De kinderen van onze Meester de Profeet
Onze Meester de Profeet had zeven kinderen: drie zonen en vier dochters. Op Fâtima na overleden zij allen vóór onze Meester Rasûlullah. Het geslacht van onze geliefde Profeet zette zich voort via onze moeder Fâtima. De nakomelingen van zijn kleinzoon Husayn worden sayyid genoemd, die van Hasan sharîf. De sayyids en de sharîfs eren is onze Meester de Profeet eren. De sayyids en de sharîfs liefhebben is een oorzaak om bij de laatste ademtocht met îmân heen te gaan.
Qâsim (radiyallâhu ’anh): Hij is de eerste van de drie zonen van Rasûlullah. Daarom werd Rasûlullah “Abu’l-Qâsim” genoemd. Hij werd vóór het profeetschap in Mekka geboren. Zijn moeder is Khadîjat al-Kubrâ. Hij overleed toen hij zeventien maanden oud was.1
Zaynab (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de eerste van de vier dochters van Rasûlullah. Zij werd geboren toen onze Profeet dertig jaar oud was. Vóór het profeetschap trouwde zij met Abu’l-‘Âs ibn Rabî’, de zoon van een zuster van haar moeder Khadîja.2 Abu’l-’Âs kwam aanvankelijk niet tot het geloof. In de Slag bij Badr werd hij gevangengenomen en vrijgelaten op voorwaarde dat hij zijn vrouw naar Medina zou zenden. Hij zond haar met zijn eigen broer, maar de ongelovigen dwongen Zaynab onderweg terug te keren. Rasûl ’alayhis-salâm zond Zayd ibn Hâritha naar Mekka, en zij brachten Zaynab ’s nachts in het geheim naar Medina. Abu’l-’Âs kwam na de tocht naar Hudaybiya tot het geloof, en Zaynab werd hem opnieuw gegeven. Zij overleed in het achtste jaar van de Hijra, op eenendertigjarige leeftijd. Zij liet twee kinderen na. Het ene was ’Alî, die overleed toen hij bijna de puberteit had bereikt. Het andere was Umâma. Zaynab had hen bij testament aan Fâtima (radiyallâhu ’anhâ) toevertrouwd en hen aan de zorg van imam ’Alî aanbevolen. Haar zoon ’Alî zat bij de Verovering van Mekka op de kameel van Rasûlullah, achter hem. Met Umâma sloot ’Alî zelf de nikâh.3
Ruqayya (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de tweede dochter van onze Meester Rasûlullah. Zij werd geboren toen onze Profeet drieëndertig jaar oud was. Haar moeder is Khadîjat al-Kubrâ. Zij was zeer mooi. Zij is de vrouw van ’Uthmân. Eerder was zij verloofd met ’Utba, de zoon van Abû Lahab. Om Rasûlullah te kwellen, brachten Abû Lahab en zijn vrouw hun zoon ertoe ervan af te zien. Toen de soera “Tabbat yadâ” werd geopenbaard, verstootte ’Utba haar nog vóór de bruiloft. Er kwam een openbaring, en zij werd met ’Uthmân in de nikâh verbonden. Samen emigreerden zij tweemaal naar Abessinië en daarna naar Madîna al-Munawwara. Ruqayya werd vóór de Slag bij Badr, toen zij tweeëntwintig jaar oud was, ziek. ’Uthmân werd bevolen niet naar Badr te gaan en voor zijn vrouw te zorgen. Zij overleed op de dag waarop het blijde nieuws van de overwinning bij Badr in Madîna al-Munawwara aankwam, en werd die dag begraven.4
Umm Kulthûm (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de derde dochter van Rasûlullah. Zij was verloofd met ’Utayba, de tweede zoon van Abû Lahab. Toen de soera “Tabbat yadâ” werd geopenbaard, verstootte ’Utayba haar nog voordat zij bruiloft hadden gehouden, en sprak hij grievende woorden tegen Rasûlullah. Toen sprak onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) een verwensing over hem uit met de woorden: “O mijn Heer! Stuur een van Uw roofdieren op hem af!” Op de weg naar Damascus verscheurde een leeuw hem. Nadat Ruqayya was overleden, kwam er een openbaring, en ook Umm Kulthûm werd met ’Uthmân in de nikâh verbonden. Zij overleed in het negende jaar van de Hijra. Rasûlullah leidde haar lijkgebed, en toen zij werd begraven, stond hij bij haar graf en vloeiden de tranen uit zijn gezegende ogen.5
Fâtima (radiyallâhu ’anhâ): Zij is de vierde dochter van Rasûlullah, de vrouw van ’Alî en de schoonmoeder van ’Umar. Toen de nikâh werd gesloten, was zij vijftien jaar oud.6 In het boek “Mawâhib-i Ladunniyya” staat bij de veldtocht van Sawîq geschreven dat haar bruidsgave (mahr) vierhonderd mithqâl zilver bedroeg; dat komt overeen met 57,14 mithqâl goud. (Tegenwoordig is dat 38 gouden lira’s.) ’Alî (radiyallâhu ’anh) was toen vijfentwintig jaar oud. Zij behoort tot de Ahl al-Bayt. Zij was blank en zeer mooi. Zij werd dertien jaar vóór de Hijra in Mekka geboren en overleed in het elfde jaar, op vierentwintigjarige leeftijd. Zij kreeg drie zonen, Hasan, Husayn en Muhsin genaamd, en twee dochters, Umm Kulthûm en Zaynab genaamd.7
Het geslacht van Rasûlullah zette zich voort via Fâtima. Zaynab werd met ’Abdullah ibn Ja’far Tayyâr in de nikâh verbonden, en zij kregen kinderen die ’Alî en Umm Kulthûm heetten. Hun nakomelingen worden Sharîf-i Ja’farî genoemd.
“Mijn Ahl al-Bayt is als de ark van Nûh ’alayhis-salâm. Wie hen volgt, wordt gered. Wie achterblijft, gaat ten onder” Hadîth sharîf
1. Jannat al-Baqî’ – Madîna al-Munawwara
2. Ahl al-Bayt
3. Banât an-Nabî (de dochters van onze Meester de Profeet)
4. Shuhadâ al-Baqî’ (de martelaren van Jannat al-Baqî’)
5. Azwâj an-Nabî (de echtgenotes van onze Meester de Profeet)
6. Imam Mâlik.
De mausolea van Jannat al-Baqî’ voordat zij werden afgebroken
’Abdullah (radiyallâhu ’anh): Hij is het laatste kind dat Rasûlullah van Khadîjat al-Kubrâ kreeg. Hij werd na het profeetschap geboren en overleed toen hij nog aan de borst was. Hij wordt ook Tayyib en Tâhir genoemd. Toen ’Abdullah overleed, zei ’Âs ibn Wâ’il: “Muhammad is abtar geworden,” waarmee hij bedoelde dat zijn geslacht was uitgestorven. Allâhu ta’âlâ antwoordde de ongelovige ’Âs met de soera “Innâ a’taynâ”.8
Ibrâhîm (radiyallâhu ’anh): Hij is de derde van de zonen van Rasûlullah en de laatste van al zijn kinderen. Hij is de zoon van Mâriya, die Muqawqis, de gouverneur van Heraclius in Egypte, als geschenk had gezonden. Hij werd in het achtste jaar van de Hijra geboren en overleed toen hij anderhalf jaar oud was. Toen hij ziek was, nam Rasûlullah hem in zijn armen en vloeiden de tranen uit zijn gezegende ogen. Toen Ibrâhîm overleed, zei hij: “O Ibrâhîm! Wij zijn zeer bedroefd om je dood. Onze ogen wenen, ons hart doet pijn. Maar wij zeggen niets wat onze Heer zou mishagen.”9 Hij werd begraven in Jannat al-Baqî’. Die dag was er een zonsverduistering. Men zei: “De zon is verduisterd vanwege zijn dood.” Toen onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) dat hoorde, zei hij: “De maan en de zon zijn twee schepselen van Allâhu ta’âlâ die Zijn bestaan en Zijn eenheid aantonen. Zij worden niet verduisterd door iemands dood of leven. Wanneer jullie hen verduisterd zien, gedenk dan Allâhu ta’âlâ!”
O Allah! Omwille van de kinderen van Fâtima,
Laat mijn laatste woord het woord van de tawhîd zijn!
Of U deze smeekbede van mij nu afwijst of aanvaardt,
Ik heb mij vastgeklampt aan de zoom van de Ahl al-Bayt van de Profeet.
De Ahl al-Bayt van de Rasûl (Âl-i Rasûl – Âl-i ’Abâ)
Allâhu ta’âlâ zegt in de Qur’ân al-karîm tegen de Ahl al-Bayt in betekenis: “Allâhu ta’âlâ wil de onreinheid (rijs), dat wil zeggen elk gebrek en alle vuil, van jullie wegnemen en jullie met een volkomen reinheid reinigen.”10
De Metgezellen vroegen: “Yâ Rasûlallah! Wie zijn de Ahl al-Bayt?” Op dat moment kwam imam ’Alî. Hij nam hem onder zijn gezegende mantel. Daarna kwamen de een na de ander Fâtimat az-Zahrâ, imam Hasan en imam Husayn. Hij nam ieder van hen aan zijn zijde en zei: “Zie, dit zijn mijn Ahl al-Bayt.” Deze verheven personen worden ook “Âl-i ’Abâ en Âl-i Rasûl” genoemd.11
De Ahl al-Bayt van de Profeet liefhebben is een oorzaak om met îmân naar het hiernamaals te gaan en bij de laatste ademtocht het heil te bereiken. De Ahl al-Bayt liefhebben is voor iedere gelovige fard. De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zegt in een hadîth sharîf: “Mijn Ahl al-Bayt is als de ark van Nûh ’alayhis-salâm. Wie hen volgt, wordt gered. Wie achterblijft, gaat ten onder.”12
De deugden en volmaaktheden van de Ahl al-Bayt van de Profeet zijn zeer talrijk; zij zijn niet te tellen. Ze te beschrijven en te prijzen gaat de menselijke kracht te boven. Hun waarde en hun grootheid kunnen slechts uit de edele verzen worden begrepen.
’Alî, Hasan en Husayn zijn daar,
Hun liefde in het hart, hun genegenheid in de ziel.
Morgen, op de Dag der Verzameling, voor het grote gericht:
O Muhammad, mijn ziel verlangt naar u.
De berg ’Arafât is onze berg,
Daar wordt onze smeekbede aanvaard,
In Medina rust onze Profeet:
O Muhammad, mijn ziel verlangt naar u.
Imam Shâfi’î heeft dit op de mooiste wijze verwoord: “O Ahl al-Bayt van de Rasûl! Allâhu ta’âlâ beveelt in de Qur’ân al-karîm jullie lief te hebben. Dat het gebed niet wordt aanvaard van wie in zijn gebed geen smeekbede voor jullie doet, toont jullie waarde en jullie hoge rang. Hoe groot is jullie eer, nu Allâhu ta’âlâ jullie in de Qur’ân al-karîm groet!” Anas zegt: “Men vroeg Rasûlullah: ‘Van wie onder de Ahl al-Bayt houdt u het meest?’ Hij zei: ‘Van Hasan en Husayn.’”13
Abû Hurayra zegt: “Ik was bij Rasûlullah. Hasan kwam. Hij zei: ‘O mijn Heer! Ik heb hem lief. Heb ook U hem lief, en heb lief wie hem liefhebben’; en een andere keer zei hij: ‘Hasan en Husayn zijn in de wereld mijn welriekende geuren.’” Onze Meester de Profeet zei ook: “Ik laat jullie na mij twee dingen na. Als jullie je daaraan vasthouden, zullen jullie niet van de weg afdwalen. Het eerste is groter dan het tweede. Het ene is het Boek van Allâhu ta’âlâ, de Qur’ân al-karîm, dat een stevig touw is, uitgestrekt van de hemel tot de aarde. Het tweede is mijn Ahl al-Bayt. Deze twee zijn onafscheidelijk van elkaar. Wie hen niet volgt, wijkt af van mijn weg.”14
Hasan en Husayn (radiyallâhu ‘anhumâ) waren ziek geworden. Onze Meester de Profeet zei tegen ‘Alî en Fâtima: “Doe een gelofte voor deze kinderen, jullie eigen vlees en bloed!” ‘Alî, onze moeder Fâtima en hun dienstmeisje, dat Fidda heette, beloofden ieder drie dagen te vasten. Die twee geurige bloemen van het Paradijs genazen. Maar er was in huis niets te eten. ‘Alî leende van een jood drie sâ’15 gerst. Alle drie maakten zij het voornemen (niyya) voor het beloofde vasten. Fâtima maalde één maat van de gerst en bakte vijf broden. Zij waren met vijf personen. De tijd van de iftâr brak aan. Zij legde een van de vijf broden voor ’Alî, een voor Hasan, een voor Husayn, een voor het dienstmeisje Fidda en een voor zichzelf. Zij stonden op het punt het vasten te verbreken. Toen kwam er een behoeftige en zei: “O Ahl al-Bayt van Rasûlullah! Ik ben een van de behoeftigen onder de moslims. Geef mij te eten! Moge Allâhu ta’âlâ jullie belonen met de gunsten van het Paradijs.” Zij gaven hem de broden die zij in hun handen hadden als sadaqa en verbraken zelf het vasten met water. De volgende dag vastten zij opnieuw. Het dienstmeisje maalde nog een maat gerst en bakte weer vijf broden. Toen zij die bij de iftâr voor zich hadden en het vasten wilden verbreken, kwam er een wees. Alle vijf gaven zij hem hun broden, verblijdden die wees, verbraken zelf het vasten met water en gingen slapen. De volgende dag vastten zij weer. Van de laatste maat gerst die nog over was, maakten zij weer vijf broden en legden die voor zich neer. Toen zij het vasten wilden verbreken, kwam er een gevangene en zei: “Al drie dagen heb ik honger. Zij hebben mij vastgebonden en mij zelfs geen eten gegeven. Heb medelijden met mij omwille van Allâhu ta’âlâ!” Alle vijf gaven zij hem hun broden en verbraken weer het vasten met water. Daarop zei Allâhu ta’âlâ in de edele verzen die werden geopenbaard, in betekenis: “Zij kwamen hun geloften na. Omdat zij de lange en aanhoudende Dag des Oordeels vreesden, gaven zij het voedsel waarnaar zij zelf zeer verlangden en waar hun ziel naar uitging, aan de behoeftige, de wees en de gevangene, en zij zeiden: ‘Wij hebben jullie te eten gegeven om het welbehagen van Allâhu ta’âlâ. Wij verwachten van jullie geen vergoeding en geen dank; wij willen niets.’”16 “Daarom gaf Janâb-i Haqq hun sharâb tahûr (een volkomen reine drank) te drinken…”17 Abû Hurayra (radiyallâhu ’anh) vertelt dat onze Profeet zei: “De besten onder jullie zijn zij die na mij goed doen aan mijn Ahl al-Bayt.”
“Zij die de brug Sirât oversteken zonder dat hun voeten uitglijden, zijn zij die mijn Ahl al-Bayt en mijn Metgezellen zeer liefhebben” Hadîth sharîf
’Alî vertelt dat onze Profeet zei: “Op de Dag des Oordeels zal ik voorspraak doen voor hen die goed doen aan mijn Ahl al-Bayt.” “Zij die de brug Sirât oversteken zonder dat hun voeten uitglijden, zijn zij die mijn Ahl al-Bayt en mijn Metgezellen zeer liefhebben.”
In een hadîth sharîf die imam Rabbânî heeft overgeleverd, werd gezegd: “Wie ’Alî liefheeft, heeft voorzeker mij lief. Wie vijandschap tegen hem koestert, koestert voorzeker vijandschap tegen mij. Wie hem kwetst, kwetst voorzeker mij. En wie mij kwetst, kwetst Allâhu ta’âlâ.”
Onze Meester Rasûlullah zei: “Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen vier personen lief te hebben, en Hij heeft meegedeeld dat Hij hen ook Zelf liefheeft.” Men vroeg: “Wie zijn dat? Wilt u ons hun namen zeggen?”
Hij zei: “’Alî is een van hen, ’Alî is een van hen, ’Alî is een van hen; en Abû Dharr, Miqdâd en Salmân.”
“Een zware straf wacht hen die mij kwetsen vanwege mijn familie.”
In een hadîth sharîf zei hij ook: “Fâtima is een deel van mij (dat wil zeggen: een stuk van mij). Wie haar kwetst, kwetst mij.” Abû Hurayra zegt: “Onze Meester de Profeet zei tegen ’Alî: ’Fâtima is mij dierbaarder dan jij. En jij bent mij kostbaarder (dat wil zeggen: waardevoller) dan zij!’”18
Ook zei hij: “Ik vraag jullie geen beloning omdat ik jullie de religie van de islam heb gebracht. Ik vraag alleen dat jullie mijn Ahl al-Bayt, die mij na staan, liefhebben.”
De geleerden van de islam hebben de liefde voor de Ahl al-Bayt als een voorwaarde beschouwd om bij de laatste ademtocht met îmân heen te gaan. In hen zijn deeltjes van Rasûlullah. Waarde hechten aan de Ahl al-Bayt en hun respect betonen is de plicht van iedere moslim. De grote geleerde van de islam imam Rabbânî (rahmatullâhi ’alayh) zei: “Mijn vader was zeer geleerd in de uiterlijke (zâhir) en de innerlijke (bâtin) wetenschappen, dat wil zeggen de wetenschappen van het hart. Altijd raadde hij aan de Ahl al-Bayt lief te hebben en spoorde hij daartoe aan. Hij zei dat deze liefde de mens zeer helpt om bij de laatste ademtocht met îmân heen te gaan. Toen hij op het punt stond te overlijden, was ik aan zijn hoofdeinde. Toen in zijn laatste ogenblikken zijn bewustzijn afnam, herinnerde ik hem aan deze raadgevingen en vroeg hem welke uitwerking die liefde had. Zelfs in die toestand zei hij: ‘Ik zwem in de oceaan van de liefde voor de Ahl al-Bayt.’ Onmiddellijk loofde en prees ik Allâhu ta’âlâ. De liefde voor de Ahl al-Bayt is het kapitaal van de Ahl as-Sunna. Alle winst van het hiernamaals zal dit kapitaal opbrengen.”
Fâtima en haar kinderen tot de Dag des Oordeels zijn de Ahl al-Bayt. Ook al zijn zij zondaars, men moet hen liefhebben. Hen liefhebben, hen met hart, lichaam en bezit helpen, hen eren en hun belangen behartigen is een oorzaak om met îmân te sterven. (In de Syrische stad Hama bestond een rechtbank voor de sayyids. De kinderen die uit dit gezegende geslacht werden geboren, werden met twee getuigen ten overstaan van de rechter ingeschreven. Deze rechtbank werd afgeschaft door Mustafâ Reşid Pasja, de trouwe vriend van de Engelsen.) De imams van de Ahl as-Sunna leerden het grootste deel van de kennis van îmân en fiqh, van de kennis (ma’rifa) van het tasawwuf, en zelfs van de kennis van tafsîr en hadîth, van de imams van de Ahl al-Bayt. Zij werden door hun opvoeding gevormd. Door hun welwillende aandacht stegen zij op. Van hen ontvingen zij blijde berichten. De moslims hebben de Ahl al-Bayt van Rasûlullah (radiyallâhu ta’âlâ ’anhum ajma’în) meer lief dan wie ook, en zij hebben ook hen lief die de Ahl al-Bayt liefhebben. Zij die de Ahl al-Bayt liefhebben, de oprechte moslims die de weg van de Ahl al-Bayt gaan, worden (Ahl as-Sunna) genoemd. Allen die tot de Ahl as-Sunna behoren, doen in elk van hun gebeden een smeekbede ten gunste van de Ahl al-Bayt.
De gelovige die de Rasûl heeft gezien, kreeg de naam “Sahâbî”;
Om hen allen te noemen, zei men “Ashâb-i kirâm”.
Elk hart dat de Profeet liefhad, werd in een oogwenk met nûr vervuld;
Wie zijn Metgezellen werden, zijn in de Qur’ân geprezen.
Allen gaven zij voor Rasûlullah hun bezit en hun leven;
In vrede verspreidden zij kennis, in de oorlog brulden zij als leeuwen.
In een hadîth sharîf zijn de Metgezellen met de sterren vergeleken:
Wie een van hen volgt, bereikt de verlichte wegen.
De Metgezellen hadden elkaar zeer lief en prezen elkaar;
De moslims die na hen kwamen, spraken allen zo.
De Qur’ân en de hadîths hebben zij ons bekendgemaakt;
De reinheid van hun harten gaf de geesten vertrouwen.
Wordt een van hen beschimpt, dan wordt de religie van de islam gewond;
Wie een Sahâbî kwaad nageeft, ondermijnt de Qur’ân al-karîm.
Ben je een ware moslim, toon dan eerbied voor ieder van hen,
En zend eerst salât en salâm aan de Ahl al-Bayt van de Rasûl!
