CHRONOLOGIE
Opmerking: (b) geeft de jaren vanaf de bi’tha aan, (m) de Gregoriaanse jaren (na de geboorte van Îsâ ’alayhis-salâm) en (h) de jaren van de Hijra.
m. 570 Huwelijk van ’Abdullah en Âmina. Overgang van de gezegende nûr van onze geliefde Profeet op zijn moeder (Jumâdâ al-ûlâ / juli). Het jaar van overvloed. Overlijden van ’Abdullah, de vader van Rasûlullah (Rajab / september).
571 De gebeurtenis van de Olifant (Muharram / februari). Geboorte van de Sultan van het universum, Muhammad ‘alayhis-salâm (12 Rabî’ al-awwal, maandag / 20 april; 53 (51 volgens de zonnekalender) jaar vóór de Hijra, 55 dagen na de gebeurtenis van de Olifant). Hij wordt toevertrouwd aan zijn zoogmoeder Halîma (Rabî’ al-âkhir).
573 Geboorte van Abû Bakr (radiyallâhu ’anh).
576 Zijn zoogmoeder brengt hem naar Mekka en geeft hem terug aan zijn moeder Âmina.
577 Overlijden van Âmina, de moeder van onze geliefde Profeet, in Abwâ. Umm Ayman brengt Rasûlullah in Mekka bij zijn grootvader ’Abdulmuttalib. Geboorte van ’Uthmân (radiyallâhu ’anh).
579 Overlijden van zijn grootvader ’Abdulmuttalib; hij wordt toevertrouwd aan zijn oom Abû Tâlib.
583 Hij gaat met zijn oom Abû Tâlib met de handelskaravaan naar Syrië op weg en keert vanuit Busrâ terug. Geboorte van ’Umar (radiyallâhu ’anh).
588 Hij gaat met zijn oom Zubayr naar Jemen.
591 Reis met Abû Bakr naar Syrië. Rasûlullah sluit zich aan bij het verbond Hilf al-Fudûl.
595 Hij gaat met de handelskaravaan van Khadîja naar de stad Busrâ.
596 Huwelijk met Khadîja.
599 Geboorte van ’Alî (radiyallâhu ’anh).
600 Quss ibn Sâ’ida houdt op de jaarmarkt van ’Ukâz een toespraak waarin hij de blijde tijding van het profeetschap van Rasûlullah brengt.
605 Bij het herstel van de Ka’ba treedt Rasûlullah op als scheidsrechter bij het terugplaatsen van de Hajar al-Aswad.
b.1/610 De bi’tha: op veertigjarige leeftijd wordt hem zijn profeetschap bekendgemaakt (17 Ramadân, maandag). De eerste openbaring in de grot op de berg Hirâ (Jabal an-Nûr): het neerdalen van de eerste vijf verzen van soera al-’Alaq (Ramadân / augustus).
2/611 Nadat de openbaring een tijd was uitgebleven, gaat onze Meester de Profeet, verlangend om Jibrîl ’alayhis-salâm te zien, dikwijls naar de grot op de berg Hirâ. Isrâfîl ’alayhis-salâm komt en leert hem enkele dingen.
3/612 De eerste moslims: Khadîja, Abû Bakr as-Siddîq, ’Alî ibn Abî Tâlib, Zayd ibn Hâritha (en zijn vrouw Umm Ayman), ’Uthmân ibn ’Affân, Talha ibn ’Ubaydullah, Zubayr ibn ’Awwâm, ’Abdurrahmân ibn ’Awf, Sa’d ibn Abî Waqqâs.
4/613 Rasûlullah roept de mensheid op tot de islam, te beginnen bij zijn naaste verwanten. De afgodendienaren beginnen de moslims te kwellen en te martelen. De eerste martelaren: Yâsir, zijn zoon ’Abdullah en zijn vrouw Sumayya. Geboorte van ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ).
5/614 De eerste hijra naar Abessinië (Rajab / mei). De emigranten (Muhâjirûn) keren uit Abessinië terug naar Mekka (Shawwâl / juli).
6/615 Hamza wordt moslim. ’Umar wordt moslim. De tweede hijra naar Abessinië. Rasûlullah en de moslims verlaten Dâr al-Arqam.
7/616 Begin van de blokkade (Muharram).
8/617 ’Uthmân en zijn vrouw Ruqayya keren terug uit Abessinië.
9/618 Het wonder Shaqq al-Qamar: op een teken van Rasûlullah splijt de maan in tweeën.
10/619 Opheffing van de blokkade.
10/620 Overlijden van Abû Tâlib (7 Ramadân / april). Overlijden van onze moeder Khadîja (10 Ramadân / april). Huwelijk van Rasûlullah met Sawda bint Zam’a (Ramadân / mei). Rasûlullah gaat met Zayd ibn Hâritha naar Tâ’if (Shawwâl / mei). De jinn van Nusaybîn aanvaarden de islam. Rasûlullah keert van Tâ’if terug naar Mekka (23 Dhu’l-qa’da). De ontmoeting bij ’Aqaba (10 Dhu’l-hijja / 17 juli).
11/621 Het wonder van de Mi’râj en het verplicht (fard) worden van de vijf dagelijkse gebeden (27 Rajab). Twee dagen lang is Jibrîl ’alayhis-salâm bij de deur van de Ka’ba ash-Sharîfa imam voor Rasûlullah. (Over de datum van de Mi’râj bestaan ook andere overleveringen. De Mi’râj heeft vele malen plaatsgevonden. Eén daarvan gebeurde in wakende toestand en met zijn gezegende lichaam. De andere gebeurden alleen met zijn gezegende ziel.)
De nikâh van Rasûlullah met ’Âisha wordt gesloten (Shawwâl). De eerste eed van trouw bij ’Aqaba (10 Dhu’l-hijja / 6 juli, maandag). Rasûlullah zendt Mus’ab ibn ’Umayr naar Medina om de islam te onderwijzen.
12/622 Sanat as-Surûr (het jaar van de vreugde): het grootste deel van de bevolking van Medina aanvaardt de islam. De tweede eed van trouw bij ’Aqaba (12 Dhu’l-hijja / 28 juni, maandag).
13/1/622 Het 13de jaar van de bi’tha, het 1ste van de Hijra, het 622ste n.Chr. Het jaar van de Hijra: begin van de islamitische maanjaartelling vanaf de Hijra (1 Muharram / 16 juli). Sanat al-Idhn: de moslims krijgen toestemming om van Mekka naar Medina te emigreren. De afgodendienaren komen bijeen in Dâr an-Nadwa en besluiten Rasûlullah te doden (25 Safar / 8 september). De Hijra: Rasûlullah vertrekt met Abû Bakr naar de grot Thawr (26 Safar, donderdag / 9 september). Zij vertrekken vanuit de grot op de berg Thawr naar Medina (1 Rabî’ al-awwal, maandag / 13 september). Zij komen aan in het dorp Qubâ (8 Rabî’ al-awwal, maandag / 20 september). Bouw van de Masjid Qubâ (8–11 Rabî’ al-awwal / 20–23 september). Rasûlullah leidt het eerste vrijdaggebed op de gebedsplaats in het dal Rânûnâ, tussen Qubâ en Medina (12 Rabî’ al-awwal, vrijdag / 24 september). Aankomst in Medina (12 Rabî’ al-awwal, vrijdag / 24 september). Hij verblijft als gast in het huis van Abû Ayyûb Ansârî. Begin van de bouw van de Masjid an-Nabawî (Rabî’ al-awwal / september). De leden van zijn familie komen naar Medina. De adhân van Muhammad begint vijfmaal per dag te worden geroepen. Salmân Fârisî wordt moslim.
h.1/623 Het instellen van de broederschap tussen de Muhâjirûn en de Ansâr. Het eerste geschreven verdrag: het document van Medina en de vaststelling van het dal van Medina als haram (gewijd gebied) (Ramadân / maart). De toestemming tot strijd wordt gegeven. De eerste sariyya (expeditie): de sariyya van Hamza naar Îs / Sîf al-Bahr (Ramadân / maart). Voltooiing van de bouw van de Masjid an-Nabawî (Shawwâl / april). Instelling van de Suffa in de Masjid an-Nabawî. In Medina wordt een markt met winkels opgericht. De eerste volkstelling van de moslims. De tocht van ’Ubayda ibn Hârith naar Râbigh (Shawwâl / april).
De sariyya van Sa’d ibn Abî Waqqâs naar Kharrâr (Dhu’l-qa’da / mei). Overlijden van As’ad ibn Zurâra, Barâ’ ibn Ma’rûr en Kulthûm ibn Hidm. Overlijden van ‘Uthmân ibn Maz’ûn en de bestemming van Jannat al-Baqî’ tot begraafplaats (Dhu’l-hijja / juni).
2/623 Rasûlullah vast voor het eerst op de dag van ‘Âshûrâ (10 Muharram / 14 juli). De eerste veldtocht (ghazwa): de veldtocht naar Abwâ (Waddân) (12 Safar / 15 augustus). De veldtocht naar Buwât (1 Rabî’ al-awwal / 2 september). De eerste veldtocht naar Badr (Safwân) (Rabî’ al-awwal / september). De veldtocht naar Dhu’l-’Ushayra (1 Jumâdâ al-ûlâ / 31 oktober).
2/624 De sariyya van ‘Abdullah ibn Jahsh naar Batn Nakhla (20 Rajab / 17 januari). De nikâh van ‘Alî en Fâtima wordt gesloten (Rajab / januari). De qibla wordt van de Masjid al-Aqsâ naar de Masjid al-Harâm / de Ka’ba gewend (11 Sha’bân, dinsdag / 7 februari). Het vasten wordt verplicht (fard) gesteld (Sha’bân / februari). Men begint het tarâwîh-gebed te verrichten (1 Ramadân / 26 februari). Nog eens 33 van de Metgezellen die in Abessinië waren, keren vóór Badr terug naar Mekka. Van hen overlijden er 2 in Makka al-Mukarrama, worden er 7 door de afgodendienaren gevangengezet, en bereiken er 24 Madîna al-Munawwara en nemen deel aan de Slag bij Badr. De Slag bij Badr (17 Ramadân / 13 maart). Abû Jahl wordt gedood. Overlijden van Ruqayya, de dochter van Rasûlullah (Ramadân / maart). De zakât wordt verplicht (fard) gesteld (Ramadân / maart). De sadaqat al-fitr (fitra) wordt bevolen (Ramadân / maart). Het eerste Ramadânfeest en het verrichten van het eerste feestgebed (1 Shawwâl / 27 maart). Huwelijk van Rasûlullah met ‘Âisha (Shawwâl / april). Zaynab wordt aangevallen terwijl zij van Mekka naar Medina komt (begin Shawwâl / maart). De veldtocht naar Qarqarat al-Kudr (5 Shawwâl / 31 maart). De veldtocht tegen de Banû Qaynuqâ’ (15 Shawwâl / 10 april). De veldtocht van Sawîq (5 Dhu’l-hijja / 29 mei). Huwelijk van ’Alî en Fâtima (Dhu’l-hijja / mei). Het eerste Offerfeest wordt gevierd (10 Dhu’l-hijja / 3 juni).
3/624 Ka’b ibn Ashraf wordt gedood (4 Rabî’ al-awwal / 25 augustus). De veldtocht naar Anmâr (Ghatafân, Dhû Amr) (12 Rabî’ al-awwal / 2 september). De veldtocht naar Bahrân (Najrân) (6 Jumâdâ al-ûlâ / 25 oktober). Huwelijk van ’Uthmân met Umm Kulthûm (Jumâdâ al-âkhira).
3/625 Huwelijk van Rasûlullah met Hafsa (Sha’bân / januari). Geboorte van Hasan (15 Ramadân / 1 maart). Huwelijk van Rasûlullah met Zaynab bint Khuzayma (Ramadân).
De Slag bij Uhud (7 Shawwâl, zaterdag / 23 maart). De veldtocht naar Hamrâ al-Asad (16 Shawwâl / 1 april).
4/625 ‘Abdullah ibn Unays doodt Khâlid ibn Sufyân (5 Muharram / 17 juni). De gebeurtenis van Rajî’ (Safar / juli). De gebeurtenis van Bi’r Ma’ûna (19 Safar / 31 juli). De veldtocht tegen de Banû Nadîr (Rabî’ al-awwal / augustus). Bedwelmende drank wordt gedeeltelijk verboden (harâm) (Rabî’ al-awwal / augustus–september). Overlijden van onze moeder Zaynab bint Khuzayma (Rabî’ al-âkhir / september). Overlijden van ’Abdullah, de zoon van ’Uthmân en Ruqayya (Jumâdâ al-ûlâ / oktober). Overlijden van Abû Salama (23 Jumâdâ al-âkhira / 30 november).
4/626 Geboorte van Husayn (5 Sha’bân / 10 januari). Huwelijk van Rasûlullah met Umm Salama (eind van de maand Shawwâl / begin april). Overlijden van Fâtima bint Asad. De veldtocht naar Klein-Badr (1 Dhu’l-qa’da / 4 april).
5/626 De veldtocht naar Dhât ar-Riqâ’ (10 Muharram / 11 juni). De veldtocht naar Dûmat al-Jandal (25 Rabî’ al-awwal / 24 augustus). Een afvaardiging van de Banû Muzayna, die moslim zijn geworden, komt naar Medina (Rajab / december). De Slag bij Muraysî’ (Banû Mustaliq) (2 Sha’bân / 27 december). De laster tegen ’Âisha. Het neerdalen van het vers van de tayammum.
5/627 Huwelijk van Rasûlullah met Juwayriya bint Hârith (Sha’bân). De Slag bij de Gracht (Khandaq, Ahzâb) (Shawwâl / maart). De Slag tegen de Banû Qurayza (23 Dhu’l-qa’da / 15 april). Huwelijk van Rasûlullah met Zaynab bint Jahsh (1 Dhu’l-qa’da / 24 maart). Huwelijk van Rasûlullah met Rayhâna bint ’Amr (Dhu’l-hijja / april–mei).
6/627 De sariyya van Muhammad ibn Maslama naar Qurtâ (10 Muharram / 1 juni). De sariyya van ‘Alî tegen de Banû Sa’d ibn Bakr in Fadak. De veldtocht naar Ghâba (Dhû Qarad) (2 Rabî’ al-awwal / 22 juli). De sariyya naar Ghamra (Rabî’ al-awwal). De sariyya van Muhammad ibn Maslama naar Dhu’l-Qassa (Rabî’ al-awwal). De sariyya van Abû ‘Ubayda ibn Jarrâh naar Dhu’l-Qassa (Rabî’ al-âkhir / september). De sariyya van Zayd ibn Hâritha naar Jamûm (Rabî’ al-âkhir).
De veldtocht tegen de Banû Lihyân (1 Jumâdâ al-ûlâ / 18 september). De verkenningssariyya van Zayd ibn Hâritha naar Îs (Jumâdâ al-ûlâ). Abu’l-’Âs wordt moslim. De sariyya van Zayd ibn Hâritha naar Taraf (Jumâdâ al-âkhira / oktober–november). De sariyya van Zayd ibn Hâritha naar Wâdi’l-Qurâ (Rajab / november–december). De tocht van Zayd ibn Hâritha naar Syrië / de handelskaravaan (Rajab). De sariyya van ’Abdurrahmân ibn ’Awf naar Dûmat al-Jandal (Sha’bân / december). De sariyya van Zayd ibn Hâritha naar Madyan (Sha’bân / december). De sariyya van ’Alî naar Fadak (Sha’bân / december).
6/628 De sariyya van Zayd ibn Hâritha tegen Umm Qirfa (Ramadân / januari). Er heerst droogte in Medina; men trekt uit voor de smeekbede om regen (Ramadân). De sariyya van ‘Abdullah ibn ‘Atîk tegen Abû Râfi’ (Ramadân / januari). De verkenningssariyya van ’Abdullah ibn Rawâha naar Khaybar (Ramadân / februari). De sariyya van ’Abdullah ibn Rawâha tegen Usayr ibn Zârim (Shawwâl / februari). De sariyya van Kurz ibn Jâbir Fihrî (Dhu’l-qa’da / maart). De tocht voor de ’umra (2 Dhu’l-qa’da / 14 maart). Bay’at ar-Ridwân (Dhu’l-qa’da / maart–april). Het Verdrag van Hudaybiya (Dhu’l-hijja / april). Het neerdalen van soera al-Fath. Afvaardigingen van de Banû Khuzâ’a, de Banû Aslam en de Banû Khushanî komen naar Medina en worden moslim. Bedwelmende drank wordt definitief verboden (harâm). Rasûlullah staat kamelen- en paardenrennen toe.
6, 7/628 Rasûlullah zendt brieven met de uitnodiging tot de islam (de laatste dagen van de maand Dhu’l-hijja – begin van de maand Muharram / mei).
7/628 De sariyya van Zayd ibn Hâritha naar Hismâ (Jumâdâ al-âkhira). Ashama, de Negus van Abessinië, wordt moslim. De nikâh van Umm Habîba wordt gesloten. De Muqawqis van Egypte zendt Mâriya naar Rasûlullah. Overlijden van Umm Rûmân (radiyallâhu ’anhâ), de moeder van onze moeder ’Âisha. Abu’l-’Âs wordt moslim en zijn nikâh met Zaynab, de dochter van Rasûlullah, wordt opnieuw gesloten (Muharram / mei). De Verovering van Khaybar (eind Muharram – Safar / juni). Zaynab bint Hârith doet een poging Rasûlullah te vergiftigen. Ook de overige Metgezellen die naar Abessinië waren geëmigreerd, keren terug naar Medina (Safar). De Ash’arî’s komen naar Medina en worden vereerd met het voorrecht tot de Metgezellen te behoren.
Laylat at-Ta’rîs: Rasûlullah en zijn Metgezellen vallen in slaap en staan niet op voor het ochtendgebed. Rasûlullah gaat met Umm Habîba samenwonen als echtgenote. Overlijden van Thuwayba, de zoogmoeder van Rasûlullah. Bâdhân, de heerser van Jemen, wordt moslim (Jumâdâ al-ûlâ / september). Het wonder dat de zon van de horizon terugkeert zodat ’Alî het namiddaggebed kan verrichten. De Slag bij Wâdi’l-Qurâ (Jumâdâ al-âkhira / oktober). Huwelijk van Rasûlullah met Safiyya bint Huyayy. De sariyya van ’Umar naar Turaba (Sha’bân / december). De sariyya van Abû Bakr naar Najd (Sha’bân / december). De sariyya van Bashîr ibn Sa’d Ansârî naar Fadak / tegen de Banû Murra (Sha’bân / december).
7/629 De sariyya van Ghâlib ibn ’Abdullah Laythî naar Mayfa’a (Ramadân / januari). De sariyya van Bashîr ibn Sa’d Ansârî naar Jinâb (Shawwâl / februari). De tocht van de ’Umrat al-Qadâ (Dhu’l-qa’da – Dhu’l-hijja / maart). Huwelijk van Rasûlullah met Maymûna bint Hârith (Dhu’l-qa’da / maart).
8/629 Overlijden van Zaynab, de dochter van Rasûlullah (Safar). Khâlid ibn Walîd, ’Amr ibn ’Âs en ’Uthmân ibn Talha worden moslim (Safar). De sariyya van Ghâlib ibn ’Abdullah naar Qudayd (Safar / juni). De sariyya van Ghâlib ibn ’Abdullah naar Fadak (Safar / juni). De Slag bij Mûta (Jumâdâ al-ûlâ / september). De sariyya van ’Amr ibn ’Âs naar Dhât as-Salâsil (Jumâdâ al-âkhira / oktober). Nadat de Quraysh het Verdrag van Hudaybiya hebben geschonden, doet Abû Sufyân een poging tot vrede.
8/630 Rasûlullah trekt uit voor de Verovering van Mekka (10 Ramadân / 1 januari). De Verovering van Mekka (20 Ramadân, donderdag / 11 januari). Rasûlullah bezoekt het graf van zijn moeder Âmina in Abwâ. De afgoden worden vernietigd. De Slag bij Hunayn (11 Shawwâl / 1 februari). Rasûlullah ontmoet zijn zoogzuster Shaymâ. Het Beleg van Tâ’if (Shawwâl / februari). Rasûlullah verdeelt in Ji’râna de buit van Hunayn (5–18 Dhu’l-qa’da / 24 februari – 9 maart). Rasûlullah verricht de ’umra (19 Dhu’l-qa’da / 10 maart). Voor de Masjid an-Nabawî wordt een minbar met drie treden gemaakt. Geboorte van Ibrâhîm, de zoon van Rasûlullah (Dhu’l-hijja).
9/630 Rasûlullah zendt zakât-inners naar enkele stammen (Muharram / april–mei). De sariyya van ’Uyayna ibn Hisn Fazârî (Muharram). De veldtocht naar Tabûk (Rajab / oktober). De sariyya van Khâlid ibn Walîd naar Dûmat al-Jandal (Rajab). Rasûlullah laat de Masjid ad-Dirâr van de huichelaars afbreken. Overlijden van de heerser van Abessinië, de Negus Ashama (Rajab / oktober). De sariyya van Abû Bakr naar Raml (Sha’bân). Overlijden van Umm Kulthûm, de dochter van Rasûlullah (Sha’bân). Rasûlullah zendt Heraclius voor de tweede keer een brief met de uitnodiging tot de islam. Sanat al-Wufûd (het Jaar van de Gezantschappen). Ka’b ibn Zuhayr wordt moslim, en Rasûlullah schenkt hem zijn khirqa (mantel).
9/631 Dood van ’Abdullah ibn Ubayy, de leider van de huichelaars (Dhu’l-qa’da). De hajj wordt verplicht (fard). Abû Bakr wordt aangesteld tot amîr van de hajj (Dhu’l-qa’da – Dhu’l-hijja / februari–maart). Ook ’Alî wordt naar Mekka gezonden om het begin van soera Barâ’a bekend te maken (Dhu’l-hijja / maart).
10/631 De sariyya van Khâlid ibn Walîd tegen de Banû Hârith (Rabî’ al-awwal / juni). De sariyya van ’Alî naar Jemen / Madhhij (Ramadân / december). Overlijden van Bâdhân, de gouverneur van Jemen. Fîrûz, de zoon van de zuster van de Negus, wordt moslim. Musaylima al-Kadhdhâb beweert profeet te zijn. In de maand Ramadân reciteert Jibrîl ’alayhis-salâm de hele Qur’ân al-karîm tweemaal voor Rasûlullah.
10/632 Overlijden van Ibrâhîm, de zoon van Rasûlullah. De Afscheidsbedevaart: Rasûlullah vertrekt vanuit Medina voor de hajj (25 Dhu’l-qa’da / 22 februari). Rasûlullah houdt de Afscheidspreek (9 Dhu’l-hijja / 7 maart). De afscheidstawâf (14 Dhu’l-hijja / 12 maart, donderdag). Overlijden van Rayhâna bint ’Amr.
11/632 Usâma ibn Zayd wordt aangesteld tot bevelhebber van het leger dat naar Syrië zal gaan. Rasûlullah krijgt hoofdpijn (26 Safar / 24 mei, zondag). De koorts van Rasûlullah wordt hevig; de koortsziekte (hummâ) begint (27 Safar / 25 mei, maandag). Aswad ‘Ansî, die beweerde profeet te zijn, wordt gedood (8 Rabî’ al-awwal / 4 juni, donderdag). Rasûlullah stelt Abû Bakr aan als imam (8 Rabî’ al-awwal / 4 juni, nachtgebed).
Rasûlullah verricht zijn laatste gebed achter Abû Bakr as-Siddîq (12 Rabî’ al-awwal, maandag, ochtendgebed). Het overlijden van Rasûlullah (12 Rabî’ al-awwal / 8 juni, maandag, vóór de middag). Abû Bakr wordt tot kalief gekozen (12 Rabî’ al-awwal / 8 juni, maandag). Rasûlullah wordt begraven rond middernacht van de nacht die dinsdag met woensdag verbindt (de nacht van woensdag). Usâma ibn Zayd wordt tegen de afvalligen uitgezonden (16 Rabî’ al-awwal / 12 juni, vrijdag). Usâma ibn Zayd keert zegevierend terug (26 Rabî’ al-âkhir / 22 juli, woensdag).
WAT BEN IK, EN WAT HEB IK?
In deze tuin is er voor mij geen roos en geen tulp,
Op deze markt geen handel en ook geen geld,
Geen macht, geen beschikking, geen bezit en geen goed,
Geen pijn en geen genot, geen zalf en geen wonde.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
Het bestaan is goddelijke gunst, het leven barmhartigheid van de Karîm!
De mond een gave van de Rahmân, het woord een genade van de Qadîm!
Het lichaam een bouwwerk van Allah, de ziel een adem van eerbetoon,
De kracht een geschenk van de Almacht, de zintuigen een schikking van de Hakîm!
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
In deze wereld heb ik in werkelijkheid helemaal niets,
Al wat er is, is van Hem; in Zijn rijk heeft Hij geen deelgenoot.
Ter wereld komen en weer gaan ligt ook niet in mijn hand,
Ik heb geen akte waarop ik kan bouwen om te zeggen: “Dit is van mij.”
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
Mijn bestaan is slechts een schijn, mijn ziel een toevertrouwd pand,
Zelfs “ik” zeggen is tegenover Hem een lelijk toekennen van deelgenoten,
De taak die de dienaar toekomt, is zijn Eigenaar te gehoorzamen,
Dat Hij mij “Mijn dienaar!” noemt, is gunst en goedgunstigheid.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
Ik ben arm en behoeftig; rijkdom en gave zijn van de Haqq,
(Het niet-zijn) is mijn kapitaal; bestaan en leven zijn van de Haqq,
De eeuwigheid zonder begin en zonder einde, overmacht en zege zijn van de Haqq,
Al wat zich in deze wereld en in het hiernamaals vertoont, is van de Haqq.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
Eten, drinken en genietingen komen van Zijn eigenschap Razzâq1,
Één rustige adem halen komt van de barmhartigheid van Allah,
Ook ieder goed dat mij toekomt, komt van Zijn vrijgevigheid,
En de grootste van de gunsten, het geloof (îmân), komt ook van Hem.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
Is het niet beschoren, dan komt mijn levensonderhoud niet uit hemel of aarde,
Niet uit gewas en niet uit vlees, kortom uit geen enkele hand.
Wat bepaald is, komt, ook al denk ik er niet aan,
Meer of minder dan beschikt is, komt het onderhoud niet.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
De zwarte nacht kan ik niet tot dag, de dag niet tot avond maken,
Sneeuw en water niet tot vuur, het zilver niet tot wolfraam maken.
De aardbol kan ik niet stilzetten en niet uiteen doen vallen,
De sneeuwwolk van de winter kan ik niet tot aprilwolk maken.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
Toen ik nog niet bestond, koos mijn Heer mij in één ogenblik,
Hij maakte mijn voedsel gereed, al meteen in de moederschoot.
Hij beval de engelen en stelde hen te mijnen dienste,
Hij bracht mij ter wereld en maakte mij tot een sluier voor Zichzelf.
Wist ik maar in deze wereld: wat ben ik, en wat heb ik?
