Mijn Geliefde Profeet

TWEEDE DEEL HET LEVEN IN HET GRAF

Onze Meester de Profeet is levend in zijn graf

De profeten zijn levend in hun graf, met een leven dat wij niet kennen. Ook de awliyâ en de martelaren zijn levend. Dat zij levend zijn, is niet slechts een manier van spreken. Zij zijn volkomen levend. In het honderdnegenenzestigste edele vers van soera Âl ’Imrân werd in betekenis gezegd: “Denk niet dat zij die op de weg van Allâhu ta’âlâ gedood zijn, dood zijn! Zij zijn levend bij hun Heer. Zij worden voorzien van levensonderhoud.”

Dit edele vers maakt bekend dat de martelaren levend zijn. En de profeten staan ongetwijfeld vóór en boven de martelaren. Volgens de geleerden van de islam is iedere profeet als martelaar gestorven. Onze Meester Rasûlullah zei tijdens zijn laatste ziekte: “Ik heb altijd de pijn gevoeld van het eten dat ik in Khaybar heb gegeten.”1 Deze hadîth sharîf maakt bekend dat onze Meester Rasûlullah als martelaar is overleden. Daarom begrijpt men ook hieruit dat onze Meester, zoals alle martelaren, levend is in zijn graf.

In de hadîth sharîf die in “Bukhârî” en “Muslim” wordt meegedeeld, werd gezegd: “In de nacht van de Mi’râj werd ik langs het graf van Mûsâ (’alayhis-salâm) geleid. Hij verrichtte staande in zijn graf het gebed.”2

In een andere hadîth sharîf werd gezegd: “Allâhu ta’âlâ heeft het de aarde verboden (harâm gemaakt) de profeten te laten vergaan.”3 Dat dit waar is, maken de geleerden eensgezind bekend. In “Bukhârî” en “Muslim” staat geschreven: “Allâhu ta’âlâ zond in de nacht van de Mi’râj alle profeten naar onze Profeet. Hij was hun imam, en zij verrichtten een gebed van twee rak’a’s.”

Het gebed wordt verricht met de rukû’ en de sajda. Dit bericht toont aan dat zij het levend, met het lichaam, met het lijf hebben verricht. Ook het gebed dat Mûsâ ’alayhis-salâm in zijn graf verrichtte, toont dit aan. In de hadîth sharîf die Abû Hurayra meedeelde – aan het einde van de eerste afdeling van het hoofdstuk over de Mi’râj in het laatste deel van het boek “Mishkât”, overgenomen uit Muslim – werd gezegd: “Allâhu ta’âlâ toonde het mij. Mûsâ (’alayhis-salâm) verrichtte staande het gebed; hij was mager. Zijn haar was niet verward en niet slap neerhangend. Hij leek op een jonge held van de stam Shanû’a. Îsâ (’alayhis-salâm) leek op ’Urwa ibn Mas’ûd Thaqafî.”4 Shanû’a is de naam van twee stammen in Jemen. Deze hadîths sharîf tonen aan dat de profeten levend zijn bij hun Heer. Hun lichamen zijn fijn geworden zoals hun zielen. Zij zijn niet grof en niet hard. Zij kunnen zich vertonen in de stoffelijke wereld en in de wereld van de zielen. Daarom kunnen de profeten zich met hun ziel en met hun lichaam vertonen. In de hadîth sharîf wordt meegedeeld dat Mûsâ en Îsâ ’alayhimas-salâm het gebed verrichtten. Het gebed verrichten is verschillende bewegingen maken. Deze bewegingen worden met het lichaam gemaakt, niet met de ziel. Dat in de hadîth over Mûsâ ’alayhis-salâm wordt gezegd: “Ik zag hem van gemiddelde lengte, weinig vlezig, mager, met verzorgd haar,” toont aan dat niet zijn ziel maar zijn lichaam werd gezien.

“Denk niet dat zij die op de weg van Allâhu ta’âlâ gedood zijn, dood zijn! Zij zijn levend bij hun Heer. Zij worden voorzien van levensonderhoud” Âl ’Imrân: 169

Imâm Bayhaqî zei: “Nadat de profeten in het graf zijn gelegd, worden hun zielen aan hun lichamen teruggegeven. Wij kunnen hen niet zien. Zij worden onzichtbaar zoals de engelen. Alleen uitverkoren mensen aan wie Allâhu ta’âlâ dit als karâma schenkt, kunnen hen zien.” Ook Imâm Suyûtî heeft dit zo bekendgemaakt. Veel mensen hebben vele malen gehoord dat vanuit het Qabr-i Sa’âdat op hun groet werd geantwoord. Ook vanuit andere graven is vele malen gehoord dat op de groet werd geantwoord.

Ook in een hadîth sharîf werd gezegd: “Wanneer ik gegroet word, geeft Allâhu ta’âlâ mij mijn ziel terug, en ik beantwoord de groet.”5

Imâm Suyûtî zei: “Rasûlullah is verzonken in het aanschouwen van de goddelijke Schoonheid (Jamâl-i ilâhî). Hij is de gewaarwordingen van het lichaam vergeten. Wanneer een moslim hem groet, verlaat zijn gezegende ziel die toestand en neemt zij de gewaarwordingen van het lichaam aan. Ook in deze wereld zijn er niet weinig mensen bij wie dit zo is. Wanneer men diep over een zaak van deze wereld of van het hiernamaals nadenkt, hoort men niet wat er naast hem gezegd wordt. Kan iemand die in de goddelijke Schoonheid verzonken is, een geluid horen?”

Qâdî ’Iyâd deelt in het boek “Shifâ” in de overlevering van Sulaymân ibn Suhaym mee: “Op een nacht zag ik in een droom de Trots van het universum en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Kent u de groet van hen die komen en u groeten?’ Hij zei: ‘Ja, ik ken hem, en ik neem hun groet in ontvangst en beantwoord hem.’” De hadîths sharîf die meedelen dat de profeten in hun graf levend zijn, zijn zo talrijk dat zij elkaar versterken. Zo werd bijvoorbeeld gezegd: “De salawât die bij mijn graf voor mij worden uitgesproken, hoor ik. Die op verre plaatsen worden uitgesproken, worden mij meegedeeld.” Deze hadîth sharîf heeft Abû Bakr ibn Abî Shayba meegedeeld. Deze en soortgelijke hadîths sharîf staan in de boeken van de zes grote imams van de hadîth. In de hadîth sharîf die Ibn Abi’d-Dunyâ van ’Abdullah ibn ’Abbâs meedeelde, werd gezegd: “Als iemand langs het graf van een bekende gaat en hem groet, herkent de dode hem en beantwoordt zijn groet. Als hij een dode groet die hij niet kende, verheugt de dode zich en beantwoordt zijn groet.”

Als gevraagd wordt hoe Rasûlullah ieder van hen die overal ter wereld tegelijk de salât en de groet over hem uitspreken, afzonderlijk antwoordt, dan wordt geantwoord: zoals de middagzon in één ogenblik over duizenden steden licht uitstraalt. Ibrâhîm ibn Bishâr zei: “Nadat ik de hajj had verricht, ging ik naar Medina om het Qabr-i Sa’âdat te bezoeken. Voor de Hujra-i Sa’âdat groette ik, en ik hoorde het antwoord: ‘Wa ‘alaykas-salâm.’”

In een hadîth sharîf werd gezegd: “Nadat ik ben gestorven, begrijp ik zoals toen ik leefde.” In een andere hadîth sharîf werd gezegd: “De profeten zijn levend in hun graf en verrichten het gebed.”6

Dat Sayyid Ahmad Rifâ’î, een van de grote awliyâ, en vele andere awliyâ het antwoord op hun groet aan Rasûlullah hebben gehoord, en dat Ahmad Rifâ’î de eer heeft gehad de gezegende hand van Rasûlullah te kussen, staat in zeer betrouwbare boeken geschreven. Imâm Suyûtî zegt in zijn boek: “De awliyâ van hoge rang zien de profeten alsof zij niet gestorven zijn. Dat onze Meester de Profeet Mûsâ ’alayhis-salâm levend in zijn graf zag, was een wonder (mu’jiza). Dat ook de awliyâ zo zien, is karâma. Niet in karâma geloven komt voort uit onwetendheid.”

In de hadîth sharîf die Ibn Hibbân, Ibn Mâja en Abû Dâwûd meedeelden, werd gezegd: “Spreek op vrijdag veel salawât over mij uit! Zij worden mij meegedeeld.” Toen werd gevraagd: “Worden zij ook na de dood meegedeeld?”, zei hij: “De aarde laat het lichaam van de profeten niet vergaan. Wanneer een gelovige salawât over mij uitspreekt, brengt een engel mij bericht en zegt: ‘Die en die, de zoon van die en die, uit uw umma, heeft u de groet gebracht en een smeekbede gedaan.’”

Zoals onze Meester Rasûlullah tijdens zijn leven voor zijn Metgezellen een barmhartigheid van Allâhu ta’âlâ en een grote gunst was, zo is hij ook na zijn overlijden voor zijn hele umma een grote gunst. Hij is de oorzaak van het goede. In de hadîth sharîf die Bakr ibn ’Abdullah Muzanî overleverde, zei Rasûl-i akram: “Mijn leven is goed voor jullie. Jullie vertellen mij, en ik vertel jullie. Nadat ik gestorven ben, is ook mijn overlijden goed voor jullie. Jullie daden worden mij getoond. Wanneer ik jullie goede daden zie, loof ik Allâhu ta’âlâ. Wanneer ik jullie slechte daden zie, vraag ik voor jullie om vergiffenis en vergeving.”7

Qutham ibn ’Abbâs werd vereerd met de dienst bij de begrafenis van onze Meester Rasûlullah. Toen de dienst in het graf voorbij was, kwam hij er als laatste uit. Hij zei: “Ik ben de laatste die het gezegende gezicht van Rasûlullah heeft gezien. In zijn graf bewogen zijn gezegende lippen. Ik boog mij over hem heen en luisterde. Hij zei: ‘O mijn Heer! Mijn umma!.. O mijn Heer! Mijn umma!..’”8

Onze Meester de Profeet zien

Kan onze Meester Rasûlullah in de slaap en in wakende toestand worden gezien? Als hij gezien kan worden, is wat men ziet hijzelf of iets wat op hem lijkt? Onze geleerden hebben hierop verschillende antwoorden gegeven. Nadat zij eensgezind hadden bekendgemaakt dat hij levend is in het graf, hebben zij overwegend verklaard dat hijzelf gezien wordt. Dat het zo is, begrijpt men ook uit de hadîths sharîf. In een hadîth sharîf werd gezegd: “Wie mij in een droom ziet, is als iemand die mij in wakende toestand heeft gezien.”9 Daarom zei Imâm Nawawî: “Hem in een droom zien is hemzelf volledig zien.” In een hadîth sharîf werd gezegd: “Wie mij in een droom ziet, heeft werkelijk gezien. Want de shaytân kan mijn gedaante niet aannemen.”10

“Wie mij in een droom ziet, is als iemand die mij in wakende toestand heeft gezien” Hadîth sharîf

Ibrâhîm Laqânî zegt: “De geleerden van de hadîth hebben eensgezind bekendgemaakt dat Rasûlullah, zoals in de droom, ook in wakende toestand gezien kan worden.” Voor beide toestanden kunnen zeer veel voorbeelden worden gegeven. Laten wij er enkele van noemen:

Mu’înuddîn Chishtî bezocht in iedere streek waar hij kwam de begraafplaatsen en bleef daar een tijd. Wanneer hij op de plaatsen waar hij kwam herkend en bekend werd, bleef hij niet langer, maar vertrok in het geheim, zonder iemand iets te zeggen. Een van deze reizen voerde hem naar Mekka. Hij ging naar Makka al-Mukarrama en bezocht de Ka’ba al-Mu’azzama. Nadat hij een tijd in Mekka was gebleven, ging hij van daar naar Madîna al-Munawwara. Op een dag waarop hij het gezegende graf van onze Profeet bezocht, werd vanuit zijn graftombe een stem gehoord: “Roep Mu’înuddîn!” Op dit bevel riep de bewaker van de graftombe: “Mu’înuddîn!” Vanaf verschillende plaatsen klonk: “Hier ben ik!” Daarna zeiden zij: “Welke Mu’înuddîn wil je hebben? Hier zijn veel mensen die Mu’înuddîn heten.” Daarop keerde de bewaker terug en bleef staan bij de deur van de Rawda-i Mutahhara. Tweemaal hoorde hij een stem die riep: “Roep Mu’înuddîn Chishtî!” Op dit bevel riep de bewaker tot de menigte: “Men roept Mu’înuddîn Chishtî!”

Toen Mu’înuddîn Chishtî deze woorden hoorde, raakte hij in een heel andere toestand. Huilend, tranen stortend en salawât uitsprekend naderde hij de graftombe van onze geliefde Profeet en bleef eerbiedig staan. Op dat ogenblik hoorde hij een stem: “O Qutb al-Mashâyikh! Kom binnen!”

Onze Profeet zei: “Jij bent een dienaar van mijn religie. Je moet naar India gaan. Ga naar India. Daar is een stad die Ajmer heet. Daar is iemand van mijn nakomelingen (van mijn kleinkinderen), Sayyid Husayn genaamd. Hij was daarheen gegaan met het voornemen van jihâd en strijd (ghazwa). Op dit ogenblik is hij martelaar geworden. Ajmer staat op het punt in handen van de ongelovigen te vallen. Door jouw komst daar en door de zegen ervan zal de islam zich verbreiden, en de ongelovigen zullen vernederd, machteloos en zonder invloed blijven.” Daarna gaf hij hem een granaatappel en zei: “Kijk aandachtig naar deze granaatappel; zie en begrijp waarheen je zult gaan.” Mu’înuddîn Chishtî nam de granaatappel die onze Meester de Profeet hem gaf, keek ernaar zoals hem bevolen was, en zag alles tussen het oosten en het westen volledig. Ahmad Rifâ’î was op hajj gegaan. Op de terugweg, toen hij in Madîna al-Munawwara de gezegende graftombe van Rasûl-i akram bezocht, sprak hij een gedicht uit met deze betekenis:

Ver waren wij, mijn Meester, om uw aarde te kussen,
Zelf kon ik niet komen, mijn ziel zond ik als gezant.
Nu is mij de gunst beschoren u te bezoeken;
Geef mij uw gezegende hand, laat mijn lippen haar kussen, o Habîb!

Toen het gedicht uit was, verscheen vanuit het graf van onze geliefde Profeet zijn gezegende hand. Sayyid Ahmad Rifâ’î kuste met de uiterste eerbied en ontzag de gezegende hand van onze Meester de Profeet. Allen die daar aanwezig waren, zagen het voorval met verbazing. Nadat hij de gezegende hand van onze Meester de Profeet had gekust, ging hij op de drempels van de deuren van de Rawda-i Mutahhara liggen. Huilend smeekte hij de hele menigte die daar was: “Loop over mij heen!” De geleerden waren gedwongen door andere deuren naar buiten te gaan. Deze karâma werd zeer bekend en is van mond tot mond tot in onze tijd overgeleverd. De wijze waarop Ibn ’Âbidîn de religie volgde, is bekend, en zijn karâma’s en zijn wonderverhalen zijn talrijk.

Wanneer hij in de vijf dagelijkse gebeden de tahiyyât reciteerde, zag hij onze Meester Rasûlullah met zijn eigen ogen. Wanneer hij hem niet kon zien, verrichtte hij dat gebed opnieuw. Een van de grootsten onder de geleerden van de islam, de mujaddid van het tweede millennium, Imâm Rabbânî Ahmad Fârûqî Sirhindî, zei: “In de laatste dagen van de gezegende Ramadân openbaarde zich een uitermate mooie toestand. Ik lag uitgestrekt op mijn bed. Mijn ogen had ik gesloten. Ik voelde dat er iemand kwam en op mijn bed ging zitten. En wat zag ik? Het was de sayyid, de meester van de eersten en de laatsten. Ik richtte mij onmiddellijk op. Onze geliefde Profeet zei: ‘Ik ben gekomen om een ijâza (machtiging) voor jou te schrijven. Aan niemand heb ik ooit zo’n ijâza geschreven.’ Ik zag dat in de tekst van die ijâza grote gunsten voor deze wereld geschreven stonden, en op de achterzijde vele genaden voor de andere wereld.”

’Abdulqâdir Gîlânî vertelt in het boek “Ghunya”, naar de overlevering van Ibrâhîm Tamîmî: Khidr ’alayhis-salâm zei tegen mij: “Als je Rasûlullah in een droom wilt zien, sta dan, nadat je het avondgebed hebt verricht, op zonder tot het nachtgebed met iemand te spreken, en verricht het awwâbîn-gebed, dat na het avondgebed komt. Na iedere twee rak’a’s spreek je de salâm uit.

In iedere rak’a reciteer je eenmaal de “Hamd”, dat wil zeggen soera al-Fâtiha, en zevenmaal soera al-Ikhlâs. Nadat je ook het nachtgebed in gemeenschap hebt verricht, ga je naar huis en verricht je het witr-gebed. Wanneer je gaat slapen, verricht je nog een gebed van twee rak’a’s en reciteer je in iedere rak’a de “Hamd” en zevenmaal soera al-Ikhlâs. Na het gebed buig je je neer in sajda, vraag je Allâhu ta’âlâ zevenmaal om vergeving (istighfâr) en zeg je zevenmaal: ‘Subhânallâhi wal-hamdu lillâhi wa lâ ilâha illallâhu wallâhu akbar wa lâ hawla wa lâ quwwata illâ billâhil-‘aliyyil-‘azîm’. Daarna hef je je hoofd op uit de sajda, ga je zitten, hef je je handen op en zeg je: ‘Yâ Hayyu, yâ Qayyûm, yâ Dhal-jalâli wal-ikrâm, yâ Ilâhal-awwalîna wal-âkhirîn, wa yâ Rahmânad-dunyâ wal-âkhirati wa Rahîmahumâ, yâ Rabbî, yâ Rabbî, yâ Rabbî, yâ Allah, yâ Allah, yâ Allah’.

Daarna sta je op en reciteer je dezelfde smeekbede. Daarna buig je je neer in sajda en reciteer je dezelfde smeekbede. Daarna hef je je hoofd op uit de sajda, wend je je naar de qibla, ga je liggen zoals je wilt en slaap je. Tot de slaap je overmant, spreek je salawât sharîfa uit over onze Meester de Profeet.”

Ik zei: “Ik wil dat je mij zegt van wie je deze smeekbede hebt geleerd.” Khidr zei: “Geloof je mij niet?” Ik zei: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die Muhammad ’alayhis-salâm als ware profeet heeft gezonden, dat ik je geloof.”

Khidr ’alayhis-salâm zei: “Ik was aanwezig in de bijeenkomst waarin Rasûlullah deze smeekbede onderwees en aanbeval. Ik heb haar geleerd van degene aan wie hij haar onderwees.” Ook ik deed zoals Khidr ’alayhis-salâm had gezegd. In mijn bed begon ik salawât sharîfa uit te spreken over onze Meester de Profeet. Van vreugde dat ik onze Meester de Profeet zou zien, was de slaap verdwenen, en ik kon tot de morgen niet slapen.

“De geleerden van de hadîth hebben eensgezind bekendgemaakt dat Rasûlullah, zoals in de droom, ook in wakende toestand gezien kan worden” Ibrâhîm Laqânî (rahmatullâhi ’alayh)

Ik verrichtte het ochtendgebed en bleef zitten tot de zon was opgekomen. Ik verrichtte het duhâ-gebed, dat wil zeggen het gebed van de voormiddag. Ik zei bij mezelf: “Als ik de avond haal, doe ik zoals ik vannacht heb gedaan.” Op dat ogenblik viel ik in slaap. In mijn droom kwamen engelen, namen mij mee en brachten mij naar het Paradijs. Daar zag ik paviljoenen en paleizen van robijn, smaragd en parels, en rivieren van honing, van melk en van de dranken van het Paradijs. Ik vroeg de engelen die mij naar het Paradijs hadden gebracht: “Voor wie is dit paviljoen?” De engelen zeiden: “Het is voor hen die de daad verrichten die jij hebt verricht.” Zij lieten mij het Paradijs niet verlaten voordat zij mij van de spijzen van het Paradijs hadden laten eten en van de wateren van het Paradijs hadden laten drinken. Daarna brachten zij mij uit het Paradijs naar de plaats waar ik was.

Daarna kwam onze Meester Rasûlullah naar mij toe met zeventig profeten en zeventig rijen engelen – tussen iedere rij was een afstand zoals tussen het oosten en het westen –, groette mij en nam mijn hand. Op dat ogenblik zei ik: “Yâ Rasûlallah! Khidr ’alayhis-salâm heeft meegedeeld dat hij deze hadîth van u heeft gehoord.” Onze Meester de Profeet zei: “Khidr heeft de waarheid gesproken; wat hij heeft verteld, is waar. Khidr is de geleerdste van hen die op aarde zijn. Hij is het hoofd van de abdâl. Hij is een van de soldaten van Allah op aarde.”

Ik zei weer: “Yâ Rasûlallah! Is er voor wie deze daad verricht, nog een andere beloning dan wat ik heb gezien?” Hij zei: “Welke beloning kan groter zijn dan wat jij hebt gezien en wat jou is geschonken? Je hebt je plaats en je rang in het Paradijs gezien. Je hebt van de vruchten van het Paradijs gegeten en van zijn dranken gedronken. Je hebt samen met mij de engelen en de profeten gezien. Je hebt de hûrî’s gezien.”

Ik zei: “Yâ Rasûlallah! Wordt aan iemand die de daad verricht die ik heb verricht, maar in een droom niet ziet wat ik heb gezien, gegeven wat mij is geschonken?” Hij zei: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die mij als ware profeet heeft gezonden, dat de grote zonden die zo iemand heeft begaan, worden vergeven. De toorn van Allâhu ta’âlâ jegens hem wordt opgeheven. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die mij als ware profeet heeft gezonden, dat aan wie deze daad verricht, ook al ziet hij in een droom niet wat jij hebt gezien, ook gegeven wordt wat jou is gegeven. Een stem uit de hemel roept: ‘Allâhu ta’âlâ heeft hem die deze daad verricht, en de umma van Muhammad van het oosten tot het westen vergeven.’”

Ik zei: “Yâ Rasûlallah! Zoals ik uw schoonheid en het Paradijs heb gezien, heeft ook die persoon daaraan deel?” Hij zei: “Ja, dat alles wordt hem gegeven.”

Toen ik zei: “Yâ Rasûlallah! Is het passend deze smeekbede aan alle gelovigen, mannen en vrouwen, te leren en hun de beloningen ervan mee te delen?”, zei hij: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die mij als ware profeet heeft gezonden, dat niemand deze daad verricht behalve zij die Allâhu ta’âlâ als gelukzaligen (sa’îd) heeft geschapen.” Wie onze Profeet Muhammad ’alayhis-salâm in een droom in zijn ware gedaante ziet, heeft hem zeker gezien. Want de shaytân kan zijn gedaante niet aannemen. Maar de shaytân kan zich in een andere gedaante vertonen. Voor iemand die Rasûlullah niet kent, is het niet gemakkelijk dit te onderscheiden. Sommige geleerden zeiden: “Onze Meester de Profeet in een andere gedaante zien is ook hem zien. Maar het is een teken van een tekortkoming in de religie van die persoon. Ieder die onze Meester de Profeet in een droom in zijn ware gedaante ziet en als gelovige sterft, gaat naar het Paradijs.”

Abû Hurayra deelde deze hadîth sharîf van onze Meester mee: “Als iemand in de nacht van vrijdag een gebed van twee rak’a’s verricht, in iedere rak’a eenmaal al-Fâtiha en de Âyat al-Kursî en vijftienmaal soera al-Ikhlâs reciteert, en na het gebed duizendmaal zegt: ‘Allâhumma salli ‘alâ Muhammadinin-nabiyyil-ummiyy’, dan zal hij mij in zijn droom zien voordat de volgende vrijdag komt. Al zijn vroegere en latere zonden worden vergeven. Het Paradijs is voor hen die mij zien.”

Het bezoek aan het Qabr-i Sharîf van onze Meester de Profeet

De Trots van het universum zei: “Wie mij na mijn overlijden bezoekt, is als iemand die mij tijdens mijn leven heeft bezocht.” In een hadîth sharîf die in het boek “Mir’ât-i Medîne” wordt meegedeeld, zei hij: “Wie mijn graf bezoekt, voor hem is mijn voorspraak verplicht geworden.” Deze hadîth sharîf delen Ibn Khuzayma, Bazzâr, Dâraqutnî en Tabarânî mee. In een andere hadîth sharîf die Bazzâr meedeelde, werd gezegd: “Wie mijn graf bezoekt, voor hem is mijn voorspraak toegestaan (halâl) geworden.” In de hadîth sharîf die in “Muslim-i Sharîf” en in het boek “Mu’jam” van Abû Bakr ibn Muqrî wordt meegedeeld, werd gezegd: “Als iemand komt om mij te bezoeken en geen ander voornemen heeft, dan heeft hij verdiend dat ik op de Dag des Oordeels voorspraak voor hem doe.” Deze hadîth sharîf maakt bekend dat Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) voorspraak zal doen voor hen die naar Madîna al-Munawwara komen om hem te bezoeken.

Pas op, laat de eerbied niet varen: dit is de straat van de geliefde van Allah,
Dit is de plaats waarop de goddelijke blik rust, dit is de verblijfplaats van Mustafâ!
De nieuwe maan aan de hemel is de minnaar met de opengereten borst van de Bâb as-Salâm,
Haar lamp is het sterrenbeeld Jawzâ’; dit is de opgang van nûr en van glans!
Dit is de rustplaats van de Habîb van de Verhevene; in voortreffelijkheid
Overtreft deze plaats zelfs de ’Arsh van de Verheven Allah!
Door de glans van deze aarde verdween de duisternis van het niet-zijn,
Als oogzalf nam het geschapene haar in beide ogen en werd van blindheid genezen.
Treed, Nâbî, deze drempel binnen op voorwaarde dat je de eerbied in acht neemt;
Dit is de plaats waar de engelen de tawâf doen, de plaats die de profeten kussen!
Nâbî

In een andere hadîth sharîf die Dâraqutnî meedeelde, werd gezegd: “Wie de hajj verricht en mij niet bezoekt, heeft mij gekwetst.” Dat Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) bezocht wilde worden, was opdat zijn umma ook langs deze weg beloning zou verwerven. Daarom kwamen onze geleerden van de fiqh, nadat zij de plicht van de hajj hadden vervuld, naar Madîna al-Munawwara en verrichtten het gebed in de Masjid ash-Sharîf. Daarna bezochten zij de Rawda-i Mutahhara, de Minbar-i Munîr en het Qabr-i Sharîf, dat voortreffelijker is dan de ’Arsh-i a’lâ; vervolgens de plaatsen waar hij had gezeten, gelopen en geleund, de zuil waartegen hij leunde wanneer de openbaring kwam, en de plaatsen waar de Metgezellen en de Tâbi’în langs waren gegaan, die bij de bouw en het herstel van de moskee hadden gewerkt en de eer hadden gehad er hun bezit en hun geld voor te geven. Door ze te zien ontvingen zij zegen. Ook de geleerden en de vromen die na hen kwamen, kwamen na de hajj naar Medina en deden zoals onze geleerden van de fiqh. Zoals gisteren, zo houden ook vandaag de pelgrims hieraan vast en brengen zij hun bezoeken in Madîna al-Munawwara.

“Als iemand komt om mij te bezoeken en geen ander voornemen heeft, dan heeft hij verdiend dat ik op de Dag des Oordeels voorspraak voor hem doe” Hadîth sharîf

De zon van de geleerden van de islam, Abû Hanîfa, zei: “Het bezoek aan het Qabr-i Sa’âdat, dat tot de verhevenste van de mustahabb-handelingen behoort, is een daad van aanbidding die dicht bij de graad van wâjib komt.” Wie onze Meester Rasûlullah in zijn Qabr-i Sharîf gaat bezoeken, moet veel salawât sharîfa uitspreken. In een hadîth sharîf werd bekendgemaakt dat deze uitgesproken salât en groeten onze Meester de Profeet bereiken. De wellevendheid (âdâb) van het bezoek aan onze geliefde Profeet werd als volgt bekendgemaakt:

Wanneer men de stad Madîna al-Munawwara van verre ziet, spreekt men de salât en de groet uit. Daarna zegt men: “Allâhumma hâdhâ haramu nabiyyika, faj’alhu wiqâyatan lî minan-nâri wa amânan minal-’adhâbi wa sû’il-hisâb.” Als het mogelijk is, verricht men vóór het binnengaan van de stad of de moskee de ghusl. Men doet een welriekende geur (parfum) op. Men trekt nieuwe, schone kleren aan. Want dit alles drukt eerbied en ontzag uit. Men gaat Madîna al-Munawwara binnen in een toestand van nederigheid, waardigheid en kalmte. Nadat men “Bismillâhi wa ’alâ millati Rasûlillâh” heeft gezegd, moet men het tachtigste edele vers van soera al-Isrâ reciteren. Onmiddellijk daarna zegt men: “Allâhumma salli ’alâ Muhammadin wa ’alâ âli Muhammad. Waghfir lî dhunûbî waftah lî abwâba rahmatika wa fadlik,” en gaat men de Masjid an-Nabawî binnen. Daarna moet men naast de minbar van onze Meester Rasûlullah een gebed van twee rak’a’s tahiyyat al-masjid verrichten, en wel zo staan dat de zuil van de minbar ter hoogte van de rechterschouder komt. Onze geliefde Profeet verrichtte hier het gebed. Deze plaats ligt tussen het graf van onze Meester de Profeet en zijn minbar. In een hadîth sharîf werd gezegd: “Wat tussen mijn graf en mijn minbar ligt, is een tuin van de tuinen van het Paradijs. Mijn minbar staat op mijn bassin (hawd).”11 Daarna moet men zich voor Allâhu ta’âlâ neerbuigen in sajda, omdat Hij hem heeft vergund het gezegende graf van Rasûlullah te bezoeken.

Na de smeekbede moet men opstaan, naar het Qabr-i Sharîf van onze Meester de Profeet, naar de Hujra-i Sa’âdat, gaan en, met de rug naar de qibla, tegenover het gezegende gezicht van Rasûlullah op ongeveer twee meter afstand eerbiedig blijven staan. Dichterbij komt men niet. Men moet in nederigheid en onderworpenheid (khushû’ en khudû’) zijn en, zoals Allâhu ta’âlâ in de Qur’ân al-karîm heeft bevolen, onze Meester Rasûlullah met eerbied tegemoet treden alsof hij leeft en alsof men in zijn verheven tegenwoordigheid staat. Men mag de kalmte en de waardigheid niet laten varen. Zijn hand niet op de muren van het Qabr-i Sharîf leggen en op afstand eerbiedig blijven staan, past beter bij de eerbied. Men moet staan zoals in het gebed. Men moet zich de gezegende, fijne gestalte van onze Meester Rasûlullah voor de geest halen en bedenken dat hij hem kent, dat hij zijn woorden, zijn groet en zijn smeekbeden hoort, en dat hij antwoordt en “Âmîn” zegt. Want onze Meester Rasûlullah zei: “Wie bij mijn graf de salât over mij uitspreekt, hem hoor ik.” Ook werd in een hadîth sharîf bekendgemaakt dat bij het Qabr-i Sharîf van onze Meester Rasûlullah een engel als gevolmachtigde is aangesteld, die hem de groet overbrengt van hen uit zijn umma die hem groeten. Daarna moet men zeggen: “As-salâmu ’alayka yâ sayyidî yâ Rasûlallah! As-salâmu ’alayka yâ Nabiyyallah! As-salâmu ’alayka yâ Safiyyallah! As-salâmu ’alayka yâ Habîballah! As-salâmu ’alayka yâ Nabiyyar-rahma! As-salâmu ’alayka yâ Shafî’al-umma! As-salâmu ’alayka yâ Sayyidal-mursalîn! As-salâmu ’alayka yâ Khâtaman-nabiyyîn!”

“Moge Allâhu ta’âlâ u de hoogste beloning en vergelding schenken. Ik getuig dat u uw taak als profeet hebt vervuld. U hebt het toevertrouwde pand overgedragen. U hebt uw umma raad gegeven. Tot de zekerheid (de dood) tot u kwam, hebt u op de weg van Allâhu ta’âlâ gestreden (jihâd gedaan). Moge Allâhu ta’âlâ tot de Dag des Oordeels de salât en de groet over u zenden. Yâ Rasûlallah! Wij zijn van zeer verre plaatsen naar u gekomen. Wij zijn gekomen om uw Qabr-i Sharîf te bezoeken, om aan uw recht te voldoen, om ter plaatse te zien wat u hebt gedaan, om door het bezoek aan u zegen te ontvangen en om te vragen dat u bij Allâhu ta’âlâ onze voorspreker bent. Want onze fouten hebben onze rug gekromd. Onze zonden drukken zwaar op onze schouders. Yâ Rasûlallah! U bent zowel degene die voorspraak doet als degene wiens voorspraak wordt aanvaard. De Maqâm Mahmûd is u beloofd. En ook Allâhu ta’âlâ zegt in de Qur’ân al-karîm (in het vierenzestigste edele vers van soera an-Nisâ, in betekenis): ’Wij hebben iedere profeet alleen gezonden opdat hij met de toestemming van Allâhu ta’âlâ gehoorzaamd zou worden (door het volk tot wie hij werd gezonden). Als zij, nadat zij zichzelf onrecht hadden aangedaan (zichzelf schade hadden berokkend), naar jou waren gekomen en Allâhu ta’âlâ om vergeving hadden gevraagd, en als Mijn Rasûl ook voor hen om vergeving had gevraagd, dan zouden zij Allâhu ta’âlâ zeker Berouwaanvaardend en Barmhartig hebben gevonden.’ Wij zijn in uw tegenwoordigheid gekomen. Maar wij hebben onszelf onrecht aangedaan. Wij vragen om vergeving van onze zonden. Yâ Rasûlallah! Doe bij Allâhu ta’âlâ voorspraak voor ons. Yâ Rasûlallah! Vraag Allâhu ta’âlâ dat Hij onze ziel neemt terwijl wij uw sunna volgen, dat Hij ons morgen, op de Dag des Oordeels, rekent tot hen die met u naar de plaats van de Verzameling komen, en dat Hij ons vergunt bij uw bassin (hawd) te komen en daaruit te drinken. Yâ Rasûlallah! Wij vragen om uw voorspraak.” Zo moet men de smeekbede doen. Daarna moet men het tiende edele vers van soera al-Hashr reciteren, met de betekenis: “… O onze Heer! Vergeef ons en onze broeders die ons in het geloof zijn voorgegaan! Laat in onze harten geen wrok achter jegens hen die geloven! O onze Heer! Voorwaar, U bent vol tederheid en barmhartigheid!”

Daarna moet men de groet overbrengen van hen die hun groet hebben meegegeven, en zeggen: “As-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah! Die en die vraagt dat u bij Allâhu ta’âlâ zijn voorspreker bent. Doe voorspraak voor hem en voor alle moslims,” en zoveel salawât uitspreken als men wil.

Daarna moet men een halve meter naar rechts gaan, ter hoogte van het gezegende hoofd van Abû Bakr as-Siddîq, en deze smeekbede doen: “As-salâmu ’alayka yâ khalîfata Rasûlillah! As-salâmu ’alayka yâ rafîqahû fil-ghâr! As-salâmu ’alayka yâ amînahû ’alal-asrâr! Moge Allâhu ta’âlâ u, als imam van deze umma, de hoogste beloning en vergelding schenken. U bent voor Rasûlullah de beste opvolger (kalief) geweest. U hebt zijn verheven sunna op de beste wijze gevolgd. U hebt gestreden tegen de afvalligen (hen die van de religie afvielen) en tegen hen die van de rechte weg waren afgeweken. U hebt altijd de waarheid gesproken. Tot uw overlijden bent u de helper geweest van hen die op de weg van de waarheid zijn. Moge de groet, de barmhartigheid en de zegen van Allâhu ta’âlâ over u zijn! O Allah! Neem door Uw barmhartigheid onze ziel terwijl wij hem liefhebben. Laat ons bezoek aan hem niet vergeefs zijn!”

“Wat tussen mijn graf en mijn minbar ligt, is een tuin van de tuinen van het Paradijs. Mijn minbar staat op mijn bassin (hawd)” Hadîth sharîf

Daarna moet men weer een halve meter naar rechts gaan, ter hoogte van het graf van ’Umar, en zeggen: “As-salâmu ’alayka yâ Amîral-mu’minîn! As-salâmu ’alayka yâ Muzhiral-Islâm! As-salâmu ’alayka yâ Muksiral-asnâm! Moge Allâhu ta’âlâ u de hoogste vergelding en beloning geven. Zowel tijdens uw leven als bij uw dood hebt u de islam en de moslims geholpen. U hebt zich over de wezen ontfermd. U hebt de verwanten goed gedaan. U bent voor de moslims een gids geweest met wie zij tevreden waren, die zelf de rechte leiding volgde en de mensen naar de rechte weg leidde. U hebt hun zaken geordend en samengebracht. U hebt hun armen rijk gemaakt en hun wonden verbonden. Moge de groet, de barmhartigheid en de zegen van Allâhu ta’âlâ over u zijn!”

Daarna moet men zich tot Abû Bakr en ’Umar richten en zeggen: “As-salâmu ’alaykumâ yâ dajî’ay Rasûlillâhi wa rafîqayhi wa wazîrayhi wa mushîrayhi wal-mu’âwinayni lahû ’alal-qiyâmi fid-dîni wal-qâ’imayni ba’dahû bi-masâlihil-muslimîn! Moge Allâhu ta’âlâ u beiden de mooiste vergelding geven. Wij nemen u beiden bij Rasûlullah als middel (wasîla), opdat u Allâhu ta’âlâ vraagt dat Rasûlullah voorspraak voor ons doet, dat Hij onze inspanning aanvaardt, dat Hij ons in de religie van de islam laat sterven en ons ook in de religie van de islam laat herrijzen, en dat Hij ons op de Dag des Oordeels verzamelt onder hen die dicht bij Rasûlullah zijn.”

Daarna moet men een smeekbede doen voor zichzelf, voor zijn ouders, voor hen die om een smeekbede hebben gevraagd en voor alle moslims. Hierna gaat men tegenover het gezegende gezicht van onze Meester Rasûlullah staan en doet deze smeekbede: “O Allah! U zegt (in betekenis): ’Wij hebben iedere profeet alleen gezonden opdat hij met de toestemming van Allâhu ta’âlâ gehoorzaamd zou worden (door het volk tot wie hij werd gezonden). Als zij, nadat zij zichzelf onrecht hadden aangedaan (zichzelf schade hadden berokkend), naar jou waren gekomen en Allâhu ta’âlâ om vergeving hadden gevraagd, en als Mijn Rasûl ook voor hen om vergeving had gevraagd, dan zouden zij Allâhu ta’âlâ zeker Berouwaanvaardend en Barmhartig hebben gevonden.’12 O mijn Heer! Gehoor gevend aan Uw verheven woord en gehoorzaam aan Uw bevel vragen wij dat Uw geliefde Profeet in Uw tegenwoordigheid voorspraak voor ons doet.” Daarna reciteert men (in betekenis) de smeekbede die men eerder heeft gereciteerd, dat wil zeggen het tiende edele vers van soera al-Hashr:

“… O onze Heer! Vergeef ons en onze broeders die ons in het geloof zijn voorgegaan! Laat in onze harten geen wrok achter jegens hen die geloven! O onze Heer! Voorwaar, U bent vol tederheid en barmhartigheid!” Daarna voltooit men, door de edele verzen “Rabbanaghfir lanâ wa li-âbâ’inâ wa li-ummahâtinâ wa li-ikhwâninal-ladhîna sabaqûnâ bil-îmân”, “Rabbanâ âtinâ…” en “Subhâna rabbika…” te reciteren, het bezoek aan de Hujra-i Sa’âdat. Daarna gaat men naar de Rawda-i Mutahhara, die tussen het graf van Rasûlullah en zijn minbar ligt. Het is een vierkante plaats. Daar verricht men zoveel gebeden als men wil. Men doet smeekbeden. Men reciteert tasbîhs. Men looft en prijst Allâhu ta’âlâ. Daarna gaat men naar de minbar. Met het voornemen dat de zegen van Rasûlullah hem bereikt, legt men zijn hand op de plaats waarop onze Meester de Profeet zijn gezegende hand legde wanneer hij de khutba hield. Daar verricht men een gebed van twee rak’a’s. Men vraagt Allâhu ta’âlâ wat men wenst. Men zoekt tegen de toorn van Allâhu ta’âlâ toevlucht bij Zijn barmhartigheid. Daarna gaat men naar de zuil die is geplaatst waar vroeger de zuil Hannâna stond. De Hannâna is de zuil die kreunde omdat onze Meester Rasûlullah haar verliet toen hij naar de minbar ging om de khutba te houden, en die tot rust kwam toen Rasûlullah afdaalde en haar omarmde. Daarna gaat men naar de zuil waaraan Abû Lubâba zich had vastgebonden en berouw had getoond. Daar verricht men een gebed van twee rak’a’s en vraagt men Allâhu ta’âlâ om berouw en vergeving. Men doet de smeekbeden die men wenst.

Zolang men daar verblijft, moet men zijn nachten doorbrengen met het reciteren van de Qur’ân al-karîm, met de dhikr van Allâhu ta’âlâ, met het doen van smeekbeden, in stilte en hardop, bij de minbar en bij het graf, en met het onderhouden van de râbita. Na het bezoek aan onze Meester Rasûlullah is het mustahabb naar de begraafplaats Baqî’ te gaan en ook die te bezoeken. Daarna moet men de andere graven bezoeken, vooral het graf van Hamza, de Sayyid ash-Shuhadâ (de meester van de martelaren). Ook in Baqî’ moet men ‘Abbâs bezoeken en hen die daar liggen: Hasan ibn ‘Alî, Zayn al-‘Âbidîn, zijn zoon Muhammad Bâqir en diens zoon Ja’far Sâdiq, de Emir der gelovigen ‘Uthmân, Ibrâhîm, de zoon van onze Meester Rasûlullah, de reine echtgenotes van onze Meester Rasûlullah die daar liggen, zijn tante Safiyya en nog vele andere groten van de Metgezellen en de Tâbi’în (radiyallâhu ‘anhum ajma’în). Men moet het gebed verrichten in de Moskee van Fâtima in Baqî’. Op donderdag is het mustahabb de martelaren van Uhud te bezoeken. Daar moet men zeggen: “Salâmun ’alaykum bimâ sabartum. Fani’ma ’uqbad-dâr. Salâmun ’alaykum yâ ahla dâril-qawmil-mu’minîn, wa innâ inshâ’allâhu ’an qarîbin bikum lâhiqûn.” Daarna moet men de Âyat al-Kursî en soera al-Ikhlâs reciteren. Zij die de Hujra-i Sa’âdat bezoeken, moeten zeer waakzaam zijn. In hun hart mogen geen wereldse gedachten zijn. Zij moeten denken aan de gezegende nûr van Muhammad ’alayhis-salâm en aan de hoogte van zijn rang. Smeekbeden die gedaan worden met gedachten aan wereldse zaken, aan voordeel halen uit ontmoetingen met hooggeplaatste mensen en aan handel, aanvaardt Allâhu ta’âlâ niet, en zij die ze doen, bereiken hun wensen niet. Het bezoek aan de Hujra-i Sa’âdat is een eervolle daad van aanbidding. Men vreest dat zij die hierin niet geloven, buiten de islam raken. Want zij hebben zich verzet tegen Allâhu ta’âlâ, tegen Zijn Rasûl en tegen alle moslims. Hoewel enkelen van de mâlikitische geleerden hebben gezegd dat het bezoek aan onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wâjib is, is eensgezind bekendgemaakt dat het mustahabb is.

“O onze Heer! Vergeef ons en onze broeders die ons in het geloof zijn voorgegaan! Laat in onze harten geen wrok achter jegens hen die geloven! O onze Heer! Voorwaar, U bent vol tederheid en barmhartigheid!” Hashr: 10

AS-SUBHU BADÂ
As-subhu badâ min tal’atihî.
Wal-laylu dajâ min wafratihî.
Fâqar-rusulâ fadlan wa ’ulâ.
Ahdas-subulâ li-dalâlatihî.
De morgen ontleende zijn licht aan zijn gelaat.
En de nacht ontleende zijn duisternis aan zijn zwarte haar.
Door zijn voortreffelijkheid en verhevenheid overtrof hij alle rasûls.
Wie de rechte leiding vonden, vonden hun weg door zijn wegwijzing.
Kanzul-karami mawlan-ni’ami.
Hâdil-umami li-sharî’atihî.
Azkan-nasabi a’lal-hasabi.
Kullul-’arabi fî khidmatihî.
Hij was de schatkamer van de vrijgevigheid, en hij schonk uit die schatkamer.
Hij bracht de volken tot zijn religie en tot de rechte leiding.
Zijn afstamming is zeer rein, zijn eer is zeer verheven.
Alle Arabieren staan in zijn dienst.
Sa’atish-shajaru nataqal-hajaru.
Shuqqal-qamaru bi-ishâratihî.
Jibrîlu atâ laylata asrâ.
War-Rabbu da’â li-hadratihî.
De bomen snelden naar zijn tegenwoordigheid, de stenen kregen een stem en spraken.
Op zijn (wonderbaarlijke) teken spleet de maan in tweeën.
In de nacht van de Isrâ kwam Jibrîl (’alayhis-salâm) naar hem toe.
En zijn Heer nodigde hem uit in Zijn tegenwoordigheid.
Nâlash-sharafâ wallâhu ’afâ.
’Ammâ salafâ min ummatihî.
Fa-Muhammadunâ huwa sayyidunâ.
Fal-’izzu lanâ bi-ijâbatihî.
Hij bereikte de hoogste rangen.
En Allah (jalla jalâluh) vergaf ook zijn umma.
Onze Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam) – hij is onze Meester.
Omdat wij hem hebben aanvaard, is de eer aan ons.
’Abdullah ibn Rawâha (radiyallâhu ’anh)