HET VOORVAL BIJ RAJÎ’
‘Âsim ibn Thâbit, een van de beste boogschutters in de Slag bij Uhud, had in die slag de afgodendienaren Musâfi’ ibn Talha en diens broer Hârith gedood. Hun moeder, Sulâfa bint Sa’d, die erom bekendstond dat zij zeer wrokkig was, beloofde honderd kamelen aan wie haar het hoofd zou brengen van ’Âsim ibn Thâbit, die haar beide zonen had gedood. Zij zwoer wijn te drinken uit de schedel van ’Âsim. Bovendien sloten de zonen van Lihyân een overeenkomst met de stammen ’Adal en Qâra, omdat ’Abdullah ibn Unays in een expeditie (sariyya) die onze Meester Rasûlullah had uitgezonden, Khâlid ibn Sufyân van de zonen van Lihyân had gedood. Deze twee stammen, die in de omgeving van Mekka woonden, maakten een plan en bereidden gezanten voor. Zij zeiden tegen hen: “Zeg dat jullie moslim zijn geworden. Zeg: ‘Wij zullen zakât geven; wij vragen om leraren die haar in ontvangst nemen en ons de islam leren.’ Een deel van hen die komen, doden wij, en zo nemen wij onze wraak. Het andere deel brengen wij naar Mekka en verkopen wij aan de Quraysh.”
In de maand Safar van het vierde jaar van de Hijra kwam een delegatie van zes of zeven man van deze twee stammen naar onze Meester de Profeet en zei: “Wij zijn moslim geworden; stuur ons leraren die ons de Qur’ân al-karîm en de religie leren.”
In die tijd had onze geliefde Profeet een expeditie van tien man voorbereid om na te gaan of de afgodendienaren van Mekka zich al dan niet op oorlog voorbereidden. Toen er ook zo’n delegatie van de stammen ’Adal en Qâra kwam en om leraren vroeg, stuurde hij deze verkenningseenheid van tien man met de nieuwkomers mee, om de toestand te onderzoeken, na te gaan en hem erover te berichten.
Tot deze expeditie behoorden van de Metgezellen Marthad ibn Abî Marthad, Khâlid ibn Abî Bukayr, ’Âsim ibn Thâbit, Khubayb ibn ’Adiyy, Zayd ibn Dathinna, ’Abdullah ibn Târiq, Mu’attib (Mughîr) ibn ’Ubayd en nog drie Metgezellen van wie de namen niet bekend zijn (radiyallâhu ’anhum).
Deze verkenningseenheid verborg zich overdag en trok ’s nachts verder, en zo kwam zij op een dag tegen het ochtendgloren bij het water van Rajî’ aan. Daar rustten zij een tijdje en aten zij van de goede Medinese dadelsoort die ’ajwa heet. Daarna vertrokken zij, beklommen een nabijgelegen berg en verborgen zich.
Een vrouw van de stam Hudhayl die schapen hoedde, was ook bij het water van Rajî’ gekomen. Toen zij de dadelpitten zag, begreep zij dat daar Medinese dadels waren gegeten. Zij riep: “Hier zijn mensen uit Medina geweest!” en waarschuwde haar stam.
Op dat moment verliet een van de leden van de delegatie van de stammen ’Adal en Qâra, die bij deze expeditie van tien Metgezellen was, hen onder een voorwendsel. Hij ging onmiddellijk naar de zonen van Lihyân en bracht hen op de hoogte.
Op dit bericht kwamen de zonen van Lihyân in actie. Zij stuurden een strijdmacht van tweehonderd man, van wie honderd boogschutters, op deze kleine expeditie af. Deze horde afgodendienaren vond ’Âsim ibn Thâbit en zijn makkers op de top van de berg en omsingelde hen. Intussen voegde ook de man die de afgodendienaren over de tien Metgezellen had ingelicht, zich bij hen. Toen begrepen de Metgezellen dat zij waren misleid; zij besloten te strijden en trokken hun zwaarden. Toen de afgodendienaren dit merkten, probeerden zij hen te misleiden met de woorden: “Als jullie naar ons afdalen, zullen wij niemand van jullie doden. Dat beloven wij stellig. Bij Allah, wij willen jullie niet doden. Maar wij willen voor jullie losgeld (fidya) van de Mekkanen loskrijgen.”
“Voor hen die, nadat zij gewond waren geraakt, toch gehoor gaven aan de oproep van Allâhu ta’âlâ en Zijn Profeet, en vooral voor hen onder hen die het goede doen en zich voor het kwade hoeden, is er een zeer grote beloning” Âl ’Imrân: 172
Het voorval bij Rajî’
’Âsim ibn Thâbit, Marthad ibn Abî Marthad en Khâlid ibn Abî Bukayr (radiyallâhu ’anhum) wezen al hun voorstellen af met de woorden: “Wij aanvaarden nooit de woorden en de beloften van afgodendienaren.” ’Âsim ibn Thâbit zei: “Ik heb gezworen nooit de bescherming van afgodendienaren te aanvaarden. Bij Allah, ik laat mij niet door hun bescherming en hun woorden misleiden om af te dalen en mij over te geven.” Hij hief zijn handen op en deed de smeekbede: “O Allah! Breng Uw Profeet op de hoogte van onze toestand.” Allâhu ta’âlâ aanvaardde de smeekbede van ’Âsim en bracht onze Meester Rasûlullah van hen op de hoogte.
’Âsim zei tegen de afgodendienaren: “Wij zijn niet bang om te sterven, want wij hebben inzicht in onze religie (als wij sterven, worden wij martelaar en gaan wij naar het Paradijs).” Toen het hoofd van de afgodendienaren zei: “O ’Âsim! Stort jezelf en je makkers niet in het verderf; geef je over!”, antwoordde ’Âsim ibn Thâbit met pijlen. Terwijl hij zijn pijlen afschoot, droeg hij deze versregels voor:
Ik ben sterk, mij ontbreekt niets.
De dikke pees van mijn boog is gespannen.
De dood is waarheid, het leven ijdel en vergankelijk.
Al wat beschikt is, zal geschieden.
Vroeg of laat keren de mensen tot Allah terug.
Als ik niet met jullie strijd,
Verliest mijn moeder (van verdriet) haar verstand.
In de koker van ’Âsim zaten zeven pijlen. Met iedere pijl die hij afschoot, doodde hij een afgodendienaar. Toen zijn pijlen op waren, doorstak hij er velen met zijn lans. Maar ook zijn lans brak. Meteen trok hij zijn zwaard, brak de schede en wierp die weg. (Dat betekende: “Ik zal strijden tot ik sterf; ik geef mij niet over.”) Daarna deed hij deze smeekbede: “O Allah! Tot vandaag heb ik Uw religie beschermd. Ik smeek U om aan het einde van deze dag mijn lichaam te beschermen en te bewaren.” De roepen “Allâhu akbar!” van ’Âsim ibn Thâbit en de andere Metgezellen deden de bergen weergalmen. Tien mujâhids streden op leven en dood tegen tweehonderd man, en wie hen naderde, kreeg de straf voor wat hij deed. Ten slotte viel ’Âsim (radiyallâhu ’anh), aan beide benen gewond, op de grond. Omdat de ongelovigen zeer bang voor hem waren, durfden zij hem zelfs toen hij was gevallen niet te naderen, en zij maakten hem van een afstand met pijlen tot martelaar. Die dag werden van de tien Metgezellen die daar waren zeven martelaar en werden er drie gevangengenomen.
De zonen van Lihyân wilden het gezegende hoofd van ’Âsim ibn Thâbit afhakken om het aan Sulâfa bint Sa’d te verkopen. Maar omdat Allâhu ta’âlâ de smeekbede van ’Âsim ibn Thâbit had aanvaard, stuurde Hij een zwerm bijen. Als een wolk bleven zij boven ’Âsim ibn Thâbit hangen. De afgodendienaren konden hem niet naderen. Ten slotte zeiden zij: “Laat maar; als het avond wordt, gaan de bijen uiteen, en dan hakken wij zijn hoofd af en nemen het mee.”
’s Avonds liet Allâhu ta’âlâ een hevige regen vallen. Door de dalen stroomden stortvloeden, die het gezegende lichaam van ’Âsim ibn Thâbit meenamen naar een onbekende plaats. Hoe de afgodendienaren ook zochten, zij vonden het niet. Daardoor slaagden zij er niet in ook maar iets van ’Âsim ibn Thâbit af te snijden.
“O Allah! Tot vandaag heb ik Uw religie beschermd. Ik smeek U om aan het einde van deze dag mijn lichaam te beschermen en te bewaren” ’Âsim ibn Thâbit (radiyallâhu ’anh)
Wanneer men vertelde hoe de bijen ’Âsim hadden beschermd, zei ’Umar: “Allâhu ta’âlâ beschermt Zijn gelovige dienaar zeker. Zoals ’Âsim ibn Thâbit zich tijdens zijn leven voor de afgodendienaren hoedde, zo heeft Allâhu ta’âlâ na zijn dood zijn lichaam beschermd en niet toegelaten dat de afgodendienaren het aanraakten.” Daarom werd ’Âsim ibn Thâbit, wanneer men over hem sprak, “degene die door de bijen werd beschermd” genoemd.1
De drie Metgezellen die gevangen waren genomen, waren Khubayb ibn ’Adiyy, Zayd ibn Dathinna en ’Abdullah ibn Târiq (radiyallâhu ’anhum). De zonen van Lihyân bonden alle drie vast met boogpezen. Van hen weigerde ’Abdullah ibn Târiq zich naar de afgodendienaren van Mekka te laten brengen. Hij verzette zich om niet mee te gaan. Hij riep: “Mijn makkers die als martelaar zijn gevallen, zijn met het Paradijs geëerd!” Hij rukte de boeien van zijn handen los, maar de zonen van Lihyân stenigden hem en maakten ook hem tot martelaar. Khubayb ibn ’Adiyy en Zayd ibn Dathinna hadden geduld, met de gedachte: “Misschien krijgen wij de gelegenheid de verkenningsopdracht uit te voeren die Rasûlullah ons heeft gegeven.”
De zonen van Lihyân brachten hen beiden naar Mekka. De afgodendienaren van wie verwanten in de slagen bij Badr en Uhud waren gedood, brandden van haat en wraakzucht en zochten een gelegenheid. Een van de afgodendienaren, Hujayr ibn Abî Ihâb Tamîmî, kocht Khubayb om zijn in de Slag bij Badr gedode broer te wreken, en Safwân ibn Umayya kocht Zayd ibn Dathinna om zijn in de Slag bij Badr gedode vader Umayya ibn Khalaf te wreken. Het voornemen van de afgodendienaren was hen beiden te doden. Maar omdat het de maanden waren waarin zij het voeren van oorlog verboden achtten, sloten zij hen op en wachtten zij tot die tijd voorbij was. Zij sloten hen op verschillende plaatsen op. Beide Metgezellen toonden in deze gevangenschap groot geduld, uithoudingsvermogen en adel.
Mâwiya, een vrijgelaten slavin die woonde in het huis waar Khubayb ibn ’Adiyy gevangen werd gehouden (deze vrouw werd later moslim), vertelde:
“Khubayb werd opgesloten in een kamer van het huis waar ik woonde. Ik heb nooit een betere gevangene gezien dan hem. Op een dag keek ik en zag dat hij een enorme tros druiven in zijn hand had, zo groot als een kan. Hij at ervan. Elke dag zag men hem met zo’n tros druiven in zijn hand. In dat seizoen, en dan nog wel in Mekka, was het volstrekt onmogelijk druiven te vinden. Allâhu ta’âlâ gaf hem zijn levensonderhoud. In de kamer waar hij gevangen zat, verrichtte hij het gebed en reciteerde hij de Qur’ân al-karîm. De vrouwen die hem de Qur’ân al-karîm hoorden reciteren, huilden en hadden medelijden met hem. Wanneer ik soms vroeg: ‘Heb je een wens?’, zei hij: ‘Geef mij zoet water, breng mij geen vlees van dieren die voor de afgoden zijn geslacht, en laat het mij van tevoren weten wanneer zij mij gaan doden; meer wil ik niet.’ Toen de dag was vastgesteld waarop zij hem zouden doden, ging ik het hem vertellen. Toen hij het hoorde, veranderde er niets aan hem en toonde hij niet het minste teken van droefheid.
Toen die dag naderde, zei hij dat hij zich vóór zijn dood wilde reinigen, en hij vroeg om een scheermes. Ik gaf mijn kind een scheermes in de hand en stuurde het naar hem toe. Toen het kind bij hem binnenging, werd ik plotseling bang. Ik zei: ‘Wee mij! Die man snijdt het kind met het scheermes de keel af. Hij wordt toch hoe dan ook gedood.’ Ik rende om naar het kind te kijken. Khubayb had het scheermes dat ik had gestuurd uit de hand van het kind genomen en het kind op zijn knie gezet om het te liefkozen. Toen ik dat zag, schrok ik hevig en begon ik te gillen. Hij begreep wat er aan de hand was en zei: ‘Denk je dat ik dit kind ga doden? In onze religie bestaat zoiets niet. Onrechtmatig een leven nemen past niet bij onze toestand en onze waardigheid.’”
De dag was aangebroken die de afgodendienaren hadden vastgesteld om Khubayb ibn ’Adiyy en Zayd ibn Dathinna te doden. Die dag maakten zij ’s morgens vroeg de kettingen van de gevangenen los en brachten zij hen buiten Mekka naar de plaats die Tan’îm heet. (Tan’îm ligt op 5–8 km van de Ka’ba. De berg die daar ligt, heet ook de berg Tan’îm.) De bevolking van Mekka en de vooraanstaanden van de afgodendienaren hadden zich verzameld om hun terechtstelling bij te wonen. Rondom stond een grote menigte.
Op de plaats waar zij de gevangenen zouden terechtstellen, hadden de afgodendienaren twee galgen opgericht. Toen zij Khubayb aan de galg wilden ophijsen en vastbinden, zei hij: “Laat mij los; laat mij een gebed van twee rak’a’s verrichten.” Zij lieten hem los en zeiden: “Verricht het daar.” Khubayb begon onmiddellijk aan het gebed en verrichtte in nederige overgave (khushû’) een gebed van twee rak’a’s. De verzamelde afgodendienaren, de vrouwen en de kinderen keken vol spanning naar hem. Toen hij zijn gebed had beëindigd, zei hij: “Bij Allah, als jullie niet zouden denken dat ik het gebed uit angst voor de dood rekte, zou ik het hebben gerekt en er meer hebben verricht.” De eerste die bij zijn terechtstelling een gebed van twee rak’a’s verrichtte, en daarmee de oorzaak werd dat dit een gewoonte en een sunna werd, was Khubayb ibn ’Adiyy. Toen onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) hoorde dat hij bij zijn terechtstelling een gebed van twee rak’a’s had verricht, vond hij deze daad van hem gepast en juist.2
Nadat hij zijn gebed had verricht, hesen zij Khubayb aan de galg en bonden zij hem vast. Zij keerden zijn gezicht van de qibla af, in de richting van Medina. Daarna zeiden zij: “Kom, keer je af van je religie! Dan laten wij je vrij.” Hij antwoordde: “Bij Allah, ik keer mij niet af! Al was de hele wereld van mij en werd zij mij gegeven, dan nog zou ik mij niet van de islam afkeren!”
Toen de afgodendienaren dit antwoord kregen, zeiden zij: “Zou je nu willen dat Muhammad in jouw plaats was en dat hij werd gedood? Als je ‘ja’ zegt, ben je gered en kun je rustig thuis zitten!” Khubayb zei: “Ik zou er zelfs nooit mee instemmen dat er een doorn in de voet van Muhammad ’alayhis-salâm zou dringen!”
Spottend en lachend zeiden de afgodendienaren: “O Khubayb! Keer je af van de religie van de islam! Als je je niet afkeert, doden wij je beslist!” Khubayb antwoordde hun: “Nu ik op de weg van Allâhu ta’âlâ ben, heeft gedood worden voor mij geen enkel belang.”
Daarna deed Khubayb deze smeekbede: “O Allah! Hier zie ik geen ander gezicht dan dat van de vijand. O Allah! Breng Uw Rasûl mijn groet over. Laat Uw Rasûl weten wat ons is aangedaan!”, en hij zei: “As-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah.” Op het moment dat Khubayb deze smeekbede deed, zat onze geliefde Profeet met de Metgezellen bijeen. Zayd ibn Hâritha vertelde: “Op een dag, toen Rasûlullah met zijn Metgezellen zat, zei hij: ‘Wa ‘alayhis-salâm.’ De Metgezellen zeiden: ‘Yâ Rasûlallah! Op wiens groet is dit het antwoord?’ Hij zei: ’Het is het antwoord op de groet van onze broeder Khubayb. Jibrîl (’alayhis-salâm) heeft mij de groet van Khubayb overgebracht.’”3
De afgodendienaren van de Quraysh die zich rond Khubayb hadden verzameld, zeiden: “Daar is de man die jullie vaders heeft gedood,” en zij hitsten de jongeren met hun lansen tegen hem op; die begonnen zijn gezegende lichaam te verwonden. Op dat moment keerde het gezicht van Khubayb zich naar de Ka’ba. De afgodendienaren draaiden het in de richting van Medina. Khubayb deed de smeekbede: “O Allah! Als ik bij U een aanvaarde dienaar ben, keer dan mijn gezicht naar de qibla.” Zijn gezicht keerde zich opnieuw naar de qibla. Geen van de afgodendienaren slaagde erin zijn gezicht naar een andere kant dan de Ka’ba te draaien. Intussen droeg Khubayb op de galg een gedicht voor waarin hij verwoordde dat hij eenzaam, als vreemdeling tussen de vijanden, tot martelaar werd gemaakt. Toen de afgodendienaren hem begonnen te martelen door de lansen in hun handen in zijn lichaam te stoten, zei hij: “Bij Allah, nu ik als moslim word gedood, treur ik er niet om op welke zijde ik val wanneer ik word getroffen! Dit alles is op de weg van Allâhu ta’âlâ.”
“Ik zou er zelfs nooit mee instemmen dat er een doorn in de voet van Muhammad ’alayhis-salâm zou dringen!” Khubayb ibn ’Adiyy (radiyallâhu ’anh)
Daarna sprak Khubayb deze verwensing uit over de afgodendienaren: “O Allah! Vernietig alle afgodendienaren van de Quraysh! Verstrooi hun gemeenschappen! Neem hun levens een voor een; laat niemand van hen in leven!” Toen de afgodendienaren deze verwensing hoorden, werden zij zeer bang, en een deel van hen vluchtte weg. Sommigen van de achterblijvers begonnen de een na de ander hun lansen in hem te stoten; een van hen stak zijn lans in zijn borst, en de lans kwam er bij zijn rug weer uit. Terwijl het bloed uit zijn lichaam gutste en hij, aan de galg heen en weer zwaaiend, zijn laatste adem uitblies, werd Khubayb martelaar met de woorden: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh.”4
Het lichaam van Khubayb ibn ’Adiyy (radiyallâhu ’anh) bleef veertig dagen aan de galg hangen. Zijn lichaam verging niet en ging niet stinken. Er bleef voortdurend vers bloed uit vloeien. Onze geliefde Profeet stuurde de Metgezellen Zubayr ibn ’Awwâm en Miqdâd ibn Aswad om zijn lichaam te halen. Zij gingen ’s nachts in het geheim Mekka binnen. Zij haalden Khubayb neer van de galg waaraan hij hing, laadden hem op een kameel en gingen op weg naar Medina. Toen de afgodendienaren dit vernamen, kwamen zij in een grote menigte op hen af. Om zich te verdedigen, legden de twee Metgezellen het lichaam op de grond. Even later zagen zij dat de aarde op de plaats waar zij het lichaam hadden neergelegd, openspleet, het lichaam opnam en zich weer sloot. Daarop vervolgden zij hun weg naar Medina.
Ook Zayd ibn Dathinna bonden zij vast aan de andere galg die zij hadden opgericht. Zij probeerden hem te dwingen zich van zijn religie af te keren. Maar de afgodendienaren bereikten niets anders dan dat het geloof van Zayd sterker werd. Daarop overstelpten zij Zayd met een regen van pijlen. Ten slotte werd hij door Nistâs, de vrijgelaten slaaf van Safwân ibn Umayya, tot martelaar gemaakt.
