rahmatullâhi ’alayh)
