Mijn Geliefde Profeet

DE DEUGDEN VAN ONZE MEESTER DE PROFEET

Er zijn honderden boeken die de deugden van Muhammad ’alayhis-salâm beschrijven. Deugd (fadîla) betekent voortreffelijkheid. Enkele van zijn voortreffelijkheden worden hieronder vermeld: 1. Van de schepselen werden als eerste de nûr en de ziel van Muhammad ’alayhis-salâm geschapen. 2. Allâhu ta’âlâ schreef zijn naam op de ’Arsh, in de Paradijzen en in de zeven hemelen. 3. Op de bladeren van een roos die in India groeit, staat geschreven: “Lâ ilâha illallâh Muhammadun Rasûlullah”. 4. Op een vis die werd gevangen in een rivier dicht bij de stad Basra, zag men aan de rechterkant “Allah” en aan de linkerkant “Muhammad” geschreven staan. Er zijn veel voorvallen die hierop lijken. In het boek A History of Fishes, dat in 1975 in Londen werd gedrukt, staat op bladzijde tweehonderd de afbeelding van een vis op wiens staart met de letters van de Qur’ân al-karîm “Shânullâh” geschreven staat. In de bijgaande toelichting wordt meegedeeld dat aan de andere kant van de staart “Lâ ilâha illallâh” geschreven staat. Hiervan zijn zeer veel voorbeelden. 5. Er zijn engelen die geen andere taak hebben dan de naam van Muhammad ’alayhis-salâm uit te spreken. 6. Dat de engelen het bevel kregen zich voor Âdam ’alayhis-salâm neer te buigen in sajda, was omdat de nûr van Muhammad ’alayhis-salâm op zijn voorhoofd was. 7. Allâhu ta’âlâ maakte aan alle profeten bekend dat Muhammad ’alayhis-salâm zou komen, en bovendien dat zij hun umma’s moesten bevelen in hem te geloven, als zij zijn tijd zouden meemaken. 8. Toen hij ter wereld zou komen, werden zeer grote tekenen gezien. Zij staan beschreven in de geschiedenisboeken en de mawlid-boeken. 9. Toen hij ter wereld kwam, zag men dat zijn navelstreng al was doorgesneden en dat hij besneden was. 10. Toen hij ter wereld was gekomen, konden de shaytâns niet meer naar de hemel opstijgen en konden zij de engelen geen berichten meer ontstelen. 11. Toen hij ter wereld kwam, vielen alle afgoden op aarde en de beelden die men aanbad voorover op hun gezicht. 12. Zijn wieg werd door de engelen geschommeld. 13. Toen hij in de wieg lag, sprak hij met de maan aan de hemel. Zij neigde naar de kant die hij met zijn gezegende vinger aanwees. 14. Hij begon al te spreken toen hij in de wieg lag. 15. Toen hij een kind was en in open terrein liep, bewoog er ter hoogte van zijn hoofd een wolk met hem mee die hem schaduw gaf. Dit duurde tot zijn profeetschap begon. 16. Iedere profeet had het zegel van het profeetschap op zijn rechterhand. Bij Muhammad ’alayhis-salâm bevond het zich echter midden op zijn gezegende rug, dicht bij het linkerschouderblad, boven zijn hart. Toen Jibrîl ’alayhis-salâm zijn hart had gewassen en zijn borst had gesloten, had hij zijn rug verzegeld met het zegel dat hij uit het Paradijs had meegebracht.

17. Zoals hij zag wat vóór hem was, zag hij ook wat achter hem was.

18. Zoals hij in het licht zag, zag hij ook in het donker. 19. Zijn speeksel maakte bitter water zoet, schonk de zieken genezing en was voor zuigelingen voedsel zoals melk. 20. Terwijl zijn ogen sliepen, was zijn hart wakker. (Zo waren ook alle profeten.) 21. Nooit in zijn leven heeft hij gegeeuwd. 22. Zijn gezegende zweet geurde heerlijk als rozen. Een arme man die zijn dochter uithuwelijkte, vroeg hem om hulp. Op dat ogenblik had hij niets om te geven. Hij deed wat van zijn zweet in een flesje en gaf het hem. Wanneer het meisje dat op haar gezicht en haar hoofd smeerde, geurde haar huis naar muskus. Haar huis werd bekend onder de naam “het geurige huis”. 23. Hoewel hij van gemiddelde lengte was, leek hij, wanneer hij bij lange mensen stond, langer dan zij. 24. Wanneer hij in het licht van de zon en de maan liep, viel zijn schaduw niet op de grond. 25. Op zijn lichaam en zijn kleding gingen geen vliegen, muggen of andere insecten zitten. 26. Zijn ondergoed werd nooit vuil, hoe lang hij het ook droeg. 27. Telkens wanneer hij liep, kwamen er engelen achter hem aan. Daarom liet hij zijn Metgezellen voor zich uit lopen en zei: “Laat mijn rug vrij voor de engelen.”1 28. Wanneer hij op een steen stapte, bleef de afdruk van zijn voet in de steen achter. Wanneer hij over zand liep, liet hij geen enkel spoor achter. Wanneer hij zijn behoefte deed, spleet de aarde open en bleven urine en dergelijke in de grond. (Zo waren ook alle profeten.) 29. Van de mensen en de engelen werd hem de meeste kennis gegeven. Hoewel hij ummî was, dat wil zeggen hoewel hij van niemand iets had geleerd, maakte Allâhu ta’âlâ hem alles bekend. Zoals aan Âdam ’alayhis-salâm de naam van alle dingen werd bekendgemaakt, zo werden hem de naam en de kennis van alle dingen bekendgemaakt. 30. De namen en de gedaanten van zijn umma en alles wat er onder hen zou gebeuren, werden hem bekendgemaakt. 31. Zijn verstand is groter dan het verstand van alle mensen. 32. Alle goede karaktertrekken die bij mensen te vinden kunnen zijn, werden hem geschonken. Toen men de grote dichter ’Umar ibn al-Fârid vroeg: “Waarom heb je Rasûlullah niet geprezen?”, zei hij: “Ik begreep dat ik niet in staat zou zijn hem te prijzen. Ik vond geen woorden om hem mee te prijzen.”

“Ik zal er niet in berusten dat ook maar één van mijn umma in de Hel blijft” Hadîth sharîf

33. In de kalima-i shahâda, in de adhân, in de iqâma, in de tashahhud van het gebed, in vele smeekbeden, in sommige daden van aanbidding en in de khutba’s, bij het geven van raad, in tijden van nood, in het graf, op de plaats van de Verzameling (mahshar), in het Paradijs en op de tong van ieder schepsel heeft Allâhu ta’âlâ zijn naam naast Zijn eigen naam geplaatst. 34. De verhevenste van zijn voortreffelijkheden is dat hij Habîbullah is. Allâhu ta’âlâ heeft hem tot Zijn geliefde, Zijn vriend gemaakt. Hij heeft hem meer liefgehad dan iedereen en dan iedere engel. Hij zei: “Heb Ik Ibrâhîm tot Khalîl gemaakt, dan heb Ik jou tot Mijn Habîb gemaakt.”

35. Het edele vers met de betekenis: “Ik zal jou alles geven wat je wenst, tot je tevreden bent (tot je zegt: ‘Het is genoeg!’)”2 belooft dat Allâhu ta’âlâ Zijn Profeet alle kennis, alle voortreffelijkheden, de voorschriften van de islam, hulp en overwinning tegen zijn vijanden, veroveringen en zeges voor zijn umma, en op de Dag des Oordeels iedere soort voorspraak en manifestaties (tajalliyât) zal schenken. Toen dit edele vers werd geopenbaard, keek hij naar Jibrîl ’alayhis-salâm en zei: “Ik zal er niet in berusten dat ook maar één van mijn umma in de Hel blijft.” 36. In de Qur’ân al-karîm sprak Allâhu ta’âlâ iedere profeet aan met zijn eigen naam, maar Muhammad ’alayhis-salâm sprak Hij aan met: “O Mijn Rasûl! O Mijn Profeet!” 37. Hij sprak ieder dialect van de Arabische taal, zeer helder en gemakkelijk te begrijpen. Wie uit verschillende streken kwam en hem iets vroeg, antwoordde hij in zijn eigen dialect. Wie het hoorde, stond versteld. Hij zei: “Allâhu ta’âlâ heeft mij op de mooiste wijze opgevoed.”3

38. Met weinig woorden zei hij veel. Zijn meer dan honderdduizend hadîths sharîf tonen dat hij “Jawâmi’ al-kalim” is.

Sommige geleerden hebben gezegd: “Muhammad ’alayhis-salâm heeft de vier grondslagen van de religie van de islam met vier hadîths bekendgemaakt:

- ‘De daden worden beoordeeld naar de intenties.’4

- ‘Het halâl is duidelijk, en het harâm is duidelijk.’5

- ‘De eiser moet een getuige aanvoeren en de gedaagde moet een eed afleggen.’6 en

- ‘Iemands îmân is niet volmaakt zolang hij voor zijn broeder in de religie niet wenst wat hij voor zichzelf wenst.’7 Van deze vier hadîths is de eerste de grondslag van de aanbidding (’ibâda), de tweede van de onderlinge transacties (mu’âmalât), de derde van de geschillen (khusûmât), dat wil zeggen van de rechtspraak en het bestuur, en de vierde van de kennis van welvoeglijkheid en karakter.”8

39. Muhammad ’alayhis-salâm was masûn (behoed) en ma’sûm (zondeloos). Nooit heeft hij een zonde begaan, bewust noch onbewust, groot noch klein, vóór noch na zijn veertigste jaar. Nooit is van hem een lelijke handeling gezien. 40. De moslims kregen het bevel Muhammad ’alayhis-salâm in het gebed, wanneer zij zitten, te groeten door “As-salâmu ’alayka ayyuhan-nabiyyu wa rahmatullâhi” te reciteren. In het gebed is het niet toegestaan een andere profeet of de engelen te groeten. 41. In een hadîth qudsî werd gezegd: “Als jij er niet was geweest, had Ik niets geschapen!”9

42. De andere profeten hebben zelf geantwoord op de lasteringen van de ongelovigen. Op de lasteringen tegen Muhammad ’alayhis-salâm heeft echter Allâhu ta’âlâ geantwoord en hem verdedigd. 43. Het aantal van de umma van Muhammad ’alayhis-salâm is groter dan het aantal van de umma’s van alle andere profeten samen. Zij zijn voortreffelijker en eervoller dan die. In de hadîths sharîf is bekendgemaakt dat twee derde van hen die het Paradijs binnengaan, uit deze umma zal zijn. 44. De beloningen die aan Rasûlullah gegeven zullen worden, zijn vele malen groter dan de beloningen die aan de andere profeten gegeven zullen worden.

Wie een aanvaarde daad van aanbidding en een goede daad verricht, krijgt een beloning, en evenveel zal ook zijn leermeester krijgen. De leermeester van zijn leermeester krijgt het viervoudige, diens leermeester het achtvoudige, en diens leermeester het zestienvoudige; zo zal tot aan Rasûlullah iedere leermeester het dubbele van de beloning van zijn leerling krijgen. Zo zal bijvoorbeeld de twintigste leermeester 524.288 beloningen krijgen. Muhammad ’alayhis-salâm zal voor iedere daad van iedereen in zijn umma beloning krijgen.

Wanneer men volgens deze berekening nadenkt over het aantal beloningen dat Muhammad ’alayhis-salâm voor iedere daad zal krijgen, kent niemand behalve Allâhu ta’âlâ hun totale hoeveelheid. Er is bekendgemaakt dat de salaf-i sâlihîn voortreffelijker en verhevener zijn dan zij die na hen kwamen. Wat het aantal beloningen betreft, is deze voortreffelijkheid duidelijk. 45. Het werd harâm verklaard hem bij zijn naam te roepen, in zijn nabijheid luid te spreken, hem van ver toe te roepen en hem op de weg voorbij te lopen. De umma’s van de andere profeten riepen hun profeten bij hun naam. 46. Jibrîl ’alayhis-salâm heeft hij twee keer in zijn engelengedaante gezien. Geen enkele andere profeet heeft hem in zijn ware gedaante gezien. 47. Jibrîl ’alayhis-salâm is vierentwintigduizend keer bij hem gekomen. Van de andere profeten is hij het vaakst bij Mûsâ ’alayhis-salâm gekomen: vierhonderd keer.

“Wie vijandschap koestert jegens mijn Ahl al-Bayt, is een huichelaar (munâfiq)” Hadîth sharîf

48. Ook Isrâfîl ’alayhis-salâm is vaak bij Muhammad ’alayhis-salâm gekomen. Bij de andere profeten (’alayhimus-salawâtu wat-taslîmât) kwam alleen Jibrîl ’alayhis-salâm. 49. Het is toegestaan Allâhu ta’âlâ te bezweren omwille van Muhammad ’alayhis-salâm; omwille van andere profeten en van de engelen is dat niet toegestaan. 50. Na Muhammad ’alayhis-salâm werd het anderen harâm zijn echtgenotes te huwen, en in die zin werd bekendgemaakt dat zij de moeders van de gelovigen zijn.

De echtgenotes van de andere profeten (’alayhimus-salawâtu wat-taslîmât) zijn hun tot schade geweest of hebben hun geen nut gebracht. De gezegende echtgenotes van Muhammad ’alayhis-salâm (radiyallâhu ta’âlâ ’anhunna) daarentegen zijn hem tot hulp geweest in de zaken van deze wereld en van het hiernamaals, hebben de armoede geduldig verdragen, waren dankbaar en hebben grote diensten bewezen bij de verbreiding van de islam. 51. Verwantschap door afstamming en door huwelijk (nasab en sabab), dat wil zeggen door bloed en door huwelijk, heeft op de Dag des Oordeels geen nut. De verwanten van Rasûlullah zijn hiervan uitgezonderd. 52. De naam van Rasûlullah dragen is nuttig in deze wereld en in het hiernamaals. De ware gelovigen die zijn naam dragen, zullen de Hel niet binnengaan. 53. Ieder woord en iedere daad van hem is juist. Iedere ijtihâd van hem wordt door Allâhu ta’âlâ bevestigd. 54. Hem liefhebben is voor iedereen fard. Hij zei: “Wie Allâhu ta’âlâ liefheeft, heeft mij lief.” Het teken dat men hem liefheeft, is dat men zijn religie, zijn weg, zijn sunna en zijn karakter volgt. In de Qur’ân al-karîm werd hem bevolen te zeggen: “Als jullie mij volgen, zal Allâhu ta’âlâ jullie liefhebben.”

55. Zijn Ahl al-Bayt liefhebben is wâjib. Hij zei: “Wie vijandschap koestert jegens mijn Ahl al-Bayt, is een huichelaar (munâfiq).” De Ahl al-Bayt zijn zijn verwanten voor wie het harâm is zakât aan te nemen. Dat zijn zijn echtgenotes en de gelovigen uit het geslacht van zijn grootvader Hâshim, namelijk zij die afstammen van ’Alî, ’Aqîl, Ja’far Tayyâr en ’Abbâs.

56. Al zijn Metgezellen liefhebben is wâjib. Hij zei: “Koester na mij geen vijandschap jegens mijn Metgezellen! Hen liefhebben is mij liefhebben. Hun vijand zijn is mijn vijand zijn. Wie hen krenkt, heeft mij gekrenkt. En wie mij krenkt, krenkt Allâhu ta’âlâ. Allâhu ta’âlâ bestraft wie Hem krenkt.”

57. Allâhu ta’âlâ heeft voor Muhammad ’alayhis-salâm twee helpers in de hemel en twee op aarde geschapen. Dat zijn Jibrîl, Mîkâ’îl, Abû Bakr en ’Umar (radiyallâhu ta’âlâ ’anhum ajma’în).10 58. Iedereen, man of vrouw, die op volwassen leeftijd overlijdt, zal in zijn graf naar Muhammad ’alayhis-salâm gevraagd worden. Zoals gevraagd zal worden: “Wie is je Heer?”, zo zal ook gevraagd worden: “Wie is je Profeet?” 59. De hadîths sharîf van Muhammad ’alayhis-salâm lezen is een daad van aanbidding. Wie ze leest, krijgt beloning.

Om hadîths sharîf te lezen is het mustahabb de wudû te verrichten, schone kleding te dragen, zich met een aangename geur te parfumeren, het hadîthboek op een hoge plaats te leggen, dat wie leest niet opstaat voor wie van buiten binnenkomt, en dat de toehoorders niet met elkaar praten. Het gezicht van wie voortdurend de hadîths sharîf leest, wordt stralend van nûr, glanzend en mooi. Ook bij het reciteren van de Qur’ân al-karîm moet men deze regels van welvoeglijkheid in acht nemen. 60. Om zijn gezegende ziel te nemen, kwam ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm in menselijke gedaante. Hij vroeg toestemming om binnen te komen. 61. In zijn graf is hij levend, met een leven dat wij niet kennen. In het graf reciteert hij de Qur’ân al-karîm en verricht hij het gebed. (Zo zijn ook alle profeten.) 62. De engelen die op iedere plaats van de wereld de moslims horen die salawât uitspreken voor Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam), komen naar zijn graf en melden het hem. Iedere dag bezoeken duizenden engelen zijn graf. 63. De aarde in zijn graf is voortreffelijker dan iedere plaats, dan de Ka’ba en dan de Paradijzen. 64. De daden en de daden van aanbidding van zijn umma worden hem iedere ochtend en iedere avond getoond. Hij ziet ook wie ze verrichten, en voor hen die zonden begaan, doet hij een smeekbede opdat hun vergeven wordt. 65. Zijn graf bezoeken is ook voor vrouwen mustahabb. Andere graven echter mogen zij alleen bezoeken op stille tijden en in kleding die een moslima past. 66. Zoals tijdens zijn leven, aanvaardt Allâhu ta’âlâ ook na zijn overlijden, op iedere plaats van de wereld en op ieder moment, de smeekbede van hen die tawassul doen via hem, dat wil zeggen die vragen omwille van hem en uit eerbied voor hem.

Een dorpeling kwam bij zijn mausoleum en zei: “O mijn Heer! U hebt bevolen slaven vrij te laten. Dit is Uw Profeet, en ik ben een van Uw slaven. Laat mij omwille van Uw Profeet vrij van het vuur van de Hel!” Toen werd een stem gehoord: “O Mijn dienaar! Waarom heb je alleen om je eigen vrijlating gevraagd? Waarom heb je niet gevraagd dat al Mijn dienaren worden vrijgelaten? Ga maar! Ik heb jou van de Hel vrijgelaten.”

Hâtim Asamm, een van de bekende awliyâ, stond bij het mausoleum van Rasûlullah en zei: “O mijn Heer! Ik heb het graf van Uw Profeet bezocht. Stuur mij niet met lege handen terug!” Toen werd een stem gehoord: “O Mijn dienaar! Ik heb jouw bezoek aan het graf van Mijn Habîb aanvaard. Ik heb jou vergeven, en ook hen die samen met jou het bezoek brachten.”

Imam Ahmad Qastallânî (rahmatullâhi ’alayh) zegt: “Enkele jaren leed ik aan een ziekte. De artsen vonden er geen middel tegen. In Mekka smeekte ik op een nacht Rasûlullah vurig. Die nacht zag ik in een droom iemand. Op het papier in zijn hand las ik: ‘Hier is, met toestemming van Rasûlullah, het geneesmiddel voor de ziekte van Ahmad Qastallânî geschreven.’ Toen ik wakker werd, was mijn ziekte verdwenen.” Qastallânî zegt verder: “Een arm meisje was door vallende ziekte getroffen. Ik smeekte Rasûlullah vurig om haar genezing. In mijn droom bracht iemand mij de jinn die het meisje ziek maakte en zei: ‘Rasûlullah heeft hem naar jou gestuurd.’ Ik werd boos op de jinn en schreeuwde tegen hem. Hij zwoer mij dat hij het meisje geen kwaad zou doen, en ik werd wakker. Later vernam ik dat het meisje van haar vallende ziekte was genezen.”

67. Op de Dag des Oordeels zal Rasûlullah als eerste uit het graf opstaan. Hij zal een gewaad van het Paradijs dragen. Op de Burâq zal hij naar de plaats van de Verzameling (mahshar) gaan. In zijn hand zal hij de vlag hebben die “Liwâ al-Hamd” heet. De profeten en alle mensen zullen onder deze vlag staan. Door het duizend jaar lange wachten zullen zij het allen zeer benauwd krijgen. De mensen zullen een voor een naar de profeten Âdam, Nûh, Ibrâhîm, Mûsâ en Îsâ (’alayhimus-salâm) gaan en hun vragen voorspraak te doen opdat de afrekening begint. Ieder van hen zal zich verontschuldigen, zeggen dat hij zich schaamt voor Allâhu ta’âlâ en Hem vreest, en zich ervan weerhouden voorspraak te doen. Daarna zullen zij naar Rasûlullah gaan en hem smeken; hij zal zich neerbuigen in sajda en een smeekbede doen, en zijn voorspraak zal aanvaard worden. Eerst zal de afrekening van zijn umma plaatsvinden; zij zullen als eersten over de Sirât gaan en als eersten het Paradijs binnengaan. Waar zij ook komen, zij zullen alles met nûr verlichten.

Wanneer Fâtima over de Sirât gaat, zal gezegd worden: “Laat iedereen zijn ogen sluiten! De dochter van Muhammad ’alayhis-salâm komt eraan.”

68. De naam van de rang (maqâm) waarop Rasûlullah zich in het Paradijs bevindt, is Wasîla. Dit is de hoogste graad van het Paradijs. Daar bevindt zich de wortel van de boom Sidrat al-Muntahâ, waarvan een tak reikt naar ieder die in het Paradijs is. Langs deze takken zullen de gunsten de bewoners van het Paradijs bereiken.

69. In de adhân die in de tijd van Âdam ’alayhis-salâm voor het gebed werd geroepen, werd ook de naam van Muhammad ’alayhis-salâm uitgesproken.

70. In de Tawrât, de Injîl en de Zabûr werden Muhammad ’alayhis-salâm, zijn vier kaliefen, zijn Metgezellen en sommigen van zijn umma met mooie eigenschappen beschreven en geprezen. Allâhu ta’âlâ heeft uit Zijn naam Mahmûd het woord “Muhammad” afgeleid en het als naam aan Zijn Habîb gegeven. Ook de namen Ra’ûf en Rahîm uit Zijn eigen namen heeft Allâhu ta’âlâ aan Zijn Habîb gegeven. 71. Toen hij drie jaar was, toen hem op veertigjarige leeftijd het profeetschap werd bekendgemaakt, en toen hij op tweeënvijftigjarige leeftijd naar de Mi’râj werd gebracht, openden de engelen zijn borst. Zij wasten zijn hart met water van het Paradijs in een kom die zij uit het Paradijs hadden meegebracht. 72. Met zijn ogen zag hij de zeven sterren van de sterrengroep die “Thurayyâ” heet, naast het sterrenbeeld Thawr (de Stier), en hij maakte hun aantal bekend. Deze sterrengroep wordt ook Parvîn en Ülker genoemd. 73. Er waren er die van het bloed van zijn hijâma (aderlating) dronken. Toen iemand het dronk, zei hij: “Het vuur van de Hel zal hem niet verbranden.” 74. Een van zijn grote wonderen is dat hij naar de Mi’râj werd gebracht. Met het dier uit het Paradijs dat Burâq heet, werd hij van Mekka naar Jeruzalem gebracht. Van daar werd hij naar de hemelen en naar de ’Arsh gebracht. Hem werden wonderbaarlijke dingen getoond. Hij zag Allâhu ta’âlâ met de ogen van zijn hoofd, op een wijze die niet te kennen is. (Maar dit zien gebeurde buiten de stoffelijke wereld, dat wil zeggen in de wereld van het hiernamaals.) In een ogenblik werd hij weer naar zijn huis teruggebracht. Het wonder van de Mi’râj werd aan geen enkele andere profeet geschonken.

75. Voor zijn umma werd het fard eenmaal in hun leven salât en salâm voor hem uit te spreken. Ook Allâhu ta’âlâ en de engelen zenden salât en salâm over hem.

“Ik wil een dienaar-profeet zijn” Hadîth sharîf

76. ’s Nachts, wakend en slapend, alleen en te midden van velen, op reis en thuis, in de strijd, lachend en huilend, was zijn gezegende hart altijd bij Allâhu ta’âlâ. Op sommige momenten was het alleen bij Allâhu ta’âlâ.

Om zijn plichten in de wereld te kunnen vervullen en zijn gezegende hart weer naar de menselijke wereld te keren, ging hij naar zijn echtgenote ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ) en zei: “O ’Âisha! Praat een beetje met mij (opdat ik weer tot mezelf kom)”, en daarna ging hij zijn Metgezellen raad en leiding geven. Hij verrichtte de sunna van het ochtendgebed thuis, en nadat hij een tijdje met ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ) had gesproken, ging hij naar de moskee om zijn Metgezellen in het fard-gebed voor te gaan. Deze toestand behoort tot de bijzondere kenmerken van het profeetschap (khasâ’is). Als hij naar buiten was gegaan zonder met ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ) te spreken, had niemand hem in het gezicht kunnen kijken vanwege de goddelijke manifestaties (tajalliyât) en de nûrs. 77. Hij verlangde geen rang en geen heerschappij; hij wenste het profeetschap en de armoede. Op een ochtend, terwijl hij met Jibrîl ’alayhis-salâm sprak, zei hij dat er die nacht in zijn huis geen hap te eten was geweest. Op dat ogenblik kwam Isrâfîl ’alayhis-salâm en zei: “Allâhu ta’âlâ heeft gehoord wat u zei en mij gezonden. Als u wilt, wordt iedere steen die u met uw hand aanraakt goud, zilver of smaragd. Als u wilt, wees dan profeet als koning.” Rasûlullah zei drie keer: “Ik wil een dienaar-profeet zijn.”

78. De andere profeten (’alayhimus-salawâtu wat-taslîmât) waren profeet in een bepaalde tijd en in een bepaald land. Muhammad ’alayhis-salâm daarentegen werd tot de Dag des Oordeels als profeet gezonden naar alle mensen en de jinn op aarde. Er zijn ook geleerden die hebben bekendgemaakt dat hij ook de profeet is van de engelen, de dieren, de planten en de levenloze dingen, kortom van alle schepselen.

79. Zijn barmhartigheid en zijn nut strekten zich uit over alle schepselen. Zijn nut voor de gelovigen is duidelijk. De ongelovigen in de tijd van de andere profeten (’alayhimus-salawâtu wat-taslîmât) werden al in deze wereld bestraft en vernietigd. Wie niet in hem geloofden, werden in deze wereld niet bestraft. Op een dag zei hij tegen Jibrîl ’alayhis-salâm: “Allâhu ta’âlâ heeft bekendgemaakt dat ik barmhartigheid ben voor de werelden. Is ook jou een deel van mijn barmhartigheid toegevallen?” Jibrîl zei: “Tegenover de grootheid en de ontzagwekkendheid van Allah leefde ik altijd in vrees over hoe mijn einde zou zijn. Toen ik de verzen bracht die bekendmaken dat ik betrouwbaar (amîn) ben (het twintigste en het eenentwintigste vers van soera at-Takwîr), werd ik door deze lof van die vreselijke vrees verlost en voelde ik mij veilig. Is er een grotere barmhartigheid dan deze?” 80. Allâhu ta’âlâ wilde dat Muhammad ’alayhis-salâm tevreden zou zijn. (Zoals wij bij de vijfendertigste deugd hebben gezegd, zal Allâhu ta’âlâ hem geven wat hij wenst tot hij tevreden is. Dit is in soera ad-Duhâ bekendgemaakt.)

81. In “Mawâhib-i Ladunniyya” staat dat deze hadîth bekend is: “Ik heb mijn Heer gevraagd dat mijn umma zich niet zou verenigen op een dwaling (dalâla). Hij heeft het aanvaard.”

In een andere hadîth sharîf zei hij: “Allâhu ta’âlâ heeft jullie voor drie dingen behoed. Het eerste: Hij heeft jullie ervoor behoed dat jullie je verenigen op een dwaling. Het tweede: wie aan een besmettelijke ziekte sterft, verkrijgt de beloning van een martelaar (shahîd). Het derde: wanneer twee rechtschapen moslims over een moslim getuigen en zeggen: ‘Hij is een goed mens’ (wij kennen hem als goed), gaat die moslim het Paradijs binnen.”

In een hadîth sharîf zei hij: “Het meningsverschil van mijn Metgezellen is voor jullie een barmhartigheid” en “Het meningsverschil van mijn umma (hun verdeling in madhhabs wat de praktijk betreft) is een barmhartigheid.” Zijn umma raakt, terwijl zij ernaar streeft het juiste, de waarheid, te vinden, in meningsverschil. En dit streven wordt een oorzaak van barmhartigheid. Twee soorten mensen hebben deze hadîth sharîf ontkend: de een is de mâjin, de ander de mulhid. De mâjin is de bedrieger die de religie tot een werktuig voor wereldlijk gewin maakt. De mulhid is de dwaalgeest die aan de edele verzen een betekenis geeft naar wereldse belangen en zo een kâfir wordt. Yahyâ ibn Sa’îd zegt: de geleerden van de islam maken de dingen gemakkelijk. Over eenzelfde zaak heeft de een “halâl” gezegd en de ander “harâm”. Wat zij voor rechtschapen mensen halâl noemden, noemden zij in tijden van verderf harâm. Zoals de bovenstaande hadîths sharîf tonen, behoort ijmâ’ al-umma, dat wil zeggen de eensgezindheid van de geleerden die mujtahid worden genoemd, tot de adilla-i shar’iyya (de bewijzen van de sharî’a). Dat wil zeggen: zij is een van de vier bronnen van de religieuze kennis, en de vier madhhabs zijn waar. De madhhabs zijn een barmhartigheid van Allâhu ta’âlâ voor de moslims. 82. De gezegende dochters en de echtgenotes van Rasûlullah (radiyallâhu ta’âlâ ’anhunna) zijn de voortreffelijkste vrouwen van de wereld. Evenzo zijn al zijn Metgezellen, na de profeten, de voortreffelijkste van alle mensen. Zijn steden, Makka al-Mukarrama en daarna Madîna al-Munawwara, zijn de kostbaarste plaatsen op aarde. Voor één rak’a gebed die in zijn gezegende moskee wordt verricht, wordt de beloning van duizend rak’a’s opgeschreven. Zo is het ook met de andere daden van aanbidding.

De ruimte tussen zijn graf en zijn minbar is een tuin van het Paradijs. Hij zei:

“Wie mij na mijn dood bezoekt, is als wie mij tijdens mijn leven heeft bezocht. Een gelovige die in een van de Haramayn sterft, zal op de Dag des Oordeels in veiligheid worden opgewekt.” De steden Mekka en Medina worden Haramayn genoemd. 83. Ieders geslacht zet zich voort via zijn zoon. Het geslacht van Muhammad ’alayhis-salâm zet zich echter voort via zijn dochter Fâtima. Dit is ook in een hadîth sharîf bekendgemaakt. 84. Ieder mens heeft een metgezel uit de jinn. Deze shaytân is een kâfir. Door influisteringen (waswasa) probeert hij hem zijn îmân te ontnemen en hem zonden te laten begaan. De Rasûl ’alayhis-salâm heeft de jinn die zijn metgezel was tot het geloof gebracht.

85. Toen Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) op het punt stond te overlijden, kwam Jibrîl ’alayhis-salâm, bracht hem de groet van Allâhu ta’âlâ en zei dat Allâhu ta’âlâ naar zijn welzijn vroeg. Hij maakte hem bekend dat hij zou overlijden en bracht hem zeer veel blijde boodschappen voor hemzelf en voor zijn umma.

Voor het stof van uw voeten neem ik de wereld niet, yâ Rasûlallah!
Voor één haar van u ruil ik de zeven hemelen niet, yâ Rasûlallah!
De wens van de Siddîq is één enkele vergissing van u, yâ Rasûlallah!
Het verlangen van Irfân is stof te zijn aan uw voeten, yâ Rasûlallah!