Mijn Geliefde Profeet

TAWASSUL MET ONZE MEESTER DE PROFEET

Met onze Meester de Profeet is altijd tawassul1 gedaan – voordat hij geschapen was, nadat hij geschapen was, tijdens zijn leven in de wereld en na zijn overlijden in de wereld van het barzakh (het graf) –, en dat zal ook gebeuren op de Dag des Oordeels, na de opstanding, op de vlakte van ‘Arasât, en in het Paradijs. Wasîla is al wat Allâhu ta’âlâ tot oorzaak heeft gemaakt van nabijheid tot Hem en van het vervullen van noden. Tawassul met Rasûl-i akram, dat wil zeggen onze Meester Rasûlullah bij Allâhu ta’âlâ als middel (wasîla) nemen en om zijn hulp en zijn voorspraak vragen, is toegestaan. Dit behoort tot de dingen die de Salaf-i sâlihîn (de Metgezellen, de Tâbi’în en de Taba’ at-Tâbi’în), de geleerden en de andere moslims hebben gedaan. Geen enkele moslim heeft het verkeerd gevonden. Tot nu toe is niemand gevonden die dit niet aanvaardde, behalve de mensen met een verdorven geloofsovertuiging. De vader van de mensen, Âdam ’alayhis-salâm, nam onze Meester de Profeet als middel toen hij naar de aarde werd gezonden. Onze geliefde Profeet heeft dit in een hadîth sharîf als volgt verteld: “Toen Âdam (’alayhis-salâm) vanwege zijn misstap uit het Paradijs was verdreven, zei hij: ‘O mijn Heer! Vergeef mij omwille van Muhammad.’ Allâhu ta’âlâ zei: ‘O Âdam! Hoe ken jij Muhammad, terwijl Ik hem nog niet geschapen heb?’ Âdam (’alayhis-salâm) zei: ‘O mijn Heer! Toen U mij schiep en mij de ziel gaf, opende ik mijn ogen, keek en zag aan de rand van de ‘Arsh geschreven: “Lâ ilâha illallâh, Muhammadun Rasûlullah”. Hij wiens naam U samen met Uw naam liefhebt, is hij.’ Allâhu ta’âlâ zei: ‘Je hebt de waarheid gesproken, o Âdam! Van Mijn schepselen is hij degene die Ik het meest liefheb. Omdat je omwille van hem om vergeving hebt gevraagd, heb Ik je vergeven.’”2 Volgens een overlevering zei Hij: “Hij is een profeet die uit jouw nageslacht zal voortkomen. Als Ik hem niet had geschapen, had Ik jou en je kinderen niet geschapen. Omdat je hem als voorspreker hebt voorgedragen, heb Ik je vergeven en kwijtgescholden.”3

Hierover zijn er duizenden voorbeelden. Enkele daarvan volgen hieronder. Een man die aan beide ogen blind was, vroeg onze Meester Rasûlullah om een smeekbede opdat zijn ogen geopend zouden worden. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Als je wilt, doe ik een smeekbede. Maar als je geduld hebt en het verdraagt, is dat beter voor je.” De man zei: “Ik heb geen kracht meer om geduld te hebben. Ik vraag u dringend een smeekbede te doen.” Daarop zei hij tegen hem: “Verricht dan de wudû en reciteer deze smeekbede!”

“Allâhumma innî as’aluka wa atawajjahu ilayka bi-Nabiyyika Muhammadin Nabiyyir-rahma. Yâ Muhammad! Innî atawajjahu bika ilâ Rabbî fî hâjatî hâdhihî, li-tuqdâ lî. Allâhumma shaffi’hu fiyya.”

Imâm Nasâ’î, een van de geleerden van de hadîth, deelt mee dat Allâhu ta’âlâ, toen die man deze smeekbede reciteerde, haar aanvaardde en dat zijn ogen werden geopend. Over het nemen van onze Meester Rasûlullah als middel vertelt ’Uthmân ibn Hunayf het volgende voorval: “Toen ‘Uthmân ibn ‘Affân kalief was, klaagde een man die in grote nood verkeerde, mij zijn leed, omdat hij zich schaamde om voor de kalief te verschijnen. Ik zei tegen hem: ‘Verricht meteen de wudû! Ga naar de Masjid-i Sa’âdat! Doe de hierboven vermelde smeekbede en zeg wat je wenst.’ Nadat de arme man de smeekbede had gedaan, ging hij naar de plaats waar de kalief was, en hij werd bij hem toegelaten. De kalief liet hem op zijn eigen gebedskleed plaatsnemen, hoorde zijn nood aan en willigde zijn verzoek in. Toen de arme man zag dat zijn zaak ineens was geregeld, kwam hij verheugd naar mij toe en zei: ‘Moge Allâhu ta’âlâ tevreden zijn met jou! Als jij niet met de kalief had gesproken, was ik niet uit mijn nood verlost.’ Hij dacht dat ik met de kalief had gesproken.”

“(O Âdam!) Hij is een profeet die uit jouw nageslacht zal voortkomen. Als Ik hem niet had geschapen, had Ik jou en je kinderen niet geschapen. Omdat je hem als voorspreker hebt voorgedragen, heb Ik je vergeven en kwijtgescholden” Hadîth qudsî

Toen ’Umar kalief was, heerste er eens een hongersnood. Bilâl ibn Hârith, een van de Metgezellen, ging naar de graftombe van Rasûlullah en zei: “Yâ Rasûlallah! Uw umma staat op het punt van honger om te komen. Ik smeek u een middel te zijn opdat het regent.” Die nacht verscheen onze Meester Rasûlullah hem in een droom en zei: “Ga naar de kalief! Breng hem mijn groet over! Laat hij uittrekken voor de smeekbede om regen!” Toen ’Umar uittrok voor de smeekbede om regen, begon het te regenen. Allâhu ta’âlâ aanvaardt smeekbeden omwille van hen die Hij liefheeft. Allâhu ta’âlâ heeft bekendgemaakt dat Hij Muhammad ’alayhis-salâm zeer liefheeft. Daarom wordt, als iemand een smeekbede doet met de woorden “Allâhumma innî as’aluka bi-jâhi Nabiyyikal-Mustafâ”, zijn smeekbede niet afgewezen. Toch past het niet bij de eerbied Rasûlullah als middel te nemen voor kleine wereldse zaken. Burhânuddîn Ibrâhîm Mâlikî zei: “Een arme man die zeer hongerig was, ging naar de Hujra-i Sa’âdat en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Ik heb honger.’ Kort daarna kwam iemand, nam de arme man mee naar zijn huis en stilde zijn honger. Toen de arme man zei dat zijn smeekbede was aanvaard, zei de ander: ‘Mijn broeder! Je hebt vrouw en kinderen achtergelaten en bent over verre wegen, met moeite en ontbering, gekomen om Rasûlullah te bezoeken. Past het voor een stuk brood in de tegenwoordigheid van Rasûlullah te verschijnen? In die verheven tegenwoordigheid had je het Paradijs en de eeuwige gunsten moeten vragen! Wat hier gevraagd wordt, wijst Allâhu ta’âlâ niet af.’ Wie de eer heeft Rasûlullah te bezoeken, moet een smeekbede doen opdat hij op de Dag des Oordeels voorspraak voor hem doet.” Op een dag zat Imâm Abû Bakr Muqrî met Imâm Tabarânî en Abu’sh-Shaykh in de Masjid-i Sa’âdat. Omdat zij sinds enkele dagen niets hadden gegeten, hadden zij zeer veel honger. Imâm Abû Bakr hield het niet langer uit en zei: “Ik heb honger, yâ Rasûlallah!”, en trok zich daarna in een hoek terug. Een man van de sayyids kwam met twee dienaren en zei: “Mijn broeders! Jullie hebben mijn grootvader Rasûlullah om hulp gevraagd tegen de honger. Hij heeft mij bevolen jullie te verzadigen.” Zij aten samen wat hij had meegebracht. Wat overbleef, liet hij bij hen achter en vertrok. Een van de geleerden van de islam, Abû ’Abdullah ibn Nu’mân Marrâkushî Tilimsânî (683 / 1284 n.Chr.), beschrijft in zijn kostbare boek “Misbâh az-Zalâm” uitvoerig honderden moslims die hun wensen vervuld zagen doordat zij onze Meester Rasûlullah als middel namen, en de smeekbeden die zij deden. Een van hen die hun wensen vervuld zagen doordat zij Rasûlullah als middel namen, is Muhammad ibn Munkadir. Hij vertelt: “Een man had tachtig goudstukken bij mijn vader achtergelaten en was ten strijde getrokken (jihâd). Hij had gezegd: ‘Bewaar deze! Je mag er ook iemand mee helpen die in grote nood is.’ In Medina brak een hongersnood uit. Mijn vader verdeelde alle goudstukken onder hen die door de honger werden gekweld. De eigenaar van de goudstukken kwam en vroeg ze terug. Mijn vader zei: ‘Kom over een nacht terug.’ Hij ging naar de Hujra-i Sa’âdat en smeekte Rasûlullah tot de morgen. Om middernacht kwam er een man en zei: ‘Steek je hand uit!’ Hij gaf hem een buidel met goud en verdween daarna. Toen mijn vader thuis de goudstukken telde en zag dat het er tachtig waren, verheugde hij zich en gaf ze meteen aan de eigenaar.”

Abû ’Abdullah Tilimsânî vertelt in dit boek ook een voorval dat hem zelf overkwam:

“In het jaar 637 (1239 n.Chr.) vertrokken wij met een uitgelezen gezelschap uit de vesting Sadr. Bij ons was iemand die ons als gids diende. Na een tijd onderweg te zijn geweest, raakte ons water op. Wij begonnen water te zoeken. Ik ging intussen weg om mijn behoefte te doen. Op dat ogenblik overviel mij een geweldige slaap. ‘Als zij vertrekken, maken zij mij toch wel wakker,’ zei ik bij mezelf, en legde mijn hoofd op de grond.

Toen ik wakker werd, bevond ik mij moederziel alleen midden in de woestijn. Mijn reisgenoten waren mij vergeten en vertrokken. In die eenzaamheid werd ik door grote angst bevangen. Ik begon in de woestijn naar rechts en naar links te lopen. Ik wist niet waar ik was en waarheen ik moest gaan. Overal was vlak zand. Kort daarna werd het donker. Van de karavaan waarmee wij reisden, was zelfs geen spoor. Ik was helemaal alleen in de duisternis van de nacht. Mijn angst werd nog heviger. In mijn ontsteltenis begon ik sneller te lopen. Na een tijd gelopen te hebben, viel ik, zeer dorstig, moe en uitgeput, op de grond. Ik had alle hoop op mijn leven opgegeven en begon te voelen dat mijn dood naderde. Ik verkeerde in een onbeschrijflijke pijn; mijn kwelling en mijn leed hadden het uiterste bereikt. Plotseling schoot mij iets te binnen. In de duisternis van de nacht verzamelde ik al mijn kracht en kreunde ik oprecht en met heel mijn hart nog één laatste keer: ‘Yâ Rasûlallah! Help! Ik vraag u mij te helpen, met de toestemming van Allâhu ta’âlâ!’ Nauwelijks had ik mijn woorden uitgesproken, of ik hoorde iemand mij roepen. Toen ik keek naar de kant vanwaar de stem kwam, zag ik in de duisternis van de nacht iemand die mij riep, die rondom zich licht verspreidde en in hagelwitte kleren gekleed was, iemand zoals ik nog nooit had gezien. Hij kwam naar mij toe en nam mijn hand. Op dat ogenblik verdwenen al mijn vermoeidheid en mijn dorst. Het was alsof ik opnieuw geboren was. Mijn hart ging plotseling naar hem uit. Wij liepen een tijd hand in hand. Ik voelde dat ik een van de zoetste ogenblikken van mijn leven beleefde. Toen wij een zandheuvel over waren, zag ik de lichten van de karavaan waarmee ik reisde en hoorde ik de stemmen van mijn reisgenoten. Wij naderden hen. Het dier waarop ik reed, volgde hen als laatste. Plotseling kwam het en bleef het vóór mij staan. Toen ik mijn rijdier vóór mij zag, slaakte ik vreugdekreten. Toen ik riep, trok degene die met mij was gekomen, zijn hand uit de mijne. Daarna nam hij mij bij de hand en zette mij op mijn rijdier. Toen zei hij: ‘Wie ons iets vraagt en om onze hulp verzoekt, sturen wij niet met lege handen weg,’ keerde zich om en ging heen. Toen begreep ik dat hij onze Meester Rasûlullah was. Terwijl hij wegging, zag men de lichten die hij om zich heen verspreidde in de duisternis van de nacht naar de hemel opstijgen. Toen hij uit het zicht verdween, kwam ik plotseling tot mezelf. ‘Hoe heb ik de handen en voeten van onze Meester Rasûlullah niet kunnen kussen!’ jammerde ik, maar het was te laat, de gelegenheid was voorbij.” Abu’l-Khayr Aqta’ had in Medina vijf dagen honger geleden. Hij ging naar de Hujra-i Sa’âdat en groette Rasûlullah. Hij zei dat hij honger had. Hij trok zich terug in een hoek en viel in slaap. In zijn droom zag hij dat Rasûlullah kwam. Aan zijn rechterkant was Abû Bakr as-Siddîq, aan zijn linkerkant ’Umar al-Fârûq en vóór hem ’Alî al-Murtadâ.

’Alî kwam en zei: “O Abu’l-Khayr! Sta op, waarom lig je hier? Rasûlullah komt!” Hij stond onmiddellijk op. Rasûlullah kwam en gaf hem een groot brood. Abu’l-Khayr zegt: “Omdat ik zeer veel honger had, begon ik meteen te eten. Toen de helft op was, werd ik wakker. De andere helft vond ik in mijn hand.”

“Wie door iets schade lijdt, laat hij een volmaakte wudû verrichten en een gebed van twee rak’a’s! Daarna laat hij zeggen: ‘O mijn Heer! Ik vraag het U. Ik smeek U, terwijl ik Uw Profeet Muhammad ‘alayhis-salâm, die barmhartigheid is voor de werelden, als middel neem. O Muhammad! Ik neem u als middel bij mijn Heer, opdat Hij mijn wens aanvaardt. O mijn Heer! Maak hem tot mijn voorspreker!’” Hadîth sharîf

Ook in het boek “Misbâh az-Zalâm” wordt verteld: Ahmad ibn Muhammad Sûfî zegt: “In de woestijnen van de Hijaz verloor ik alles wat ik had. Ik kwam naar Medina. Bij de Hujra-i Sa’âdat groette ik Rasûlullah. Ik ging in een hoek zitten en sliep in. Onze Meester Rasûlullah verscheen en zei: ‘Ben je gekomen, Ahmad? Open je handpalm!’ Hij vulde mijn handpalm met goud. Ik werd wakker. Mijn handen waren vol goud.” Ook Imâm Samhûdî vertelt in zijn boek, getiteld “Geschiedenis van Medina”, een voorval dat hem overkwam: “Ik had de sleutel van mijn deur laten vallen. Ik vond hem niet. Ik ging naar de Hujra-i Sa’âdat en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Ik heb mijn sleutel laten vallen. Ik kan mijn huis niet in!’ Op dat ogenblik kwam er een kind. Het liet de sleutel in zijn hand zien en zei: ‘Dit heb ik gevonden. Is hij misschien van u?’”

Kilisli Mustafa Işkî Efendi zegt in zijn geschiedenisboek “Mevârid-i Mecîdiyye”: “Ik heb twintig jaar in Mekka gewoond. Ik spaarde zestig goudstukken bij elkaar en kwam in het jaar 1247 van de Hijra (1831 n.Chr.) met vrouw en kinderen naar Medina. Onderweg raakte het geld op. Ik logeerde bij een kennis en ging naar de Hujra-i Sa’âdat. Ik vroeg Rasûlullah om hulp. Drie dagen later kwam er een heer naar het huis waar wij verbleven en zei dat hij een huis voor mij had gehuurd. Hij liet mijn spullen daarheen brengen. Hij betaalde de huur voor een jaar. Enkele maanden later lag ik een maand ziek. In huis bleef niets te eten en niets te verkopen over. Met de hulp van mijn vrouw wilde ik het dak op gaan om, met het gezicht naar de graftombe van Rasûlullah, mijn nood te vertellen en om hulp te vragen. Toen ik mijn handen ophief, schaamde ik mij om wereldse dingen te vragen. Ik kon niets zeggen. Ik ging naar mijn kamer terug. De volgende dag kwam iemand die zei dat een zekere heer mij deze goudstukken als geschenk zond. Ik nam de buidel aan. Hoewel ons levensonderhoud was verzekerd, kwam ik niet van mijn ziekte af. Met hulp ging ik naar de Hujra-i Sa’âdat en vroeg Rasûlullah om genezing. Ik verliet de moskee en liep zonder iemands hulp naar huis. Toen ik het huis binnenging, was er van mijn ziekte niets meer over. Om het boze oog af te weren, ging ik een paar dagen op een stok geleund de straat op. Maar het geld was op. Ik liet vrouw en kinderen in het donker achter en ging naar de Masjid an-Nabawî. Na het nachtgebed vertelde ik Rasûlullah mijn nood. Onderweg kwam iemand die ik niet kende naar mij toe en gaf mij een buidel in de hand. Daarin zaten negenenveertig goudstukken van elk negen kuruş. Ik kocht kaarsen en wat nodig was en ging naar huis.”

In het tweede deel van de vertaling van het boek “Şakâyık-i Nu’mâniyye” wordt gezegd: De grote geleerde van de islam Mawlânâ Shamsuddîn Muhammad ibn Hamza Fanârî, de eerste shaykh al-islâm van de Ottomaanse staat en de mujaddid van zijn tijd, kreeg staar en kon niet meer zien. Op een nacht zei onze Meester Rasûlullah tegen hem in een droom: “Maak een tafsîr van soera Tâ-Hâ!”, en hij zei: “Zoals ik niet de kracht heb om in uw verheven tegenwoordigheid een tafsîr van de Qur’ân al-karîm te maken, zo zien ook mijn ogen niet.” Onze Meester Rasûlullah, de arts van de profeten, haalde uit zijn gezegende khirqa een stukje katoen, maakte het nat met zijn gezegende speeksel en legde het op zijn ogen. Molla Fanârî werd wakker, vond het katoen op zijn ogen, nam het weg en begon te zien. Hij loofde en dankte Allâhu ta’âlâ. Hij bewaarde de draden van het katoen en liet als laatste wil na dat zij bij zijn dood op zijn ogen zouden worden gelegd. Toen hij in 834 (1431 n.Chr.) in Bursa overleed, voerden zij zijn laatste wil uit.

De abbasidische kalief Abû Ja’far Mansûr sprak in de Masjid an-Nabawî met Imâm Mâlik. Imâm Mâlik zei: “O Mansûr! Dit is de Masjid-i Sa’âdat! Spreek zacht! Haqq ta’âlâ heeft in soera al-Hujurât in betekenis gezegd: ‘Verhef jullie stemmen niet boven de stem van Rasûlullah!’4, en daarmee een groep mensen berispt. En met het edele vers ‘Zij die bij Rasûlullah hun stem dempen …’5 heeft Hij hen geprezen die zacht spreken. Eerbied tonen voor Rasûlullah na zijn overlijden is als eerbied tonen toen hij leefde.” Mansûr boog het hoofd en vroeg: “O Abû ’Abdullah! Moet men met het gezicht naar de qibla staan, of naar het Qabr-i Sa’âdat?” Imâm Mâlik zei: “Wend uw gezicht niet af van Rasûlullah! Die verheven Profeet (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam), de voorspreker van de Dag des Oordeels, zal op de Dag des Oordeels het middel zijn voor de redding van u en van uw vader Âdam ’alayhis-salâm. U moet zich naar het Qabr-i Sa’âdat keren en, u vastklampend aan de gezegende ziel van Rasûlullah, om voorspraak vragen! In het vierenzestigste edele vers van soera an-Nisâ werd in betekenis gezegd:

“Als zij die zichzelf onrecht hebben aangedaan (zichzelf schade hebben berokkend) naar jou komen en Allâhu ta’âlâ om vergeving vragen, en Mijn Rasûl ook voor hen om vergeving vraagt, dan zullen zij Allâhu ta’âlâ Berouwaanvaardend en Barmhartig vinden.” Dit edele vers belooft dat het berouw van hen die Rasûlullah als middel nemen, zal worden aanvaard.” Daarop stond Mansûr op van zijn plaats, ging voor de Hujra-i Sa’âdat staan en begon te smeken: “O mijn Heer! In dit edele vers hebt U beloofd het berouw te aanvaarden van hen die Uw Rasûl als middel nemen. Ook ik kom in de verheven tegenwoordigheid van Uw verheven Profeet en vraag U om vergeving. Vergeef ook mij, zoals de dienaren die U om vergeving vroegen toen hij leefde en die U vergaf! O mijn Heer! Ik smeek U, terwijl ik Uw verheven Profeet, de Nabiyy ar-Rahma (de Profeet van de barmhartigheid), als middel neem. O Muhammad ’alayhis-salâm, de verhevenste van de profeten! Door tawassul met u heb ik mijn Heer gesmeekt. O mijn Heer! Maak die verheven Profeet tot mijn voorspreker!” Zo stond hij, met zijn rug naar de qibla en zijn gezicht naar het venster van de Muwâjaha-i Sa’âdat, en deed hij zijn smeekbede. De Minbar-i Nabawî bevond zich aan zijn linkerkant. De raad die Imâm Mâlik aan kalief Mansûr gaf, toont aan dat zij die voor de Hujra-i Sa’âdat een smeekbede doen, zeer waakzaam moeten zijn. Er werd gezegd dat het niet juist is dat zij die niet de eerbied en het ontzag kunnen tonen die bij die plaats passen, lang in Madîna al-Munawwara verblijven. Een boer uit Anatolië had jarenlang in Madîna al-Munawwara gewoond, was er getrouwd en had een bepaalde dienst in de Hujra-i Sa’âdat gekregen. Op een dag kreeg hij een ziekte met koorts en had hij zin in ayran. Hij liet de gedachte door zijn hart gaan: “Als ik in mijn dorp was, liet ik van yoghurt ayran maken en dronk ik die.” Die nacht verscheen Rasûlullah in een droom aan de Shaykh al-Haram en beval dat het werk van die man aan een ander zou worden gegeven. Toen de Shaykh al-Haram zei: “Yâ Rasûlallah! Die dienst verricht die en die uit uw umma,” zei hij: “Zeg tegen die man dat hij naar zijn dorp gaat en ayran drinkt!..” Toen dit bevel de volgende dag werd meegedeeld, zei de boer: “Tot uw dienst!”, en vertrok naar zijn geboortestreek.

“Als zij die zichzelf onrecht hebben aangedaan naar jou komen en Allâhu ta’âlâ om vergeving vragen, en Mijn Rasûl ook voor hen om vergeving vraagt, dan zullen zij Allâhu ta’âlâ Berouwaanvaardend en Barmhartig vinden” Nisâ: 64

Als alleen al een gedachte die door het hart ging, zoveel schade aanrichtte, dan moet men hieruit begrijpen hoe groot de schade is – Allah behoede ons – van een ongepast woord, al is het maar als grap gezegd, of van een handeling die niet bij de eerbied past.

U bent het geloof in het hart van de gelovige die u liefheeft,
Verdriet kent hij nooit, u bent het geneesmiddel voor zijn pijn,
Hij wacht op uw voorspraak, u bent het gebod van zijn hart,
Wie op hulp hoopt, bereikt die zeker, yâ Rasûlallah.

Het belang en de voortreffelijkheid van het uitspreken van salawât sharîfa over onze Meester Rasûlullah

Salawât sharîfa over onze Meester de Profeet uitspreken wanneer zijn naam wordt genoemd, gehoord en geschreven, als uiting van eerbied en ontzag, behoort tot onze belangrijkste plichten. In de Qur’ân al-karîm, in het zesenvijftigste edele vers van soera al-Ahzâb, werd in betekenis gezegd:

“Voorwaar, Allâhu ta’âlâ en Zijn engelen spreken de salât uit over de Profeet (om zijn eer en zijn aanzien te verheffen). O jullie die geloven! Spreek ook jullie de salât en de salâm over hem uit en geef je met heel je hart aan hem over.”

De geleerden van de tafsîr hebben bekendgemaakt dat het woord “salât” dat in dit edele vers wordt genoemd, van de kant van Allâhu ta’âlâ barmhartigheid betekent, van de kant van de engelen het vragen om vergeving (istighfâr) en van de kant van de gelovigen smeekbede. Alle geleerden van de islam hebben eensgezind bekendgemaakt dat het fard is eenmaal in het leven salawât uit te spreken. Telkens wanneer men zijn naam zegt, hoort, leest of schrijft, is het wâjib ze eenmaal uit te spreken; wanneer de naam wordt herhaald, is het mustahabb.

Wie Allâhu ta’âlâ om iets vraagt, moet eerst Allâhu ta’âlâ loven en prijzen en daarna de salât over onze Meester Rasûlullah uitspreken. Zo’n smeekbede komt zeer in aanmerking om aanvaard te worden. Een smeekbede die tussen twee salâts wordt gedaan (aan het begin en aan het einde van de smeekbede), wordt niet afgewezen. Abû Talha vertelt: “Ik kwam in de tegenwoordigheid van Rasûlullah. Ik zag bij hem een vreugde en een blijdschap die ik nooit eerder bij hem had gezien. Toen ik naar de reden vroeg, zei hij: ’Hoe zou ik mij niet verheugen? Zojuist heeft Jibrîl (’alayhis-salâm) een blijde tijding gebracht: Allâhu ta’âlâ zegt: als iemand uit jouw umma één salawât over jou uitspreekt, spreekt Allâhu ta’âlâ in ruil daarvoor tien salawât over hem uit.’”6

Enkele van de hadîths sharîf hierover zijn de volgende:

“Moge de neus in het stof worden gewreven van hem in wiens bijzijn mijn naam wordt genoemd en die de salât en de groet niet over mij uitspreekt. Moge ook de neus in het stof worden gewreven van hem voor wie de maand Ramadân begint en eindigt zonder dat hij zich zijn zonden heeft laten vergeven. Moge ook de neus in het stof worden gewreven van hem die de ouderdom van zijn vader en moeder meemaakt en niet, door hun tevredenheid te verwerven, het Paradijs kan binnengaan.”

“Hij in wiens bijzijn mijn naam wordt genoemd en die de salât en de groet niet over mij uitspreekt, is de gierigste van de gierigaards.” Abû Humayd Sâ’idî deelt mee: “Enkelen van de Metgezellen vroegen onze Meester Rasûlullah: ‘Yâ Rasûlallah! Hoe moeten wij de salât en de groet over u uitspreken?’ Onze Meester Rasûlullah zei: ‘Zeg: Allâhumma salli ‘alâ Muhammadin wa azwâjihî wa dhurriyyatihî kamâ sallayta ‘alâ Ibrâhîma wa bârik ‘alâ Muhammadin wa azwâjihî wa dhurriyyatihî kamâ bârakta ‘alâ Ibrâhîma innaka Hamîdun Majîd.’”7

Enkele salawât sharîfa luiden als volgt:

“’Alayhis-salâm”.

“Sallallâhu ’alayhi wa sallam”.

“’Alayhis-salâtu was-salâmu wat-tahiyya”.

“Allâhumma salli ’alâ sayyidinâ Muhammad”.

“Allâhumma salli ’alâ Muhammadin wa ’alâ âlihî wa sahbihî ajma’în”.

“’Alayhi wa ’alâ jamî’i minas-salawâti atammuhâ wa minat-tahiyyâti aymanuhâ”.

“Allâhumma salli ’alâ Muhammadin wa ’alâ âli Muhammad, kamâ sallayta ’alâ Ibrâhîma wa ’alâ âli Ibrâhîm…”

Iemand vertelde: Een van mijn vrienden had in een brief die hij mij stuurde, op iedere plaats waar de gezegende naam van Rasûlullah voorkwam, “sallallâhu ’alayhi wa sallam taslîman kathîran kathîrâ” geschreven. Toen ik hem zag en naar de reden vroeg, zei hij: “In mijn jeugd schreef ik boeken van hadîth. Telkens wanneer ik de gezegende naam van Rasûlullah schreef, schreef ik de salawât er niet bij. In een droom zag ik de Meester der werelden en ging naar hem toe. Hij wendde zijn gezegende gezicht van mij af. Ik ging naar zijn andere kant; weer wendde hij het af. Ik ging recht voor hem staan en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Waarom wendt u uw gezicht van mij af?’ Hij zei: ‘Omdat jij, wanneer je in je boek mijn naam schreef, de salât over mij niet uitsprak!’ Sindsdien schrijf ik zijn gezegende naam altijd samen met de salât.”

In de hadîths sharîf werd gezegd:

“Wie eenmaal de salât over mij uitspreekt, over hem spreekt Allâhu ta’âlâ tienmaal de salât (barmhartigheid) uit, vergeeft hem tien zonden en verheft zijn rang tienvoudig.”

“Wie op de Dag des Oordeels het dichtst bij mij is en het meest mijn voorspraak verdient, is hij die het meest de salât en de groet over mij uitspreekt.” Haqq ta’âlâ zei tegen Mûsâ: “O Mûsâ, wil je dat Ik dichter bij je tong ben dan je woord, dichter bij je hart dan je gedachte, dichter bij je lichaam dan je ziel, dichter bij je oog dan zijn licht?” Toen hij zei: “Ja, o mijn Heer!”, zei Allâhu ta’âlâ: “Spreek dan veel salawât uit over Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam).” Daarna zei Hij: “O Mûsâ, wil je op de Dag des Oordeels geen dorst lijden?” Toen hij zei: “Ja, o mijn Heer!”, zei Allâhu ta’âlâ: “Spreek dan veel salawât uit over Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam).”8

Onze Meester de Profeet zei:

“Wie van jullie op de Dag des Oordeels op iedere plaats het dichtst bij mij is, is hij die in de wereld de meeste salawât over mij uitspreekt. Wie op de vrijdag en in de nacht van vrijdag honderd salawât over mij uitspreekt, van hem vervult Allâhu ta’âlâ honderd noden: zeventig voor het hiernamaals en dertig voor deze wereld. Daarna laat Allâhu ta’âlâ deze salâts door een engel naar mijn graf brengen. Zij zijn als een geschenk dat bij jullie aankomt. Die engel deelt mij de naam, de afstamming en de stam mee van wie ze zond. Hij schrijft hem in op een wit blad dat bij mij is. Mijn weten na mijn dood is zoals mijn weten tijdens mijn leven.”9

“Wie eenmaal de salât over mij uitspreekt, over hem spreekt Allâhu ta’âlâ tienmaal de salât (barmhartigheid) uit, vergeeft hem tien zonden en verheft zijn rang tienvoudig” Hadîth sharîf

“Wanneer het donderdag wordt, zendt Allâhu ta’âlâ engelen die zilveren schriften en gouden pennen bij zich hebben. Zij schrijven op wie op donderdag en in de nacht van donderdag op vrijdag veel salât uitspreken voor de Profeet.” “Wanneer twee moslims elkaar ontmoeten, elkaar de hand geven (musâfaha) en salawât uitspreken voor de Profeet, worden hun vroegere en latere zonden vergeven voordat zij uit elkaar gaan.” “Wanneer een van jullie de moskee binnengaat, laat hij dan de Profeet groeten en zeggen: ‘O mijn Heer, bescherm mij tegen de shaytân!’”10

In een overlevering staat: “Wanneer hij de moskee verlaat, laat hij dan zeggen: ‘Allâhumma innî as’aluka min fadlik.’”

Wanneer een smeekbede niet begint met lof (hamd) aan Allâhu ta’âlâ en salawât voor Rasûlullah, blijft zij achter een sluier. Een smeekbede die met lof en salawât begint, wordt aanvaard. Zolang er geen salawât wordt uitgesproken voor Rasûlullah en zijn familie (Âl), hangt er een sluier tussen de smeekbede en de hemel. Wanneer men de salawât uitspreekt, scheurt die sluier en stijgt de smeekbede op naar de hemel. Spreekt men ze niet uit, dan keert de smeekbede terug.

Wanneer in een bijeenkomst niet aan Allâhu ta’âlâ wordt gedacht en er geen salât voor Rasûlullah wordt uitgesproken, hangt er een zweep boven de aanwezigen: als Hij wil, bestraft Hij hen, en als Hij wil, vergeeft Hij hun.

“Wiens oor suist, laat hij aan mij denken en de salât voor mij uitspreken.”

“Wie het voornemen heeft iets te ondernemen, laat hij daarover overleg plegen. Allâhu ta’âlâ schenkt hem dan in die zaak het juiste inzicht (rushd). Wanneer iemand iets wil zeggen en het vergeet, laat hij dan de salât voor mij uitspreken. Want in zijn salât voor mij ligt een vervanging voor zijn woord. Het is te hopen dat hij het zich dan herinnert.”11

“In een goede zaak die niet begonnen wordt met de naam van Allah en met de salât voor mij, ligt geen goed; al haar zegen is eraan ontnomen.”12 Toen Abû Hafs Kâghidî, een van de groten van de islam, was overleden, zag iemand hem in een droom en vroeg hem: “Hoe heeft Allâhu ta’âlâ jou behandeld?” Hij antwoordde: “Hij heeft Zich over mij ontfermd, mij vergeven en mij in het Paradijs geplaatst.” Toen de ander vroeg: “Om welke reden?”, antwoordde hij: “Ik werd te midden van de engelen vastgehouden. Zij rekenden mijn zonden en mijn salawât voor Rasûlullah tegen elkaar af en vonden dat mijn salawât talrijker waren. Daarop zei Allâhu ta’âlâ tegen hen: ‘O Mijn engelen! Jullie werk is klaar. Vraag hem geen andere rekenschap. Breng hem naar Mijn Paradijs!’”

Iemand van de salaf vertelt: “Een vriend van mij met wie ik samen hadîth had geleerd, overleed. Ik zag hem in een droom, gekleed in groene paradijsgewaden. Toen ik hem naar de reden vroeg, zei hij: ‘Bij iedere hadîth die ik zag, schreef ik naast de naam van Rasûlullah sallallâhu ‘alayhi wa sallam. Haqq ta’âlâ heeft mij daarvoor op deze wijze beloond.’”

Weer iemand anders van de salaf vertelt: “Een buurman van mij die schrijver was, overleed. Ik zag hem in een droom en vroeg hem hoe Allâhu ta’âlâ hem had behandeld. Hij zei dat Allâhu ta’âlâ hem had vergeven. Toen ik hem naar de reden vroeg, antwoordde hij: ‘Omdat ik, telkens wanneer ik de naam van Rasûlullah schreef, er de woorden sallallâhu ‘alayhi wa sallam bij schreef.’” Abû Sulaymân Dârânî vertelt: “Wanneer ik hadîths opschreef en zijn eervolle naam schreef, schreef ik er telkens sallallâhu ’alayh bij, maar de woorden wa sallam schreef ik niet. Ik zag hem in een droom en hij zei tegen mij: ‘O Abû Sulaymân! Wanneer je in een hadîth mijn naam schrijft, schrijf dan samen met de salât ook wa sallam. Dat zijn vier letters. Voor iedere letter zijn er tien beloningen. Als je ze niet schrijft, laat je veertig beloningen liggen.’”

Iemand anders had dezelfde gewoonte. Rasûlullah zei tegen hem in een droom: “Wat is er met jou, dat je de salât voor mij niet volledig opschrijft?”

Abû Bakr as-Siddîq zei: “Wie bang is iets te vergeten, laat hij veel salawât uitspreken voor Rasûlullah.”

Muhammad ibn Sa’îd ibn Mutarrif, een van de groten onder de vromen, vertelt: “Iedere nacht sprak ik, voordat ik ging slapen, een bepaald aantal salawât uit. Op een nacht zag ik Rasûlullah in een droom. Hij kwam mijn kamer binnen en de kamer vulde zich met nûr. Toen kwam hij naar mij toe en zei: ‘Kom, laat mij die mond van jou kussen die zo veel salawât voor mij uitspreekt.’ Uit schaamte hem mijn mond aan te bieden, hield ik hem mijn wang voor. Hij kuste die met zijn gezegende mond. Vol vreugde werd ik wakker. Ik merkte dat mijn kamer vervuld was van de geur van muskus. Acht dagen lang verdween die heerlijke geur niet van mijn wang.” Toen Khallâd ibn Kathîr, een van de groten van de salaf, overleed, vond men onder zijn hoofd een papier waarop geschreven stond: “Dit is de vrijbrief van Khallâd ibn Kathîr voor zijn redding uit de Hel.” Men vroeg zijn naasten: “Welke daden verrichtte hij?” Zij antwoordden: “Iedere vrijdag sprak hij salawât uit.” In Zayn al-Majâlis van shaykh ’Aynî staat geschreven: Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Op de Dag des Oordeels zullen drie groepen mensen zich onder de ’Arsh bevinden, waar geen andere schaduw is dan de zijne.” Men vroeg: “Wie zijn zij?” Hij zei: “Wie mijn umma uit de nood redt, wie mijn sunna doet herleven en wie veel salawât voor mij uitspreekt.”

Shaykh Abû Mûsâ Darîrî vertelt: “Op zee werden wij door een orkaan overvallen. Iedereen huilde uit angst voor de dood. In die toestand werd ik door de slaap overmand. In mijn droom zag ik Rasûl-i akram. Hij zei: ‘Zeg tegen de mensen op het schip dat zij duizend keer reciteren: Allâhumma salli ‘alâ sayyidinâ Muhammadin wa ‘alâ âli sayyidinâ Muhammad, salâtan tunjînâ bihâ min jamî’il-ahwâli wal-âfât, wa taqdî lanâ bihâ jamî’al-hâjât, wa tutahhirunâ bihâ min jamî’is-sayyi’ât, wa tarfa’unâ bihâ ‘indaka a’lad-darajât, wa tuballighunâ bihâ aqsal-ghâyât min jamî’il-khayrâti fil-hayâti wa ba’dal-mamât.’ Wij hadden haar nog geen driehonderd keer gereciteerd of de storm ging liggen en wij werden gered.” Men heeft aanbevolen deze salât te reciteren bij iedere belangrijke zaak en bij iedere ramp, ieder onheil en iedere aardbeving.

Dag en nacht liggen op mijn tong salât en salâm voor uw gezegende ziel, o Trots der mensheid!

In de betrouwbare boeken staan meer dan veertig hadîths over de wijze waarop de salât wordt uitgesproken.

Een daarvan luidt als volgt:

“Wiens oor suist, laat hij aan mij denken en de salât voor mij uitspreken” Hadîth sharîf

Allâhumma salli ’alâ Muhammadin wa ’alâ âli Muhammad, kamâ sallayta ’alâ Ibrâhîma wa ’alâ âli Ibrâhîm, wa bârik ’alâ Muhammadin wa ’alâ âli Muhammad, kamâ bârakta ’alâ Ibrâhîma wa ’alâ âli Ibrâhîm, innaka hamîdun majîd.

Allâhumma salli wa sallim wa bârik warham ’alâ sayyidinâ Muhammadin huwa sayyidul-’arabi wal-’ajam.

Wa imâmi Makkatil-mukarramati wal-Madînatil-munawwarati wal-haram. ’Allamal-insâna mâ lam ya’lam.

Asluhû nûrun wa nasluhû Âdam.

Ba’thuhû mu’akhkharun wa khalquhû muqaddam.

Ismuhush-sharîfu maktûbun ’alal-Lawhil-mahfûzi biyâqûtil-qalam.

Wa jismuhush-sharîfu madfûnun fil-Madînatil-munawwarati wal-haram.

Yâ layta aktahilu turâbal-ladhî tahtal-qadam.

Fa-tûbâ thumma tûbâ liman da’â wa tabi’ahû wa liman aslama sâhibash-shafâ’ati lil-’âlamîn.

Qâ’ilan yâ Rabbî! Sallim ummatî, ummatî, wâ ummatâ yâ dhal-lutfi wal-karam.

Fa-yunâdil-munâdî min qibalir-Rahmân, qabiltu shafâ’ataka yâ Nabiyyal-muhtaram.

Udkhulul-jannata lâ khawfun ’alaykum wa lâ huznun wa lâ alam.

Thumma radiyallâhu ta’âlâ ’an Abî Bakrin wa ’Umara wa ’Uthmâna wa ’Aliyyin dhil-karam.

Wa sallallâhu ’alâ sayyidinâ Muhammadin wal-hamdu laka yâ Rabbal-’âlamîn.

Bihurmati Sayyidil-mursalîn.

Wanneer de ochtendbries zijn haren beroerde,
Vulde de lucht zich met muskus en amber.
Bij de glans van zijn parelwitte tanden, in de nacht,
Vond men een gevallen naald terug, o meester.
Bij het licht van zijn borst gingen jong en oud in donkere nachten hun weg.
Toen die geliefde van de Haqq met zijn vinger
Naar de maan wees, spleet zij in tweeën.
Zweette hij, dan werd iedere druppel een roos,
En vol vreugde plukte men de rozen van zijn zweet.
Die koning van de wereld plantte een dadelpalm,
En op het uur zelf dat hij hem plantte, droeg die vrucht.
Al vertelde men zijn wonderen onophoudelijk tot de Dag der Verzameling,
Hoeveel Verzamelingen er ook kwamen, nooit kwam men aan het eind.
Willen jullie van het vuur gered worden,
Spreek dan met liefde en vurig de salât uit!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Habîballah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Nûra ’Arshillah!