DE VOORSPRAAK VAN ONZE MEESTER DE PROFEET
Rasûl-i akram zal op de Dag des Oordeels voorspraak doen voor zijn umma en haar verlossen van nood en verdriet. In een hadîth sharîf zei hij: “Mij werd de keuze gelaten tussen het binnengaan van de helft van mijn umma in het Paradijs en de voorspraak. Ik heb de voorspraak gekozen, want die omvat meer. Denk niet dat zij alleen is voor hen die de taqwâ hebben bereikt; zij is ook voor de zondaars die in fouten zijn vervallen…”1
In de hadîth sharîf die Abû Hurayra overlevert, zei onze Meester de Profeet: “Mijn voorspraak is voor wie de kalima-i shahâda uitspreekt door oprecht ‘Lâ ilâha illallâh’ te zeggen, zodat zijn hart zijn tong bevestigt.”2
Ook in sommige hadîths sharîf zei hij:
“Ik zal voorspraak doen voor hen van mijn umma die mijn Ahl al-Bayt liefhebben.” “Ik zal voorspraak doen voor hen van mijn umma die grote zonden begaan.” “Ik kan voor iedereen voorspraak doen, behalve voor hen die mijn Metgezellen belasteren.” “Ik zal voorspraak doen voor hen van mijn umma die zichzelf onrecht aandoen en zich door hun nafs laten bedriegen.” “Op de Dag des Oordeels zal ik als eerste voorspraak doen.”3
“Wie niet in mijn voorspraak gelooft, zal haar niet verkrijgen.”4
Op de Dag des Oordeels gaan door de verschrikking van het blazen op de bazuin (Sûr) de haren recht overeind staan, weten de ogen niet waar zij moeten kijken, en worden de gelovigen en de ongelovigen naar de plaats van de Verzameling gedreven. Dit is een kwelling die de hevigheid van de Dag des Oordeels nog vergroot. Op dat moment dragen acht engelen de ’Arsh. Een van die engelen legt met één stap een weg af van twintigduizend aardse jaren. De engelen en de wolken prijzen Hem met lofprijzingen (tasbîh) die het verstand niet kan bevatten, tot de ’Arsh-i a’lâ tot rust komt. Zo komt de ’Arsh-i a’lâ tot rust op de witte aarde die Allâhu ta’âlâ daarvoor heeft geschapen. Op dat moment buigen de hoofden zich uit vrees voor de bestraffing van Allâhu ta’âlâ, waartegen niets bestand is. Alle schepselen zitten gevangen en ontredderd in hun nood en zoeken mededogen. Op de plaats van de Verzameling verslechtert de toestand van de mensen buitengewoon. Hun last en hun kwelling nemen toe. Ieder van de mensen heeft het bezit dat hij in de wereld krampachtig vasthield om zijn nek. Wie de zakât over zijn kamelen niet gaf, krijgt een kameel op zijn nek geladen. Die brult zo en wordt zo zwaar dat hij is als een grote berg. Zo gaat het ook met wie de zakât over runderen en schapen niet gaf. Hun gejammer is als het rommelen van de donder.5 Wie de zakât over het graan, dat wil zeggen de ’ushr, niet gaf, krijgt balen graan op zijn nek geladen. Van welke graansoort hij in de wereld geen zakât gaf, van die soort zijn de balen die hem worden opgelegd: was het tarwe, dan tarwe; was het gerst, dan gerst. Onder hun gewicht roept hij: “Wâ waylâ, wâ thubûrâ!” (“Wayl” is een woord van kwelling. De mens roept zo wanneer hij de kwelling niet kan verdragen. En het woord “thubûr” wordt gebruikt op het moment van de ondergang.) Op wie geen zakât gaf over goud, zilver, (papier)geld en andere handelswaar, wordt een vreselijke slang losgelaten. Wanneer zij roepen: “Wat is dit?”, antwoorden de engelen: “Dit zijn jullie bezittingen waarover jullie in de wereld geen zakât gaven.” Deze vreselijke toestand is bekendgemaakt in het honderdtachtigste edele vers van soera Âl ’Imrân, met de betekenis: “Waarmee zij in de wereld gierig waren, zal op de Dag des Oordeels om hun nek gewonden worden.”
“Wie niet in mijn voorspraak gelooft, zal haar niet verkrijgen” Hadîth sharîf
Bij een andere groep stromen etter en pus uit hun schaamdelen (’awra). Wie om hen heen staan, hebben veel last van hun stank. Dit zijn zij die ontucht (zinâ) bedreven en het harâm deden. Weer een andere groep hangt aan de takken van bomen. Dit zijn zij die in de wereld sodomie (liwât) bedreven.
Bij nog een andere groep is de tong uit de mond gekomen en hangt op de borst; zij verkeren in een uiterst lelijke toestand. De mensen willen hen niet zien. Dit zijn zij die logen en lasterden.
Weer een groep heeft een buik die zo groot is geworden als hoge bergen. Dit zijn zij die in de wereld zonder noodzaak en zonder een geoorloofde transactie (mu’âmala) te verrichten goederen en geld tegen rente namen en gaven. De zonden van hen die zulke harâm dingen doen, worden op de schandelijkste wijze openbaar gemaakt. Vrees overvalt de profeten en de geleerden. De awliyâ en de martelaren roepen het uit voor de moeilijk te verdragen bestraffing van Allâhu ta’âlâ. Terwijl zij in die toestand verkeren, omhult hen een nûr die veel sterker is dan het licht van de zon. De mensen, die de hitte van de zon al niet konden verdragen, raken bij het zien hiervan volkomen in verwarring. Duizend jaar blijven zij in die toestand. Van de kant van Allâhu ta’âlâ wordt hun niets gezegd. Dan gaan de mensen naar de eerste profeet, Âdam ’alayhis-salâm, en smeken: “O Âdam ’alayhis-salâm! U bent een geëerde en edele profeet. Allâhu ta’âlâ heeft u geschapen, de engelen zich voor u in sajda laten neerbuigen en in u van Zijn geest geblazen. Doe voorspraak voor ons opdat de afrekening begint, zodat wij geoordeeld worden naar wat Allâhu ta’âlâ wil en ieder gaat waarheen Hij beveelt. Laat Allâhu ta’âlâ, de Rechter en de Eigenaar van alle dingen, met Zijn schepselen doen wat Hij wil.”
Âdam ’alayhis-salâm zegt: “Ik heb gegeten van de vrucht van de boom die Allâhu ta’âlâ had verboden. Daarom schaam ik mij nu voor Allâhu ta’âlâ. Maar gaan jullie naar Nûh.” Daarop blijven zij duizend jaar met elkaar overleggen. Daarna gaan zij naar Nûh ’alayhis-salâm en smeken: “Wij verkeren in een toestand die volstrekt niet te verdragen is. Doe voorspraak opdat over ons snel geoordeeld wordt. Laat ons van deze kwelling van de Verzameling verlost worden!” Nûh ’alayhis-salâm antwoordt hun: “Ik heb een smeekbede tot Allâhu ta’âlâ gedaan, en door die smeekbede verdronken alle mensen die op aarde waren. Daarom schaam ik mij voor Allâhu ta’âlâ. Maar gaan jullie naar Ibrâhîm ’alayhis-salâm, die Khalîlullah is. Allâhu ta’âlâ zei in het laatste vers van soera al-Hajj in betekenis: ’Volg de religie van jullie vader Ibrâhîm (’alayhis-salâm). Opdat de Profeet getuige is over jullie en jullie getuigen zijn over de mensen, heeft Allâhu ta’âlâ jullie zowel in de vroegere boeken als in de Qur’ân al-karîm moslims genoemd.’ Misschien doet hij voorspraak voor jullie.”
Weer blijven zij, zoals de vorige keer, duizend jaar met elkaar praten. Daarna komen zij bij Ibrâhîm ’alayhis-salâm en zeggen: “O vader van de moslims! U bent degene die door Allâhu ta’âlâ tot Zijn innige vriend (khalîl) is genomen. Doe voorspraak voor ons! Laat Allâhu ta’âlâ Zijn oordeel vellen tussen de schepselen.” Ibrâhîm ’alayhis-salâm zegt tegen hen: “Ik heb in de wereld drie keer woorden met een verborgen betekenis (kinâya) gesproken. Door ze te zeggen heb ik op de weg van de religie gestreden. Nu schaam ik mij om op deze plaats Allâhu ta’âlâ toestemming voor voorspraak te vragen. Gaan jullie naar Mûsâ ’alayhis-salâm, want Allâhu ta’âlâ heeft met hem gesproken en hem geestelijke nabijheid betoond. Hij zal voor jullie voorspraak doen.” Daarop blijven zij weer duizend jaar staan en met elkaar overleggen. Maar in die tijd wordt hun toestand uiterst zwaar. De plaats van de Verzameling wordt zeer nauw. Daarna komen zij bij Mûsâ ’alayhis-salâm en zeggen: “O zoon van ’Imrân! U bent de profeet met wie Allâhu ta’âlâ sprak en aan wie Hij de Tawrât neerzond. Doe voorspraak voor ons opdat de afrekening begint! Want ons verblijf hier heeft al te lang geduurd. Door het gedrang zijn de voeten op elkaar gestapeld.” Mûsâ ’alayhis-salâm zegt tegen hen: “Ik heb Allâhu ta’âlâ gesmeekt dat het volk van Fir’awn jarenlang bestraft zou worden met dingen die hun niet welgevallig waren. Daarna heb ik gevraagd dat zij een les zouden zijn voor wie na hen kwamen. Nu schaam ik mij voorspraak te doen. Maar Janâb-i Haqq is de Bezitter van barmhartigheid en vergeving. Gaan jullie naar Îsâ ’alayhis-salâm, want wat zekerheid (yaqîn) betreft is hij de standvastigste van de rasûls, wat kennis (ma’rifa) en wereldverzaking (zuhd) betreft de voortreffelijkste, en wat wijsheid (hikma) betreft de verhevenste. Hij zal voor jullie voorspraak doen.” Om van de nood van de Verzameling verlost te worden, komen zij daarna bij Îsâ ’alayhis-salâm en zeggen tegen hem: “U bent de geest en het woord van Allâhu ta’âlâ. Allâhu ta’âlâ zei over u in het vijfenveertigste vers van soera Âl ’Imrân in betekenis: ’Aanzienlijk (wajîh), dat wil zeggen zeer waardevol (geëerd en in aanzien), in deze wereld en in het hiernamaals.’ Doe voor ons voorspraak bij uw Heer!”
Îsâ ’alayhis-salâm zegt: “Mijn volk heeft mij en mijn moeder naast Allah tot goden (ilâh) genomen. Hoe zou ik in die toestand voorspraak kunnen doen? Zij hebben mij zelfs aanbeden; mij noemden zij zoon en Allâhu ta’âlâ vader. Maar hebben jullie ooit gezien dat iemand van jullie een buidel heeft zonder proviand erin en met een opening die niet verzegeld is? Kan men die proviand bereiken zonder het zegel te verbreken? Gaan jullie naar Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam), de verhevenste en de laatste van de profeten. Want hij heeft zijn smeekbede en zijn voorspraak voor zijn umma bewaard. Zijn volk heeft hem vaak gekweld. Zij verwondden zijn gezegende voorhoofd. Zij braken zijn gezegende tand. Zij schreven hem waanzin toe. Terwijl die verheven Profeet van hen de beste was in datgene waarop men trots kan zijn, en de hoogste in eer. Op hun ondraaglijke kwellingen en hun onrecht antwoordde hij met het edele vers dat de woorden van Yûsuf ’alayhis-salâm tot zijn broers weergeeft, met de betekenis: ’Vandaag zal ik jullie niet ter verantwoording roepen voor wat jullie hebben gedaan (ik zal jullie jullie fouten niet verwijten). Allah, Die Arhamur-râhimîn (de Barmhartigste der barmhartigen) is, zal jullie vergeven.’”6 Wanneer Îsâ ’alayhis-salâm de deugden van onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) heeft beschreven, willen zij allen hem zo snel mogelijk bereiken. Meteen komen zij bij de minbar van Muhammad ’alayhis-salâm en zeggen: “U bent Habîbullah! En de habîb is de nuttigste van alle bemiddelaars. Doe voorspraak voor ons! Want wij zijn naar de eerste van de profeten, Âdam ’alayhis-salâm, gegaan. Hij stuurde ons naar Nûh ’alayhis-salâm. Wij gingen naar Nûh ’alayhis-salâm. Hij stuurde ons naar Ibrâhîm ’alayhis-salâm. Wij gingen naar Ibrâhîm ’alayhis-salâm; hij stuurde ons naar Mûsâ ’alayhis-salâm. Wij gingen naar Mûsâ ’alayhis-salâm; hij stuurde ons naar Îsâ ’alayhis-salâm. Wij gingen naar Îsâ ’alayhis-salâm; hij stuurde ons naar u. Yâ Rasûlallah (sallallâhu ’alayhi wa sallam)! Na u is er geen plaats meer om naartoe te gaan.”
“Waarmee zij in de wereld gierig waren, zal op de Dag des Oordeels om hun nek gewonden worden” Âl ’Imrân: 180
Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zegt: “Als Allâhu ta’âlâ toestemming geeft en het goedvindt, zal ik voorspraak doen.”
Hij gaat naar de plaats die Surâdiqât al-Jalâl heet, dat wil zeggen naar de sluier van de majesteit (jalâl). Hij vraagt Allâhu ta’âlâ toestemming voor de voorspraak. De toestemming wordt hem gegeven. De sluiers worden opgeheven. Hij gaat de ’Arsh-i a’lâ binnen. Hij werpt zich neer in sajda. Duizend jaar blijft hij in sajda. Daarna looft hij Janâb-i Haqq met een lof waarmee niemand Allâhu ta’âlâ heeft geprezen sinds de wereld werd geschapen. Sommige ’ârifs hebben gezegd: “Toen Allâhu ta’âlâ de werelden schiep, heeft Hij Zichzelf met zulke lofprijzingen geprezen.” Allâhu ta’âlâ zegt in betekenis: “O Muhammad, hef je hoofd op uit de sajda! Spreek, er wordt naar je geluisterd. (Wat je ook zegt, er zal naar geluisterd worden. Wat je ook vraagt, het zal je gegeven worden.) Doe voorspraak, zij wordt aanvaard.” Daarop zegt onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “O mijn Heer! Scheid onder Uw dienaren de goeden van de slechten, want hun wachten heeft al te lang geduurd. Ieder van hen is door zijn zonden op de vlakte van ’Arasât te schande gezet en vernederd.”
Janâb-i Haqq beveelt dat het Paradijs gebracht wordt. Het Paradijs, getooid met allerlei sieraden, wordt naar de vlakte van ’Arasât gebracht. Zijn heerlijke geur is te ruiken op een afstand van vijfhonderd jaar reizen. Daardoor worden de harten verkwikt en komen de zielen tot leven. (Maar de ongelovigen, de afvalligen (murtadd), wie de moslims bespotten, wie de jongeren misleiden en hun îmân stelen, en) zij wier daden verdorven en slecht zijn, ruiken de geur van het Paradijs niet.
De engelen brengen de Hel, met kettingen vastgebonden, naar het veld van de Verzameling. De Hel brult en dreunt, spuwt vuur en verspreidt een dikke rook die de hele hemel pikzwart maakt. Haar gebrul, haar gedreun en haar hitte zijn niet te verdragen. Ieders knieën begeven het, en zij zakken neer waar zij staan. Zelfs de profeten en de rasûls kunnen zich niet staande houden. Ibrâhîm, Mûsâ en Îsâ klampen zich vast aan de ’Arsh-i a’lâ. Ibrâhîm ’alayhis-salâm vergeet Ismâ’îl ’alayhis-salâm, die hij had willen offeren; Mûsâ ’alayhis-salâm vergeet zijn broer Hârûn ’alayhis-salâm, en Îsâ ’alayhis-salâm vergeet zijn moeder Maryam. Ieder van hen zegt: “O mijn Heer! Vandaag vraag ik U niets anders dan voor mijzelf.”
Muhammad ’alayhis-salâm echter zegt: “O mijn Heer! Schenk mijn umma behoud en redding!” Daar is niemand die dit kan verdragen. Want Allâhu ta’âlâ heeft dit bekendgemaakt en in het achtentwintigste vers van soera al-Jâthiya in betekenis gezegd: “Jij ziet iedere umma uit vrees voor Janâb-i Haqq op de knieën gezonken. Ieder van hen wordt geroepen tot het boek van de daden die zij in de wereld hebben verricht.”
Allâhu ta’âlâ zegt in het achtste vers van soera al-Mulk in betekenis: “Door de hevigheid van zijn woede en zijn grimmigheid scheurt het Vuur bijna in tweeën.”
Daarop treedt onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) naar voren en houdt de Hel tegen. Hij zegt: “Keer terug, veracht en vernederd, tot jouw bewoners in drommen tot jou komen!” En de Hel zegt: “O Muhammad! Laat mij door! Want u bent voor mij harâm.” Vanuit de ’Arsh klinkt een roep: “O Hel! Luister naar de woorden van Muhammad ’alayhis-salâm en gehoorzaam hem!” Daarna trekt onze Meester Rasûlullah de Hel weg en plaatst haar op een plek aan de linkerkant van de ’Arsh-i a’lâ. Zij die op de plaats van de Verzameling zijn, brengen elkaar de blijde boodschap van deze barmhartige behandeling en van de voorspraak van onze Meester de Profeet. Hun angst neemt wat af. Zo wordt de betekenis zichtbaar van het honderdzevende edele vers van soera al-Anbiyâ: “Wij hebben jou gezonden als barmhartigheid voor de werelden.”7
Kortom, onze Meester Rasûlullah zal op vijf plaatsen voorspraak doen.8
De eerste: met de voorspraak die Maqâm Mahmûd heet, zal hij alle mensen verlossen van de kwelling van het wachten op de plaats van de Verzameling.9
De tweede: door zijn voorspraak zal hij zeer veel mensen zonder afrekening het Paradijs binnenbrengen. De derde: hij zal gelovigen met veel zonden uit de Hel halen. De vierde: hij zal voorspraak doen opdat zij wier goede daden en zonden gelijk zijn en die wachten op de plaats die “A’râf” heet, het Paradijs binnengaan. De vijfde: hij zal voorspraak doen opdat de graden van hen die in het Paradijs zijn, verhoogd worden.
Door de voorspraak van ieder van de zeventigduizend mensen die hij door zijn voorspraak van de afrekening heeft verlost, zullen telkens zeventigduizend mensen zonder afrekening het Paradijs binnengaan.
VOORSPRAAK, YÂ RASÛLALLAH!
In grote nood kwam ik tot u,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Wat mijn schuld is, heb ik erkend,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Ik ben een zondaar, mijn gezicht is zwart,
Misschien word ik in het vuur geworpen;
Alleen van u kan redding komen,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
De liefde voor u gaat boven alles,
Uw kennis is hoger dan die van iedereen,
Wie u prijst, is de Mawlâ zelf,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Hoe zou een mens u kunnen prijzen?
Alleen van u kan de weldaad komen;
Kom ons te hulp, wij smeken u!
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Zonder u is de wereld mij een kerker,
Mijn zaken staan slecht, mijn toestand is zwaar;
Alleen van u kan genezing komen,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
U hebt licht over deze wereld verspreid,
Salât en salâm zij over u;
Voor iedere moslim, dood of levend,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Voorzeker, talrijk is mijn ongehoorzaamheid,
Ik ben machteloos en vol gebreken,
Maar mijn îmân is oprecht,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Wanneer de Hel kookt en overloopt,
En niemand weet wat ons overkomt,
Voor de kameraad die jihâd heeft gevoerd,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Laat de sluier van mijn ogen wijken,
U bent het geneesmiddel voor iedere kwaal;
Voor ieder die gelovig is,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Te uwer ere werd “Lawlâka” gezegd,
En ook werd “A’taynâka” gezegd;
U bent de vorst van “Arsalnâka”,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Voor hen die onze religie verbreiden,
Voor hen die uw sunna volgen,
Voor hen die hun leven geven op uw weg,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Voor de geringste van uw umma,
Voor wie dankt en wie dhikr doet,
Voor haar rijken en haar armen,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Muhammed Hâdimî (rahmatullâhi ’alayh)
“Jij ziet iedere umma uit vrees voor Janâb-i Haqq op de knieën gezonken. Ieder van hen wordt geroepen tot het boek van de daden die zij in de wereld hebben verricht” Jâthiya: 28
