Mijn Geliefde Profeet

DE WONDEREN VAN ONZE MEESTER DE PROFEET

De getuigenissen die duidelijk maken dat onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm de profeet van Allâhu ta’âlâ is, zijn zo talrijk dat zij niet te tellen zijn. Allâhu ta’âlâ zei: “Als jij er niet was geweest, had Ik het universum niet geschapen!”1 Zoals alle schepselen het bestaan en de eenheid van Allâhu ta’âlâ aantonen, zo tonen zij ook aan dat Muhammad ’alayhis-salâm profeet is, en tonen zij zijn verhevenheid aan. De karâma’s die bij de awliyâ van zijn umma tot stand komen, gelden alle als zijn wonderen, want karâma’s komen tot stand bij hen die hem volgen en in zijn voetspoor gaan. Sterker nog: omdat alle profeten tot zijn umma wilden behoren – of beter gezegd: omdat zij allen uit zijn nûr zijn geschapen –, worden ook hun wonderen tot de wonderen van Muhammad ’alayhis-salâm gerekend. De wonderen (mu’jiza) van onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm worden naar de tijd in drie soorten verdeeld:

De eerste zijn de wonderen vanaf de schepping van zijn gezegende ziel tot de tijd van de bi’tha, waarin zijn profeetschap werd bekendgemaakt. De tweede zijn de wonderen in de tijd vanaf de bi’tha tot zijn overlijden.

De derde zijn de dingen die vanaf zijn overlijden tot de Dag des Oordeels zijn gebeurd en nog zullen gebeuren. De wonderen van de eerste soort worden irhâs genoemd. Elke soort wordt bovendien in tweeën verdeeld: wonderen die met de ogen worden gezien, en wonderen die niet worden gezien maar met het verstand worden begrepen. Alle wonderen zijn zo talrijk dat het niet mogelijk is geweest ze af te bakenen en te tellen. Er is meegedeeld dat de wonderen van de tweede soort ongeveer drieduizend zijn. Hieronder volgen enkele van de bekendste. 1. Het grootste van de wonderen van Muhammad ’alayhis-salâm is de Qur’ân al-karîm. Alle dichters en letterkundigen die er tot op heden zijn geweest, zijn machteloos en vol bewondering blijven staan voor de compositie en de betekenis van de Qur’ân al-karîm. Zij hebben niets kunnen zeggen dat op één edel vers lijkt. Zijn onnavolgbaarheid (i’jâz) en zijn welsprekendheid lijken niet op het woord van mensen: wordt er één woord uit weggenomen of één woord aan toegevoegd, dan gaat de schoonheid van zijn bewoording en van zijn betekenis verloren. Zij die een ander woord zochten om in de plaats van een van zijn woorden te zetten, hebben er geen gevonden. Zijn compositie lijkt niet op de gedichten van de Arabische dichters. Hij bericht over talloze verborgen dingen die in het verleden zijn gebeurd en in de toekomst zullen gebeuren. Wie hem hoort en wie hem reciteert, kan er niet genoeg van krijgen; ook al wordt hij moe, hij wordt hem niet beu. Door ontelbare ervaringen is gebleken dat het reciteren en het horen ervan de zorgen verdrijven. Er zijn zelfs mensen gezien die bij het horen ervan door ontzetting en vrees werden overvallen en daardoor stierven. Vele verbeten vijanden van de islam werden zacht van hart toen zij naar de Qur’ân al-karîm luisterden, en kwamen tot het geloof. Onder de vijanden van de islam en onder de zindîqs die de naam moslim dragen en mu’attila, malâhida en qarâmita worden genoemd, zijn er geweest die probeerden de Qur’ân al-karîm te veranderen, te vervalsen of iets gelijks te zeggen, maar geen van hen heeft zijn doel bereikt. De Tawrât en de Injîl daarentegen zijn door de mensen altijd veranderd en worden nog steeds veranderd. Mooie dingen die met geen enkele wetenschap of ervaring te vinden zijn, een goed karakter, deugden die de mensen boven anderen verheffen, goede daden die naar het geluk van deze wereld en van het hiernamaals voeren, kennis over het begin en het einde van de schepselen, en alles wat voor de mensen nuttig of schadelijk is – dat alles is in de Qur’ân al-karîm openlijk of verhuld bekendgemaakt. Wat verhuld is, kunnen de deskundigen begrijpen. Alle kennis en alle geheimen die in alle hemelse boeken – in de Tawrât, de Zabûr en de Injîl – staan, zijn in de Qur’ân al-karîm bekendgemaakt. Alle kennis die in de Qur’ân al-karîm aanwezig is, kent alleen Allâhu ta’âlâ. Het grootste deel daarvan heeft Hij aan Zijn geliefde Profeet (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) bekendgemaakt. ’Alî en Husayn (radiyallâhu ta’âlâ ’anhumâ) hebben meegedeeld dat zij veel van deze kennis bezaten. De Qur’ân al-karîm reciteren is een zeer grote gunst. Allâhu ta’âlâ heeft deze gunst aan de umma van Zijn Habîb geschonken. De engelen zijn van deze gunst verstoken; daarom verzamelen zij zich op de plaats waar de Qur’ân al-karîm wordt gereciteerd, en luisteren. Alle tafsîrs maken slechts heel weinig van de kennis in de Qur’ân al-karîm bekend. Op de Dag des Oordeels, wanneer Muhammad ’alayhis-salâm de minbar beklimt en de Qur’ân al-karîm reciteert, zullen zij die luisteren al zijn kennis begrijpen. 2. Een van de grootste onder de bekende wonderen van Muhammad ’alayhis-salâm is dat hij de maan in tweeën spleet. Dit wonder is aan geen enkele andere profeet te beurt gevallen. Toen Muhammad ’alayhis-salâm tweeënvijftig jaar oud was, kwamen in Mekka de kopstukken van de ongelovigen van de Quraysh naar hem toe en zeiden: “Als je profeet bent, splijt dan de maan in tweeën.” Muhammad ’alayhis-salâm wilde vurig dat iedereen, en vooral zijn bekenden en verwanten, tot het geloof zou komen. Hij hief zijn handen op en deed een smeekbede. Allâhu ta’âlâ aanvaardde die en deelde de maan in tweeën. De ene helft werd boven een berg gezien, de andere helft boven een andere berg. De ongelovigen zeiden: “Muhammad heeft ons betoverd,” en kwamen niet tot het geloof.

“Van Muhammad ’alayhis-salâm werden duizend wonderen gezien; vriend en vijand, iedereen heeft dat gezegd. Het kostbaarste van al die wonderen waren zijn welgemanierdheid en zijn goede karakter” Riyâd an-Nâsihîn

Gedicht:
De hond blaft als hij de maan ziet staan;
Wat heeft de maan daarmee misdaan?
Honden blaffen altijd voort;
Wat kan een dwaas daarvan verstaan?
Distichon:
Wie de smaak in zijn mond verliest, is ziek:
De lekkerste drank smaakt de zieke bitter.

3. Wanneer zij op sommige van zijn veldtochten zonder water kwamen te zitten, stak Muhammad ’alayhis-salâm zijn gezegende hand in het water van een kom; het water stroomde tussen zijn vingers door en de kom liep onophoudelijk over. Soms tachtig, soms driehonderd, soms vijftienhonderd mensen, en op de veldtocht naar Tabûk zeventigduizend mensen, allen met hun dieren, dronken van dit water en gebruikten het. Wanneer hij zijn gezegende hand uit het water haalde, hield het op met stromen. 4. Op een dag ging hij naar het huis van zijn oom ’Abbâs en liet hem en zijn kinderen naast zich plaatsnemen. Hij bedekte hen met zijn ihrâm en zei: “O mijn Heer! Zoals ik deze oom van mij en mijn Ahl al-Bayt bedek, zo bescherm ook U hen tegen het vuur van de Hel!” Uit de muren werd driemaal een stem gehoord die “Âmîn” zei.2 5. Op een dag riep hij, als antwoord aan hen die een wonder van hem verlangden, een boom die ver weg stond. De boom kwam aan, zijn wortels achter zich aan slepend, groette hem en zei: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh.” Daarna ging hij terug en zette zich weer op zijn plaats vast. 6. Toen men hem bij de Verovering van Khaybar vergiftigd geroosterd schapenvlees voorzette, werd een stem gehoord: “Yâ Rasûlallah! Eet mij niet, ik ben vergiftigd.”

7. Op een dag zei hij tegen iemand die een afgodsbeeld in zijn hand had: “Als het afgodsbeeld tegen mij spreekt, kom je dan tot het geloof?” De man zei: “Ik aanbid het al vijftig jaar. Het heeft nog nooit een woord tegen mij gezegd. Hoe zou het dan tegen jou spreken?” Toen Muhammad ’alayhis-salâm zei: “O afgodsbeeld! Wie ben ik?”, werd een stem gehoord: “U bent de Profeet van Allah.” De eigenaar van het afgodsbeeld kwam onmiddellijk tot het geloof.

8. In Medina stond in de Masjid an-Nabawî een stam van een dadelpalm in de grond. Wanneer Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de khutba hield, leunde hij tegen deze zuil. Men noemde haar Hannâna. Toen de minbar was gemaakt, ging hij niet meer naar de Hannâna. De hele gemeente hoorde haar huilen. Hij daalde van de minbar af en omarmde de Hannâna. Het geluid hield op. Hij zei: “Als ik haar niet had omarmd, zou zij tot de Dag des Oordeels hebben gehuild omdat ik van haar gescheiden was.”

Zulke wonderen zijn vaak gezien en overgeleverd. 9. Vaak is gezien dat de kiezelstenen die hij in zijn hand nam en de stukjes voedsel die hij vasthield, Allâhu ta’âlâ verheerlijkten (tasbîh) met een geluid als het zoemen van bijen.

10. Een ongelovige kwam en zei: “Hoe kan ik weten dat jij profeet bent?” Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Als ik die tros aan die dadelpalm daar roep en hij komt, kom je dan tot het geloof?” De ongelovige zei: “Ja, dan kom ik tot het geloof.” Rasûlullah riep de dadeltros en die kwam springend naar hem toe. Rasûlullah zei: “Ga terug naar je plaats!” Hij klom terug naar zijn plaats in de boom en hing daar weer. De ongelovige die dit zag, kwam tot het geloof. 11. In Mekka grepen enkele wolven schapen uit een kudde en namen ze mee. Toen de herder op hen afstormde en de schapen uit de klauwen van de wolven terugnam, zei een van de wolven: “Je neemt ons het levensonderhoud af dat Allâhu ta’âlâ ons heeft gezonden – vrees je Allâhu ta’âlâ niet?” Toen de herder zei: “Ik sta versteld! Kan een wolf praten?”, zei de wolf: “Zal ik je iets vertellen dat nog verbazingwekkender is? In Medina toont Muhammad (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam), de Profeet van Allâhu ta’âlâ, wonderen.” De herder kwam, vertelde dit aan Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en werd moslim.

12. Toen onze Meester Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam) door een weide liep, hoorde hij driemaal een stem roepen: “Yâ Rasûlallah!” Hij keek in die richting en zag een vastgebonden gazelle. Naast haar lag een man te slapen. Toen hij de gazelle vroeg wat zij wilde, zei zij: “Deze jager heeft mij gevangen. Op de heuvel daartegenover heb ik twee jongen. Laat mij vrij! Ik ga ze voeden en kom dan terug.” Rasûl ’alayhis-salâm zei: “Zul je je woord houden en terugkomen?” De gazelle zei: “Ik geef mijn woord omwille van Allah. Als ik niet terugkom, moge de straf van Allah over mij komen!” Rasûlullah liet de gazelle gaan. Kort daarna kwam zij terug. De man werd wakker en zei: “Yâ Rasûlallah! Hebt u een bevel voor mij?” Onze Meester de Profeet zei: “Laat deze gazelle vrij!” De man maakte het touw van de gazelle los en liet haar gaan. De gazelle zei: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa annaka Rasûlullah,” en ging weg.

13. Op een dag nodigde hij een dorpeling uit tot het geloof. Deze zei: “Als jij de overleden dochter van een buurman van mij, een moslim, tot leven wekt, kom ik tot het geloof.” Zij gingen naar haar graf. Hij riep het meisje bij haar naam. Eerst werd uit het graf een stem gehoord, en toen kwam het meisje naar buiten. “Wil je naar de wereld terugkeren?” vroeg onze Meester Rasûlullah. Het meisje zei: “Yâ Rasûlallah! Ik wil niet naar de wereld terugkeren. Hier heb ik het beter dan in het huis van mijn vader. Het hiernamaals van een moslim is beter dan zijn wereld.” Toen de dorpeling dit zag, kwam hij onmiddellijk tot het geloof. 14. Jâbir ibn ’Abdullah (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) kookte een schaap. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) at het samen met zijn Metgezellen. “Breek de botten niet!” zei hij. Daarna verzamelde hij de botten, legde zijn gezegende handen erop en deed een smeekbede. Allâhu ta’âlâ bracht het schaap weer tot leven. 15. Men bracht bij Rasûlullah een kind dat, hoewel het al groot was, nog nooit had gesproken. “Wie ben ik?” vroeg hij. Het kind antwoordde: “U bent Rasûlullah.” Daarna sprak het tot aan zijn dood.

“O mijn Heer! Zoals ik deze oom van mij (’Abbâs) en mijn Ahl al-Bayt bedek, zo bescherm ook U hen tegen het vuur van de Hel!” Hadîth sharîf

16. Iemand trapte op een slangenei en werd aan beide ogen blind. Men bracht hem bij Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam). Toen hij wat van zijn gezegende speeksel op zijn ogen streek, begon hij te zien. Zelfs toen hij tachtig jaar oud was, reeg hij nog een draad door een naald.

17. Muhammad ibn Hâtib vertelt: “Ik was klein. Er werd kokend water over mij gegoten en mijn lichaam verbrandde. Mijn vader bracht mij bij Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam). Met zijn gezegende handen streek hij zijn speeksel op de verbrande plekken en deed een smeekbede. Onmiddellijk genazen de brandwonden.”

18. Een vrouw bracht een kaalhoofdige zoon van haar. Rasûlullah streek met zijn gezegende handen over zijn hoofd. Hij genas en zijn haar begon te groeien.

19. In de “Sunan”-boeken van Tirmidhî en Nasâ’î staat: Een man die aan beide ogen blind was, kwam en zei: “Yâ Rasûlallah! Doe een smeekbede, opdat mijn ogen opengaan.” Onze Meester had medelijden met hem en zei hem een volmaakte wudû te verrichten en daarna deze smeekbede te reciteren: “O mijn Heer! Ik smeek U. Door Uw geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm als bemiddelaar te nemen, vraag ik het U. O Muhammad, mijn Profeet die ik zo liefheb! Door u als middel (wasîla) te nemen, smeek ik mijn Heer. Ik vraag Hem het omwille van u te aanvaarden. O mijn Heer! Maak deze verheven Profeet tot mijn voorspreker! Aanvaard mijn smeekbede uit eerbied voor hem!” De man verrichtte de wudû en deed de smeekbede, en zijn ogen gingen open. De moslims hebben deze smeekbede altijd gereciteerd en hun wensen vervuld gezien. 20. Rasûlullah trok met Abû Tâlib door een woestijn. Abû Tâlib zei dat hij erge dorst had. Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) steeg van zijn rijdier af, zei: “Heb je dorst?”, en sloeg met de hiel van zijn gezegende voet op de grond. Er spoot water op. “Oom, drink van dit water!” zei hij. 21. Op de tocht naar Hudaybiya sloegen zij hun kamp op bij een put met weinig water. De soldaten klaagden over dorst. Hij vroeg om een emmer water, verrichtte daaruit de wudû, spuwde erin en liet het in de put gieten. Hij nam een pijl en wierp die in de put. Zij zagen dat de put tot de rand toe volliep met water.

22. Op een veldtocht klaagden de soldaten over dorst. Rasûl ’alayhis-salâm stuurde twee soldaten op zoek naar water. Zij zagen een vrouw op een kameel met twee waterzakken vol water en brachten haar mee. Rasûl ’alayhis-salâm vroeg de vrouw om wat water en liet het in een kom gieten. Het hele leger kwam en vulde om beurten zijn bekers en waterzakken. Zij gaven de vrouw wat dadels en vulden ook haar waterzakken met water.

Rasûlullah zei tegen haar: “Wij hebben niets van jouw water afgenomen. Het water heeft Allâhu ta’âlâ ons gegeven.”

23. Toen hij in Medina op de minbar de khutba hield, zei iemand: “Yâ Rasûlallah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam)! Door de droogte komen onze kinderen, onze dieren en onze akkers om. Kom ons te hulp!” Hij hief zijn handen op en deed een smeekbede. Aan de hemel was geen enkele wolk, maar nog voordat hij zijn gezegende handen over zijn gezicht had gestreken, pakten de wolken zich samen. Onmiddellijk begon het te regenen, en dat hield enkele dagen aan. Toen hij weer op de minbar de khutba hield, zei die man: “Yâ Rasûlallah! Wij komen om door de regen!” Rasûl ’alayhis-salâm glimlachte en zei: “O mijn Heer! Schenk Uw barmhartigheid ook aan andere dienaren van U!” De wolken dreven uiteen en de zon kwam tevoorschijn. 24. Jâbir ibn ’Abdullah (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) vertelt: Ik had veel schulden. Ik vertelde het aan Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam). Hij kwam naar mijn tuin en liep driemaal rond de hoop dadels. Toen zei hij: “Roep je schuldeisers, laat ze komen!” Ieder van hen kreeg wat hem toekwam, en van de hoop ging niets af. 25. Een vrouw stuurde hem honing als geschenk. Hij aanvaardde de honing en stuurde de lege pot terug. Door de macht van Allâhu ta’âlâ kwam de pot vol honing terug. De vrouw kwam en zei: “Yâ Rasûlallah! Wat is mijn zonde? Waarom hebt u mijn geschenk niet aanvaard?” Hij zei: “Wij hebben je geschenk aanvaard. De honing die je zag, is de zegen die Allâhu ta’âlâ voor je geschenk heeft gegeven.” Blij nam de vrouw de honing mee naar huis. Met haar gezin at zij er maandenlang van, en hij raakte niet op. Op een dag deden zij de honing per vergissing in een andere pot. Zij aten ervan en maakten hem op. Zij vertelden het aan Rasûlullah. Hij zei: “Als hij in de pot was gebleven die ik had gestuurd, hadden zij ervan gegeten zolang de wereld bestaat, en hij zou nooit minder zijn geworden.”

26. Abû Hurayra vertelt: Ik bracht Rasûlullah enkele dadels en vroeg hem een smeekbede te doen opdat ze gezegend zouden worden. Hij deed een smeekbede opdat ze zegen zouden brengen, en zei tegen mij: “Neem ze en doe ze in je zak. Wanneer je eruit wilt nemen, neem er dan met je hand uit; schud hem niet leeg om ze van de grond te rapen!” De zak waarin de dadels zaten, liet ik dag en nacht niet van mijn zijde, en tot de tijd van ’Uthmân (radiyallâhu ’anh) heb ik er steeds van gegeten. Ik gaf er ook de mensen bij mij van te eten en gaf er handenvol van als sadaqa. Op de dag dat ’Uthmân (radiyallâhu ’anh) martelaar werd, raakte mijn zak verloren. 27. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) verstond, zoals Sulaymân ’alayhis-salâm, de taal van alle dieren. Vaak werd gezien dat dieren naar hem toe kwamen en over hun eigenaar of over anderen klaagden. Rasûlullah deelde dat aan de Metgezellen mee. In de Slag bij Hunayn zei hij tegen de witte muilezelin die hij bereed en die “Duldul” heette: “Kniel neer!” Toen Duldul onmiddellijk neerknielde, nam hij een handvol zand van de grond en strooide het over de ongelovigen uit.

28. Op een dag zei hij tegen zijn vrouw Hafsa (radiyallâhu ’anhâ): “Abû Bakr en jouw vader zullen het bestuur over mijn umma in handen nemen.” Met deze woorden bracht hij het blijde nieuws dat Abû Bakr en ’Umar, de vader van Hafsa (radiyallâhu ’anhumâ), kalief zouden worden.

“O Hafsa! Abû Bakr en jouw vader zullen het bestuur over mijn umma in handen nemen” Hadîth sharîf

29. Hij had Abû Hurayra (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) belast met het bewaken van de dadels die in Medina als zakât waren binnengekomen. Abû Hurayra betrapte iemand terwijl hij dadels stal en zei tegen hem: “Ik breng je naar Rasûlullah.” Maar toen de dief begon te smeken en zei: “Ik ben arm en heb een groot gezin,” liet Abû Hurayra hem gaan. De volgende dag riep Rasûlullah Abû Hurayra bij zich en vroeg: “Wat had de man gedaan die je gisteravond hebt laten gaan?” Toen Abû Hurayra het vertelde, zei hij: “Hij heeft je bedrogen. Hij zal opnieuw komen.” De volgende nacht kwam hij inderdaad weer en werd gegrepen. Opnieuw smeekte hij: “Laat mij gaan, omwille van Allah!”, en kwam hij vrij. Toen hij de derde nacht weer kwam en werd gegrepen, baatte zijn smeken niet meer. Toen zei hij: “Als je mij laat gaan, leer ik je enkele dingen waar je veel baat bij zult hebben.” Abû Hurayra stemde toe. “Als je ’s nachts, wanneer je gaat slapen, de Âyat al-Kursî reciteert, beschermt Allâhu ta’âlâ je en komt er geen shaytân bij je in de buurt,” zei hij en ging weg. Toen Rasûlullah de volgende dag Abû Hurayra opnieuw ondervroeg en antwoord kreeg, zei hij: “Nu heeft hij de waarheid gesproken. Toch is hij zelf een grote leugenaar. Weet je met wie je drie nachten lang hebt gesproken?” Toen Abû Hurayra zei: “Nee, dat weet ik niet,” zei hij: “Dat was de shaytân.”

30. Hij had soldaten gezonden naar de plaats die Mûta heet, om te strijden tegen de legers van de Byzantijnse keizer. Terwijl hij zelf in Medina op de minbar stond, liet Allâhu ta’âlâ hem zien dat drie bevelhebbers van de Metgezellen (Zayd ibn Hâritha, Ja’far ibn Abî Tâlib en ’Abdullah ibn Rawâha) de een na de ander martelaar werden, en hij deelde het mee aan wie bij hem waren. 31. Toen hij Mu’âdh ibn Jabal (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) als gouverneur naar Jemen zond, deed hij hem uitgeleide tot buiten Medina en gaf hem veel raad. Hij zei: “Jij en ik zullen elkaar tot de Dag des Oordeels niet meer ontmoeten.” Terwijl Mu’âdh in Jemen was, overleed Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) in Medina.

32. Toen hij op het punt stond te overlijden, zei hij tegen zijn dochter Fâtima: “Van mijn verwanten zul jij de eerste zijn die zich bij mij voegt.” Zes maanden later overleed Fâtima (radiyallâhu ’anhâ). Van zijn verwanten was niemand vóór haar overleden.

33. Tegen Qays ibn Shammâs (radiyallâhu ’anh) zei hij: “Jij zult een goed leven leiden en als martelaar sterven.” Toen Abû Bakr (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) kalief was, werd hij in de strijd die bij Yamâma tegen Musaylima al-Kadhdhâb werd gevoerd, martelaar. Hij deelde ook mee dat ’Umar al-Fârûq, ’Uthmân en ’Alî (radiyallâhu ta’âlâ ’anhum ajma’în) martelaar zouden worden. 34. Hij bracht het blijde nieuws dat de landen van de Chosroes, de vorst van Perzië, en van de Byzantijnse keizer in handen van de moslims zouden vallen en dat hun schatten op de weg van Allah zouden worden verdeeld. 35. Hij deelde mee dat velen uit zijn umma over zee ten strijde zouden trekken en dat een vrouw van de Metgezellen, Umm Harâm genaamd, aan die veldtocht zou deelnemen. Toen ’Uthmân kalief was, gingen de moslims met schepen naar het eiland Cyprus en streden daar. Deze vrouw was met hen mee. Daar werd zij martelaar.3

36. Op een dag zat Rasûl ’alayhis-salâm op een hoge plek. Hij wendde zich tot wie bij hem waren en zei: “Zien jullie ook wat ik zie? Ik zweer dat ik de onlusten (fitna) zie die tussen jullie huizen, in de straten, zullen uitbreken.” In de dagen waarin ’Uthmân (radiyallâhu ’anh) martelaar werd gemaakt, en later in de tijd van Yazîd, braken in Medina grote onlusten uit. In de straten werd het bloed van veel mensen vergoten.

37. Op een dag deelde hij mee dat een van zijn eigen vrouwen tegen de kalief in opstand zou komen. Toen ’Âisha (radiyallâhu ta’âlâ ’anhâ) om deze woorden lachte, zei hij: “O Humayrâ4! Vergeet deze woorden van mij niet! Mocht die vrouw maar niet jij zijn!” Daarna wendde hij zich tot ’Alî (radiyallâhu ’anh) en zei: “Als haar zaak in jouw handen komt, behandel haar dan zachtmoedig!” Dertig jaar later streed ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ) tegen ’Alî (radiyallâhu ’anh) en werd door hem gevangengenomen. ’Alî (radiyallâhu ’anh) zond haar met eerbetoon en respect van Basra naar Medina.

38. Tegen Mu’âwiya zei hij: “Als je op een dag over mijn umma heerst, beloon dan wie goed doen en vergeef wie kwaad doen!” Mu’âwiya was in de tijd van ’Umar en ’Uthmân twintig jaar gouverneur in Damascus en daarna twintig jaar kalief. 39. Op een dag zei hij: “Mu’âwiya zal nooit verslagen worden.” Toen ’Alî (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) in de Slag bij Siffîn deze hadîth hoorde, zei hij: “Als ik dit eerder had gehoord, had ik niet tegen Mu’âwiya (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) gestreden.” 40. Tegen ’Ammâr ibn Yâsir (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) zei hij: “Jou zullen mensen doden die opstandig (bâghî) en ongehoorzaam zijn.” Hij werd martelaar toen hij aan de zijde van ’Alî (radiyallâhu ’anh) tegen Mu’âwiya (radiyallâhu ’anh) streed. 41. Over Hasan, de zoon van zijn dochter Fâtima (radiyallâhu ta’âlâ ’anhumâ), zei hij: “Deze zoon van mij is zeer goed. Allâhu ta’âlâ zal hem tot de oorzaak maken van vrede tussen twee grote legers van de moslims.” Toen Hasan met een groot leger tegen Mu’âwiya (radiyallâhu ’anh) ten strijde zou trekken, droeg hij het kalifaat, waarop hij recht had, aan Mu’âwiya (radiyallâhu ’anh) over, om onlusten te voorkomen en opdat het bloed van de moslims niet zou worden vergoten. 42. ’Abdullah ibn Zubayr (radiyallâhu ta’âlâ ’anhumâ) dronk het bloed dat bij Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) vrijkwam toen hij gekopt werd (hijâma). Toen hij dat zag, zei hij: “Weet je wat jou van de mensen zal overkomen? En ook door jou zal de mensen veel overkomen. Het vuur van de Hel zal jou niet verbranden.” Toen ’Abdullah ibn Zubayr in Mekka zijn kalifaat uitriep, zond ’Abdulmalik ibn Marwân vanuit Damascus Hajjâj met een groot leger naar Mekka. Zij grepen ’Abdullah en doodden hem. 43. Hij keek naar de moeder van ’Abdullah ibn ’Abbâs en zei: “Jij zult een zoon krijgen. Breng hem bij mij wanneer hij geboren is!” Toen zij het kind brachten, sprak hij in zijn oor de adhân en de iqâma uit en streek wat speeksel uit zijn gezegende mond in zijn mond. Hij gaf hem de naam ’Abdullah, legde hem in de armen van zijn moeder en zei: “Neem de vader van de kaliefen en breng hem weg!” Toen ’Abbâs, de vader van het kind, dit hoorde en kwam vragen, zei hij: “Ja, dat heb ik gezegd. Dit kind is de vader van de kaliefen. Onder hen zullen Saffâh, Mahdî en iemand zijn die het gebed met Îsâ ’alayhis-salâm verricht.” Aan het hoofd van de staat van de Abbasiden kwamen vele kaliefen. Zij stamden allen af van ’Abdullah ibn ’Abbâs.

“O Mu’âwiya! Als je op een dag over mijn umma heerst, beloon dan wie goed doen en vergeef wie kwaad doen!” Hadîth sharîf

44. Op een dag zei hij: “Onder mijn umma zullen vele mensen opkomen die râfidî worden genoemd. Zij zullen zich van de religie van de islam afscheiden.”

45. Hij deed voor veel van zijn Metgezellen smeekbeden om goeds; alle werden aanvaard en zij zagen er de vruchten van. ’Alî (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) vertelt: Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) wilde mij als qâdî (rechter) naar Jemen zenden. Ik zei: “Yâ Rasûlallah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam)! Ik weet niet hoe ik het ambt van qâdî moet uitoefenen.” Hij legde zijn gezegende hand op mijn borst en zei: “O mijn Heer! Maak aan zijn hart bekend wat juist is. Laat hem altijd de waarheid spreken!” Daarna begreep ik van de klagers die bij mij kwamen onmiddellijk wie in zijn recht stond, en ik oordeelde naar het recht.

46. De tien personen aan wie Rasûlullah het blijde nieuws bracht dat zij naar het Paradijs zouden gaan, worden ’Ashara al-Mubashshara genoemd. In de Slag bij Uhud zei hij over een van hen, Sa’d ibn Abî Waqqâs (radiyallâhu ’anh): “O mijn Heer! Laat zijn pijlen hun doel bereiken en aanvaard zijn smeekbeden!” Daarna werd elke smeekbede van Sa’d aanvaard en trof elke pijl die hij afschoot de vijand.

47. Hij legde zijn gezegende hand op het voorhoofd van de zoon van zijn oom, ’Abdullah ibn ’Abbâs, en zei: “O mijn Heer! Maak hem tot een geleerde met diepe kennis van de religie, maak hem tot een bezitter van wijsheid! Schenk hem de kennis van de Qur’ân al-karîm!” Daarna werd ’Abdullah ibn ’Abbâs in alle wetenschappen, en vooral in de kennis van tafsîr, hadîth en fiqh, ongeëvenaard in zijn tijd. De Metgezellen en de Tâbi’ûn leerden alles van hem. Hij werd beroemd onder de namen “Tarjumân al-Qur’ân”, “Bahr al-’Ilm” en “Ra’îs al-Mufassirîn”, en de landen van de islam raakten vol met zijn leerlingen.5

48. Voor Anas ibn Mâlik, een van zijn dienaren, deed hij deze smeekbede: “O mijn Heer! Maak zijn bezit en zijn kinderen talrijk, maak zijn leven lang en vergeef zijn zonden!” Naarmate de tijd verstreek, nam zijn bezit toe. Zijn bomen en wijngaarden droegen elk jaar vrucht. Hij kreeg zeer veel kinderen. Hij leefde honderdtien jaar. Toen hij aan het einde van zijn leven zei: “O mijn Heer! Van de smeekbeden die Uw Habîb voor mij deed, hebt U er drie aanvaard en geschonken! Hoe zal het gaan met de vierde, de vergeving van mijn zonden?”, hoorde hij een stem: “Ook de vierde heb Ik aanvaard. Wees gerust!”

“O mijn Heer! Maak hem (’Abdullah ibn ’Abbâs) tot een geleerde met diepe kennis van de religie, maak hem tot een bezitter van wijsheid! Schenk hem de kennis van de Qur’ân al-karîm!” Hadîth sharîf

49. Voor Mâlik ibn Rabî’a (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) deed hij een smeekbede met de woorden: “Mogen je kinderen gezegend zijn!” Hij kreeg tachtig zonen.

50. Toen de beroemde dichter Nâbigha enkele van zijn gedichten voordroeg, sprak hij de smeekbede uit die onder de Arabieren bekend is: “Moge Allâhu ta’âlâ je tanden niet laten uitvallen!” Nâbigha werd honderd jaar oud, en zijn tanden stonden wit en helder als parels op een rij. 51. Voor ’Urwa ibn Ja’d (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) zei hij: “O mijn Heer! Geef zegen aan zijn handel!” ’Urwa vertelt: “Daarna leverde alle handel die ik dreef winst op. Nooit heb ik verlies geleden.” 52. Op een dag kwam zijn eigen dochter Fâtima (radiyallâhu ta’âlâ ’anhâ) bij hem. Van de honger was zij bleek geworden. Hij legde zijn hand op haar borst en zei: “O mijn Heer, Die de hongerigen verzadigt! Laat Fâtima, de dochter van Muhammad, niet hongerig!” Onmiddellijk kwam er weer kleur op het gezicht van Fâtima en leefde zij op. Tot haar dood heeft zij nooit meer honger gevoeld.

53. Voor ’Abdurrahmân ibn ’Awf, een van de ’Ashara al-Mubashshara, deed hij een smeekbede om zegen. Zijn bezit nam zo toe dat het legendarisch werd.

54. Hij zei: “De smeekbede van iedere profeet wordt aanvaard. Iedere profeet heeft in de wereld een smeekbede voor zijn umma gedaan. Ik daarentegen doe een smeekbede opdat mij op de Dag des Oordeels toestemming wordt gegeven om voor mijn umma voorspraak te doen. Inshâ’allâh zal mijn smeekbede aanvaard worden. Ik zal voorspraak doen voor allen die geen afgodendienaren zijn.”

55. Hij ging naar enkele dorpen bij Mekka en spande zich zeer in opdat zij tot het geloof zouden komen. Zij aanvaardden het niet. Toen deed hij een smeekbede opdat zij een beproeving zouden doormaken zoals de hongersnood die in Egypte in de tijd van de profeet Yûsuf (’alayhis-salâtu was-salâm) was gezien. Dat jaar heerste daar zo’n hongersnood dat zij kadavers aten. 56. ’Utayba, de zoon van zijn oom Abû Lahab, geloofde niet in Rasûlullah, hoewel hij de schoonzoon van Rasûlullah (’alayhis-salâtu was-salâm) was, en deed die Vorst (sallallâhu ’alayhi wa sallam) veel verdriet. Hij verstootte diens gezegende dochter Umm Kulthûm Khâtûn en sprak schandelijke woorden. Hierover zeer bedroefd zei Rasûlullah: “O mijn Heer! Stuur een van Uw honden op hem af!” Toen ’Utayba voor de handel naar Syrië (Shâm) reisde, lag hij op een nacht tussen zijn reisgenoten te slapen. Er kwam een leeuw, die zijn reisgenoten besnuffelde en liet liggen. Toen het de beurt van ’Utayba was, greep hij hem en verscheurde hem. 57. Iemand at met zijn linkerhand. Hij zei: “Eet met de rechterhand!” De man loog en zei: “Mijn rechterarm beweegt niet.” Hij zei: “Dan moge je rechterhand voortaan niet meer bewegen!”6 Tot zijn dood kon die man zijn rechterhand niet meer naar zijn mond brengen.

58. Hij zond Khusraw Parwîz, de vorst van Perzië, een brief opdat hij tot het geloof zou komen. De laaghartige Khusraw verscheurde de brief en maakte de gezant die hem bracht tot martelaar. Toen Rasûl ’alayhis-salâm dit hoorde, was hij zeer bedroefd en zei: “O mijn Heer! Zoals hij mijn brief heeft verscheurd, verscheur zo zijn rijk!” Nog tijdens het leven van Rasûlullah stak Shîrawayh, zijn eigen zoon, Khusraw met een dolk aan stukken. En toen ’Umar (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) kalief was, veroverden de moslims heel Perzië, en van Khusraw bleven geslacht noch rijk over.

59. Wanneer Rasûl ’alayhis-salâm op de markt het goede gebood en het kwade verbood (amr bi’l-ma’rûf wa nahy ’ani’l-munkar) en raad gaf, liep een laaghartig man, Hakam ibn Abi’l-’Âs, de vader van Marwân, achter Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) aan; hij deed zijn ogen open en dicht en trok zijn gezicht in rimpels, en zo bespotte hij hem. Toen Rasûl ’alayhis-salâm zich omdraaide en die schandelijke vertoning zag, zei hij: “Blijf zoals je je hebt vertoond!” Tot zijn dood bleven het gezicht en de ogen van die man trekken. 60. Allâhu ta’âlâ beschermde Zijn Habîb tegen rampen. Abû Jahl was de grootste vijand van Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam). Toen hij een grote steen ophief om die op zijn gezegende hoofd te slaan, zag hij op elk van beide schouders van Rasûlullah een slang; de steen viel uit zijn hand en hij vluchtte.

61. Toen hij bij de Ka’ba al-Mu’azzama het gebed verrichtte, wilde de laaghartige Abû Jahl opnieuw met een mes op hem afgaan, met de gedachte: “Nu is het het juiste moment,” maar plotseling keerde hij om en vluchtte. Toen zijn vrienden hem vroegen: “Waarom werd je bang?”, zei hij: “Tussen Muhammad (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) en mij zag ik een gracht vol vuur. Vele mensen wachtten mij op. Had ik één stap gezet, dan hadden zij mij gegrepen en in het vuur geworpen.” Toen de moslims dit hoorden en het aan Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) vroegen, zei hij: “De engelen van Allâhu ta’âlâ zouden hem gegrepen en aan stukken gereten hebben.”

62. In het vierde jaar van de Hijra, bij de Banû Nadîr, toen Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) met zijn Metgezellen onder de muren van de burcht van de joden stond te praten, wilde een jood van boven een grote molensteen op hem werpen. Toen hij zijn hand naar de steen uitstak, werden zijn beide handen lam. 63. In het negende jaar van de Hijra kwamen er van heinde en ver mensen in drommen om tot het geloof te komen. Twee ongelovigen, ’Âmir en Arbad genaamd, voegden zich bij hen die kwamen. Terwijl ’Âmir tegen Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) zei dat zij gekomen waren om tot het geloof te komen, ging Arbad achter hem staan en wilde zijn zwaard uit de schede trekken. Maar zijn hand weigerde dienst. Toen ’Âmir hem van voren een teken gaf, als om te zeggen: “Waar wacht je op?”, zei Rasûl ’alayhis-salâm: “Allâhu ta’âlâ heeft mij tegen het kwaad van jullie beiden beschermd.” Toen zij daar waren weggegaan, vroeg ’Âmir aan Arbad: “Waarom heb je je woord niet gehouden?” Hij zei: “Wat kon ik doen? Hoe vaak wilde ik het zwaard trekken! Steeds zag ik jou tussen ons beiden.” Enkele dagen later, terwijl het helder weer was, trokken er plotseling wolken samen. Arbad werd door de bliksem getroffen en kwam samen met zijn kameel om.

64. Op een dag verrichtte Rasûl ’alayhis-salâm de wudû en trok een van zijn leren sokken (mest) aan; toen hij zijn hand naar de tweede uitstak, greep een vogel de sok en schudde hem in de lucht uit. Er viel een slang uit. Daarna liet de vogel de sok op de grond vallen. Sinds die dag is het sunna om schoeisel eerst uit te schudden voordat men het aantrekt. 65. Rasûl ’alayhis-salâm had op veldtochten en in de woestijn uit zijn Metgezellen wachters aangewezen om hem te beschermen. Toen het zevenenzestigste vers van soera al-Mâ’ida met de betekenis “Allah beschermt jou tegen het kwaad van de mensen” werd geopenbaard, zag hij daarvan af. Hij liep alleen rond tussen de vijanden, sliep alleen en was nergens bang voor.

“O roemrijke Profeet! Allah beschermt jou tegen het kwaad van de mensen” Mâ’ida: 67

66. Anas vertelt: Rasûlullah had een doek waarmee hij zijn gezegende gezicht afveegde. Hij veegde er zijn gezicht mee af, en wanneer de doek vuil was geworden, legde hij hem in het vuur. Het vuil verbrandde, maar de doek verbrandde niet en kwam er brandschoon uit. 67. Uit een put haalden zij water in een emmer; hij dronk uit de emmer, en wat overbleef, gooiden zij terug in de put. Sindsdien steeg uit de put altijd een geur van muskus op. 68. Op het lichaam van ’Utba ibn Farqad (radiyallâhu ’anh) brak de ziekte uit die netelroos (urticaria) heet. Rasûl ’alayhis-salâm ontkleedde hem, spuwde in zijn eigen gezegende handen en streek daarmee over zijn lichaam. De zieke genas. Zijn lichaam geurde als muskus, en dat bleef lange tijd zo. 69. Toen Rasûl ’alayhis-salâm het gebed verrichtte, kwam de shaytân om zijn gebed te verstoren. Hij greep hem met zijn gezegende handen. Pas nadat hij hem had laten beloven dat hij niet meer zou komen en het gebed niet zou verstoren, liet hij hem vrij.

70. ’Abdullah ibn Ubayy ibn Salûl, het hoofd van de huichelaars (munâfiq) in Medina, riep Rasûlullah bij zich toen hij op sterven lag. Hij smeekte: “Maak het hemd dat u draagt tot mijn lijkwade.” Omdat het zijn gewoonte was alles te geven wat hem werd gevraagd, schonk hij hem zijn hemd. Hij verrichtte zelfs het lijkgebed (janâza) voor hem. De duizend huichelaars die in Medina waren, waren zo getroffen door deze edelmoedigheid van Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) dat zij allen tot het geloof kwamen. 71. Van de ongelovigen van de Quraysh gingen Walîd ibn Mughîra, ’Âs ibn Wâ’il, Hârith ibn Qays, Aswad ibn Yaghûth en Aswad ibn Muttalib verder dan alle anderen in het kwellen en mishandelen van Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam). Jibrîl ’alayhis-salâm kwam en bracht het vijfennegentigste vers van soera al-Hijr met de betekenis “Wij zullen hen die met jou spotten hun straf geven…”, en wees naar de voet van Walîd, de hiel van de tweede, de neus van de derde, het hoofd van de vierde en de ogen van de vijfde. In de voet van Walîd drong een pijl. Omdat hij zeer hoogmoedig was, vond hij het beneden zijn waardigheid zich te bukken om de pijl eruit te trekken en weg te gooien. De ijzeren punt drong in zijn hielader en hij kreeg ischias. In de hiel van ’Âs drong een doorn; hij zwol op als een waterzak. Uit de neus van Hârith kwam onophoudelijk bloed. Aswad stootte, terwijl hij vrolijk onder een boom zat, zijn hoofd tegen de boom, de andere Aswad werd blind, en zij kwamen allen om.

72. In Medina woonde een vrouw van de stam Banû Najjâr die van grote schoonheid was. Een jinn werd verliefd op haar en kwam steeds naar haar toe. Nadat Rasûl ’alayhis-salâm naar Medina was gekomen, zat die jinn op een dag op de muur voor het huis van de vrouw, en zij herkende hem. Zij zei: “Waarom kom je niet meer bij mij?” De jinn zei: “De Profeet van Allâhu ta’âlâ (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) heeft ontucht (zinâ) en alles wat harâm is verboden.”

73. In de strijd die Bi’r Ma’ûna heet, braken de ongelovigen hun gegeven woord en maakten zij van de zeventig Metgezellen op een of twee na allen tot martelaar. Onder hen was ’Âmir ibn Fuhayra (radiyallâhu ta’âlâ ’anh), die slaaf van Abû Bakr (radiyallâhu ’anh) was geweest en door hem was vrijgelaten, en die tot de eersten behoorde die tot het geloof kwamen. Toen zij hem met de lans doorstaken, hieven de engelen hem voor de ogen van de ongelovigen ten hemel. Toen men dit aan Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) vertelde, zei hij: “De engelen van het Paradijs hebben hem begraven, en zijn ziel is naar het Paradijs opgeheven.”

74. Sa’d ibn Mu’âdh (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) raakte gewond in de Slag bij de Gracht (Khandaq). Enige tijd later overleed hij. Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) deelde mee dat zeventigduizend engelen bij zijn lijkgebed aanwezig waren. Toen zijn graf werd gegraven, verspreidde zich overal een geur van muskus. 75. Een Metgezel die Safîna heette en die was vrijgelaten door Umm Salama (radiyallâhu ta’âlâ ’anhâ), een van de vrouwen van Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam), week nooit uit de dienst van Rasûlullah. Op een veldtocht tegen de Byzantijnen raakte hij van het leger gescheiden en werd hij door de ongelovigen gevangengenomen. Toen hij was ontsnapt en terugkeerde, kwam hem een vreselijke leeuw tegemoet. Hij zei: “Ik ben de dienaar van Rasûlullah,” en vertelde de leeuw wat hem was overkomen. De leeuw wreef zijn kop tegen hem aan en liep naast hem mee. Opdat hem van de vijand geen kwaad zou overkomen, week hij niet van zijn zijde. Toen het leger van de islam in zicht kwam, keerde hij om en ging weg. 76. Iemand die Jahjâh Ghifârî heette, kwam in opstand tegen de kalief ’Uthmân (radiyallâhu ta’âlâ ’anh). Hij brak de staf die Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) altijd in zijn hand droeg, op zijn knie. Een jaar later ontstond op zijn knie de ziekte die shîr-panja (miltvuur) heet, en die werd de oorzaak van zijn dood.

77. Mu’âwiya (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) kwam uit Damascus naar de hajj en wilde de gezegende minbar van Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) in Medina naar Damascus meenemen om er zegen door te verkrijgen. Toen zij de minbar van zijn plaats bewogen, werd de zon verduisterd. Overal werd het donker en kwamen de sterren tevoorschijn. Hij zag van dit verlangen af. 78. In de Slag bij Uhud schoot een van de ogen van Abû Qatâda uit zijn kas en viel op zijn wang. Men bracht hem bij Rasûlullah. Hij zette het oog met zijn gezegende hand terug op zijn plaats en zei: “O mijn Heer! Maak zijn oog mooi!” Dit oog werd mooier dan het andere en zag scherper dan dat. Een van de kleinzonen van Abû Qatâda kwam eens bij de kalief ’Umar ibn ’Abdul’azîz. De kalief vroeg: “Wie ben jij?” Hij droeg een distichon voor en maakte zo bekend dat hij de kleinzoon was van de man wiens oog Rasûlullah met zijn gezegende hand op zijn plaats had teruggezet. Toen de kalief deze verzen hoorde, overlaadde hij hem met eerbewijzen en geschenken. 79. Iyâs ibn Salama vertelt: Bij de Verovering van Khaybar stuurde Rasûlullah mij om ’Alî (radiyallâhu ’anh) te halen. ’Alî had pijn aan zijn ogen. Ik nam hem bij de hand en bracht hem met moeite. Hij spuwde op zijn gezegende vingers en streek daarmee over de ogen van ’Alî. Hij gaf hem het vaandel in de hand en zond hem uit om bij de poort van Khaybar te strijden. ’Alî (radiyallâhu ’anh) rukte de poort, die al lange tijd niet geopend had kunnen worden, uit haar plaats, en de Metgezellen trokken de burcht binnen. 80. Op een dag ging onze Meester Rasûlullah langs het huis van zijn dochter Fâtima en vroeg hoe het met hen ging. Fâtima antwoordde: “Papa! Al drie dagen hebben mijn kinderen en ik niets gegeten of gedronken. Wij verdragen de honger geduldig. Om mij gaat het niet. Maar de toestand van Hasan en Husayn doet mij veel verdriet.” Daarop zei de Vorst der wereld: “O Fâtima! Mijn lieve dochter! Jij hebt al drie dagen honger. Ik daarentegen heb al vier dagen honger.” Hij was zeer bedroefd dat zijn gezegende kleinzonen Hasan en Husayn honger hadden… 81. ’Alî ging op weg om te werken en iets te verdienen, om iets voor zijn gezegende kinderen te kopen en hen te verzadigen. Toen hij Medina uit ging, zag hij bij een put een dorpeling die zijn kamelen probeerde te drenken. ’Alî ging naar hem toe en zei: “O Arabier! Heb je iemand nodig om je kamelen tegen loon te drenken?” De dorpeling zei: “Ja. Zo iemand zocht ik juist. Als je wilt, kom dan en drenk mijn kamelen! Voor elke emmer die je ophaalt, geef ik je drie dadels.” ’Alî stemde toe en begon water op te halen. Hij had negen emmers opgehaald toen plotseling het touw van de emmer brak en de emmer in de put bleef. Toen de dorpeling dat zag, sprong hij woedend op en had het ongeluk ’Alî met zijn hand in het gezicht te slaan. Daarna gaf hij hem voor acht emmers water vierentwintig dadels. ’Alî, die hierover zeer bedroefd was, reikte met zijn handen in de put. Hij haalde de emmer die erin lag eruit, zette hem bij de put neer en ging weg. De dorpeling stond als aan de grond genageld van verbazing! Hoe had zijn hand de bodem van zo’n diepe put kunnen bereiken?!.. Zou deze man soms een aanhanger zijn van de religie waarvan de komst was aangekondigd? Verzonken in deze gedachten zei de verbijsterde dorpeling: “Zijn Profeet is een ware profeet. Ik geloof!” Hij kreeg berouw van de vermetelheid die hij zojuist had getoond en van de grote misdaad die hij had begaan. Met de woorden: “Handen die zich tegen zo iemand verheffen, moeten worden afgehakt en hun botten gebroken”, nam hij zijn zwaard in de ene hand en liet het met kracht op de pols van de andere neerkomen… Hij had bereikt wat hij wilde. Hij voelde een enorme pijn, maar nu was zijn hart gerust. Hij nam de afgehakte hand in zijn andere hand en ging regelrecht naar de Masjid an-Nabawî. Hij vroeg de Metgezellen waar hun Profeet was. Zij zeiden dat hij naar zijn dochter was gegaan. Hij informeerde naar het huis van Fâtima en ging erheen. Op dat moment had onze Meester de Profeet zijn kleinzonen Hasan en Husayn op zijn gezegende knieën gezet en gaf hij hun de dadels te eten die ’Alî had meegebracht. Hoe meer de dorpeling nadacht over de grootte van de fout die hij had begaan, des te wanhopiger werd hij, bijna tot waanzin toe, en de tranen stroomden als een bron uit zijn ogen. In deze toestand kwam hij bij het huis van Fâtima en klopte op de deur. Van binnen kwam de Meester der werelden naar buiten, nûr verspreidend als een zon. Zodra de dorpeling onze Meester zag, smeekte hij: “Ik geloof, u bent de Rasûl van Allah! Ik heb berouw van wat ik heb gedaan; vergeef mij, yâ Rasûlallah!” Toen onze geliefde Profeet vroeg: “Waarom heb je je hand afgehakt?”, zei hij: “Omdat ik mij schaamde deze hand te dragen die het gezegende gezicht heeft geslagen van iemand die in u gelooft!.. Mijn leven zij voor u ten offer, yâ Rasûlallah!” Onze geliefde Profeet, die een oceaan van barmhartigheid is, nam de afgehakte hand uit de hand van de dorpeling, zei “Bismillâhir-rahmânir-rahîm” en zette haar weer vast aan de bloedende pols. Met de toestemming van Allâhu ta’âlâ, als een wonder van onze Meester de Profeet, werd de hand weer zoals zij was. Allâhu ta’âlâ is almachtig; Hij heeft over alles macht.

“O mijn Heer! Dit is mijn oom, de broer van mijn vader. En dit zijn mijn Ahl al-Bayt. Zoals ik hen met deze mantel van mij bedek, zo bedek ook U hen en bescherm hen tegen het vuur van de Hel!” Hadîth sharîf