Mijn Geliefde Profeet

HET VERHEVEN KARAKTER VAN ONZE MEESTER DE PROFEET1

Allâhu ta’âlâ somt de weldaden en gunsten op die Hij Zijn geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) heeft geschonken, en terwijl Hij zijn gezegende hart streelt, zegt Hij: “Jij bent geschapen met een goed karakter.”2

In een edel vers werd in betekenis gezegd: “Voorwaar, jij bent van een khuluq ’azîm (jij bezit een verheven karakter).” Khuluq ’azîm betekent: met Allâhu ta’âlâ geheimen en verborgen dingen hebben, en onder de mensen een goed karakter bezitten. ’Ikrima zegt: “Ik hoorde ’Abdullah ibn ’Abbâs zeggen: de ‘khuluq ‘azîm’ in dit edele vers, dat wil zeggen de goede karaktertrekken, is het karakter (akhlâq) dat de Qur’ân al-karîm bekendmaakt.”

Het goede karakter van Rasûlullah was de oorzaak dat zeer veel mensen tot de religie van de islam overgingen.

Zijn woorden waren uiterst lieflijk: zij wonnen de harten en trokken de zielen aan. Zijn verstand was zo groot dat hij, toen hij op het Arabisch Schiereiland te midden van harde en koppige mensen kwam, hen voortreffelijk leidde, hun kwellingen geduldig verdroeg en hen tot zachtmoedigheid en gehoorzaamheid bracht. De meesten van hen verlieten hun religie, werden moslim en streden op de weg van de religie van de islam tegen hun eigen vaders en zonen.

Voor hem gaven zij hun bezit en hun woonplaatsen op en vergoten zij hun bloed. En toch waren zij zulke dingen niet gewend. Zijn goede karakter, zijn zachtmoedigheid, zijn vergevingsgezindheid, zijn geduld, zijn weldaden en zijn gulheid waren zo groot dat iedereen er vol bewondering voor was. Wie hem zag en wie hem hoorde, werd van harte moslim. In geen enkele beweging, geen enkele daad en geen enkel woord van hem is ooit iets lelijks of enig gebrek gezien. Hoewel hij om zichzelf nooit iemand iets kwalijk nam, was hij hard en streng tegenover de vijanden van de religie en tegenover hen die hun tong en hun hand tegen de religie uitstaken.

Van Muhammad ’alayhis-salâm werden duizenden wonderen gezien; vriend en vijand, iedereen heeft dat gezegd. Het waardevolste van deze wonderen was zijn welgemanierdheid en zijn goede karakter. Abû Sa’îd Khudrî zei: “Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) gaf de dieren voer. Hij bond de kameel vast. Hij veegde zijn huis. Hij molk het schaap. Hij naaide zijn gescheurde schoeisel en verstelde zijn ondergoed.3 Hij at samen met zijn dienaar. Wanneer zijn dienaar moe werd van het draaien van de handmolen, hielp hij hem. Hij kocht op de markt allerlei dingen en droeg ze in een zak naar huis. Wanneer hij een arme of een rijke, een oudere of een jongere ontmoette, groette hij als eerste. Om hun de hand te geven (musâfaha), stak hij als eerste zijn gezegende hand uit. Hij maakte geen onderscheid tussen slaaf en meester, tussen edelman, zwarte en blanke. Wie hem ook uitnodigde, hij ging naar de plaats waar hij werd geroepen. Wat men hem voorzette, achtte hij, al was het weinig, niet gering of min.

Hij bewaarde geen eten van de avond voor de morgen, noch van de morgen voor de avond. Hij had een goed karakter. Hij deed graag goed en kon met iedereen goed overweg. Hij was vriendelijk van gelaat en lieflijk van woord, en bij het spreken lachte hij niet. Hij zag er bedroefd uit, maar fronste zijn wenkbrauwen niet. Hij was nederig van hart, maar niet laag van aard. Hij was ontzagwekkend en wekte eerbied en ontzag, maar was niet grof. Hij was fijngevoelig en vrijgevig, maar hij verspilde niets, gaf niets zonder nut weg en had medelijden met iedereen. Zijn gezegende hoofd was altijd voorovergebogen. Hij verwachtte van niemand iets. Wie geluk en innerlijke rust wil, moet zijn zoals hij.” Anas ibn Mâlik zei: “Ik heb Rasûlullah tien jaar gediend. Niet één keer zei hij ‘oef!’ tegen mij. Nooit zei hij: ‘Waarom heb je dit zo gedaan?’, of: ’Waarom heb je dat niet gedaan?’”4 Abû Hurayra zei: “Tijdens een veldtocht (ghazwa) vroegen wij hem een smeekbede te doen opdat de ongelovigen vernietigd zouden worden. Hij zei: ‘Ik ben niet gezonden om te vervloeken, noch opdat de mensen gestraft worden. Ik ben gezonden om iedereen goed te doen en opdat de mensen rust vinden.’”5 Allâhu ta’âlâ zegt in het honderdzevende edele vers van soera al-Anbiyâ in betekenis: “Wij hebben jou gezonden als barmhartigheid en weldaad voor de werelden.”

Abû Sa’îd Khudrî zei: “Het schaamtegevoel (hayâ) van Rasûlullah was groter dan dat van de maagdelijke meisjes van de islam.”6

Anas ibn Mâlik zegt: “Wanneer Rasûlullah iemand de hand gaf (musâfaha), trok hij zijn gezegende hand niet terug zolang die persoon zijn hand niet terugtrok.7 Hij wendde zijn gezegende gezicht niet van hem af zolang die persoon zijn gezicht niet afwendde. Wanneer hij bij iemand zat, zat hij op zijn beide knieën; uit eerbied voor hem zat hij niet met zijn gezegende knie opgetrokken.”

Jâbir ibn Samura zegt: “Rasûlullah sprak weinig. Hij sprak wanneer het nodig was of wanneer hem iets werd gevraagd.” Hieruit blijkt dat iedere moslim moet zwijgen en geen ijdele en nutteloze woorden moet spreken. In zijn gezegende woorden waren tartîl en tarsîl, dat wil zeggen: hij sprak zeer duidelijk en geordend, en men begreep hem gemakkelijk. Anas ibn Mâlik zei: “De Rasûl ’alayhis-salâm bezocht de zieken, liep achter de lijkbaar aan en ging naar waar hij werd uitgenodigd. Hij reed ook op een ezel. Bij de Verovering van Khaybar zag ik de Rasûl ’alayhis-salâm. Hij zat op een ezel waarvan de halster een touw was. Wanneer de Rasûl ’alayhis-salâm na het ochtendgebed naar buiten kwam, brachten de kinderen en de arbeiders van Medina hun met water gevulde bakken voor hem en vroegen hem zijn gezegende vinger erin te dopen. Ook al was het winter en het water koud, hij wees hun verzoek niet af en verblijdde hun harten.”8

Verder zegt Anas: “Wanneer een klein meisje de hand van de Rasûl ’alayhis-salâm pakte en hem voor iets meenam, ging hij met haar mee en loste hij haar moeilijkheid op.”

“Voorwaar, jij bent van een khuluq ’azîm (jij bezit een verheven karakter)” Qalam: 4

Jâbir zegt: “Nooit is gehoord dat de Rasûl ‘alayhis-salâm ‘ik heb het niet’ zei wanneer hem iets werd gevraagd.”

Ook in schaamtegevoel (hayâ) stond onze Meester de Profeet boven alle schepselen. Voor ongepaste dingen waren zijn ogen als het ware gesloten. Hij sprak niemand aan met iets wat die persoon niet aangenaam was.

Onze moeder ’Âisha vertelde: “Wanneer aan onze Meester Rasûlullah werd bericht dat iemand iets afkeurenswaardigs had gedaan, zei hij, zonder de naam van die persoon te noemen, in algemene zin: ‘Waarom doen zij zo?’ Zo hield hij die persoon af van het slechte dat hij had gedaan of gezegd, en noemde hij zijn naam niet.”9

Anas ibn Mâlik vertelde: “Op een dag kwam bij onze Meester de Profeet een man binnen op wiens gezicht iets geels zat. Hij zei niets tegen hem. Hij zei niets wat hem verdriet zou doen. Toen de man naar buiten ging, zei hij: ‘Hadden jullie het hem maar gezegd, dan had hij gewassen wat op zijn gezicht zat!’”10

Onze Meester Rasûlullah bracht de volken samen. Hij zette hen niet tegen elkaar op. Het hoofd van ieder volk bewees hij eer en liet hij op de ereplaats zitten.

Niemand onthield hij zijn gezegende gelaat. Hij zocht zijn Metgezellen op en vroeg naar wie niet kwamen. Wie bij hem zaten, gaf hij raad, en ieder gaf hij zijn deel.

Door de manier waarop hij zich gedroeg, kwam bij niemand de gedachte op dat hij de een meer liefhad dan de ander. Wie bij hem kwam om te klagen, verdroeg hij met geduld en hoorde hij aan.

Zolang de bezoeker niet van hem wegging, liet hij hem niet in de steek om zelf te vertrekken. Aan alle mensen toonde hij zijn goede karakter en zijn goede manieren op de beste wijze. Bij hem was iedereen gelijk wat recht en rechtvaardigheid betreft. Niemand had enige voorrang of voorkeursbehandeling boven een ander. Onze moeder ’Âisha zei: “Nooit heb ik iemand gezien met zo’n goed karakter als onze Meester Rasûlullah. Wanneer iemand van zijn Metgezellen of van zijn huisgenoten (Ahl al-Bayt) hem riep, antwoordde hij steevast: ‘Ja, zeg het maar!’”11

Onze Meester Rasûlullah riep zijn Metgezellen bij de mooiste namen. Hij viel niemand in de rede. Zolang degene met wie hij sprak niet was uitgesproken of niet was opgestaan om te gaan, onderbrak hij hem niet. Over zijn goede omgang, zijn tederheid en zijn mededogen zei Allâhu ta’âlâ in het honderdachtentwintigste edele vers van soera at-Tawba in betekenis: “Dat jullie lijden, doet hem pijn en bedroeft hem. Hij is zeer met jullie begaan; jegens de gelovigen is hij zeer barmhartig en hij wenst hun veel goeds.”

En in het honderdzevende edele vers van soera al-Anbiyâ zei Allâhu ta’âlâ in betekenis: “(O Mijn Habîb!) Wij hebben jou alleen gezonden als barmhartigheid voor de werelden.”

Uit bezorgdheid dat sommige dingen zijn umma zwaar zouden vallen, maakte onze Meester de Profeet ze gemakkelijk. Hij zei: “Als ik mijn umma geen moeite had willen bezorgen, had ik hun bevolen bij iedere wudû de miswâk te gebruiken.”12 Ook in het nakomen van zijn woord is er onder de mensen niemand geweest die onze Meester de Profeet overtrof. ’Abdullah ibn Abi’l-Hamsâ vertelde: “Nog voordat hem het profeetschap was bekendgemaakt, had ik met onze Profeet handel gedreven. Er was nog een bedrag dat ik hem schuldig was. Ik beloofde hem op die en die tijd op die en die plaats te ontmoeten, en vergat het. Toen ik mij drie dagen later mijn belofte herinnerde, rende ik meteen naar die plaats. Toen ik zag dat hij daar al drie dagen stond te wachten, stond ik als aan de grond genageld van verbazing. Hij zei tegen mij: ‘Jongeman, je hebt mij vermoeid! Ik wacht hier al drie volle dagen op je.’” De nederigheid van onze Meester de Profeet was zo groot en zo weergaloos dat zij bij niemand, zelfs bij geen enkele profeet (’alayhimus-salâm), te vinden zou zijn.

Hoogmoed kwam nooit in hem op. Toen onze Profeet de keuze werd gelaten tussen een koning-profeet en een dienaar-profeet te zijn, koos hij ervoor een dienaar-profeet te zijn.13 Daarop zei Isrâfîl ’alayhis-salâm tegen onze Meester de Profeet: “Voorwaar, Allâhu ta’âlâ heeft u ook datgene geschonken waarvan u uit nederigheid afstand deed. Want op de Dag des Oordeels bent u de grootste van de kinderen van Âdam. U bent de eerste mens die uit zijn graf zal opstaan. En u bent ook degene die als eerste voorspraak zal doen.”

Onze Meester de Profeet zei tegen onze moeder ’Âisha:

“Mij werd aangeboden dat de stenen en de aarde van Mekka goud zouden worden. Ik zei: ‘Nee, o mijn Heer! Laat mij de ene dag hongerig zijn en de andere dag verzadigd. Op de dag dat ik honger heb, smeek ik U en doe ik smeekbeden tot U. Op de dag dat ik verzadigd ben, loof en prijs ik U.’”14

Op een dag kwam Jibrîl ’alayhis-salâm bij onze Meester de Profeet en zei:

“Allâhu ta’âlâ doet u de groet. Als hij wil, maak ik deze bergen voor hem tot goud. Waar hij ook heen gaat, die gouden bergen zullen met hem meegaan.”

Onze geliefde Profeet antwoordde: “O Jibrîl! De wereld is het huis van wie geen huis heeft, en het bezit van wie geen bezit heeft. Alleen wie geen verstand heeft, stapelt haar op.”15 Daarop zei Jibrîl ’alayhis-salâm: “O Muhammad! Allâhu ta’âlâ heeft u standvastig gemaakt door het vaste woord (qawl-i thâbit).”

Onze moeder ’Âisha zei: “Soms ging er een hele maand voorbij zonder dat wij in ons huis vuur aanstaken (om te koken). Er waren alleen dadels en water.”

Ibn ’Abbâs zei: “Onze Meester Rasûlullah en zijn huisgenoten (Ahl al-Bayt) gingen vele nachten slapen zonder avondeten. ’s Avonds vonden zij niets te eten.” Onze moeder ’Âisha zei: “De gezegende buik van onze Meester Rasûlullah is nooit verzadigd geweest van eten. Daarover heeft hij bij niemand geklaagd. Gebrek was hem liever dan rijkdom. Ook al lag hij de hele nacht te kronkelen van de honger, het weerhield hem er niet van overdag te vasten.16

“Mij werd aangeboden dat de stenen en de aarde van Mekka goud zouden worden. Ik zei: ‘Nee, o mijn Heer! Laat mij de ene dag hongerig zijn en de andere dag verzadigd. Op de dag dat ik honger heb, smeek ik U en doe ik smeekbeden tot U. Op de dag dat ik verzadigd ben, loof en prijs ik U’” Hadîth sharîf

Had hij gewild, dan had hij van zijn Heer alle schatten van de aarde, haar voedsel en een leven in welvaart gevraagd. Ik zweer dat ik, wanneer ik hem in die toestand zag, medelijden met hem kreeg en huilde. Terwijl ik met mijn hand over zijn gezegende buik streek, zei ik:

‘Moge mijn ziel voor u geofferd worden! Zou u niet wat voordeel uit deze wereld kunnen halen dat u kracht geeft?’

Dan zei hij: ‘O ‘Âisha! Wat moet ik met de wereld? Mijn broeders onder de profeten die tot de ulu’l-‘azm behoren, hebben nog zwaardere dingen verdragen dan dit. Maar zij leefden in die toestand verder. Zij keerden terug tot hun Heer. Daarom maakte hun Heer hun terugkeer tot Hem heel mooi en vermeerderde Hij hun beloning. Ik schaam mij een leven in welvaart te leiden, want zo’n leven zou mij bij hen doen achterblijven. Het mooiste en dierbaarste voor mij is mijn broeders, mijn vrienden weer te zien en mij bij hen te voegen.’”

Onze moeder ’Âisha zei: “Ongeveer een maand na deze woorden overleed Rasûlullah.” Ook de vrijgevigheid van onze Meester de Profeet was legendarisch. Ook in deze goede eigenschap kon niemand onze Profeet evenaren.

Ibn ’Abbâs zei: “In het doen van het goede was onze Meester Rasûlullah de vrijgevigste van de mensen. In de gezegende maand Ramadân en wanneer hij Jibrîl ’alayhis-salâm ontmoette, was hij vrijgeviger dan de ochtendwind.” Anas ibn Mâlik zegt: “Ik liep samen met de Rasûl ’alayhis-salâm. Hij droeg een burd-i Najrânî, dat wil zeggen een mantel van Jemenitische stof. Een dorpeling kwam van achteren en trok zo hard aan de kraag dat die zijn gezegende hals schramde en er een spoor achterbleef. De Rasûl ’alayhis-salâm lachte om wat de man deed en gaf bevel hem iets te geven.” De Rasûl ’alayhis-salâm had een buurvrouw, een oude vrouw. Zij stuurde haar dochter naar de Rasûl ’alayhis-salâm en smeekte: “Ik heb geen kleed om mij te bedekken wanneer ik het gebed verricht. Stuur mij een kleed waarmee ik mij in het gebed kan bedekken.” Op dat ogenblik had de Rasûl ’alayhis-salâm geen ander kleed. Hij trok het gewaad uit dat hij op zijn gezegende lichaam droeg en stuurde het naar die vrouw. Toen de tijd van het gebed aanbrak, kon hij zonder kleed niet naar de moskee gaan. Toen de Metgezellen dit hoorden, zeiden zij: “De Rasûl ’alayhis-salâm is zo vrijgevig dat hij zonder hemd achterblijft en niet naar de moskee kan komen voor het gemeenschappelijk gebed. Laten ook wij alles wat wij hebben onder de armen verdelen.” Onmiddellijk zond Allâhu ta’âlâ het negenentwintigste edele vers van soera al-Isrâ neer. Eerst zei Hij in betekenis tegen Zijn Habîb:

“Bind je handen niet vast aan je nek en open ze ook niet helemaal (wees niet gierig, weiger niet te geven)”, en daarna: “Verdeel je bezit niet zo dat er voor jezelf niets overblijft (zo dat je in nood raakt, het gebed misloopt en bedroefd wordt)! (Wees gematigd in het geven van sadaqa.)”

Die dag kwam ’Alî na het gebed bij Rasûlullah en zei: “Yâ Rasûlallah! Vandaag heb ik acht zilveren dirham geleend voor het onderhoud van mijn gezin. De helft daarvan geef ik aan u. Koop voor uzelf een gewaad.” De Rasûl ’alayhis-salâm ging naar de markt en kocht voor twee dirham een gewaad. Toen hij met de overige twee dirham voedsel ging kopen, zag hij een blinde zitten, die zei: “Wie geeft mij een hemd, omwille van het welbehagen van Allah en om de gewaden van het Paradijs te verkrijgen?” Hij gaf hem het gewaad dat hij had gekocht. Toen de blinde het gewaad in zijn handen nam, rook hij een heerlijke geur als van muskus. Hij begreep dat die geur van de gezegende hand van de Rasûl ’alayhis-salâm kwam, want alles wat de Rasûl ’alayhis-salâm ook maar één keer had gedragen, geurde, ook als het versleten en uiteengevallen was, in ieder stuk heerlijk als muskus.

De blinde deed een smeekbede en zei: “O mijn Heer! Open mijn ogen omwille van dit hemd!” En onmiddellijk gingen zijn beide ogen open. De Rasûl ’alayhis-salâm ging daar weg. Hij kocht voor één dirham een gewaad. Toen hij met de laatste dirham voedsel ging kopen, zag hij een dienstmeisje huilen en vroeg: “Mijn kind, waarom huil je zo?” Het meisje zei: “Ik ben de dienstmeid van een jood. Hij gaf mij een dirham en zei: ‘Koop voor een halve dirham een fles en voor een halve dirham olie.’ Ik kocht ze en was op weg naar huis, toen ze uit mijn handen vielen. De fles en de olie zijn allebei verloren, en nu weet ik niet wat ik moet doen.” De Rasûl ’alayhis-salâm gaf het meisje zijn laatste dirham en zei: “Koop hiermee de fles en de olie en breng ze naar huis.” Maar het arme meisje zei: “Ik ben bang dat de jood mij slaat omdat ik te laat thuiskom.” De Rasûl ’alayhis-salâm zei: “Wees niet bang! Ik ga met je mee en zeg hem dat hij je niets moet doen.” Zij kwamen bij het huis en klopten op de deur. De jood deed open, en toen hij onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zag, stond hij perplex. Rasûlullah vertelde de jood wat er was gebeurd en legde een goed woord voor het meisje in, opdat hij haar niets zou doen. De jood wierp zich aan de voeten van Rasûlullah en zei: “O grote Profeet, kroon op het hoofd van duizenden mensen, op wiens bevel duizenden leeuwen wachten om het uit te voeren! Om een dienstmeisje hebt u de deur van een ellendige als ik met uw komst vereerd. Yâ Rasûlallah! Ter ere van u heb ik dit meisje vrijgelaten. Leer mij de îmân, de islam. Laat mij in uw aanwezigheid moslim worden.” De Rasûl ’alayhis-salâm leerde hem de islam. De jood werd moslim. Hij ging zijn huis binnen en vertelde het zijn gezin. Allen werden moslim. Dit alles gebeurde door de zegen van het goede karakter van Rasûlullah.

Iedere moslim moet deze toestanden van Rasûlullah tot voorbeeld voor zichzelf nemen. Iedere moslim moet zich sieren met het karakter van Allâhu ta’âlâ. Want onze Meester Rasûlullah zei: “Sier jullie met het karakter van Allâhu ta’âlâ!” Zo is een van de eigenschappen van Allâhu ta’âlâ “Sattâr”. Dat wil zeggen: Hij is het Die de zonden bedekt.

Ook de moslim moet het gebrek en de fout van zijn broeder in de religie bedekken. Allâhu ta’âlâ vergeeft de zonden van Zijn dienaren. Daarom moeten ook de moslims elkaars gebreken en fouten vergeven. Allâhu ta’âlâ is Karîm en Rahîm. Dat wil zeggen: Zijn goedgunstigheid en Zijn weldadigheid zijn overvloedig en Zijn barmhartigheid is groot. De moslim moet vrijgevig en barmhartig zijn. Zo is het met alle goede karaktertrekken.

“Ja! Ik weet dat jullie alles zullen doen. Maar ik wil niet afzijdig zitten van hen die het werk doen. Allâhu ta’âlâ houdt niet van wie zich van zijn kameraden afzondert en apart gaat zitten” Hadîth sharîf

De goede karaktertrekken van de Rasûl ’alayhis-salâm zijn zeer talrijk. Iedere moslim moet ze leren kennen en zich naar hun voorbeeld een goed karakter eigen maken. Zo valt het hem ten deel in deze wereld en in het hiernamaals gered te worden van rampen en ellende en de voorspraak van die Meester der beide werelden te verkrijgen.

Enkele van zijn goede karaktertrekken:

1. In kennis, inzicht (‘irfân), begrip (fahm), zekerheid (yaqîn), vaste overtuiging (îqân), verstand, scherpzinnigheid, vrijgevigheid, nederigheid, zachtmoedigheid (hilm), tederheid, geduld, ijver, eergevoel (hamiyya), oprechtheid, betrouwbaarheid, moed, majesteit (mahâba), dapperheid, welsprekendheid, zuiverheid van taal, schranderheid, bevalligheid (malâha), vroomheid (wara’), kuisheid, edelmoedigheid, billijkheid, schaamtegevoel (hayâ), wereldverzaking (zuhd) en taqwâ overtrof Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) alle profeten.

2. De schade en de kwellingen die hij van vriend en vijand ondervond, vergaf hij. Hij vergold niemand van hen met gelijke munt. Toen de ongelovigen bij de Slag bij Uhud zijn gezegende wang hadden opengehaald en zijn tanden hadden gebroken, deed hij voor hen die dat hadden gedaan de smeekbede: “O mijn Heer! Vergeef hun! Vergeef het hun, want zij zijn onwetend!”

3. Zijn tederheid was groot. Hij gaf de dieren te drinken. Hij hield de waterbak met zijn hand vast en wachtte tot zij hun dorst hadden gelest. Hij veegde het gezicht en de ogen af van het paard dat hij bereed.

4. Wie hem riep, antwoordde hij met “labbayk” (“tot uw dienst”). Bij niemand strekte hij zijn benen uit. Hij zat op zijn knieën. 5. Hij stelde zichzelf boven niemand. Toen er op een reis een schaap geroosterd zou worden, zei iemand: “Ik slacht het.” Een ander zei: “Ik vil het.” Weer een ander zei: “Ik kook het.” Toen Rasûlullah zei: “En ik verzamel het hout,” zeiden zij: “Yâ Rasûlallah! Rust u maar uit! Wij verzamelen het wel.” Hij zei: “Ja! Ik weet dat jullie alles zullen doen. Maar ik wil niet afzijdig zitten van hen die het werk doen. Allâhu ta’âlâ houdt niet van wie zich van zijn kameraden afzondert en apart gaat zitten.” Hij stond op en ging hout verzamelen. 6. Wanneer hij kwam waar zijn Metgezellen (radiyallâhu ta’âlâ ’anhum ajma’în) zaten, ging hij niet naar de ereplaats. Hij ging zitten op een lege plek die hij zag. Toen hij op een dag met een stok in de hand de straat op ging, stonden zij die hem zagen op. Hij zei: “Sta niet voor mij op zoals anderen uit eerbied voor elkaar opstaan! Ook ik ben een mens zoals jullie. Ik eet zoals iedereen. Wanneer ik moe ben, ga ik zitten.”

7. In eten, in kleding en in alles maakte hij geen onderscheid tussen zichzelf en zijn dienaren. Hij hielp hen bij hun werk. Nooit is gezien dat hij iemand sloeg of uitschold.

Anas ibn Mâlik, die altijd in zijn dienst was, zegt: “Ik heb Rasûlullah tien jaar gediend. De dienst die hij mij bewees, was groter dan die ik hem bewees. Nooit heb ik gezien dat hij boos op mij was of hard tegen mij sprak.”17

8. Zijn losgeraakte en gescheurde kleren verstelde hij zelf, zijn schapen molk hij zelf en zijn dieren gaf hij zelf voer. Wat hij op de markt kocht, droeg hij zelf naar huis. Op reis gaf hij zijn dieren voer en soms roskamde hij ze ook. Dit deed hij soms alleen, soms hielp hij zijn dienaren erbij. 9. Wanneer de dienaren van sommige mensen hem kwamen roepen, liep hij volgens het gebruik van Medina hand in hand met hen mee.

10. Hij bezocht de zieken en was aanwezig bij begrafenissen. Om de harten te winnen, bezocht hij ook de zieken van de ongelovigen en de huichelaars (munâfiqs). 11. Nadat hij het ochtendgebed had geleid, ging hij met het gezicht naar de gemeenschap zitten en zei: “Is er een broeder van ons ziek? Laten we hem gaan bezoeken!” Was er geen zieke, dan zei hij: “Heeft iemand een sterfgeval? Laten we gaan helpen!” Was er een dode, dan hielp hij bij het wassen en bij het wikkelen in de lijkwade, leidde hij het lijkgebed (janâza) en ging hij mee tot aan het graf. Was er geen dode, dan zei hij: “Wie een droom heeft gehad, laat hij hem vertellen! Laten we luisteren en hem uitleggen!”

12. Wanneer hij een van zijn Metgezellen drie dagen niet had gezien, vroeg hij naar hem. Was hij op reis gegaan, dan deed hij een smeekbede om goeds voor hem; was hij in de stad, dan ging hij hem bezoeken. 13. De moslim die hij op straat tegenkwam, groette hij zelf als eerste. 14. Hij reed op een kameel, een paard, een muildier en een ezel, en soms liet hij iemand achter zich zitten.

15. Hij bediende zijn gasten en zijn Metgezellen en zei: “De meester van een volk, de voortreffelijkste van hen, is degene die hen dient.”

16. Nooit is gezien dat hij schaterlachte. Hij glimlachte geluidloos. Soms werden bij het lachen zijn gezegende voortanden zichtbaar.

17. Hij zag er altijd peinzend en bedroefd uit en sprak weinig. Hij begon te spreken met een glimlach. 18. Hij zei niets onnodigs en nutteloos. Wanneer het nodig was, sprak hij kort, nuttig en met een duidelijke betekenis. Opdat het goed begrepen werd, herhaalde hij soms iets drie keer.

19. Met vreemden en bekenden, met kinderen, met oude vrouwen en met de vrouwen van zijn familie met wie hij niet mocht trouwen (mahram), schertste en grapte hij. Maar dat deed hem Allâhu ta’âlâ geen ogenblik vergeten.

20. Door zijn majesteit kon niemand hem in het gezicht kijken. Iemand kwam en begon te beven toen hij naar zijn gezegende gezicht keek. Hij zei: “Wees niet bang! Ik ben geen koning, ik ben geen tiran. Ik ben de zoon van een arme vrouw die gedroogd vlees at.” De angst van de man verdween en hij begon zijn zorgen te vertellen.

21. Hij had geen wachters en geen poortwachters. Iedereen kon gemakkelijk bij hem komen en hem zijn zorgen vertellen. 22. Zijn schaamtegevoel was groot. Hij schaamde zich degene met wie hij sprak in het gezicht te kijken.

“De meester van een volk, de voortreffelijkste van hen, is degene die hen dient” Hadîth sharîf

23. Niemand verweet hij zijn gebrek in het gezicht. Over niemand klaagde hij en van niemand sprak hij achter zijn rug. Wanneer hij de woorden of de daad van iemand niet goedkeurde, zei hij: “Waarom zouden sommige mensen zo doen?”

24. Hoewel hij de geliefde, de rasûl en de uitverkorene (maqbûl) van Allâhu ta’âlâ was, zei hij: “Van jullie ken ik Allâhu ta’âlâ het best en vrees ik Hem het meest.” En hij zei: “Als jullie zagen wat ik zie, zouden jullie weinig lachen en veel huilen.”18 Wanneer hij een wolk in de lucht zag, zei hij: “O mijn Heer! Zend ons met deze wolk geen bestraffing!” Wanneer de wind waaide, deed hij de smeekbede: “O mijn Heer! Zend ons een wind die goed voor ons is!” Wanneer het donderde, zei hij: “O mijn Heer! Dood ons niet door Uw toorn, vernietig ons niet door Uw bestraffing, en schenk ons vóór dat alles welzijn!”

Wanneer hij voor het gebed ging staan, hoorde men uit zijn borst een geluid zoals van iemand die huilend zucht. Zo was het ook wanneer hij de Qur’ân al-karîm reciteerde. 25. De kracht van zijn hart en zijn moed waren verbazingwekkend groot. Bij de Slag bij Hunayn, toen de moslims uiteengeslagen waren, was hij met drie of vier mensen overgebleven. Enkele keren hield hij in zijn eentje stand tegen de aanval van de ongelovigen en week hij geen duimbreed terug. Hij bood hun het hoofd en sloeg hen op de vlucht.

26. Hij was zeer vrijgevig. Hij schonk honderden kamelen en schapen weg en hield niets voor zichzelf. Vele ongelovigen met een hard hart kwamen tot het geloof toen zij deze weldaden zagen.

27. Nooit is gehoord dat hij “ik heb het niet” zei wanneer hem iets werd gevraagd. Had hij het, dan gaf hij het; had hij het niet, dan zweeg hij.

28. Hoewel Allâhu ta’âlâ had gezegd: “Vraag, en Ik zal geven,” vroeg hij niet om wereldse rijkdom. Nooit at hij brood van gezeefd tarwemeel. Altijd at hij brood van ongezeefd gerstemeel. Nooit is gezien dat hij at tot hij verzadigd was. Er zijn tijden geweest waarin er twee, drie maanden thuis niet gekookt en geen brood gebakken werd en hij alleen dadels at. Het kwam ook voor dat hij twee, drie dagen niets at.

29. Toen hij overleed, bleek zijn ijzeren maliënkolder voor dertig kilo gerst bij een jood in pand te zijn gegeven. 30. Nooit is gehoord dat hij een gerecht afkeurde. Wat hem smaakte, at hij; wat hem niet smaakte, at hij niet, en hij zei er niets over. Hij at één keer per dag. Soms at hij ’s ochtends, soms ’s avonds. Wanneer hij thuiskwam, vroeg hij: “Is er iets te eten?” Zei men nee, dan vastte hij. Hij at zijn eten niet van een tafelkleed, een dienblad, een tafel of iets dergelijks, maar zette het op de grond, ging op zijn knieën zitten en at zonder ergens op te steunen. Hij begon de maaltijd met de basmala. Hij at met zijn rechterhand. 31. Soms zonderde hij voor zijn echtgenotes en enkele dienaren gerst en dadels voor een jaar af, en daarvan gaf hij ook sadaqa aan de armen.

32. Zoals de andere profeten nam hij geen zakâtgoederen en geen sadaqa aan. Een geschenk nam hij wel aan. Meestal gaf hij er meer voor terug.

33. Zijn bed was van gelooid leer, gevuld met de vezels van de dadelpalm. Toen men hem een bed bracht dat met wol was gevuld, nam hij het niet aan en zei: “O ’Âisha! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ: als ik het wilde, zou Allâhu ta’âlâ overal stapels goud en zilver bij mij laten zijn.” Soms sliep hij op een mat, een plank, een matras, een geweven wollen vilt of op de kale aarde.

34. Na het nachtgebed (’ishâ) sliep hij tot middernacht en daarna verrichtte hij aanbidding tot het ochtendgebed. Hij ging op zijn rechterzij liggen, legde zijn rechterhand onder zijn wang en sliep in nadat hij enkele soera’s had gereciteerd. 35. Hij deed tafa’ul. Dat wil zeggen: wat hij als eerste of onverwacht zag, legde hij ten goede uit. Niets beschouwde hij als onheilspellend.

36. In tijden van verdriet hield hij zijn baard vast en dacht na.

37. Wanneer hij bedroefd was, begon hij onmiddellijk het gebed te verrichten. Met de zoetheid en de vreugde van het gebed verdreef hij zijn verdriet. 38. Naar de woorden van iemand die ghîba deed, dat wil zeggen die achter iemands rug kwaad sprak, luisterde hij nooit.

39. Wanneer hij tijdens het lopen opzij of achterom moest kijken, draaide hij zich met zijn hele lichaam om. Hij keek niet door alleen zijn hoofd om te draaien. 40. De vrees van onze Meester de Profeet voor Allâhu ta’âlâ, zijn gehoorzaamheid aan Hem en zijn aanbidding waren zo groot dat niemand die toestand van hem had kunnen verdragen. Hij verrichtte het gebed tot zijn gezegende voeten opzwollen. Toen men zei: “Yâ Rasûlallah! Al uw vroegere en latere fouten zijn u vergeven; waarom getroost u zich dan zo veel moeite?”, antwoordde hij: “Zou ik dan niet de dankbaarste dienaar van Allâhu ta’âlâ zijn?”

De nachtegaal van de ziel verlangt onophoudelijk naar één roos;
Denk niet dat hij naar twist met de vreemden verlangt.
Rusteloos draait hij om haar heen als een passer,
En plotseling verlangt hij te vliegen naar de eenzaamheid.
Ik begreep: die schone roos heeft haar geheim aan geen ander onthuld;
Als een knop verlangt zij altijd naar de nachtegaal.
Die schone heeft voor de vreemde haar wang verborgen,
En tevergeefs verlangen zij naar een dorre liefde.
Zâtî! Op de weg naar vereniging gaat hij als Majnûn,
Hij laat zichzelf wegsmelten en verlangt alleen naar Laylâ.

“Zou ik dan niet de dankbaarste dienaar van Allâhu ta’âlâ zijn?” Hadîth sharîf