HET OVERLIJDEN VAN ONZE MEESTER DE PROFEET
Het was het elfde jaar van de Hijra. In de voorafgaande Ramadân had Jibrîl ’alayhis-salâm de Qur’ân al-karîm twee keer van begin tot eind aan onze geliefde Profeet voorgedragen, terwijl hij hem in de jaren daarvoor maar één keer had voorgedragen. Nadat de Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had geluisterd naar soera an-Nasr, de laatste die Jibrîl ’alayhis-salâm overbracht, met de betekenis: “Wanneer de hulp van Allâhu ta’âlâ en de dag van de overwinning komen, en jij de mensen in drommen de religie van Allâhu ta’âlâ (de islam) ziet binnengaan, verheerlijk dan je Heer met lof! Vraag Hem om vergeving! Want Hij aanvaardt altijd het berouw”1, zei hij: “O Jibrîl! Ik voel in mijn binnenste dat mijn dood nabij is.” Daarop reciteerde Jibrîl ’alayhis-salâm deze edele verzen, in betekenis: “Het hiernamaals is voor jou beter dan deze wereld. Je Heer zal je alles geven wat je wenst, totdat je zegt: ‘Ik ben tevreden.’”2
In het elfde jaar van de Hijra, op de zevenentwintigste dag van de maand Safar, begon het gezegende hoofd van onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) pijn te doen. Hij begaf zich naar de kamer van zijn eerbiedwaardige vrouw ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ). Hij liet ’Abdurrahmân ibn Abî Bakr roepen, maakte bekend dat hij een testament zou laten opschrijven opdat na hem Abû Bakr as-Siddîq tot kalief zou worden gekozen, en beval hem inktpot en pen te brengen. Toen ’Abdurrahmân, de zoon van Abû Bakr, het bevel ging uitvoeren, zei hij: “Breng ze later; laat het nu rusten!” en begaf zich naar de gezegende moskee. Onze geliefde Profeet liet aan alle Metgezellen die zich die dag in Medina bevonden weten dat zij zich bij het middaggebed in de moskee moesten verzamelen. Nadat de Vorst der wereld het gebed had geleid, beklom hij de minbar en hield een khutba. Hij gaf zijn Metgezellen raad en vroeg hun hem alles te vergeven wat zij eventueel van hem te goed hadden. Daarna maakte hij de voortreffelijkheid van Abû Bakr as-Siddîq onder de Metgezellen bekend, zijn waarde, en hoe tevreden hij over hem was. Het was zo’n khutba dat alle harten die haar hoorden huiverden en de tranen uit de ogen stroomden. Toen hij vervolgens zei: “O mensen! Hoe hebben jullie mij gevonden als jullie Profeet?”, zeiden de Metgezellen: “Yâ Rasûlallah! Moge Allâhu ta’âlâ u namens ons overvloedig met het goede belonen. U was voor ons als een zeer liefdevolle vader, als een liefdevolle broeder die raad geeft. U hebt de plicht van het profeetschap die Allâhu ta’âlâ u in Zijn goedheid schonk, vervuld. U hebt ons overgebracht wat u werd geopenbaard. U hebt met wijsheid en met goede raad uitgenodigd en geroepen tot de weg van uw Heer, tot de islam. Moge Allâhu ta’âlâ u de mooiste en verhevenste beloning geven.”
Daarop zei onze Meester de Profeet: “O gelovigen! Omwille van Allah: wie van mij iets te goed heeft, laat hij opstaan en komen en het hier nemen, vóór de Dag des Oordeels.”
Maar niemand stond op om zijn recht te komen nemen. Onze Meester Rasûlullah zei een tweede en een derde keer, terwijl hij de naam van Allâhu ta’âlâ noemde: “Wie iets te goed heeft, laat hij komen en het nemen.” Daarop stond ’Ukkâsha op, een van de Metgezellen, een hoogbejaarde man. Hij kwam bij Rasûlullah en zei: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Op de veldtocht naar Tabûk was ik bij u. Toen wij uit Tabûk vertrokken, kwamen mijn kameel en de uwe naast elkaar te lopen. Ik steeg van mijn kameel af. Ik naderde u. Het was mijn bedoeling uw gezegende lichaam te kussen, en toen sloeg u mij met de zweep op mijn rug. Ik weet niet waarom u mij sloeg.”
“Het hiernamaals is voor jou beter dan deze wereld. Je Heer zal je alles geven wat je wenst, totdat je zegt: ‘Ik ben tevreden’” Duhâ: 4–5
Onze Meester de Profeet zei: “O ’Ukkâsha! Moge Allâhu ta’âlâ je ervoor behoeden dat Zijn Rasûl je opzettelijk zou hebben geslagen,” en hij beval: “O Bilâl! Ga naar het huis van mijn dochter Fâtima. Breng mij die zweep.” Bilâl ging de moskee uit. Met zijn hand op zijn hoofd stond hij versteld: “Rasûlullah gaat vergelding (qisâs) op zichzelf laten toepassen!” Toen hij bij het huis kwam, klopte hij op de deur en zei: “O dochter van Rasûlullah! Geef mij de zweep van Rasûlullah!” Onze moeder Fâtima vroeg: “O Bilâl! Het is nu geen tijd van hajj en ook niet van veldtocht! Wat gaat mijn vader met de zweep doen?” Bilâl zei: “O Fâtima! Weet je het niet? Daarmee zal vergelding op Rasûlullah worden toegepast!”
Onze moeder Fâtima drukte Bilâl met klem op het hart: “O Bilâl! Wie zou het over zijn hart verkrijgen zijn recht met vergelding van Rasûlullah te nemen? Nu hij erom vraagt, geef ik hem je mee. Maar zeg tegen Hasan en Husayn: wie er ook komt om zijn recht te nemen, zij moeten de vergelding op zichzelf laten toepassen. Laat die persoon zijn recht van hen nemen. Zij mogen in geen geval toestaan dat er vergelding op Rasûlullah wordt toegepast.” Bilâl kwam naar de moskee en gaf de zweep aan onze Meester Rasûlullah, en die gaf hem aan ’Ukkâsha. Toen Abû Bakr en ’Umar dit zagen, smeekten zij: “O ’Ukkâsha! Hier staan wij klaar voor je; neem je recht van ons. Wij smeken je, neem het niet van Rasûlullah!” Daarop zei onze Meester de Profeet tegen Abû Bakr: “O Abû Bakr! Laat het, ga opzij. O ’Umar! Kom, ga jij ook opzij. Allâhu ta’âlâ kent jullie hoge rang.” Daarna stond ’Alî op en zei: “O ’Ukkâsha! Mijn hart kan het niet verdragen dat jij Rasûlullah slaat; hier zijn mijn rug en mijn buik, kom, neem je recht van mij, sla honderd keer als je wilt. Maar raak Rasûlullah niet aan!” Onze Meester de Profeet zei: “O ’Alî! Ga jij ook zitten. Allâhu ta’âlâ kent ook jouw hoge rang en jouw toestand.” Nu stonden Hasan en Husayn op en zeiden: “O ’Ukkâsha! Jij weet ook dat wij de kleinzonen van Rasûlullah zijn. Daarom is vergelding op ons hetzelfde als vergelding op Rasûlullah. Neem je recht van ons; wij smeken je, sla Rasûlullah niet!” Onze Meester de Profeet zei tegen hen: “Gaan jullie ook zitten, o vreugde van mijn beide ogen.” Daarna zei hij: “O ’Ukkâsha! Kom en sla!”
’Ukkâsha zei: “Yâ Rasûlallah! Toen u mij sloeg, was mijn lichaam ontbloot.” Daarop ontblootte onze geliefde Profeet zijn gezegende rug. Op dat moment hoorde men snikken onder de Metgezellen, die zeiden: “O ’Ukkâsha! Ga je werkelijk de gezegende rug van Rasûlullah slaan?” Iedereen wachtte in droefheid af. Toen ’Ukkâsha het zegel van het profeetschap op de gezegende rug van onze Meester Rasûlullah zag, zei hij plotseling: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Wie zou de kracht hebben, wie zou het wagen zijn recht te nemen door op die gezegende rug van u te slaan en vergelding op u toe te passen?” en hij kuste het gezegende zegel van het profeetschap van de Sultan van het universum. Daarop zei Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) tegen hem: “Nee, óf je slaat, óf je vergeeft.” ’Ukkâsha zei: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Ik heb vergeven. Zou Allâhu ta’âlâ mij op de Dag des Oordeels ook vergeven?” Onze Meester de Profeet zei: “Wie mijn metgezel in het Paradijs wil zien, laat hij naar deze grijsaard kijken.” De Metgezellen die deze gezegende woorden van onze Meester Rasûlullah hoorden, begonnen hem tussen zijn ogen te kussen. Allen zeiden: “Gelukkig ben jij, gelukkig ben jij! O ’Ukkâsha! Omdat je de eer had bij Rasûlullah te zijn, heb je hoge rangen in het Paradijs bereikt.”3
De aanstelling van Usâma ibn Zayd tot bevelhebber
Het waren de laatste dagen van de maand Safar. De Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wilde de Byzantijnen in het noorden, voordat hun rijk een groot gevaar voor de moslims zou worden, opnieuw tot de islam uitnodigen, en als zij niet aanvaardden, tegen hen strijden en hen onder het gezag van de islamitische staat brengen. Daarom beval hij zijn heldhaftige Metgezellen zich voor te bereiden om tegen de Byzantijnen (Rûm) te strijden. De Metgezellen gingen uiteen om de voorbereidingen te treffen. Rasûl-i akram liet Usâma ibn Zayd roepen en zei: “O Usâma! Ga met de naam en de zegen van Allâhu ta’âlâ naar Syrië (Shâm), tot aan de grens van Balqâ, tot Dârûm in Palestina, de plaats waar je vader martelaar werd. Laat de paarden die streken vertrappen. Ik heb je tot opperbevelhebber van dit leger aangesteld. Overval de mensen van Ubnâ onverhoeds en stort je als de bliksem op hen. Ga zo snel dat het bericht de plaats waar je heen gaat niet vóór jou bereikt. Neem gidsen met je mee en laat spionnen en verkenners voor je uit gaan. Als Allâhu ta’âlâ je de overwinning schenkt, blijf dan maar kort onder hen.” Daarna beval hij dat zij in Jurf hun kamp zouden opslaan, en hij bond met zijn gezegende handen de vlag vast en overhandigde die aan hem.4
In de moskee beklom hij de minbar en zei: “O mijn Metgezellen! Zoals Zayd, de vader van Usâma, het bevelhebberschap waardig was en bij mij de meest geliefde was, zo is na hem ook zijn zoon Usâma het bevelhebberschap waardig. Usâma behoort bij mij tot de meest geliefde mensen.”
Onder hen die onder bevel van Usâma ten strijde zouden trekken, waren ook vooraanstaande Metgezellen als Abû Bakr, ’Umar, Abû ’Ubayda ibn Jarrâh en Sa’d ibn Abî Waqqâs.
Maar omdat de Sultan van het universum de volgende dag plotseling ziek werd, werd het vertrek van het leger uitgesteld tot na het heengaan van onze Meester de Profeet naar het hiernamaals. Onze geliefde Profeet was door een hevige koorts (humma) getroffen. De koorts nam steeds toe, en de ziekte werd steeds ernstiger.
Op een nacht dat zijn pijnen afnamen, stond hij om middernacht uit zijn bed op. Hij kleedde zich aan en maakte zich gereed om te gaan. Toen onze moeder ’Âisha dit zag, vroeg zij: “Mogen mijn vader en moeder, ja mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Waar gaat u heen?” De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Ik heb het bevel gekregen vergeving te vragen (istighfâr) voor hen die op de begraafplaats Baqî’ begraven liggen. Ik ga daarheen.”
Hij nam Abû Muwayhib en Abû Râfi’ met zich mee en ging. Op de begraafplaats deed hij lange smeekbeden en smeekte Allâhu ta’âlâ om hun vergeving en genade. Bij dit aanhoudende smeken van onze Meester de Profeet zeiden de Metgezellen die bij hem waren: “Lagen ook wij nu maar hier begraven, en hadden wij maar de eer deze smeekbede van onze Meester Rasûlullah te ontvangen!” Onze geliefde Profeet wendde zich tot Abû Muwayhib en zei: “O Abû Muwayhib! Mij is de vrije keuze gelaten tussen de schatten van deze wereld en de gunsten van het hiernamaals. Er werd gezegd: ’Als je wilt, blijf dan in de wereld en ga daarna naar het Paradijs; als je wilt, bereik dan de Liqâ’ullâh (de ontmoeting met Allâhu ta’âlâ) en ga het Paradijs binnen.’ Ik heb de Liqâ’ullâh gekozen, en daarna het Paradijs.”
“O gelovigen! Omwille van Allah: wie van mij iets te goed heeft, laat hij opstaan en komen en het hier nemen, vóór de Dag des Oordeels” Hadîth sharîf
Op een dag ging hij op weg om vergeving te vragen voor de martelaren die bij Uhud lagen. Hij deed voor hen een smeekbede en smeekte Allâhu ta’âlâ langdurig. Daarna kwam hij naar de moskee en zei tegen de Metgezellen: “Ik zal de eerste van jullie zijn die bij het bassin van Kawthar aankomt, en degene die jullie ontvangt. Onze ontmoetingsplaats is daar… Ik vrees niet voor jullie dat jullie na mij tot de afgodendienst terugkeren. Maar ik vrees dat jullie je door de wereld laten meeslepen, elkaar om haar benijden, elkaar doden, en dat jullie uiteindelijk te gronde gaan zoals zij die vóór jullie waren te gronde zijn gegaan…” Daarna begaf hij zich naar zijn gezegende huis. Zijn ziekte was ernstiger geworden. Zijn gezegende vrouwen lieten onze geliefde Profeet weten dat zij wensten dat hij in het huis van onze moeder ’Âisha zou verblijven, en dat zij hun eigen rechten aan haar afstonden. Hij was blij met deze zelfopoffering van zijn reine echtgenotes, deed voor hen allen een smeekbede en begon de dagen daarna in het huis van onze moeder ’Âisha door te brengen. De koorts van Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was zeer gestegen. Door de hevigheid van de koorts moest hij zich in zijn bed van de ene zij op de andere draaien. Terwijl hij in die toestand was, kwamen de Metgezellen hem bezoeken, en zij waren uitermate bedroefd om het hevige lijden dat onze Meester doorstond. Abû Sa’îd Khudrî vertelde: “Ik was in de gezegende aanwezigheid van Rasûlullah gekomen. Over hem lag een fluwelen deken. De hitte van de koorts drong door de deken heen naar buiten, en door de hitte konden wij de deken niet met onze hand aanraken. Toen onze Meester Rasûlullah onze verbazing en ons verdriet zag, zei hij:
‘De zwaarste beproeving treft de profeten. Toch is de vreugde van de profeet over de beproevingen groter dan jullie vreugde over de gunsten die jullie geschonken worden.’”
Umm Bishr bint Barâ’ vertelde: “Ik was Rasûlullah gaan bezoeken. Zijn gezegende lichaam brandde als vuur. Ik zei: ‘Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Nooit heb ik zo’n hevige ziekte gezien!…’ Hij zei: ‘O Umm Bishr! De hevigheid van de koorts is er opdat mijn beloning groot zij. Deze ziekte is het gevolg van het vergiftigde vlees dat ik bij Khaybar heb geproefd. De pijn van dat vlees heb ik altijd gevoeld. Het gif dat ik die dag at, verscheurt nu mijn abhar, dat wil zeggen mijn aorta.’”5
Onze geliefde Profeet zei ook tegen ’Abdullah ibn Mas’ûd: “Er is geen moslim die door een ziekte wordt getroffen, of Allâhu ta’âlâ laat zijn fouten en zonden afvallen zoals de bladeren van een boom afvallen!”6 De ziekte werd met de dag ernstiger. De Metgezellen waren hierover zeer bedroefd en vonden in hun huizen geen rust. Zij verzamelden zich in de moskee. Zij stuurden ’Alî naar onze Meester de Profeet om te vragen hoe het met hem ging. De Meester der werelden vroeg met een gebaar: “Wat zeggen mijn Metgezellen?” ’Alî zei: “Zij zijn zeer bedroefd en ongerust en zeggen: ‘Wat als Rasûlullah van ons heengaat?!…’” Onze geliefde Profeet, wiens barmhartigheid jegens zijn Metgezellen nog veel groter was, verdroeg de hevigheid van zijn ziekte, stond op en kwam, steunend op ’Alî en Fadl ibn ’Abbâs, naar de moskee. Hij beklom de minbar en zei, nadat hij Allâhu ta’âlâ had geloofd en geprezen, tegen de Metgezellen:
“O mijn Metgezellen! Ik heb gehoord dat jullie onrustig zijn bij de gedachte aan mijn dood. Is er ooit een profeet voor altijd onder zijn umma gebleven, dat ook ik voor altijd onder jullie zou blijven? Weet dat ik mijn Heer zal ontmoeten. Dit is mijn raad aan jullie: toon eerbied aan de ouderen onder de Muhâjirûn! O Muhâjirûn! Ook aan jullie laat ik dit na: doe goed aan de Ansâr! Zij hebben jullie goed gedaan. Zij hebben jullie in hun huizen onderdak gegeven. Hoewel zij het zelf moeilijk hadden, hebben zij jullie boven zichzelf gesteld. Zij hebben jullie laten delen in hun bezittingen. Wie ooit over de Ansâr zal heersen, laat hij over hen waken en wie van hen tekortschiet vergeven,” zei hij. Daarna gaf hij zeer mooie en indringende raadgevingen en zei: “Allâhu ta’âlâ heeft een van Zijn dienaren de keus gelaten tussen in de wereld blijven en zijn Heer ontmoeten. Die dienaar heeft verkozen zijn Heer te ontmoeten.” Abû Bakr begreep dat onze Meester Rasûlullah met deze woorden op zijn overlijden doelde en begon te huilen; hij zei: “Mogen onze levens voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah!” De oceaan van barmhartigheid, onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam), zei: “Huil niet, o Abû Bakr!” en drukte hem op het hart geduld te hebben en het te verdragen. Uit zijn gezegende ogen stroomden tranen. “O mijn Metgezellen! Ik ben zeer tevreden over Abû Bakr, die met oprechtheid en toewijding zijn bezit heeft geofferd op de weg van de religie van de islam. Als het mogelijk was een vriend te kiezen voor de weg van het hiernamaals, zou ik hem kiezen,” zei hij, en hij beval: “Sluit alle deuren die op de moskee uitkomen, behalve die van Abû Bakr!”
Daarna daalde hij van de minbar af en keerde terug naar de kamer van onze moeder ’Âisha. De Metgezellen begonnen te huilen. Daarop kwam onze Meester de Profeet, gesteund op de armen van ’Alî en Fadl ibn ’Abbâs, opnieuw naar de moskee. Staande op de onderste trede van de minbar zei hij tegen de Metgezellen: “O Muhâjirûn en o Ansâr! Het heeft geen zin zich te haasten om iets te bereiken waarvan de tijd vaststaat. Allâhu ta’âlâ haast Zich voor geen enkele dienaar. Wie het waagt de qadâ en qadar van Allâhu ta’âlâ te willen veranderen en Zijn wil te boven te gaan, die zal Hij overweldigen en te gronde richten.
Wie Allâhu ta’âlâ een list wil spelen en Hem wil bedriegen, diens zaken lopen in het honderd en hij bedriegt zichzelf. Weet dat ik voor jullie vol mededogen en barmhartigheid ben. Ook jullie zullen mij ontmoeten. De plaats waar jullie mij ontmoeten, is aan de rand van het bassin van Kawthar. Wie het Paradijs wil binnengaan en mij wil ontmoeten, laat hij geen ijdele woorden spreken. O moslims! Ongelovig worden en zonden begaan zijn er de oorzaak van dat de gunsten veranderen en het levensonderhoud afneemt. Als de mensen de geboden van Allâhu ta’âlâ gehoorzamen, zullen de staatshoofden, de bevelhebbers en de gouverneurs hen met barmhartigheid en tederheid behandelen. Als zij zich overgeven aan zondigheid, losbandigheid en buitensporigheid en zonden begaan, zullen zij geen barmhartige leiders krijgen. Zoals mijn leven goed voor jullie is geweest, zo is ook mijn dood goed en een barmhartigheid. Als ik iemand onrechtvaardig heb geslagen of een kwaad woord tegen hem heb gezegd, dan aanvaard ik dat hij mij hetzelfde aandoet en zijn recht neemt; als ik iemand van jullie onrechtvaardig iets heb afgenomen, dan aanvaard ik dat hij het terugvraagt, en ik ben bereid mij door hem te laten vrijspreken. Want de straf van deze wereld is veel lichter dan de straf van het hiernamaals. Het is gemakkelijker haar te dragen.” Zoals hij eerder zijn tevredenheid over Abû Bakr had uitgesproken, zo sprak hij in deze khutba ook zijn tevredenheid over ’Umar uit en zei: “’Umar is met mij, en ik ben met hem. Na mij is de waarheid met ’Umar.”
“De zwaarste beproeving treft de profeten. Toch is de vreugde van de profeet over de beproevingen groter dan jullie vreugde over de gunsten die jullie geschonken worden” Hadîth sharîf
Na deze khutba daalde onze Meester Rasûlullah van de minbar af. Na het gebed besteeg hij opnieuw de minbar, deed zijn laatste aanbevelingen en gaf raadgevingen; daarna zei hij: “Ik vertrouw jullie toe aan Allâhu ta’âlâ,” nam afscheid van de Metgezellen en ging naar zijn kamer. Op een dag waarop zijn pijnen zeer hevig waren, liet de Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Bilâl Habashî roepen, om zich door de Metgezellen van alle rechten te laten vrijspreken en niet met rechten van mensen op zich naar het hiernamaals te gaan. Hij zei tegen hem: “Roep het volk! Laat hen in de moskee bijeenkomen. Ik wil hun mijn laatste aanbeveling doen!…”
Bilâl verzamelde de Metgezellen in de moskee. Onze geliefde Profeet kwam, steunend op ’Alî en Fadl, naar de moskee. Hij ging op de minbar zitten en zei, na Allâhu ta’âlâ te hebben geloofd en geprezen: “O mijn Metgezellen! Weet dat mijn afscheid van jullie nabij is. Wie een recht op mij heeft, laat hij het van mij vragen. Wie mij dierbaar is, laat hij zijn recht van mij vragen of mij ervan vrijspreken, zodat ik mijn Heer en Zijn barmhartigheid ontmoet terwijl ik deze rechten heb voldaan.” Daarna daalde hij van de minbar af en leidde het middaggebed. Na het gebed besteeg hij opnieuw de minbar en herhaalde wat hij vóór het gebed had gezegd. Tijdens zijn ziekte ging onze Meester de Profeet, telkens wanneer de adhân werd geroepen, naar de Masjid ash-Sharîf, was imam voor de Metgezellen en verrichtte het gebed in gemeenschap.7 Drie dagen vóór het overlijden van onze geliefde Profeet werd zijn ziekte ernstiger. Hij kon niet meer naar de moskee komen om de gemeenschap in het gebed voor te gaan. Het eerste gebed dat hij niet in gemeenschap kon verrichten, was het nachtgebed.
Bilâl kwam zoals altijd op dat tijdstip aan de deur en zei: “Het gebed, yâ Rasûlallah!” Onze geliefde Profeet had van zwakte niet meer de kracht om naar de moskee te gaan. Hij zei: “Zeg tegen Abû Bakr dat hij mijn Metgezellen in het gebed voorgaat.” Onze moeder ’Âisha vroeg: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Mijn vader heeft een week hart en wordt snel bedroefd. Als hij op uw plaats staat en u daar niet ziet, zal hij van het huilen niet kunnen reciteren. Zou u niet willen bevelen dat ’Umar de imam wordt?” Onze Meester de Profeet zei opnieuw: “Zeg tegen Abû Bakr dat hij imam wordt voor mijn Metgezellen en hen in het gebed voorgaat.” Bilâl bracht dit over aan Abû Bakr as-Siddîq. Toen Abû Bakr onze Meester Rasûlullah niet in de mihrâb zag, was het of hij in het hart getroffen werd; hij verloor bijna zijn verstand. Hij huilde!… hij huilde!… Ook de Metgezellen begonnen te huilen. Toen Habîbullah vroeg wat dat geweeklaag was dat uit de moskee kwam, vertelde onze moeder Fâtima hem hoe het ervoor stond: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Uw Metgezellen huilen omdat zij de scheiding van u niet kunnen verdragen!…”8 De oceaan van barmhartigheid, onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam), was diep ontroerd. Om zijn Metgezellen te troosten stond hij, hoewel zijn ziekte zeer hevig was, met moeite op. Steunend op ’Alî en ’Abbâs kwam hij naar de moskee. Na het gebed zei hij: “O mijn Metgezellen! Jullie staan onder de bescherming van Allâhu ta’âlâ, en ik heb jullie aan Allâhu ta’âlâ toevertrouwd! Blijf bij de taqwâ. Vrees Allâhu ta’âlâ. Houd vast aan het gebod van Allâhu ta’âlâ en gehoorzaam Hem. Ik verlaat nu deze wereld.”
Het was drie dagen vóór het overlijden van onze geliefde Profeet. Jibrîl ‘alayhis-salâm kwam onze Meester Rasûlullah bezoeken en zei: “Yâ Rasûlallah! Allâhu ta’âlâ zendt u Zijn groet. Hoewel Hij uw toestand kent, vraagt Hij hoe het met u is en hoe u zich voelt.” De Meester der werelden antwoordde: “Ik ben bedroefd!” Jibrîl ‘alayhis-salâm kwam ook op zondag en zei dezelfde woorden. Onze Meester de Profeet gaf opnieuw hetzelfde antwoord. Jibrîl ‘alayhis-salâm deelde bovendien mee dat Aswad ‘Ansî, die in Jemen had beweerd profeet te zijn, gedood was. Rasûl-i akram deelde het aan zijn Metgezellen mee. Vóór zijn ziekte had hij enkele goudstukken gekregen; een paar daarvan had hij aan de armen gegeven en een paar aan ‘Âisha. Op zondag werd de ziekte van Rasûlullah ernstiger. Tegen de bevelhebber van het leger, Usâma, die bij hem kwam, zei hij niets. Maar hij hief zijn gezegende armen op en streek ermee over hem heen. Men begreep dat hij een smeekbede voor hem deed. De dertiende en laatste dag van zijn ziekte… Die dag was, net als de dag waarop onze geliefde Profeet de wereld met zijn komst had vereerd, de twaalfde van Rabî’ al-awwal en een maandag. De Sultan van het universum voelde enige verlichting in zijn gezegende lichaam… Toen de Metgezellen op het punt stonden het ochtendgebed achter Abû Bakr as-Siddîq te verrichten, kwam de Meester der werelden naar de Masjid ash-Sharîf. Hij zag zijn umma in rijen in aanbidding staan. Hij glimlachte van vreugde. Ook de Metgezellen verheugden zich toen zij Rasûlullah in de moskee zagen, want zij dachten dat de ziekte voorbij was. Abû Bakr as-Siddîq (radiyallâhu ’anh) merkte dat onze geliefde Profeet gekomen was en wilde achteruitgaan. Onze Meester gaf hem met een teken te kennen: “Blijf op je plaats!” Zelf volgde hij Abû Bakr en verrichtte het gebed achter hem.9 Zo ging Abû Bakr op bevel van Rasûlullah de Metgezellen zeventien keer in het gebed voor. Na het gebed ging Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) naar de kamer van ’Âisha en legde zich neer. Hij zei: “Ik wil in de tegenwoordigheid van Allâhu ta’âlâ komen zonder wereldse bezittingen na te laten. Verdeel ook de goudstukken die bij jou zijn gebleven onder de armen!” Daarna steeg zijn koorts. Na een tijd opende hij opnieuw zijn ogen en vroeg ’Âisha of zij het goud had uitgedeeld. Zij zei dat zij het zou uitdelen. Hij beval herhaaldelijk dat het onmiddellijk moest worden uitgedeeld. Toen het meteen was uitgedeeld en men hem dat had laten weten, zei hij: “Nu ben ik gerust.” Nadat hij een tijd in zijn bed had gerust, riep hij ’Alî bij zich. Hij legde zijn gezegende hoofd in diens schoot. Zijn gezegende voorhoofd was bezweet en zijn gezegende kleur was veranderd. Toen onze moeder Fâtima haar gezegende vader in die toestand zag, kon zij het niet aanzien en ging naar haar zonen Hasan en Husayn. Zij nam hen bij de hand en begon te huilen: “O mijn vader! Wie zal over uw dochter waken? Aan wie vertrouwt u Hasan en Husayn toe? Ach, mijn vader! Moge mijn leven voor u geofferd worden! Hoe zal het mij na u vergaan? Naar wie zullen mijn ogen kijken na uw gezegende gezicht?” Toen onze Meester Rasûlullah deze hartverscheurende woorden van zijn dochter hoorde, opende hij zijn gezegende ogen, riep haar bij zich en deed de smeekbede: “O mijn Heer! Schenk haar geduld.” Toen hij daarna zei: “O Fâtima! O licht van mijn ogen! Je vader ligt in doodsstrijd!”, huilde zij nog harder, met diepe snikken. Toen ’Alî zei: “O Fâtima! Wees toch stil, bedroef Rasûlullah niet nog meer!”, zei onze geliefde Profeet: “Kwets haar niet, o ’Alî! Laat haar ogen tranen storten om haar vader!…” Daarna sloot hij zijn gezegende ogen en was het alsof hij het bewustzijn verloor. Toen kwam Hasan bij zijn gezegende grootvader en zei huilend: “O mijn gezegende grootvader! Wie kan de scheiding van u verdragen? Aan wie zullen wij het verdriet van ons hart toevertrouwen? Wie zal na u mijn moeder, mijn vader en mijn broer met tederheid omringen? Waar zullen uw echtgenotes en uw Metgezellen dat mooie karakter van u vinden?..” Toen konden de gezegende echtgenotes van onze Meester de Profeet zich niet meer goed houden en begonnen allen samen stil te huilen. De Metgezellen, die diep bewogen buiten wachtten, voelden hun hart branden toen zij hoorden dat de ziekte van onze Meester de Profeet zeer ernstig was geworden. Zij begonnen te huilen. Om het gezegende gezicht van hun geliefde Profeet, al was het maar één laatste keer, te zien, smeekten zij aan de deur: “Doe toch de deur open! Laat ons het gezegende gezicht van de Rasûl ’alayhis-salâm nog één keer zien!..” De Habîb, de geliefde van Allâhu ta’âlâ, die als barmhartigheid voor de werelden was gezonden, kreeg medelijden toen hij deze smeekbeden van zijn Metgezellen hoorde, en zei: “Doe de deur open!” De voornaamsten van de Metgezellen kwamen binnen. Nadat onze geliefde Profeet hun geduld had aanbevolen, zei hij: “O mijn Metgezellen! Jullie zijn de verhevensten en de eervolsten van de mensen. Wie er ook na jullie komt, jullie zullen vóór hen allen het Paradijs binnengaan. Wees standvastig in het overeind houden van de religie en neem de verheven Qur’ân tot imam (gids).
“O mijn Metgezellen! Jullie staan onder de bescherming van Allâhu ta’âlâ, en ik heb jullie aan Allâhu ta’âlâ toevertrouwd! Blijf bij de taqwâ” Hadîth sharîf
Veronachtzaam de voorschriften van de religie niet,” zei hij. Daarna zei hij: “O mijn Heer! Heb ik de boodschap overgebracht?” en sloot zijn gezegende ogen. Zijn gezegende gezicht was bezweet. ’Alî gaf de Metgezellen met een teken te kennen dat zij naar buiten moesten gaan. Nadat zij weg waren, kwam onze moeder ’Âisha bij hem en vroeg hem om raad. Onze Meester de Profeet zei: “O ’Âisha! Blijf in een hoek van je huis zitten en bewaar jezelf!”, en daarna begonnen er tranen uit zijn gezegende ogen te stromen. De Sultan van het universum huilde… De harten van de aanwezigen werden verwond, hun binnenste werd verscheurd. Toen onze moeder Umm Salama vroeg: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Waarom huilt u?”, zei hij: “Ik huil opdat mijn umma barmhartigheid wordt betoond.”
De zon klom naar haar hoogste punt. Het uur was nabij… Het gezegende hoofd van onze geliefde Profeet rustte tegen de borst van onze moeder ’Âisha. De Meester der werelden beleefde nu zijn laatste ogenblikken, en uit zijn gezegende lippen kwamen deze woorden: “Let op! Let op! Behandel de slaven in jullie handen goed! Kleed hen en stil hun honger. Spreek zacht tot hen. Het gebed, het gebed – volhard daarin. Vrees Allâhu ta’âlâ wat jullie vrouwen en jullie slaven betreft!.. O Allah! Vergeef mij! Schenk mij Uw barmhartigheid!… Voeg mij bij de schare van de Rafîq-i a’lâ!…” De tranen van onze moeder Fâtima stroomden als een rivier, haar gekreun verschroeide het hart. Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) liet haar naast zich zitten en zei: “Mijn dochter, heb een beetje geduld, huil niet. Want de Hamalat al-’Arsh (de engelen) huilen om jouw huilen.” Hij droogde de tranen van onze moeder Fâtima. Hij troostte haar, vroeg Allâhu ta’âlâ om geduld voor haar en zei: “O mijn dochter, mijn ziel zal worden genomen. Zeg dan: ‘Innâ lillâhi wa innâ ilayhi râji’ûn’. O Fâtima! Voor iedere beproeving die komt, wordt een vergelding gegeven.” Nadat hij zijn gezegende ogen een tijd gesloten had gehouden, zei hij: “Voortaan zal je vader geen verdriet en geen kommer meer kennen. Want hij wordt verlost van de vergankelijke wereld en van de plaats van beproeving.” Daarna zei hij tegen ’Alî: “O ’Alî! Ik ben die en die jood zoveel schuldig. Ik heb het geleend om het leger uit te rusten. Vergeet in geen geval het terug te betalen. Je zult mij zeker van mijn schuld bevrijden, en jij bent de eerste van hen die mij aan het bassin van Kawthar zullen ontmoeten. Na mij zal jou veel kwaad overkomen; heb geduld. Wanneer de mensen de wereld verlangen, kies jij dan het hiernamaals.”
Usâma kwam opnieuw. Onze Meester Rasûlullah zei: “Moge Allâhu ta’âlâ je helper zijn! Ga nu ten strijde!” Hij ging naar buiten, begaf zich naar zijn leger en gaf onmiddellijk het bevel tot vertrek.10
De Meester der werelden blies nu zijn laatste ademtochten uit… Het uur was zeer nabij gekomen… Allâhu ta’âlâ openbaarde aan ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm: “Ga in de mooiste gedaante naar Mijn Habîb! Als hij je toestemming geeft, neem dan zijn ziel heel zacht en licht. Als hij geen toestemming geeft, keer dan terug!” ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm kwam in de mooiste gedaante, in de gestalte van een mens, aan de deur van het gezegende huis van onze geliefde Profeet en zei: “As-salâmu ’alaykum, o bewoner van het huis van het profeetschap! Geeft u mij toestemming om binnen te komen? Moge Allâhu ta’âlâ u barmhartigheid betonen!”
Onze moeder ’Âisha zei tegen Fâtima, die naast onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zat: “Geef jij antwoord aan wie gekomen is.” Fâtima ging naar de deur en zei met een zeer bedroefde stem: “O dienaar van Allâhu ta’âlâ! Rasûlullah is op dit ogenblik met zijn eigen toestand bezig.” ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm vroeg opnieuw om toestemming. Hij kreeg hetzelfde antwoord. Toen hij voor de derde keer zijn groet herhaalde en met luide stem zei dat hij hoe dan ook binnen moest komen, hoorde onze Meester de Profeet het en zei: “O Fâtima! Wie staat er aan de deur?”
Fâtima zei: “Yâ Rasûlallah! Er staat iemand aan de deur die toestemming vraagt om binnen te komen. Ik heb hem een paar keer geantwoord. Maar toen hij voor de derde keer riep, huiverde mijn lichaam.” Daarop zei onze Meester Rasûlullah: “O Fâtima! Weet je wie er aan de deur staat? Het is hij die de genietingen verwoest, die de samenkomsten uiteendrijft, die de vrouwen als weduwen en de kinderen als wezen achterlaat, die de huizen tot puin maakt en de graven bevolkt: de engel des doods, ’Azrâ’îl. O ’Azrâ’îl, kom binnen!” Toen werd onze moeder Fâtima door een onbeschrijflijke smart overvallen, en uit haar gezegende mond kwamen deze woorden: “Ach, Medina, je bent verwoest!” Onze Profeet nam de hand van Fâtima, legde die op zijn gezegende borst en sloot zijn gezegende ogen. De aanwezigen dachten dat zijn gezegende ziel was genomen. Onze moeder Fâtima kon zich niet meer houden, boog zich naar het gezegende oor van haar vader en riep met een stem die de harten verwondde: “O mijn lieve vader!…” Toen er geen antwoord kwam, zei zij: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Open toch nog één keer uw gezegende ogen en zeg iets tegen mij…” De Meester der werelden opende zijn gezegende ogen, droogde de tranen van zijn dochter en fluisterde haar in het oor dat hij zou overlijden. Daarop begon Fâtima te huilen. Nu fluisterde hij haar in het oor: “Van mijn Ahl al-Bayt ben jij de eerste die bij mij zal komen.” Zij verheugde zich over deze blijde tijding en vond troost.
“O Allah! Vergeef mij! Schenk mij Uw barmhartigheid!… Voeg mij bij de schare van de Rafîq-i a’lâ!…” Hadîth sharîf
Onze moeder Fâtima vroeg: “O mijn lieve vader! Vandaag is de dag van het afscheid! Wanneer zal ik u weer ontmoeten?” Onze Meester Rasûlullah zei: “O mijn dochter! Op de Dag des Oordeels zul je mij aan de rand van het bassin (hawd) vinden. Wie van mijn umma naar het bassin komt, geef ik te drinken.” Toen Fâtima vroeg: “En als ik u daar niet vind, wat moet ik dan doen?”, zei onze Meester de Profeet: “Dan vind je mij bij de Weegschaal (Mîzân). Daar zal ik voorspraak doen voor mijn umma.”
Toen onze moeder Fâtima zei: “En als ik u ook daar niet vind, yâ Rasûlallah?”, zei onze Meester de Profeet: “Dan vind je mij bij de Sirât. Daar zal ik mijn Heer smeken: ‘O mijn Heer! Bescherm mijn umma tegen het vuur!’”
Daarna vroeg ’Alî met een bedroefde stem: “Yâ Rasûlallah! Wie zal u wassen nadat u uw ziel hebt overgegeven, waarin zullen wij u wikkelen, wie zal het gebed voor u leiden en wie zal u in het graf leggen?” Onze Meester de Profeet zei:
“O ’Alî, was jij mij, en laat Fadl ibn ’Abbâs het water voor je gieten. Jibrîl zal de derde van jullie zijn. Wanneer jullie de wassing (ghusl) hebben voltooid, wikkel mij dan in de lijkwade. Jibrîl zal uit het Paradijs een welriekende geur brengen. Breng mij daarna naar de moskee en ga naar buiten. Want eerst Jibrîl, dan Mîkâ’îl, dan Isrâfîl en daarna de engelen, groep na groep, zullen het gebed voor mij verrichten. Kom daarna zelf binnen en ga in rijen staan. Laat niemand vóór mij gaan staan.”11 Daarna vroeg hij ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm, die stond te wachten: “O ’Azrâ’îl! Ben je gekomen voor een bezoek of om mijn ziel te nemen?..”, en ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm zei: “Ik ben zowel als gast als met een opdracht gekomen. Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen alleen met uw toestemming bij u binnen te komen. Ik neem uw gezegende ziel alleen met uw toestemming. Yâ Rasûlallah! Als u toestemming geeft, gehoorzaam ik uw bevel en neem ik uw ziel. Zo niet, dan keer ik terug en ga ik naar mijn Heer.” Onze Meester de Profeet zei: “O ’Azrâ’îl! Waar heb je Jibrîl gelaten?..” ’Azrâ’îl zei: “Ik heb Jibrîl in de hemel van de wereld achtergelaten. De engelen betuigen hem hun deelneming met uw overlijden.” Terwijl zij zo met elkaar spraken, kwam Jibrîl ’alayhis-salâm. Onze Meester Rasûlullah zei: “O mijn broeder Jibrîl! Nu is de tijd gekomen om uit de wereld te vertrekken. Wat is er voor mij bij Allâhu ta’âlâ? Breng mij daarvan de blijde tijding, zodat ik met een gerust hart het toevertrouwde pand aan zijn Eigenaar teruggeef.” Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “O geliefde van Allâhu ta’âlâ! Ik heb de poort van de hemel opengelaten. De engelen staan in rijen en wachten vol liefde op uw ziel.” Onze Meester de Profeet zei: “Alle lof komt Allâhu ta’âlâ toe. Geef jij mij een blijde tijding! Wat is er voor mij bij mijn Heer?..” Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “Yâ Rasûlallah! Vanwege uw komst zijn de poorten van het Paradijs geopend, stromen de rivieren van het Paradijs, hangen de bomen van het Paradijs laag en hebben de hûrî’s zich getooid.”
Onze Meester de Profeet zei opnieuw: “Alle lof komt Allâhu ta’âlâ toe. Geef mij nog een andere blijde tijding, o Jibrîl!..” Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “Yâ Rasûlallah! U bent op de Dag des Oordeels de eerste die voorspraak doet en de eerste wiens voorspraak wordt aanvaard.” Toen onze geliefde Profeet weer zei: “Alle lof komt Allâhu ta’âlâ toe. O Jibrîl! Geef mij nog een andere blijde tijding,” zei Jibrîl ’alayhis-salâm: “Yâ Rasûlallah! Waarnaar vraagt u?..” Daarop zei onze Meester de Profeet: “Al mijn zorg, mijn verdriet en mijn kommer is mijn umma, die ik na mij achterlaat.” Jibrîl zei: “O Habîb van Allâhu ta’âlâ! Op de Dag des Oordeels zal Allâhu ta’âlâ uw umma vergeven tot u tevreden bent. Vóór alle profeten zal Hij u, en vóór alle umma’s zal Hij uw umma het Paradijs binnenlaten.” Onze geliefde Profeet zei tegen Jibrîl ’alayhis-salâm: “Ik heb drie wensen bij Allâhu ta’âlâ: de eerste, dat Hij mij voorspreker maakt voor de zondaars van mijn umma. De tweede, dat Hij hen niet straft voor de zonden die zij in de wereld hebben begaan. De derde, dat op donderdag en maandag de daden van mijn umma aan mij worden voorgelegd. (Als hun daden goed zijn, doe ik een smeekbede en Allâhu ta’âlâ aanvaardt haar. Als zij slecht zijn, doe ik voorspraak en vraag ik dat zij uit het register van daden worden gewist.)” Jibrîl ’alayhis-salâm bracht van Allâhu ta’âlâ het bericht dat ook deze drie wensen waren aanvaard. Daarop was onze geliefde Profeet gerustgesteld.
Allâhu ta’âlâ openbaarde: “O Mijn Habîb! Wie heeft in jouw gezegende hart zoveel liefde en tederheid voor jouw umma gelegd?..” Onze Meester de Profeet antwoordde: “Mijn verheven Heer, Die mij heeft geschapen en opgevoed.” En Janâb-i Haqq zei: “Mijn barmhartigheid en Mijn mededogen voor jouw umma zijn duizendmaal groter dan de jouwe. Laat hen aan Mij over.” Toen zei onze geliefde Profeet: “Nu ben ik gerustgesteld. O ’Azrâ’îl! Voer de taak uit die je bevolen is!” Om zijn taak te vervullen, naderde ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm de tegenwoordigheid van de Sultan van het universum, omwille van wie hijzelf geschapen was. Onze geliefde Profeet doopte zijn beide gezegende handen in de waterkom naast hem, streek met zijn natte handen over zijn gezegende gezicht en zei: “Lâ ilâha illallâh! O Allah! De Rafîq-i a’lâ!…” ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm begon de gezegende ziel van de Meester der werelden te nemen. Het gezegende gelaat van onze Meester Rasûlullah werd nu eens rood, dan weer bleek. Toen hij tegen ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm zei: “Neem je ook de ziel van mijn umma zo hard en met zoveel geweld?..”, antwoordde deze: “Yâ Rasûlallah! Van niemand heb ik de ziel zo gemakkelijk genomen als van u.” Onze geliefde Profeet, die zelfs op zijn laatste ogenblik zijn umma niet vergat, zei: “O ’Azrâ’îl! De hardheid die je mijn umma zou aandoen, doe die mij aan! Want zij zijn zwak, zij zullen het niet verdragen…” Daarna zei hij: “Lâ ilâha illallâh! De Rafîq-i a’lâ!..”, en zijn gezegende ziel werd genomen en naar de hoogste ’Illiyyîn gebracht…
Shafâ’a, yâ Rasûlallah!
Dakhîlak, yâ Rasûlallah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Habîballah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Sayyidal-awwalîna wal-âkhirîn!
Jibrîl ’alayhis-salâm nam afscheid van onze Meester de Profeet met de woorden: “As-salâmu ’alaykum, o Rasûl van Allâhu ta’âlâ! Mijn doel en mijn verlangen was u. Voortaan kom ik niet meer op de aarde!..”
Toen de gezegende ziel van Rasûl-i akram naar de hogere wereld was gegaan, begonnen onze moeder Fâtima en de azwâj-i tâhirât, zijn gezegende echtgenotes (radiyallâhu ’anhunna), stil te huilen.12 Op dat ogenblik groette een stem waarvan men de eigenaar niet zag
“O Fâtima! Weet je wie er aan de deur staat? Het is hij die de genietingen verwoest, die de samenkomsten uiteendrijft, die de vrouwen als weduwen en de kinderen als wezen achterlaat, die de huizen tot puin maakt en de graven bevolkt: de engel des doods, ’Azrâ’îl” Hadîth sharîf
met de woorden: “As-salâmu ’alaykum, o Ahl al-Bayt! Wa rahmatullâhi wa barakâtuh,” en reciteerde het honderdvijfentachtigste edele vers van soera Âl ’Imrân, met de betekenis: “Weet dat iedere ziel de dood zal proeven. En op de Dag des Oordeels zullen jullie je loon volledig ontvangen.” Daarna troostte hij hen en betuigde zijn deelneming met deze woorden: “Vertrouw op de gaven en de vrijgevigheid van Allâhu ta’âlâ. Houd jullie aan Hem vast en stel jullie hoop op Hem. Weeklaag niet! Wie werkelijk door een ramp is getroffen, is hij die van de beloning verstoken blijft!”
Alle aanwezigen hoorden deze woorden en beantwoordden zijn groet. Hij die ze sprak, was Khidr ’alayhis-salâm.13 Toen bij Rasûl-i akram de tekenen van de dood (mawt) zichtbaar werden, had Umm Ayman haar zoon Usâma bericht gestuurd. Toen Usâma, ’Umar en Abû ’Ubayda dit bittere nieuws ontvingen, verlieten zij het leger en kwamen naar de Masjid an-Nabawî. Toen ’Âisha as-Siddîqa en de andere vrouwen huilden, waren de Metgezellen in de Masjid ash-Sharîf ontsteld. Zij begrepen niet wat er gebeurde. Het was alsof zij een slag op het hoofd hadden gekregen. ’Alî bleef roerloos staan, als een dode. ’Uthmân kon geen woord meer uitbrengen. Abû Bakr was op dat ogenblik in zijn huis. Hij kwam aangesneld en ging meteen de Hujra-i Sa’âdat binnen. Hij ontblootte het gezicht van de Trots der wereld en zag dat hij was overleden. Zijn gezegende gezicht en heel zijn lichaam straalden zacht en rein als nûr. “Hoe mooi is uw dood, zoals uw leven, yâ Rasûlallah!” zei hij en kuste hem. Hij huilde veel. Hij bedekte het gezegende gezicht. Hij troostte de huisgenoten. Daarna ging hij naar de Masjid ash-Sharîf. Hij besteeg de minbar en hield een khutba voor de Metgezellen. Hij loofde en prees Allâhu ta’âlâ, en nadat hij de salawât over Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had uitgesproken, zei hij: “Wie in Muhammad ’alayhis-salâm heeft geloofd, laat hij weten dat Muhammad ’alayhis-salâm is overleden. Wie Allâhu ta’âlâ aanbidt, laat hij weten: Hij is Hayy (levend) en Bâqî (Hij sterft niet, Hij is eeuwig).” Daarna reciteerde hij het honderdvierenveertigste edele vers van soera Âl ’Imrân, met de betekenis: “Muhammad (’alayhis-salâm) is een rasûl. Vóór hem zijn ook rasûls gekomen. Ook hij zal sterven. Als hij overlijdt of gedood wordt, zullen jullie dan van jullie religie afkeren? Wie van zijn religie afvalt, schaadt Allâhu ta’âlâ niet. Hij schaadt alleen zichzelf. Aan hen die niet van hun religie afkeren, geeft Allâhu ta’âlâ beloningen.” Hij vermaande de Metgezellen en bracht de orde terug.14 Zo werden allen ervan overtuigd dat Rasûlullah was overleden. Smart en droefheid drongen als een vergiftigde dolk in het hart van de Metgezellen. De ogen huilden, de tranen stroomden, en het vuur van het verlangen verschroeide ieders binnenste. Als eerste daad kozen de Metgezellen (’alayhimur-ridwân) Abû Bakr tot kalief, om alle zaken te besturen. Zij zwoeren hem trouw (bay’a), volgden hem en begonnen de zaken naar zijn bevel te regelen.15 Rasûl-i akram verhuisde in het elfde jaar van de Hijra (632 n.Chr.), op de twaalfde van de maand Rabî’ al-awwal, op een maandag, vóór de middag naar het hiernamaals. Hij was toen volgens het maanjaar 63 (volgens het zonnejaar 61) jaar oud.16
’Alî, ’Abbâs, Fadl ibn ’Abbâs en Usâma ibn Zayd wasten onze Meester de Profeet.17
“Vertrouw op de gaven en de vrijgevigheid van Allâhu ta’âlâ. Houd jullie aan Hem vast en stel jullie hoop op Hem. Weeklaag niet! Wie werkelijk door een ramp is getroffen, is hij die van de beloning verstoken blijft!” Khidr ’alayhis-salâm
Mihrâb-i Sharîf – Rawda-i Mutahhara / Masjid an-Nabawî
Het deel van de Masjid ash-Sharîf van onze Meester de Profeet (’alayhis-salâtu was-salâm) dat “Rawda-i Mutahhara / Tuin van het Paradijs” wordt genoemd. Men ziet de mihrâb waar onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) als imam het gebed leidde. Hoewel het op deze foto niet te zien is, bevindt zich aan de linkerkant zijn gezegende graf (de Hujra-i Sa’âdat).
Minbar-i Sharîf – Rawda-i Mutahhara / Masjid an-Nabawî
Men ziet de minbar waarop onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de vrijdagkhutba hield. De minbar sharîf van die tijd had drie treden en was een meter hoog. Bij de brand van het jaar 654 (1256 n.Chr.) ging hij volledig in vlammen op. In verschillende jaren zijn verschillende minbars gemaakt; de huidige marmeren minbar, met twaalf treden en zeven meter hoog, werd in het jaar 998 van de Hijra (1590 n.Chr.) door sultan Murâd Khan III uit Istanbul gezonden.
Tijdens de wassing verspreidde zich uit zijn gezegende lichaam zo’n geur van muskus als niemand ooit tevoren had geroken. Daarna werd hij, met zijn gezegende hemd nog aan, drie keer gewassen en in drie lagen nieuwe witte lijkwade gewikkeld. Hij werd op een baar naar de moskee gedragen. Zoals onze geliefde Profeet tevoren had meegedeeld, ging iedereen de moskee uit. De engelen kwamen groep na groep en verrichtten het gebed voor hem. Toen de engelen klaar waren, zei een stem waarvan men de eigenaar niet zag: “Kom binnen! Verricht het gebed voor jullie Profeet!” Daarop gingen de Metgezellen naar binnen. Ook zij kwamen groep na groep en verrichtten zonder imam het lijkgebed voor onze geliefde Profeet. Pas tegen de avond van woensdag konden zij het voltooien. Bij het graven van het gezegende graf van onze geliefde Profeet volgden de Metgezellen deze hadîth sharîf, waaraan Abû Bakr hen herinnerde: “De profeten worden begraven op de plaats waar zij hun ziel overgeven.” Hij werd, tegen middernacht van de nacht die dinsdag met woensdag verbindt (de nacht van woensdag), begraven in het gezegende graf dat Abû Talha Ansârî in de vorm van een lahd (zijnis) had gegraven. Qutham, de zoon van ’Abbâs, was de laatste die, na zijn dienst in het graf, eruit kwam. Hij zei: “Ik ben de laatste die het gezegende gezicht van Rasûlullah heeft gezien. Zijn gezegende lippen bewogen. Ik boog mij over hem heen en luisterde. Hij smeekte: ‘O mijn Heer! Mijn umma!… O mijn Heer! Mijn umma!..’”18 Op de dag waarop onze geliefde Profeet naar het hiernamaals verhuisde, deed ’Abdullah ibn Zayd de smeekbede: “O mijn Heer! Ik wilde deze ogen om naar het gezegende, stralende gezicht van Uw Habîb te kijken. Nu hij niet meer te zien is, wat moet ik er nog mee? O mijn Heer, neem mijn ogen!”, en hij werd blind…
Bij het overlijden van onze Meester Rasûlullah sprak zijn geëerde tante Safiyya bint ’Abdulmuttalib (radiyallâhu ’anhâ) deze klaagzang uit:
Yâ Rasûlallah! U was onze hoop,
U was het die ons altijd goed deed.
U was nooit een van hen die onrecht doen,
U was van de barmhartigen, die de weg wijzen,
En een oceaan van kennis die niet te beschrijven is.
Wie vandaag weeklaagt, weeklaagt om u.
Mogen al mijn voorvaderen voor uw weg geofferd worden!
Mijn bezit, mijn leven, heel mijn bestaan geofferd!
Ach! Leefde u nu nog maar onder ons,
Hoe gelukkig zouden wij zijn, als u was gebleven!
Dit is het besluit van Haqq ta’âlâ; “Geduld!” zeggen wij,
Wij weten niet wat te doen, wij weeklagen slechts.
De groet van Allah zij met u, yâ Rasûlallah!
Moge u het Paradijs van ’Adn binnengaan en daar blijven, yâ Rasûlallah!
