Mijn Geliefde Profeet

HILYA-I SA’ÂDAT

Het uiterlijk van Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wordt “Hilya-i Sa’âdat” genoemd. De geleerden van de islam hebben alle zichtbare lichaamsdelen van Muhammad ’alayhis-salâm, zijn gestalte, zijn eigenschappen, zijn goede karaktertrekken en zijn hele leven tot in de fijnste bijzonderheden duidelijk beschreven, met hun bronnen en bewijsstukken. Deze kennis is verzameld uit de hadîths sharîf, die de eigen woorden van onze Meester de Profeet zijn, en uit de berichten die zijn Metgezellen hebben doorgegeven. De werken die haar bevatten, worden sîra-boeken (siyar) genoemd. Onder de duizenden sîra-boeken zijn de bekendste die de Hilya-i Sa’âdat van onze Meester de Profeet beschrijven: “Ash-Shamâ’il ar-Rasûl” van imam Tirmidhî, “Shifâ-i Sharîf” van Qâdî ’Iyâd, de “Dalâ’il an-Nubuwwa” van imam Bayhaqî en van Abû Nu’aym Isfahânî, en verder het werk “Mawâhib-i Ladunniyya” van imam Qastallânî. In de hadîths sharîf en in de berichten die de Metgezellen hebben doorgegeven, wordt de Hilya-i Sa’âdat van onze geliefde Profeet als volgt beschreven: “Het gezegende gezicht van de Trots van het universum, al zijn eervolle lichaamsdelen en zijn gezegende stem waren mooier dan de gezichten, de lichaamsdelen en de stemmen van alle mensen.

Zijn gezegende gezicht was enigszins rond en wanneer hij blij was, straalde het als de maan.1 Zijn blijdschap was af te lezen aan zijn gezegende voorhoofd.

Onze Meester Rasûlullah zag ’s nachts zoals hij overdag zag. Zoals hij zag wat vóór hem was, zag hij ook wat achter hem was. Wanneer hij opzij of achterom wilde kijken, draaide hij zich met zijn hele lichaam om. Hij keek meer naar de aarde dan naar de hemel. Zijn gezegende ogen waren groot en zijn wimpers lang. In zijn gezegende ogen was iets roods, het zwart van zijn ogen was diepzwart, en ’s nachts bracht hij kohl op zijn ogen aan. Het voorhoofd van de Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was breed.

Zijn gezegende wenkbrauwen waren dun en de ruimte ertussen was open. De ader tussen zijn beide wenkbrauwen zwol op wanneer hij toornig werd. Zijn gezegende neus was buitengewoon mooi en in het midden iets verheven. Zijn gezegende hoofd was groot. Zijn gezegende mond was niet klein. Zijn gezegende tanden waren wit, en de voorste stonden iets uit elkaar. Wanneer hij sprak, was het alsof er nûr tussen zijn tanden vandaan kwam. Onder de dienaren van Allâhu ta’âlâ is niemand gezien die welsprekender en liefelijker sprak dan hij.

Toen de Trots der wereld de veertig had bereikt,
Werd hem de kroon van het gezantschap (risâla) op het hoofd gezet.
Telkens weer klonk een stem: “O Amîn,
Ik heb jou gemaakt tot barmhartigheid voor de werelden.”

“Bij de bisschop van iedere kerk waar ik langskwam, vroeg ik naar de eigenschappen en de hilya (de gestalte en het voorkomen) van Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam), en ik prentte alles een voor een in mijn geheugen. Toen ik naar Medina terugkeerde, vertelde ik alles aan Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam). Het beviel hem” Mughîra ibn Shu’ba (radiyallâhu ’anh)

De Qur’ân al-karîm daalde neer, vers na vers, in heldere bewijzen,
Wonderen van velerlei aard werden zichtbaar.
Al was die reine persoon geheel en al nûr,
Toch lagen er in ieder lid van hem wonderen.
Ten eerste: van zijn gezegende lichaam
Viel de schaduw nooit op de grond.
Van hoofd tot voet was zijn lichaam nûr,
En het is duidelijk: nûr heeft geen schaduw.
En boven zijn gezegende hoofd hing altijd
Een wolkje dat hem schaduw bood.
Waar hij ook heen ging, het ging met hem mee,
En bleef steeds boven zijn hoofd staan.
En van het wonder in zijn gezegende ogen,
Hoe het was, zal ik jullie ook vertellen:
Zoals hij duidelijk zag wat vóór hem was,
Zo zag hij evengoed wat achter hem was.
Hoor ook over zijn gezegende neus,
Zie wat voor wonder daarin lag:
Wanneer Jibrîl, de Amîn, met de openbaring neerdaalde,
Op het ogenblik zelf dat hij zich van de hemel losmaakte,
Rook hij de geur van Jibrîl
En wist hij dat die met de openbaring neerdaalde.
Bewoog hij, die maangelijke, zijn lippen,
Dan bewoog aan de hemel ook de zonneschijf.

Zijn gezegende woorden waren heel gemakkelijk te begrijpen; zij wonnen de harten en trokken de zielen aan. Wanneer hij sprak, reeg hij de woorden aaneen als parels. Wie het wilde, kon zijn woorden tellen. Soms herhaalde hij iets drie keer, opdat het goed begrepen werd. (In het Paradijs zal men spreken zoals Muhammad ’alayhis-salâm sprak.) Zijn gezegende stem reikte tot waar geen andere stem kon komen. De Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had altijd een glimlach op zijn gezicht. Zijn lachen was een glimlach, en dan werden zijn gezegende voortanden zichtbaar.

Wanneer hij lachte, weerkaatste zijn nûr op de muren. Zijn huilen was even zacht als zijn lachen. Hij schaterde niet en huilde ook niet luid; maar wanneer hij bedroefd was, stroomden de tranen uit zijn gezegende ogen en hoorde men het geluid van zijn gezegende borst. Hij huilde wanneer hij aan de zonden van zijn umma dacht, uit vrees voor Allâhu ta’âlâ, wanneer hij de Qur’ân al-karîm hoorde, en soms ook terwijl hij het gebed verrichtte. De gezegende vingers van de Trots der wereld waren fors en zijn gezegende armen vlezig. Zijn gezegende handpalmen waren breed. De geur van zijn hele lichaam was heerlijker dan muskus. Zijn gezegende lichaam was zowel zacht als sterk. Anas ibn Mâlik zegt: “Ik heb Rasûlullah tien jaar gediend. Zijn gezegende handen waren zachter dan zijde.”

Zijn gezegende huid geurde heerlijker dan muskus en bloemen. Zijn gezegende armen, benen en vingers waren lang. De tenen van zijn gezegende voeten waren fors en zijn voetzolen waren niet erg hol en wel zacht. Zijn gezegende buik was breed en lag op één lijn met zijn borst. De beenderen van zijn schouders waren fors en zijn gezegende borst was breed. Het eervolle hart van onze Meester Rasûlullah was de plaats waarop de goddelijke blik gericht is (nazargâh-i ilâhî). Rasûl-i akram was niet erg lang, maar ook niet klein. Kwam er een lange man naast hem staan, dan leek hij langer dan die man. Wanneer hij zat, kwamen zijn gezegende schouders hoger uit dan die van alle anderen die zaten.

Zijn gezegende hoofdhaar en de haren van zijn baard waren niet erg kroes en niet erg steil, maar van nature golvend. Zijn gezegende haar was lang; aanvankelijk liet hij een lok over zijn voorhoofd vallen, later begon hij het in tweeën te scheiden. Soms liet hij zijn gezegende haar lang groeien, soms knipte hij het kort. Hij verfde zijn haar en zijn baard niet. Toen hij overleed, waren er in zijn haar en zijn baard minder dan twintig witte haren. Hij knipte zijn gezegende snor kort. De lengte en de vorm van zijn snor kwamen overeen met zijn gezegende wenkbrauwen. Hij had eigen kappers tot zijn beschikking.

Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had zijn miswâk en zijn kam altijd bij zich. Wanneer hij zijn gezegende haar en baard kamde, keek hij in de spiegel. De Trots van het universum liep snel, met de blik voor zich, en wanneer hij ergens langs was gekomen, merkte men dat aan zijn heerlijke geur. Onze Meester Rasûlullah was een Arabier. Dat wil zeggen: hij was blank met een rode gloed, buitengewoon mooi, stralend van nûr en innemend.” Wie zegt dat onze Meester de Profeet zwart was, wordt een kâfir. Het woord “Arabier” betekent in de taal “mooi”. Zo betekent “lisân al-’Arab” “mooie taal”. In de vakbetekenis, dat wil zeggen in de aardrijkskunde, is een Arabier iemand die op het schiereiland Arabië is geboren en opgegroeid, die met het klimaat, de lucht, het water en het voedsel daar is grootgebracht en die van het bloed van die mensen is. Zoals men wie van Anatolisch bloed is Turk noemt, wie in Bulgarije is geboren en opgegroeid Bulgaar en wie uit Duitsland komt Duitser, zo is ook Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) een Arabier, omdat hij op het Arabisch Schiereiland werd geboren. Arabieren zijn blank, met een tarwekleurige huid. Vooral het geslacht van onze Profeet was blank en zeer mooi. Zijn voorvader Ibrâhîm ’alayhis-salâm was immers blank en de zoon van een blanke gelovige, Târûh, die een inwoner van de stad Basra was. Âzar, die een kâfir was, was niet de vader van Ibrâhîm ’alayhis-salâm, maar zijn oom en stiefvader.

“Ik heb Rasûlullah tien jaar gediend. Zijn gezegende handen waren zachter dan zijde. Zijn gezegende huid geurde heerlijker dan muskus en bloemen” Anas ibn Mâlik (radiyallâhu ’anh)

De schoonheid van ’Abdullah, de vader van onze geliefde Profeet, was tot in Egypte bekend geworden, en vanwege de nûr op zijn voorhoofd waren bijna tweehonderd meisjes naar Mekka gekomen om met hem te trouwen. Maar de nûr van Muhammad ’alayhis-salâm viel Âmina ten deel. Zijn oom ’Abbâs en ’Abdullah, de zoon van ’Abbâs, waren eveneens blank. Ook de nakomelingen van onze Profeet zijn tot de Dag des Oordeels mooi en blank. Ook de Metgezellen van Rasûlullah waren blank en mooi. ’Uthmân (radiyallâhu ’anh) was blank en blond. Dihya Kalbî, de gezant die onze Meester Rasûlullah naar het hof van Heraclius, de Byzantijnse keizer, zond, was zeer knap; wanneer hij door de straten liep, kwamen de Byzantijnse meisjes de straat op om zijn gezicht te zien. Jibrîl ’alayhis-salâm kwam vaak in de gedaante van Dihya (radiyallâhu ’anh). De oorspronkelijke bewoners van Egypte, Syrië (Shâm), Afrika, Sicilië en Spanje zijn geen Arabieren. Maar omdat de Arabieren het Arabisch Schiereiland verlieten en naar die streken kwamen om de islam over de wereld te verbreiden, wonen zij daar nu ook. Zo wonen zij ook in Anatolië, in India en in andere landen. Toch is het niet juist de bevolking van een van die landen tegenwoordig Arabieren te noemen.

De bevolking van Egypte is donker van huid. De bevolking van Abessinië is zwart; men noemt hen Abessijnen (Habash). De bewoners van Zanzibar worden Zanjî’s genoemd; ook zij zijn zwart. De verwanten en de nakomelingen van onze Profeet liefhebben en eren is een daad van aanbidding (’ibâda). Iedere moslim heeft hen lief. Zwarte fellahs, Abessijnen en Zanjî’s die als gasten naar Anatolië kwamen, gaven zich uit voor Arabieren om geëerd en gastvrij ontvangen te worden, en de zuivere moslims van Anatolië geloofden hun woorden en hadden hen lief. Want in deze liefde is er geen onderscheid tussen zwart en blank. Een zwarte moslim is vele malen voortreffelijker, waardevoller en beminnelijker dan een blanke kâfir. Dat iemand zwart is, doet niets af aan de eer van zijn îmân. Bilâl Habashî en Usâma, van wie Rasûlullah zeer veel hield, waren zwart. De kâfirs Abû Lahab en Abû Jahl, wier slechtheid en laagheid iedereen kent, waren blank. Allâhu ta’âlâ hecht geen waarde aan de huidskleur van de mens, maar aan de kracht van zijn îmân en aan zijn taqwâ. Dat de zwarten zich echter voor Arabieren uitgaven, kwam de vijanden van de islam, de joden, goed van pas. Enerzijds stelden zij de zwarte mensen voor als minderwaardig en verachtelijk. Zij gebruikten hen als slaven.

Anderzijds riepen zij zwarte katten en honden met “Arabier, Arabier!” en noemden zij de zwarte tekeningen en karikaturen die zij in kranten en tijdschriften afdrukten “Arabier”; zo probeerden zij de jeugd de Arabier als zwart voor te stellen en daarmee de moslimkinderen van onze Profeet te vervreemden.

Alle goede karaktertrekken waren in onze geliefde Profeet verenigd. Zijn goede karaktertrekken waren geschonken (wahbî), dat wil zeggen door Allâhu ta’âlâ gegeven, en niet verworven (kasbî), dat wil zeggen niet later door inspanning verkregen. Nooit heeft hij een moslim bij name vervloekt en nooit heeft hij met zijn gezegende hand iemand geslagen. Voor Allah nam hij vergelding; voor zichzelf nam hij op niemand wraak. Zijn verwanten, zijn Metgezellen en zijn dienaren behandelde hij goed en met nederigheid. Thuis was hij zeer zachtmoedig en altijd vriendelijk. Hij bezocht de zieken en was aanwezig bij begrafenissen. Hij hielp zijn Metgezellen bij hun werk en nam hun kinderen op schoot. Maar zijn hart was daar niet mee bezig. Zijn gezegende ziel was in de wereld van de engelen. Wie onze Meester Rasûlullah onverwacht zag, werd door ontzag bevangen. Als hij zelf niet zachtmoedig was geweest, had door de toestanden van het profeetschap niemand bij hem kunnen zitten of de kracht gehad om zijn woorden aan te horen. En toch keek hij uit schaamtegevoel (hayâ) niemand met zijn gezegende ogen in het gezicht.

De Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was de vrijgevigste van de mensen. Nooit is gezien dat hij “ik heb het niet” zei wanneer hem iets werd gevraagd. Had hij wat gevraagd werd, dan gaf hij het; had hij het niet, dan antwoordde hij niet.

Zijn weldaden en zijn gaven waren zo talrijk dat noch de Byzantijnse keizers, noch de sjahs van Perzië, noch welke vorst ook zo veel konden geven als hij. Maar zelf leefde hij graag in ontbering; hij leidde een zodanig leven dat eten en drinken niet eens bij hem opkwamen. Nooit zei hij: “Breng eten, laten we eten” of “Kook dit of dat gerecht.” Bracht men eten, dan at hij; welke vrucht men hem ook gaf, hij nam die aan. Soms at hij maandenlang weinig en had hij de honger lief. Soms at hij ook veel. Aan het eind van de maaltijd dronk hij geen water. Hij dronk zijn water zittend.2 Wanneer hij met anderen at, trok hij als laatste zijn hand terug.3 Hij nam ieders geschenk aan. Wie hem een geschenk bracht, gaf hij in ruil vele malen meer terug.

Het was zijn gewoonte verschillende kleding te dragen. Wanneer er gezanten van vreemde staten kwamen, tooide hij zich, trok hij kostbare en fraaie kleding aan en toonde hij zijn mooie gezicht. Hij droeg een zilveren ring met een steen van agaat en gebruikte die als zegel. Op de ring stond “Muhammadun Rasûlullah” gegraveerd. Zijn bed was van leer en gevuld met de vezels van de dadelpalm. Soms lag hij op dat bed, soms op een leren vel dat op de grond was uitgespreid, en soms op een mat of op de kale aarde. Hij lag op zijn rechterzij, met de palm van zijn gezegende hand onder zijn rechterwang.4 Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) nam geen zakâtgoederen aan, at geen rauwe ui, knoflook en dergelijke, en maakte geen gedichten. De gezegende ogen van onze Meester de Profeet sliepen, maar zijn eervolle hart sliep niet. Hij ging hongerig slapen en stond verzadigd op. Nooit geeuwde hij. Zijn gezegende lichaam was vol nûr en zijn schaduw viel niet op de grond. Op zijn kleding gingen geen vliegen zitten, en muggen en andere insecten zogen zijn gezegende bloed niet.

Nadat Allâhu ta’âlâ hem had bekendgemaakt dat hij Rasûlullah was, konden de shaytâns niet meer naar de hemelen opstijgen om berichten op te vangen en konden de waarzeggers niets meer voorspellen. De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) is nu in leven met een leven dat wij niet kennen. Zijn eervolle lichaam vergaat nooit. Bij zijn graf staat een engel die hem de eervolle salawât meldt die zijn umma voor hem uitspreekt. De plaats tussen zijn minbar en zijn eervolle graf heet Rawda-i Mutahhara. Deze plaats is een van de tuinen van het Paradijs. Zijn eervolle graf bezoeken is de grootste van de gehoorzame daden en de waardevolste van de daden van aanbidding. De groten onder de Metgezellen beschreven de schoonheid van onze Meester de Profeet als volgt. Abû Hurayra zei: “Ik heb niemand gezien die mooier was dan Rasûlullah. Het was alsof de zon met al haar glans in zijn gezicht straalde. Wanneer hij lachte, wierpen zijn tanden licht op de muren.”

“Degenen in mijn umma die mij het meest liefhebben, zijn zij die na mij komen en die hun gezin en hun bezit zouden opofferen om mij te zien” Hadîth sharîf

Ibn Abî Hâla zei: “Het gezegende gezicht van onze Meester de Profeet glansde als de volle maan.” ’Alî zei: “Wie hem onverwacht zag, werd door zijn majesteit met ontzag vervuld. Maar wie met hem omging en hem leerde kennen, raakte meteen aan hem gehecht en kreeg hem lief.”

Jâbir ibn Samura zei: “Rasûlullah streek met zijn gezegende hand over mijn gezicht. Ik voelde aan zijn hand een heerlijke geur en een koelte, alsof zij zojuist uit de tas van een ’attâr was gehaald, dat wil zeggen van iemand die reukwerk verkoopt. Wanneer onze Meester Rasûlullah iemands hand aanraakte om hem de hand te geven (musâfaha), verdween die heerlijke geur die hele dag niet van de hand van die persoon.”5

Onze moeder ’Âisha zei: “Wanneer Rasûlullah een kind over het hoofd streek, viel dat kind onder de andere kinderen meteen op door zijn heerlijke geur.”6

Op een dag sliep onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) in zijn huis. Umm Sulaym, de moeder van Anas ibn Mâlik, kwam binnen. Tijdens zijn slaap waren er zweetdruppels op het gezegende gezicht van onze Meester Rasûlullah verschenen. Umm Sulaym begon het gezegende zweet van onze Meester de Profeet op te vangen. Toen hij wakker werd en naar de reden vroeg, zei Umm Sulaym, de zoogtante van onze Meester de Profeet: “Wij mengen het door ons reukwerk. Uw zweet is de mooiste, de heerlijkst geurende van alle geuren.”7

Abû Hurayra zei: “Ik heb niemand gezien die sneller liep dan Rasûlullah. Het was alsof de aarde zich voor hem oprolde. Wanneer wij met hem liepen, spanden wij al onze krachten in.”

Onze Meester de Profeet sprak buitengewoon mooi. Hij wist op de volmaaktste wijze waar een woord moest beginnen en waar het moest eindigen. Zijn woorden waren helder van voordracht, uiterst welsprekend en treffend. In zijn spreken en zijn woorden kwam altijd de juistheid van de betekenis tot uiting. Omdat zijn uitdrukkingsvermogen buitengewoon groot was, werd hij bij het spreken nooit moe en kostte het hem geen moeite.

De schoonheid van onze Meester de Profeet

De verheven geleerden van de islam die “’ulamâ-i râsikhîn” worden genoemd, meesters in zowel de uiterlijke (zâhir) als de innerlijke (bâtin) kennis en erfgenamen van onze Meester de Profeet, hebben hem met al zijn schoonheden gezien en zijn verliefd op hem geworden. De eerste van hen is Abû Bakr as-Siddîq. Hij zag in onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de nûr van het profeetschap, begreep zijn voortreffelijkheid, zijn schoonheid en zijn verhevenheid, en werd verliefd op hem; en daarin ging hij zo ver dat niemand anders ooit aan hem gelijk kon worden. Abû Bakr zag ieder ogenblik, overal waar hij keek, onze Meester Rasûlullah. Eens beschreef hij zijn toestand zo: “Yâ Rasûlallah! Waar ik ook kijk, ik zie u.” Een andere keer zei hij: “Al mijn goede daden zou ik ruilen voor één vergissing (sahw) van u.” Een van hen die de schoonheid van onze Meester Rasûlullah het best hebben gezien, begrepen en beschreven, was de moeder van de gelovigen, onze moeder ’Âisha. ’Âisha was geleerd, een mujtahid, verstandig, scherpzinnig en letterkundig onderlegd. Zij sprak buitengewoon welsprekend en sierlijk. Zij kende de betekenissen van de Qur’ân al-karîm, het halâl en het harâm, de Arabische poëzie en de rekenkunde zeer goed. Zij heeft gedichten waarin zij Rasûlullah prijst. De volgende twee verzen zijn door onze moeder ’Âisha gezegd:

“Wanneer Rasûlullah een kind over het hoofd streek, viel dat kind onder de andere kinderen meteen op door zijn heerlijke geur” ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ)

Wa law sami’û ahlu Misra awsâfa khaddihî,
Lamâ badhalû fî sawmi Yûsufa min naqdin.
Lawâ’imu Zalîkhâ law ra’ayna jabînahû,
La-âtharna bil-qat’il-qulûbi ’alal-aydî.
Betekenis:
Hadden de mensen van Egypte gehoord van de schoonheid van zijn wangen,
Dan hadden zij bij het afdingen op Yûsuf ’alayhis-salâm geen geld geboden.
(Al hun bezit zouden zij hebben bewaard om zijn wangen te kunnen zien.)
Hadden de vrouwen die Zalîkhâ verweten zijn stralende voorhoofd gezien,
Dan hadden zij in plaats van hun handen hun harten gesneden (en de pijn niet eens gevoeld).

Onze moeder ’Âisha zegt: “Op een dag maakte Rasûlullah de riemen van zijn gezegende sandalen los, en ik zat garen te spinnen. Ik keek naar zijn gezegende gezicht. Van zijn stralende voorhoofd druppelde zweet. Iedere zweetdruppel verspreidde nûr naar alle kanten en verblindde mijn ogen. Ik was verbijsterd. Hij keek naar mij en zei: ‘Wat is er met jou, dat je zo in gedachten verzonken bent?’ Ik zei: ‘Yâ Rasûlallah! Toen ik keek naar de glans van de nûr op uw gezegende gezicht en naar het licht dat de zweetdruppels op uw gezegende voorhoofd verspreiden, raakte ik buiten mezelf.’ Rasûlullah stond op en kwam naar mij toe. Hij kuste mij tussen mijn ogen en zei: ‘O ‘Âisha! Moge Allâhu ta’âlâ je al het goede schenken! Ik heb jou niet zo blij kunnen maken als jij mij blij hebt gemaakt.’” Dat wil zeggen, hij zei: “De vreugde die jij mij hebt gegeven, is groter dan die ik jou heb gegeven.” Dat hij ’Âisha tussen haar gezegende ogen kuste, was omdat zij onze Meester Rasûlullah liefhad en hem zag met begrip voor zijn schoonheid. Daarom werd zij geprezen en met deze gunst vereerd.

Dichtregel:

Hulde aan mijn ogen, die uw schoonheid kunnen zien!

En een distichon:

Hoe goed zijn de ogen die naar de schone blijven kijken!
Hoe gelukkig het hart dat voor hem blijft branden!

De zichtbare schoonheden die in het gezegende lichaam van Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) verenigd waren en die de innerlijke schoonheden lieten zien, zijn in het lichaam van geen enkel ander mens verenigd geweest.

Imam Qurtubî heeft het volgende overgeleverd: “De schoonheid van Rasûl-i akram is niet volledig zichtbaar geworden. Als zijn ware schoonheid zichtbaar was geworden, hadden de Metgezellen niet de kracht gehad om naar hem te kijken. Als hij zijn ware schoonheid had getoond, had niemand het verdragen naar hem te kijken.”

Yûsuf ’alayhis-salâm verscheen aan de mensen met uiterlijke schoonheden, onze Meester Rasûlullah met innerlijke schoonheden. Toen men de schoonheid van Yûsuf ’alayhis-salâm zag, werden handen gesneden. Door de volmaaktheid van onze Meester Rasûlullah werden de gordels (zunnârs) doorgesneden, werden de afgoden gebroken en dreven de wolken van het ongeloof (kufr) uiteen. De Metgezellen vroegen onze Meester de Profeet: “Yâ Rasûlallah! Bent u mooier, of was Yûsuf ’alayhis-salâm mooier?” Onze Meester antwoordde: “Mijn broeder Yûsuf is mooier (sabîh) dan ik, en ik ben bevalliger (malîh) dan hij. Zijn zichtbare schoonheid is groter dan mijn zichtbare schoonheid.”

In een hadîth sharîf zei onze Meester de Profeet: “Iedere profeet die Allâhu ta’âlâ heeft gezonden, had een mooi gezicht en een mooie stem. Maar jullie Profeet heeft van hen allen het mooiste gezicht en de mooiste stem.”

Iemand kwam bij onze Meester Rasûlullah en zei: “O Rasûl van Allâhu ta’âlâ! Wanneer breekt de Opstanding aan?” Onze Meester de Profeet zei: “Wat heb je voor de Opstanding voorbereid?” De man antwoordde: “Ik heb mij voor de Opstanding weliswaar niet voorbereid door veel gebeden te verrichten, te vasten en sadaqa te geven. Maar ik heb Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl lief.” Daarop zei onze Meester de Profeet: “De mens is met wie hij liefheeft.”8

Rasûlullah liefhebben is voor alle moslims fard-i ’ayn.

Wanneer de liefde voor die Vorst zich in een hart vestigt, wordt het heel gemakkelijk de islam te beleven en de smaak van de îmân en de islam en hun onverzadigbare vreugde te bereiken. Deze liefde leidt ertoe dat men de Meester der beide werelden volledig volgt. Door deze liefde valt iemand de eer ten deel de oneindige en onbeschrijfelijke gunsten en zegeningen te bereiken die Allâhu ta’âlâ aan Zijn Habîb heeft geschonken. De geleerden van de Ahl as-Sunna en hun boeken, die iedere moslim, jong of oud, rechtstreeks naar de liefde voor Rasûlullah leiden, zijn de bewijzen van deze zegeningen.

Het is wâjib dat de gelovige die de gezegende naam van de Rasûl ’alayhis-salâm noemt of hoort, zich gedraagt alsof hij zich in de eervolle bijeenkomst van Rasûlullah bevindt: in rust, met welvoeglijkheid, en met eerbied in hart en lichaam.

Wanneer iets wordt bericht over de gezegende woorden en daden van onze Meester Rasûlullah, daarop antwoorden met iets wat zijn aanzien verhoogt, behoort tot de eerbied en het respect voor hem. Rasûlullah niet beschrijven met woorden die onder de mensen voor een lage en geringe rang worden gebruikt, behoort eveneens tot de eerbied voor hem.

Zo zegt men van Rasûlullah niet dat hij arm was. Men zegt niet dat hij herder was. Wanneer gezegd wordt: “Onze Meester Rasûlullah hield van dat en dat”, behoort het tot de eerbied voor hem niet te antwoorden: “Maar ik houd daar niet van.” Evenzo moet men op de woorden van Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “Ik eet niet terwijl ik ergens tegenaan leun of op steun”9 niet antwoorden: “Ik eet wel terwijl ik ergens op steun”, om vervolgens leunend te eten. Deze dingen in acht nemen behoort tot de eerbied voor Rasûlullah. Ze opzettelijk veronachtzamen, met het voornemen er geen belang aan te hechten, opent de deuren naar het ongeloof (kufr).

Geen ander boek en geen huisraad op de Qur’ân al-karîm en op de boeken van hadîth leggen, behoort eveneens tot de eerbied voor Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl. Het stof ervan afnemen en geen papier weggooien waarop de eervolle naam van Allâhu ta’âlâ of de gezegende namen van onze Meester Rasûlullah staan, is eerbied voor Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl. Zulke papieren scheurt men niet. Papieren die met de letters van de islam zijn beschreven, moet men nog meer eren. Wanneer boeken en papieren waarin de eervolle naam van Allâhu ta’âlâ en edele verzen staan, van ouderdom gescheurd raken, moet men ze in een schone doek wikkelen en in de aarde begraven, of ze met water wassen tot het schrift is verdwenen, of ze verbranden. Verbrandt men ze, dan begraaft men de as. Verbranden is beter dan wassen om het schrift te verwijderen, want het water dat bij het wassen wordt gebruikt, kan onder de voeten terechtkomen.

Madîna al-Munawwara, het heiligdom (haram) van Rasûlullah, eren en respecteren, zich daar onthouden van wat verboden is (of van het begaan van zonden) en de bewoners van Madîna al-Munawwara met gulheid bejegenen, geldt eveneens als eerbied voor Rasûlullah.

U bent de sultan van het rijk van mijn bestaan,
U bent voorwaar de geliefde van mijn ziel;
Sezâî heeft nu al wat hij bezat tenietgedaan:
Wat nog bestaat, is alleen uw gunst (ihsân).
Hasan Sezâî

“Mijn broeder Yûsuf is mooier (sabîh) dan ik, en ik ben bevalliger (malîh) dan hij. Zijn zichtbare schoonheid is groter dan mijn zichtbare schoonheid” Hadîth sharîf