DE SLAG BIJ UHUD
Het derde jaar van de Hijra, de maand Shawwâl… De afgodendienaren van Mekka hadden niet alleen geen les getrokken uit de nederlaag die zij in de Slag bij Badr hadden geleden; zij konden ook de bitterheid ervan maar niet vergeten. De Quraysh hadden in die slag veel van hun vooraanstaanden verloren. Dat bovendien de handelsweg naar Syrië (Shâm) onder controle van de moslims was gekomen, bracht hen buiten zichzelf.
De handelskaravaan onder leiding van Abû Sufyân was met honderd procent winst naar Mekka teruggekeerd. Omdat de meesten van hen die kapitaal hadden ingebracht, in de Slag bij Badr waren gedood, werd de winst van de karavaan bewaard in het gebouw dat Dâr an-Nadwa heette, waar de afgodendienaren bijeenkwamen om besluiten te nemen.
Zij die in Badr hun vaders, broers, echtgenoten en zonen hadden verloren, zoals Safwân ibn Umayya, ’Ikrima ibn Abî Jahl en ’Abdullah ibn Rabî’a, wendden zich tot Abû Sufyân en zeiden: “De moslims hebben onze groten gedood. Zij hebben ons te gronde gericht. Nu is de tijd gekomen om ons op hen te wreken. Laten wij met de winst van de karavaan een leger op de been brengen. Laten wij Medina overvallen en onze wraak nemen!”
Omdat felle ongelovigen als Abû Jahl, ’Utba en Shayba al eerder waren gedood, stond Abû Sufyân, die nog geen moslim was geworden, aan het hoofd van de afgodendienaren. Met de handel op Syrië was honderdduizend goudstukken verdiend. De helft daarvan was kapitaal, de helft winst. Het kapitaal werd meteen onder de eigenaars verdeeld; de winst werd in tweeën gedeeld: met de ene helft werden wapens gekocht, met de andere helft werden soldaten geworven. Ook dichters en redenaars kregen een deel. De redenaars en dichters droegen gedichten en klaagliederen voor om het volk op te zwepen en tot de oorlog aan te zetten, en de vrouwen begeleidden hen op tamboerijnen en trommels. De afgodendienaren, wier doel het was de moslims uit Medina te verdrijven, onze geliefde Profeet uit de weg te ruimen en de islam te vernietigen, trokken ook langs de omliggende stammen en verzamelden soldaten.
Ten slotte werd in Mekka een groot leger van 3.000 man op de been gebracht. Van hen droegen er 700 een harnas en waren er 200 te paard; bovendien hadden zij 3.000 kamelen. Dit grote leger, waaraan ook muzikanten en vrouwen deelnamen, stond onder bevel van Abû Sufyân. Zijn vrouw Hind stond aan het hoofd van de vrouwen en ging heel ver in het aanvuren van de afgodendienaren tot de strijd, want in de Slag bij Badr had zij haar vader en twee broers verloren. Zij kon die pijn niet vergeten. Wie niet wilde dat de vrouwen aan de oorlog deelnamen, legde zij het zwijgen op met de woorden: “Denk aan de Slag bij Badr! Jullie zijn uit Badr gevlucht om weer bij jullie vrouwen en kinderen te komen!… Wie voortaan wil vluchten, zal ons tegenover zich vinden!…” Zo hitste zij de Quraysh op en zette zij hen met al haar kracht aan tot de strijd.1
Een van de afgodendienaren, Jubayr ibn Mut’im, had een slaaf die Wahshî heette en zeer bedreven was in het werpen van de speer. Hij was een scherpschutter die raakte waarop hij mikte. Omdat Hamza in Badr ’Utba, de vader van Hind, en Tu’ayma, de oom van Jubayr, had gedood, brandden Hind en Jubayr van een vreselijk verlangen naar wraak op hem. Jubayr zei tegen zijn slaaf Wahshî:
“Als je Hamza doodt, laat ik je vrij en ben je een vrij man!” En Hind beloofde: “Als je hem doodt, geef ik je veel goud en juwelen!”2
“Uhud heeft ons lief, en wij hebben Uhud lief” Hadîth sharîf
Het leger van de Quraysh, dat al zijn voorbereidingen had voltooid, ontrolde zijn vaandels: het ene gaven zij aan Talha ibn Abî Talha, een ander aan iemand van de Ahâbîsh en weer een ander aan Sufyân, de zoon van ’Uwayf.
In Mekka waren de voorbereidingen voltooid. ’Abbâs stuurde onmiddellijk met iemand die hij vertrouwde een brief naar Medina. Daarin meldde hij dat de afgodendienaren een leger van drieduizend man hadden gevormd, van wie zevenhonderd met harnas en tweehonderd te paard, en dat zij drieduizend kamelen en talloze wapens hadden. ’Abbâs liet ook weten dat het leger op het punt stond te vertrekken, en vroeg dienovereenkomstig maatregelen te nemen.
Daarop gaf onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) enkele van zijn Metgezellen opdracht de toestand te onderzoeken. Deze Metgezellen gingen op weg naar Mekka. Onderweg hoorden zij dat het leger van de afgodendienaren in aantocht was, en zij gingen op verkenning uit. In korte tijd voltooiden zij hun taak en keerden haastig naar Medina terug. Wat zij hadden gezien en te weten waren gekomen, stemde overeen met de brief.
De Meester der werelden begon onmiddellijk met de voorbereidingen. Om niet door een plotselinge overval verrast te worden, nam hij bovendien maatregelen door rondom Medina wachtposten te plaatsen. De Metgezellen verzamelden zich in korte tijd en voltooiden hun voorbereidingen. Zij namen afscheid van wie thuis bleven, vroegen elkaar om vergeving en schaarden zich rond de Sultan der profeten.
Het was vrijdag. Onze Meester de Profeet leidde voor zijn Metgezellen het vrijdaggebed. In de khutba (preek) benadrukte hij het belang van jihâd om de religie van Allâhu ta’âlâ te verbreiden, en van de strijd op de weg van Allah. Hij bracht de blijde boodschap dat wie op deze weg sterft, martelaar (shahîd) wordt en naar het Paradijs gaat. Hij maakte bekend dat Allâhu ta’âlâ zal helpen wie tegenover de vijand standhoudt en de moeilijkheden het hoofd biedt.
Rasûl-i akram zei dat hij met zijn Metgezellen wilde overleggen waar de strijd moest worden gevoerd, en hij vertelde een droom die hij die nacht had gehad. Hij zei: “In mijn droom zag ik mijzelf in een stevig harnas. Ik zag dat er in de snede van mijn zwaard Dhu’l-Fiqâr een kerf was gekomen, ik zag een geslacht rund, en daarna zag ik dat er een ram werd gebracht.” Toen de Metgezellen vroegen: “Yâ Rasûlallah! Hoe hebt u deze droom uitgelegd?”, zei hij: “Een stevig harnas aantrekken wijst op Medina, op in Medina blijven. Blijf daar…
Dat ik zag dat er een kerf in de snede van mijn zwaard kwam, wijst erop dat mij schade zal treffen. Het geslachte rund wijst erop dat sommigen van mijn Metgezellen als martelaar zullen sneuvelen. Wat de ram betreft die daarna werd gebracht: de ram wijst op een legereenheid die Janâb-i Haqq, inshâ’allâh, zal doden.”
Volgens een andere overlevering zei hij: “In mijn droom sloeg ik met mijn zwaard op de grond, en de snede brak. Dit wijst erop dat op de dag van Uhud sommigen van mijn Metgezellen als martelaar zullen sneuvelen. Ik sloeg mijn zwaard opnieuw op de grond, en het werd weer zo gaaf als tevoren. Dit wijst erop dat er van Allâhu ta’âlâ een overwinning zal komen en dat de gelovigen zich zullen verenigen.”
In zaken die hem niet door openbaring bekend werden gemaakt, overlegde Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) met zijn Metgezellen en handelde hij daarnaar. Over de vraag waar men de vijand tegemoet moest treden, zeiden sommige Metgezellen: “Laten wij in Medina blijven en een verdedigingsoorlog voeren.” Dit voorstel kwam ook overeen met de wens van onze Meester de Profeet. De groten onder de Metgezellen, zoals Abû Bakr, ’Umar en Sa’d ibn Mu’âdh (radiyallâhu ’anhum), dachten er net zo over als onze Meester de Profeet. Maar de dappere jonge Metgezellen die niet aan de Slag bij Badr hadden kunnen deelnemen, hoorden van onze Meester de Profeet telkens weer over de ajr en het thawâb3 die de Metgezellen van Badr hadden verworven, en over de hoge rangen die de martelaren van Badr hadden bereikt; en telkens waren zij uitermate bedroefd dat zij niet bij die slag waren geweest. Daarom wilden zij de vijand buiten Medina tegemoet treden en van man tot man strijden. Hamza, Nu’mân ibn Mâlik en Sa’d ibn ’Ubâda behoorden tot hen. Khaythama vroeg toestemming om te spreken en zei: “Yâ Rasûlallah! De afgodendienaren van de Quraysh hebben uit verschillende Arabische stammen soldaten verzameld. Op hun kamelen en paarden zijn zij ons gebied binnengedrongen. Zij zullen ons in onze huizen en burchten belegeren en daarna rechtsomkeert maken en weggaan. Achter onze rug zullen zij van alles over ons zeggen. Dat zal hun overmoed doen groeien, en zij zullen nieuwe overvallen beramen. Als wij nu niet tegen hen uittrekken, zullen ook de andere Arabische stammen hun oog op ons laten vallen. Ik hoop dat Allâhu ta’âlâ ons de overwinning op de afgodendienaren zal schenken.
En als het tweede gebeurt, dat is het martelaarschap: daarvan heeft Badr mij beroofd. Terwijl ik er zo naar verlangde! Toen mijn zoon hoorde dat ik aan de Slag bij Badr wilde deelnemen, trok hij met mij het lot. Hij bleek gelukkiger dan ik: hij bereikte de eer van het martelaarschap.
Yâ Rasûlallah! Ik verlang vurig naar het martelaarschap. Vannacht zag ik mijn zoon in een droom, in een prachtige gedaante. Hij wandelde tussen de tuinen en rivieren van het Paradijs en zei tegen mij: ‘Voeg je bij de bewoners van het Paradijs! Ik heb de waarheid bereikt die Allâhu ta’âlâ heeft beloofd!’
Yâ Rasûlallah! Bij Allah, sinds vanmorgen verlang ik er hevig naar mijn zoon gezelschap te houden in het Paradijs. Ik ben ook al op leeftijd. Ik heb geen andere wens meer dan mijn Heer te ontmoeten.
Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Doe een smeekbede tot Allâhu ta’âlâ dat ik martelaar word en de eer krijg mijn zoon in het Paradijs gezelschap te houden!…” zo smeekte hij. Onze Profeet wees zijn verzoek niet af en deed een smeekbede dat hij martelaar zou worden.
Toen onze geliefde Profeet zag dat de meerderheid deze mening was toegedaan, besloot hij de vijand buiten Medina tegemoet te treden. Daarna zei hij: “(O mijn Metgezellen!) Als jullie geduld en standvastigheid tonen, zal Janâb-i Haqq jullie ook deze keer Zijn hulp schenken. Aan ons is het om vastberadenheid en inzet te tonen!”
Nadat hij het namiddaggebed had geleid, ging de Sultan van het universum naar zijn gelukzalige, gezegende huis. Abû Bakr en ’Umar gingen achter hem aan en traden met zijn toestemming binnen. Zij hielpen Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zijn tulband te winden en zijn harnas aan te trekken. Onze Meester gordde zijn zwaard om en hing zijn schild op zijn rug.
Intussen hadden de Metgezellen zich buiten verzameld en wachtten zij op onze Meester de Profeet. Zij die in Medina wilden blijven en een verdedigingsoorlog wilden voeren, zeiden tegen de anderen: “Rasûlullah was niet van plan Medina te verlaten. Op jullie aandringen heeft hij ermee ingestemd. Maar Rasûlullah ontvangt zijn bevelen van Allâhu ta’âlâ. Laat deze zaak aan hem over. Doe wat hij beveelt.” Ook de anderen kregen spijt van wat zij hadden gedaan en zagen van hun plan af met de woorden: “Laten wij niet tegen Rasûl-i akram ingaan.” Toen onze geliefde Profeet uit zijn huis naar buiten kwam, gingen zij naar hem toe en verontschuldigden zich: “Ons leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Doe zoals u wilt. Als u in Medina wilt blijven, laten wij dan blijven. Wij zoeken onze toevlucht bij Janâb-i Haqq ertegen dat wij tegen uw bevel ingaan.”
“Spreek geen kwaad over mijn Metgezellen! Al zouden jullie goud ter grootte van de berg Uhud als sadaqa geven, het zou niet het thawâb bereiken van een handvol gerst die zij als sadaqa gaven!” Hadîth sharîf
Habîb-i akram zei: “Een profeet trekt het harnas dat hij heeft aangetrokken niet uit zonder te strijden – totdat Allah tussen hem en zijn vijand heeft geoordeeld. Mijn raad aan jullie is deze: als jullie doen wat ik jullie beveel en, de naam van Allâhu ta’âlâ gedenkend, geduld en standvastigheid tonen, zal Allâhu ta’âlâ jullie helpen…”
Op dat moment zei ’Amr ibn Jamûh thuis tegen zijn vier zonen: “Mijn kinderen! Neem mij ook mee op deze veldtocht!” Zijn zonen probeerden hun vader te overtuigen: “Lieve vader! Omdat uw voet gebrekkig is, heeft Allâhu ta’âlâ u vrijgesteld. Rasûlullah heeft u vrijgesteld. U bent niet verplicht ten strijde te trekken. Wij gaan in uw plaats!” Maar ’Amr zei: “Wee zulke kinderen als jullie! Ook bij de Slag bij Badr hebben jullie mij met dezelfde woorden belet het Paradijs te verdienen. Willen jullie mij ook van deze tocht afhouden?…” Daarna ging hij naar onze geliefde Profeet en zei: “Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Mijn zonen voeren allerlei uitvluchten aan en willen mij van deze veldtocht afhouden. Bij Allah, ik wil met u uittrekken en de eer krijgen het Paradijs binnen te gaan. Yâ Rasûlallah! Vindt u het niet goed dat ik op de weg van Allah strijd en, als martelaar gesneuveld, met deze kreupele voeten van mij in het Paradijs rondloop?” De Trots der wereld zei: “Ja, dat vind ik goed.” ’Amr ibn Jamûh was daar zeer blij om; hij maakte zich gereed en voegde zich bij het leger.4
Om in Medina het gebed (salât) te leiden, werd ’Abdullah ibn Umm Maktûm achtergelaten.5
De Sultan der rasûls bond drie vaandels. Het ene gaf hij aan Hubâb ibn Mundhir, het tweede aan Usayd ibn Hudayr en het derde aan Mus’ab ibn ’Umayr. In het leger van ongeveer duizend man waren twee ruiters en honderd man met harnas.6
Op vrijdag, na het namiddaggebed, trok onze geliefde Profeet onder de takbîr-roepen “Allâhu akbar!” naar Uhud, alsof hij naar een feest ging. Voorop gingen Sa’d ibn ’Ubâda en Sa’d ibn Mu’âdh in harnas, rechts de Muhâjirûn en links de Ansâr.
Onderweg kwamen zij een legereenheid van zeshonderd man tegen, die uit joden bestond. Zij waren bondgenoten van ’Abdullah ibn Ubayy ibn Salûl, het hoofd van de huichelaars (munâfiqs), en wilden zich bij het islamitische leger aansluiten. Onze Meester de Profeet vroeg: “Zijn zij moslim geworden?” Men antwoordde: “Nee, yâ Rasûlallah.” Toen zei onze Meester: “Ga naar hen toe en zeg dat zij moeten teruggaan. Want tegen de afgodendienaren vragen wij geen hulp van ongelovigen.” Nabiyy-i muhtaram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) kwam aan bij de plaats die Shaykhayn heet, tussen Medina en Uhud. Daar hielden zij halt om te overnachten. De zon was nog niet ondergegaan. In het leger waren ook Metgezellen die nog kinderen waren, maar die tegen de vijand wilden strijden en de rang van het martelaarschap wilden bereiken. Toen onze geliefde Profeet daar het leger inspecteerde, zag hij dat er ongeveer zeventien kinderen waren.
Een van hen, Râfi’ ibn Khadîj, ging op zijn tenen staan om groter te lijken. Toen Zuhayr zei: “Yâ Rasûlallah! Râfi’ kan goed met pijl en boog schieten,” namen zij hem in het leger op. Toen Samura ibn Jundub dit zag, zei hij: “Ik kan Râfi’ bij het worstelen verslaan. Daarom wil ik ook aan de veldtocht deelnemen.” Onze Meester de Profeet glimlachte en liet hen tegen elkaar worstelen. Toen Samura Râfi’ versloeg, werd ook hij onder de mujâhids opgenomen. De andere kinderen werden naar Medina teruggestuurd om de mensen daar te beschermen.7
De adhân voor het avondgebed en het nachtgebed riep Bilâl Habashî met zijn ontroerende stem. Nadat onze geliefde Profeet het gebed had geleid, stelde hij Muhammad ibn Maslama aan het hoofd van een eenheid van vijftig man en beval hun tot de ochtend de wacht te houden. De Metgezellen trokken zich terug om te rusten. Die nacht viel Dhakwân de eer te beurt aan het hoofdeinde van onze Meester de Profeet de wacht te houden.
Intussen vernam het vijandelijke leger dat het islamitische leger zich in Shaykhayn ter ruste had begeven, en het belastte een ruitereenheid onder bevel van ’Ikrima met het patrouilleren. ’Ikrima, die nog geen moslim was geworden, naderde met zijn eenheid het islamitische leger tot bij de plaats Harra, maar trok zich uit vrees voor de patrouille van de mujâhids terug. Na het ochtendgloren wekte de Meester der werelden zijn Metgezellen. Zij kwamen bij de berg Uhud. Hier konden de twee legers elkaar zien. Bilâl Habashî riep de adhân voor het ochtendgebed met zijn ontroerende stem, die de zielen in vervoering bracht en de harten deed smelten. De mujâhids verrichtten gewapend hun gebed achter onze geliefde Profeet en deden hun smeekbeden. De Sultan van het universum trok een tweede harnas aan en zette zijn helm op zijn gezegende hoofd.
Op dat moment zei ’Abdullah ibn Ubayy, het hoofd van de huichelaars: “Zijn wij hierheen gekomen om ons te laten doden? Waarom hebben wij dat niet van het begin af begrepen?” Met ongeveer 300 huichelaars verliet hij het islamitische leger en keerde hij naar Medina terug.
Zij die geloofden, die één van hart waren, die zonder met de ogen te knipperen hun leven en hun hoofd voor deze zaak inzetten en die ernaar hunkerden de rang van het martelaarschap te bereiken, waren ongeveer zevenhonderd man. Allen beloofden onze geliefde Profeet tot de laatste druppel van hun bloed te beschermen.
De meester der profeten (sallallâhu ’alayhi wa sallam) stelde de mujâhids in slagorde op. Hij plaatste het leger zo dat het de berg Uhud in de rug en Medina voor zich had.
“Een profeet trekt het harnas dat hij heeft aangetrokken niet uit zonder te strijden – totdat Allah tussen hem en zijn vijand heeft geoordeeld” Hadîth sharîf
De Slag bij Uhud
Op de rechtervleugel stelde hij ’Ukkâsha ibn Mihsan als bevelhebber aan, op de linkervleugel Abû Salama ibn ’Abdulasad. Sa’d ibn Abî Waqqâs en Abû ’Ubayda ibn Jarrâh namen vooraan hun plaats in, aan het hoofd van de boogschutters. Aan het hoofd van de troepen met harnas ging Zubayr ibn ’Awwâm staan, aan het hoofd van de troepen zonder harnas, die voorop gingen, Hamza. Aan Miqdâd ibn ’Amr werd de leiding over de achterhoede opgedragen.
Alleen om Allah had hij de mensen lief en had hij afkeer van hen;
Om zichzelf was hij vriend noch vijand, die bron van edelmoedigheid.
Nooit lachte hij luidkeels, nooit schold hij op iets;
Steeds vriendelijk van woord en blij van gelaat was die bron van edelmoedigheid.
Gesierd met schroom en zachtmoedigheid, met goedheid en eerbied,
Liet hij wie kwam smeken nooit in tranen achter, die bron van edelmoedigheid.
Aan de linkerkant van het islamitische leger lag de heuvel ’Aynayn. Op deze heuvel was een smalle pas. Rasûl-i akram plaatste in deze pas vijftig boogschutters onder bevel van ’Abdullah ibn Jubayr. De boogschutters namen hun plaatsen in de pas in. Onze geliefde Profeet kwam bij hen en gaf hun dit stellige bevel:
“Dek ons in de rug. Blijf op jullie plaats en wijk hier in geen geval van. Ook als jullie zien dat wij de vijand verslaan: zolang wij jullie geen bericht sturen, zolang wij niemand naar jullie toe sturen, verlaat jullie plaatsen in geen geval. Ook als jullie zien dat de vijand ons gaat doden of ons heeft gedood, kom ons niet te hulp.
Probeer ons niet tegen hen te beschermen. Telkens wanneer de vijandelijke ruiters zich tegen jullie keren, beschiet hen dan met pijlen, want ruiters kunnen niet oprukken tegen de pijlen die op hen worden afgeschoten. O Allah! Ik neem U tot getuige dat ik hun dit heb overgebracht!” Nadat onze geliefde Profeet deze bevelen enkele keren had herhaald, zei hij: “Ook als jullie zien dat de vogels om onze lijken vechten: zolang ik niemand naar jullie toe stuur, verlaat jullie plaats in geen geval.8 Ook als jullie zien dat wij de ongelovigen verslaan en onder onze voeten vertrappen: zolang ik jullie geen bericht stuur, verlaat jullie plaats nooit!…” Daarna ging hij daar weg en plaatste hij zich aan het hoofd van het leger.
Hij gaf het vaandel aan Mus’ab ibn ’Umayr. Met het vaandel in de hand nam Mus’ab zijn plaats in vóór onze Meester de Profeet.9 Op dat moment kwam Hanzala, die pas getrouwd was, in allerijl van Medina naar Uhud en sloot zich aan bij de rijen van de mujâhids.
Het leger van de afgodendienaren, dat drie dagen eerder bij Uhud was aangekomen, stond onder bevel van Abû Sufyân. Zij stelden zich zo op dat zij Medina in hun rug hadden. De ruiters op de rechtervleugel zouden onder bevel staan van Khâlid ibn Walîd, die op de linkervleugel onder bevel van ’Ikrima. Er wordt overgeleverd dat ook Safwân ibn Umayya een post aan het hoofd van de ruitereenheden kreeg. Het vaandel van de afgodendienaren werd gedragen door Talha ibn Abî Talha.
De krachtsverhouding tussen de twee legers was zeer ongelijk. In aantal, wapens en uitrusting was het leger van de Quraysh meer dan vier keer zo sterk als het islamitische leger.
In het leger van de Quraysh hielden het lawaai en het rumoer niet op; de vrouwen, wier ogen verblind waren door wraakzucht, sloegen op tamboerijnen en trommels, zongen liederen die de soldaten tot de strijd aanzetten, en vroegen de afgoden die zij aanbaden om hulp.
Aan de kant van de mujâhids daarentegen werden smeekbeden gedaan en klonken takbîrs: “Allâhu akbar! Allâhu akbar!…”, en werd Allâhu ta’âlâ om hulp gevraagd, opdat de religie van de islam beschermd en verbreid zou worden.
Onze geliefde Profeet spoorde zijn dappere Metgezellen aan tot jihâd, tot de strijd op de weg van Janâb-i Haqq. Hij vertelde hun over het thawâb dat zij op deze weg zouden verwerven, en zei: “O mijn Metgezellen! Voor hen die gering in aantal zijn, is het zwaar om tegen de vijand te strijden. Als zij standvastigheid en inzet tonen, schenkt Allâhu ta’âlâ hun verlichting. Want Allâhu ta’âlâ is met hen die Hem gehoorzamen… Vraag om de beloning die Allâhu ta’âlâ jullie heeft beloofd…” Ook in de edele verzen over de Slag bij Uhud werd in betekenis gezegd: “(O gelovigen!) Gehoorzaam Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl (in wat zij bevelen), opdat jullie barmhartigheid wordt bewezen.
Haast jullie (wedijver als het ware daarin) om vergeving van jullie Heer te vragen, en naar het Paradijs, waarvan de breedte als die van de hemelen en de aarde is, en dat bereid is voor hen die Allâhu ta’âlâ vrezen. (Deze godvrezenden) geven hun bezit op de weg van Allah, in overvloed en in schaarste. Zij weten hun woede te bedwingen en vergeven de mensen. Allâhu ta’âlâ heeft hen lief die ihsân (het goede) doen.”10
“Hun beloning is vergeving van hun Heer, en Paradijzen waar onder de bomen rivieren stromen. Daarin zullen zij eeuwig verblijven. Hoe mooi is de beloning van hen die zo handelen, die Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl gehoorzamen!”11
“Ook als jullie zien dat wij de ongelovigen verslaan en onder onze voeten vertrappen: zolang ik jullie geen bericht stuur, verlaat jullie plaats nooit!…” Hadîth sharîf
De Metgezellen, wier harten vol îmân waren, uit wier ogen vonken van moed sprongen en die brandden van verlangen om martelaar te worden, konden niet op hun plaats blijven en wachtten op het bevel om zich zo snel mogelijk op de vijand te werpen. Zoals bij de Slag bij Badr bonden ’Alî een witte, Zubayr ibn ’Awwâm een gele en Abû Dujâna een rode tulband om het hoofd. Ook Hamza stak zijn pluim van struisvogelveren op. De twee legers waren elkaar dicht genaderd. De spanning had haar hoogtepunt bereikt.
Weldra zou er een grote veldslag beginnen: aan de ene kant de mujâhids van de islam, die er geen moment voor terugdeinsden tegen hun naaste verwanten te strijden om de religie van Allâhu ta’âlâ te verbreiden; aan de andere kant de vijanden van de islam, die koppig vasthielden aan hun valse wegen.
Toen zij elkaar tot op een pijlschot waren genaderd, dreef een gepantserde afgodendienaar zijn kameel uit de vijandelijke rijen naar voren en daagde hij de mujâhids uit tot een tweegevecht. In de veronderstelling dat iedereen bang voor hem was, herhaalde hij zijn uitdaging drie keer. Toen zag men dat een lange, dappere mujâhid met een gele tulband te voet uit het islamitische leger het strijdveld opliep. Het was Zubayr ibn ’Awwâm (radiyallâhu ’anh), de zoon van de tante van onze Meester de Profeet. Uit het islamitische leger stegen de roepen “Allâhu akbar!…” op, en er werden smeekbeden gedaan voor de overwinning van Zubayr. Men zag dat Zubayr ibn ’Awwâm, zodra hij de afgodendienaar naderde, op diens kameel sprong. Op de kameel ontbrandde een verbeten gevecht. Op dat moment hoorde men onze geliefde Profeet zeggen: “Werp hem op de grond!” Zodra Zubayr dit bevel kreeg, duwde hij zijn tegenstander naar beneden. Daarna sprong hij er zelf achteraan en sloeg hem met zijn zwaard in de nek. Het gehelmde hoofd van de afgodendienaar werd van zijn geharnaste lichaam gescheiden. Onze Meester deed een smeekbede voor Zubayr.
Daarna stormde de vaandeldrager van de afgodendienaren, Talha ibn Abî Talha, het strijdveld op en riep: “Is er onder jullie iemand die tegen mij durft uit te komen?” Tegenover hem trad de leeuw van Allâhu ta’âlâ, ’Alî. Met één slag kliefde hij het hoofd van de vaandeldrager der afgodendienaren, die van top tot teen in harnassen gehuld was, tot aan de kin. Toen onze geliefde Profeet dit zag, sprak hij de takbîr uit: “Allâhu akbar!… Allâhu akbar!…” Toen ook de Metgezellen meededen, deden de takbîr-roepen aarde en hemel weergalmen.12
Toen ’Uthmân ibn Abî Talha, de broer van Talha, zag dat het vaandel van de afgodendienaren op de grond was gevallen, snelde hij het strijdveld op. Hij hief het vaandel op en vroeg om een tegenstander. Tegenover hem trad Hamza. Met de uitroep “O Allah!” liet hij zijn zwaard zo hard op de schouder van ’Uthmân neerkomen dat de afgodendienaar, wiens arm met het vaandel werd afgehouwen, op de grond viel en de geest gaf.13
Toen ditmaal Abû Sa’d ibn Abî Talha zag dat het vaandel van de afgodendienaren opnieuw op de grond was gevallen, liep hij te voet het strijdveld op. Ook hij was van top tot teen gepantserd. Hij raapte het vaandel van het ongeloof (kufr) van de grond op, keerde zich naar het islamitische leger en begon te roepen: “Ik ben de vader van Qutham. Wie kan tegen mij uitkomen?” Onze Meester de Profeet stuurde opnieuw ’Alî op hem af. ’Alî doodde ook deze afgodendienaar, wierp zijn vaandel op de grond en nam daarna zijn plaats weer in tussen de rijen van de mujâhids.
Hierna kwamen nog veel afgodendienaren een voor een het strijdveld op; zij hieven hun gevallen vaandel op en vroegen de mujâhids om een held die tegen hen zou uitkomen. Maar telkens behaalden de dappere Metgezellen met de toestemming van Allâhu ta’âlâ de overwinning. Telkens wanneer een vaandeldrager werd gedood, stegen uit het islamitische leger takbîr-roepen op, en grote droefheid en wanhoop daalden neer over de vijandelijke rijen. Zelfs de vrouwen van de afgodendienaren, wier rumoer tot de hemel opsteeg, beschimpten hun eigen soldaten met de woorden: “Schande over jullie!…”, en zetten hen tegelijk tot de strijd aan met de woorden: “Waar wachten jullie nog op?…”
Wie geeft dit zwaard wat het toekomt?
Op een moment dat geen van beide partijen nog op haar plaats kon blijven, liet onze geliefde Profeet het zwaard zien dat hij in de hand hield. Daarop stond deze versregel geschreven:
Lafheid brengt schande, voorwaarts gaan brengt eer en aanzien;
Door angst ontkomt de mens niet aan zijn lot.
En men hoorde hem zeggen: “Wie neemt dit zwaard van mij aan?” Toen zij dit hoorden, staken veel Metgezellen tegelijk hun hand uit om het te nemen. Toen onze Profeet opnieuw zei: “Wie neemt het om het te geven wat het toekomt?”, zwegen de Metgezellen en hielden zij zich in. Een van hen die vurig om het zwaard vroegen, Zubayr ibn ’Awwâm, zei: “Ik neem het, yâ Rasûlallah.” Onze Profeet gaf het zwaard niet aan Zubayr. Ook de verzoeken van Abû Bakr, ’Umar en ’Alî (radiyallâhu ’anhum) werden door onze Profeet niet ingewilligd.
Abû Dujâna vroeg: “Yâ Rasûlallah! Wat komt dit zwaard toe?” Onze geliefde Profeet zei: “Wat het toekomt, is dat je er de vijand mee slaat tot het krom en verbogen is. Wat het toekomt, is dat je er geen moslim mee doodt en er niet mee voor de ongelovigen vlucht; dat je ermee op de weg van Allah strijdt, totdat Allâhu ta’âlâ je de overwinning of het martelaarschap schenkt.” Toen zei Abû Dujâna: “Yâ Rasûlallah! Ik neem het om het te geven wat het toekomt.” Onze Profeet overhandigde hem het zwaard dat hij in de hand hield.14
Abû Dujâna (radiyallâhu ’anh) was niet alleen zeer moedig en dapper, maar trad op de slagvelden ook zeer listig op en hield zich nauwgezet aan de hadîth sharîf “Oorlog is list”15. Toen Abû Dujâna het zwaard had ontvangen, begon hij trots, waardig en fier naar het slagveld te lopen, terwijl hij verzen opzei. Hij droeg niets anders dan een hemd, en op zijn hoofd zijn rode tulband.
Deze manier van lopen van Abû Dujâna viel bij de Metgezellen niet in goede aarde. Daarop zei onze Meester de Profeet: “Dit is een gang die buiten deze plaatsen (de slagvelden) de toorn van Allâhu ta’âlâ opwekt,” en zo maakte hij bekend dat een trotse gang alleen tegenover de vijand toegestaan is.
Khâlid ibn Walîd, die niet langer kon wachten, ging vanuit de rijen van de afgodendienaren met de troepen onder zijn bevel tot de aanval over. Ook onze geliefde Profeet gaf de Metgezellen, die niet langer op hun plaats konden blijven, het bevel tot de aanval. In een oogwenk was het slagveld vervuld van de roepen “Allâhu akbar!” Helemaal vooraan, aan het hoofd van de troepen zonder harnas, begon Hamza met de zwaarden in zijn handen in te hakken op iedere ongelovige die op hem afkwam. De troepen van Khâlid ibn Walîd, die met grote hartstocht waren aangestormd, werden onmiddellijk teruggeslagen. Daarop beschreef Khâlid ibn Walîd een wijde boog langs de bergpas om het leger in de rug aan te vallen, en kwam hij bij de heuvel ’Aynayn uit. Maar ’Abdullah ibn Jubayr en de vijftig dapperen onder zijn bevel sloegen hen met een hevige pijlenregen terug.
Nu was de strijd in volle gang. Beide partijen streden met al hun kracht. Iedere Metgezel vocht tegen minstens vier afgodendienaren en probeerde terrein te winnen.
“O mijn Metgezellen! Voor hen die gering in aantal zijn, is het zwaar om tegen de vijand te strijden. Als zij standvastigheid en inzet tonen, schenkt Allâhu ta’âlâ hun verlichting” Hadîth sharîf
Hamza riep: “Allâhu akbar! Allâhu akbar!”, en zei tegelijk: “Ik ben de leeuw van Allâhu ta’âlâ!” – en zo rukte hij op, terwijl hij de vijand neersloeg. Safwân ibn Umayya zei tegen de mensen om hem heen: “Waar is Hamza? Wijs hem mij aan,” en hij speurde het slagveld af. Op een gegeven moment viel zijn oog op iemand die met twee zwaarden vocht, en hij vroeg: “Wie is die strijder?” De mensen om hem heen zeiden: “Dat is degene die je zoekt! Hamza!” Safwân zei: “Tot vandaag heb ik nog nooit iemand gezien die zo verbeten en onverschrokken aanvalt om zijn eigen volk te doden.”
Toen de strijd in volle hevigheid woedde, zei Zubayr ibn ’Awwâm, een van de Muhâjirûn, die bedroefd was dat hem het zwaard niet was gegeven, bij zichzelf: “Ik heb Rasûlullah om het zwaard gevraagd, maar hij heeft het aan Abû Dujâna gegeven. Terwijl ik de zoon ben van zijn tante Safiyya. Bovendien ben ik van de Quraysh. En ik had er als eerste om gevraagd. Laat ik eens gaan kijken wat Abû Dujâna meer zal doen dan ik.” Daarna begon hij Abû Dujâna te volgen. Abû Dujâna sprak de takbîr uit met de woorden “Allâhu akbar!” en sloeg iedere afgodendienaar neer die hij tegenkwam. Een van de felste afgodendienaren, een man met een reusachtig lichaam, overal met harnassen bedekt zodat alleen zijn ogen te zien waren, kwam tegenover Abû Dujâna te staan. Eerst viel hij zelf Abû Dujâna aan. Abû Dujâna weerde de slag af met zijn schild. Het zwaard van de afgodendienaar drong in het schild van Abû Dujâna; hij trok eraan, maar kreeg het er niet uit. Nu was het de beurt aan Abû Dujâna. Met één zwaardslag doodde hij zijn tegenstander.
Daarna velde Abû Dujâna iedere ongelovige die hem in de weg kwam, tot hij bij de vrouwen kwam die aan de voet van de berg de afgodendienaren met hun tamboerijnen ophitsten. Maar hoewel hij zijn zwaard al had geheven, zag hij ervan af Hind, de vrouw van Abû Sufyân, te doden.16 Toen Zubayr ibn ’Awwâm dit zag, zei hij bij zichzelf: “Allah en Zijn Rasûl weten beter dan ik aan wie het zwaard moest worden gegeven.” En hij zei: “Bij Allah, ik heb niemand gezien die beter streed en sloeg dan hij.”
Miqdâd ibn Aswad, Zubayr ibn ’Awwâm, ’Alî, ’Umar, Talha ibn ’Ubaydullah, Mus’ab ibn ’Umayr – zij allen waren als onneembare burchten. De roemrijke Metgezellen, die zagen dat onze Meester de Profeet zeer dicht bij de vijand streed en telkens weer aanviel, konden niet op hun plaats blijven. Uit vrees dat Rasûlullah iets zou overkomen, schaarden zij zich om hem heen en gaven zij de in harnassen gehulde vijand geen moment rust. Op dat moment zag men dat ’Abdullah ibn ’Amr als martelaar was gesneuveld. Hij was de eerste martelaar van Uhud. Toen zijn makkers zagen dat hij martelaar was geworden, werden zij als leeuwen en stortten zij zich om het welbehagen van Allâhu ta’âlâ midden tussen de vijand.
Op een moment dat de strijd zeer hevig woedde, kwamen ‘Abdullah ibn Jahsh, het symbool van dapperheid, en Sa’d ibn Abî Waqqâs, de meester der boogschutters, elkaar tegen. Beiden waren op verschillende plaatsen gewond. Sa’d ibn Abî Waqqâs vertelde: “Bij Uhud, op een hevig moment van de strijd, kwam ‘Abdullah ibn Jahsh plotseling naast mij staan, pakte mijn hand en trok mij mee naar de voet van een rots. Hij zei tegen mij: ‘Doe jij hier nu een smeekbede, dan zeg ik “Âmîn”. Dan doe ik een smeekbede, en zeg jij “Âmîn”!’ Ik zei: ‘Goed.’ Ik deed deze smeekbede: ‘O Allah! Stuur mij zeer sterke en taaie vijanden. Laat mij meedogenloos met hen strijden. Laat mij hen allen doden. Laat mij als ghâzî (overwinnaar) terugkeren.’ Op deze smeekbede van mij zei hij met heel zijn hart: ‘Âmîn.’
Daarna begon hij zelf een smeekbede te doen: ‘O Allah! Stuur mij taaie vijanden, en laat mij meedogenloos met hen strijden. Laat mij de jihâd geven wat hem toekomt. Laat mij hen allen doden. Laat ten slotte een van hen mij tot martelaar maken. Laat hij daarna mijn lippen, mijn neus en mijn oren afsnijden. Laat mij met bloed overdekt voor U verschijnen. En wanneer U vraagt: “‘Abdullah! Wat heb je met je lippen, je neus en je oren gedaan?”, laat mij dan zeggen: “O Allah! Daarmee heb ik veel tekortkomingen begaan; ik heb ze niet gebruikt zoals het moest. Ik schaamde mij ze voor U te brengen. In een strijd waarin mijn geliefde Profeet aanwezig was, raakte ik met stof en aarde bedekt, en zo ben ik gekomen.”’ Mijn hart wilde op zo’n smeekbede geen “Âmîn” zeggen. Maar omdat hij het wilde en ik vooraf mijn woord had gegeven, zei ik met tegenzin “Âmîn”.
Daarna trokken wij onze zwaarden en zetten wij de strijd voort. Wij doodden allebei wie ons voor de voeten kwam. Hij viel met uitzonderlijke dapperheid aan en bracht de vijandelijke rijen volledig in verwarring. Hij sloeg telkens weer op de vijand in en wierp zich met een onuitputtelijk verlangen naar het martelaarschap opnieuw in de aanval. Terwijl hij streed onder de roep ‘Allâhu akbar! Allâhu akbar!…’, brak zijn zwaard. Op dat ogenblik reikte onze geliefde Profeet hem een tak van een dadelpalm aan en beval hem de strijd voort te zetten. Deze tak werd door een wonder (mu’jiza) een zwaard, en hij bleef strijden tegen ieder die hem voor de voeten kwam. Hij doodde zeer veel vijanden. Tegen het einde van de strijd bereikte hij het martelaarschap waarnaar hij verlangde, door de pijlen van een afgodendienaar die Abu’l-Hakam heette. Toen hij martelaar was geworden, stortten de ongelovigen zich op zijn lichaam en sneden zijn neus, zijn lippen en zijn oren af. Hij was overal met bloed bedekt.”
In de rijen van de mujâhids bevond zich een man die Quzmân heette. Hij brak de schede van zijn zwaard, riep: “Sterven is veel beter dan vluchten!” en stortte zich met getrokken zwaard tussen de afgodendienaren. Quzmân toonde veel dapperheid en heldenmoed. In zijn eentje doodde hij zeven of acht ongelovigen. Ten slotte raakte hij gewond en viel hij op de grond. De Metgezellen, verbaasd over deze heldenmoed, vertelden het aan onze Meester de Profeet, en hij zei: “Hij is een bewoner van de Hel.” Qatâda ibn Nu’mân ging naar Quzmân toe en zei: “O Quzmân! Gezegend zij je het martelaarschap!” Quzmân antwoordde: “Ik heb niet uit ijver voor de religie gestreden, maar opdat de Quraysh niet naar Medina zouden komen om mijn dadelboomgaard te verwoesten!” Daarna doorboorde hij met een pijl de aderen van zijn pols en maakte hij een einde aan zijn leven. Zo werd de wijsheid begrepen van de woorden van onze Meester de Profeet: “Hij is een bewoner van de Hel!”
Vanaf het begin van de strijd leverden alle Metgezellen, met voorop de Meester der werelden, onze geliefde Profeet, een grote strijd. Met hevige aanvallen sloegen zij het leger van de afgodendienaren terug. De bende afgodendienaren, die met de roep “Lât, ’Uzzâ, Hubal!” nut en hulp vroeg van de afgoden die zij van steen en hout hadden gemaakt en aanbaden, raakte tegenover deze heldenmoed van de mujâhids in wanorde en sloeg op de vlucht. De vrouwen, die gekomen waren om hen tot de strijd aan te zetten, probeerden onder hartverscheurend gejammer de vluchtende soldaten bij te houden.
Toen de afgodendienaren van de Quraysh het slagveld verlieten, de goederen die zij hadden meegebracht achterlieten en naar Mekka begonnen te vluchten, loofden de soldaten van de islam vol vreugde Allâhu ta’âlâ, omdat zij de overwinning hadden bereikt die Hij hun had beloofd. Ondanks hun vele malen grotere aantal en kracht waren de afgodendienaren tegenover de moslims verpletterd. Terwijl zij elkaar op de vlucht onder de voet liepen, zaten de roemrijke Metgezellen hen achterna en sloegen zij wie zij inhaalden neer. In dit tumult haalde Hanzala ibn Abî ’Âmir, die pas getrouwd was, Abû Sufyân in, de opperbevelhebber van het leger van de afgodendienaren, die te paard probeerde te vluchten. Hij sloeg met zijn zwaard tegen de benen van het paard en bracht het ten val. Abû Sufyân, die op de grond was gevallen, begon uit alle macht te schreeuwen: “O Quraysh!… Te hulp!… Ik ben Abû Sufyân! Hanzala wil mij met zijn zwaard in stukken hakken!…” De afgodendienaren die met hem probeerden te vluchten, zagen het wel, maar dachten alleen aan het redden van hun eigen leven en bekommerden zich niet om hun bevelhebber.
“Oorlog is list” Hadîth sharîf
Maar op dat ogenblik stak de afgodendienaar Shaddâd ibn Aswad, die vlak achter Hanzala stond, zijn lans in de rug van Hanzala. Hanzala wilde onder de roep “Allâhu akbar!” nog een uitval doen, maar viel op de grond en werd martelaar, en zijn gezegende ziel vloog naar het Paradijs. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Ik zag dat de engelen Hanzala tussen hemel en aarde in een zilveren schaal met regenwater wasten.” Abû Usayd vertelde: “Toen ik deze woorden van Rasûlullah hoorde, ging ik naar Hanzala toe. Van zijn hoofd druppelde regenwater. Ik keerde terug en bracht dit aan Rasûl-i akram over.” Men noemde Hanzala “Ghasîl al-Malâ’ika”, dat wil zeggen: degene die door de engelen werd gewassen.17
Toen sommige boogschutters in de pas van ’Aynayn zagen dat de afgodendienaren vluchtten, dachten zij dat de strijd voorbij was en verlieten zij hun posten. Hun bevelhebber ’Abdullah ibn Jubayr en twaalf man bleven op hun plaats.18
De dapperheid van ’Alî
Khâlid ibn Walîd, de bevelhebber van de boogschutterseenheid van de Quraysh, wachtte intussen op zijn hoede en probeerde iedere kans te benutten. Toen hij zag dat het aantal mujâhids in de pas was afgenomen, zette hij de ruiters onder zijn bevel in beweging.
Samen met ’Ikrima ibn Abî Jahl kwam Khâlid in een oogwenk bij de pas van ’Aynayn aan. ’Abdullah ibn Jubayr en zijn trouwe, toegewijde makkers stelden zich in een rij op, ruim uit elkaar. Zij lieten pijlen op de vijand neerregenen tot de pijlen in hun kokers op waren. Daarna streden zij met hun lansen, en toen het op een gevecht van man tot man aankwam, verrichtten zij onder de roepen “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” met hun zwaarden talloze heldendaden. Tussen de gelovigen en de ongelovigen bestond een zeer ongelijke verhouding: één tegen vijfentwintig. De roemrijke Metgezellen streden tot de laatste druppel van hun bloed om het bevel van hun Profeet uit te voeren. De een na de ander dronk de beker van het martelaarschap; hun gezegende lichamen vielen ter aarde en hun zielen vlogen naar het Paradijs (radiyallâhu ’anhum).
Uit haat trokken de afgodendienaren ’Abdullah zijn kleren uit en doorstaken zij zijn gezegende lichaam met hun lansen. Zij reten zijn buik open en haalden zijn ingewanden eruit.
Nadat Khâlid ibn Walîd en ’Ikrima de mujâhids in de pas tot martelaar hadden gemaakt, vielen zij het islamitische leger snel in de rug aan. Toen de Metgezellen plotseling de vijand achter zich zagen opduiken, hadden zij geen gelegenheid zich te hergroeperen, want velen van hen hadden zelfs hun wapens al neergelegd. Alles veranderde in één klap. Toen de afgodendienaren van de Quraysh, die vooraan op de vlucht waren, zagen dat Khâlid ibn Walîd in de rug tot de aanval was overgegaan, keerden zij terug. De mujâhids zaten tussen twee vuren. De vijand viel van voren en van achteren aan en begon de mujâhids in het nauw te drijven. De Metgezellen verloren het contact met elkaar. Zij waren genoodzaakt zich te verspreiden.19
’Alî vertelde: “Ik stortte mij midden in een eenheid van afgodendienaren, onder wie ook ‘Ikrima ibn Abî Jahl was. Zij omsingelden mij; de meesten van hen joeg ik over de kling. Ik stortte mij in een andere eenheid en schakelde ook van hen zeer velen uit. Omdat mijn tijd nog niet gekomen was, overkwam mij niets. Op een gegeven moment kon ik Rasûlullah niet zien. Ik zei bij mijzelf: ‘Ik zweer dat hij niet iemand is die het slagveld verlaat en weggaat. Allâhu ta’âlâ heeft hem vanwege onze ongepaste daden zeker uit ons midden weggenomen en tot Zich verheven! Nu blijft er voor mij geen andere weg over dan strijdend te sterven,’ en ik brak de schede van mijn zwaard. Toen ik de afgodendienaren aanviel en uiteendreef, zag ik dat Rasûlullah midden tussen hen was achtergebleven. Toen begreep ik dat Allâhu ta’âlâ Rasûlullah met Zijn engelen beschermde.”
De vijandelijke soldaten waren tot vlak bij Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) genaderd. De toestand was zeer gevaarlijk. Onze geliefde Profeet stond er als een steile berg; hij hield stand en week niet van zijn plaats. Terwijl hij tegen de vijand streed, probeerde hij zijn verspreide Metgezellen te verzamelen met de woorden: “O die en die, kom naar mij! O die en die, kom naar mij! Ik ben Rasûlullah.
Voor wie naar mij terugkeert, is er het Paradijs!” Abû Bakr, ’Umar, ’Abdurrahmân ibn ’Awf, Talha ibn ’Ubaydullah, ’Alî ibn Abî Tâlib, Zubayr ibn ’Awwâm, Abû Dujâna, Abû ’Ubayda ibn Jarrâh, Sa’d ibn Mu’âdh, Sa’d ibn Abî Waqqâs, Hubâb ibn Mundhir, Usayd ibn Hudayr, Sahl ibn Hunayf, ’Âsim ibn Thâbit en Hârith ibn Simma (radiyallâhu ’anhum) vormden in een oogwenk een kring rond onze geliefde Profeet en richtten een levende burchtmuur op om hem te beschermen.
Op dat moment hoorde men ’Abbâs ibn ’Ubâda roepen om de verspreide Metgezellen te verzamelen: “O mijn broeders! Deze ramp die ons heeft getroffen, is het gevolg ervan dat wij het bevel van onze Profeet niet hebben uitgevoerd. Ga niet uiteen! Verzamel jullie rond onze Profeet! Als wij geen plaats innemen onder hen die hem beschermen, en er de oorzaak van worden dat Rasûlullah iets overkomt, dan hebben wij bij onze Heer geen enkele verontschuldiging meer!” Met Khârija ibn Zayd en Aws ibn Arqam aan zijn zijde stortte ’Abbâs ibn ’Ubâda zich onder de roep “Allâhu akbar!” met getrokken zwaard midden tussen de vijand. Zij streden heldhaftig voor Rasûlullah, om hem te beschermen. Khârija ibn Zayd had negentien wonden opgelopen. Die van de anderen waren niet minder talrijk. En alle drie bereikten zij de rang van het martelaarschap, waarnaar zij zo hadden verlangd.
Op dit zeer gevaarlijke moment begonnen de Metgezellen zich langzaamaan rond onze Meester de Profeet te verzamelen. De afgodendienaren sloten onze geliefde Profeet en zijn roemrijke Metgezellen, die hun lichaam als schild voor hem gebruikten, in een kring in. Van alle kanten rukten zij in eenheden op en maakten zij de kring nauwer. Toen de Meester der werelden zag dat een groep van de Quraysh naar voren stormde, zei hij tegen de Metgezellen bij hem, die bereid waren hun leven te geven: “Wie houdt deze eenheid tegen?” – en men zag Wahb ibn Qâbûs naar voren springen met de woorden: “Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Ik houd hen tegen!” Deze held, die de eervolle naam van Allâhu ta’âlâ voortdurend op de lippen had, stortte zich met getrokken zwaard tussen de afgodendienaren. Onze Meester de Profeet zei: “Ik verkondig je de blijde boodschap van het Paradijs.” En toen hij de standvastigheid en inzet zag die Wahb tegenover de vijand toonde, zei hij: “O Allah! Wees hem barmhartig! Heb mededogen met hem!”
Toen Sa’d ibn Abî Waqqâs zag dat de afgodendienaren Wahb hadden ingesloten en hem met lansen tot martelaar hadden gemaakt, stormde hij naar voren om hem te helpen, drong midden tussen de vijand door en verrichtte ongekende heldendaden. Hij schakelde veel ongelovigen uit. Ook de anderen sloeg hij terug, en hij keerde terug naar zijn geliefde Profeet. Rasûl-i akram zei tot Wahb: “Ik ben tevreden met jou. Moge ook Allâhu ta’âlâ tevreden zijn.” Toen Habîb-i akram zag dat een afdeling afgodendienaren door de kring van de mujâhids heen brak en op hem afkwam, zei hij tegen ’Alî: “Val hen aan!” ’Alî viel aan, doodde ’Amr ibn ’Abdullah en joeg de anderen op de vlucht. Toen zijn zwaard brak, gaf onze Profeet hem Dhu’l-Fiqâr. Toen er een andere groep aankwam, zei onze Meester de Profeet: “O ’Alî! Weer het kwaad van dezen van mij af!” De leeuw van Allâhu ta’âlâ, die zijn leven voor Rasûlullah veil had, ging onmiddellijk tot de aanval over. Hij doodde Shayba ibn Mâlik en sloeg de anderen terug. Op dat ogenblik kwam Jibrîl ’alayhis-salâm en zei tegen onze Meester de Profeet: “Yâ Rasûlallah! Wat ’Alî hier heeft getoond, is een buitengewone ridderlijkheid.” Onze Meester Rasûlullah zei: “Hij is van mij, en ik ben van hem.”
“Ik zag dat de engelen Hanzala tussen hemel en aarde in een zilveren schaal met regenwater wasten” Hadîth sharîf
Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “En ik ben van jullie beiden.” Op datzelfde ogenblik zei een stem: “Er is geen held als ’Alî en geen zwaard als Dhu’l-Fiqâr.”
Toen de afgodendienaren begrepen dat zij onze geliefde Profeet niet konden naderen, begonnen zij pijlen af te schieten. De afgeschoten pijlen gingen over hem heen, of vielen vóór hem, rechts of links van hem neer.
Zodra de Metgezellen, die met gevaar voor eigen leven streden om de vijand terug te slaan, dit zagen, verzamelden zij zich rond de Meester der werelden en begonnen zij hun gezegende lichamen als schild te gebruiken tegen de aankomende pijlen. Toen onze Meester de Profeet zijn Metgezellen beval met pijlen te antwoorden, begonnen ook de Metgezellen pijlen op de vijand af te schieten. Onze geliefde Profeet liet Sa’d ibn Abî Waqqâs voor zich plaatsnemen. Sa’d, een zeer trefzekere schutter, liet snel, de een na de ander, zijn pijlen op de vijand neerregenen. Telkens wanneer hij een pijl uit zijn koker, dat wil zeggen zijn pijlentas, trok, zei hij: “O mijn Heer! Dit is Uw pijl. Tref de vijand ermee!”, en onze Meester de Profeet zei: “O Allah! Aanvaard de smeekbede van Sa’d! O Allah! Richt de pijl van Sa’d!… Ga door, Sa’d! Ga door! Mogen mijn vader en mijn moeder voor jou geofferd worden!” Zo herhaalde onze Meester de Profeet bij iedere pijl die werd afgeschoten dezelfde smeekbeden.
Toen de pijlen van Sa’d op waren, gaf onze geliefde Profeet hem zijn eigen pijlen en liet hij hem die afschieten. Iedere pijl van Sa’d ibn Abî Waqqâs trof ofwel een vijand, ofwel het dier waarop hij reed.
Terwijl de afgodendienaren pijlen afschoten, schermde Abû Talha onze geliefde Profeet aan de voorkant af en maakte hij van zijn eigen lichaam en zijn schild een schild tegen iedere aankomende pijl; af en toe slaakte hij kreten die de vijand van zijn stuk brachten. Onze Meester de Profeet zei: “In het leger is de stem van Abû Talha beter dan honderd man.” Telkens wanneer Abû Talha de gelegenheid had, schoot hij pijlen op de afgodendienaren af; hij schoot krachtig en zeer snel, en geen pijl van hem ging verloren. Telkens wanneer Rasûl-i akram nieuwsgierig zijn gezegende hoofd ophief om de pijlen te zien die hij afschoot, zei Abû Talha, uit vrees dat een pijl Rasûlullah zou treffen: “Mogen mijn vader, mijn moeder en mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Hef uw gezegende hoofd niet op, opdat geen vijandelijke pijl u treft en u kwaad doet! Mijn lichaam is een schild voor uw gezegende lichaam en voor u geofferd! Zolang zij mij niet de keel afsnijden, bereiken zij u niet! Zolang ik niet sterf, zal u niets overkomen!…” Zo stelde hij onze geliefde Profeet boven zijn eigen leven.
Op het hele slagveld van Uhud woedde een meedogenloze, vreselijke strijd in volle hevigheid; sommigen te paard, anderen te voet, zetten zij de strijd tussen îmân en kufr voort. De Metgezellen hadden zich nog niet kunnen hergroeperen. Rond onze Meester de Profeet cirkelden slechts ongeveer dertig Metgezellen als motten rond een kaars. Zij maakten van hun eigen lichaam een schild tegen de pijlen, lansen en zwaardslagen die op hen afkwamen. Hun enige verlangen was het bevel van onze Meester de Profeet uit te voeren en ieder kwaad dat hem kon treffen van hem af te weren. Hamza, de aanvoerder der dapperen, was in dat tumult van onze Meester de Profeet gescheiden geraakt. Midden in een menigte streed hij met in iedere hand een zwaard, en met de roepen “Allâhu akbar!…” joeg hij angst in het hart van de vijand. Tot dan toe had hij in zijn eentje maar liefst eenendertig afgodendienaren gedood, en zeer velen een arm of een been gekost. Terwijl hij de horde afgodendienaren waarin hij terecht was gekomen uiteendreef, daagde Sibâ’ ibn Umm Anmâr Hamza uit met de woorden: “Is er een held die tegen mij kan uitkomen?” Hamza zei: “Kom hier, jij zoon van de vrouw die besnijdenissen verrichtte! Dus jij daagt Allah en Zijn Rasûl uit?” – en zonder hem de tijd te geven met zijn ogen te knipperen, greep hij hem bij de benen en wierp hem op de grond.20 Hij zette zich op hem en scheidde zijn hoofd van zijn romp. Daarna zag hij dat Wahshî, die nog geen moslim was geworden, achter een rots tegenover hem met een speer in de hand op hem mikte. Hij liep meteen op hem af, maar toen hij bij een kuil kwam die door de stortvloeden was uitgesleten, gleed hij uit en viel achterover. Op dat moment ging zijn harnas bij zijn buik open. Wahshî greep de gelegenheid aan en wierp zijn speer!… De speer vloog door de lucht, drong in het gezegende lichaam van Hamza en kwam er aan de andere kant weer uit. De grootste der helden zakte daar ineen met de woorden: “O Allah!” Hij was martelaar geworden en had de rang bereikt waarnaar hij verlangde. Op de weg van Allâhu ta’âlâ had hij omwille van zijn geliefde Profeet zijn leven gegeven (radiyallâhu ’anh).
“O Sa’d! Mogen mijn vader en mijn moeder voor jou geofferd worden! O mijn Heer! Laat zijn pijlen hun doel bereiken en aanvaard zijn smeekbeden!” Hadîth sharîf
Op dat moment hitste iemand in de vijandelijke rijen de afgodendienaren op om de Meester van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) aan te vallen: “O volk van de Quraysh! Houd niet op met de strijd tegen Muhammad, die de rechten van de verwantschap niet in acht neemt en jullie volk heeft verdeeld. Als Muhammad ontkomt, moge ik dan niet ontkomen!…” Het was de stem van ’Âsim ibn Abî ’Awf. Abû Dujâna hoorde deze stem. Al strijdend vond hij ’Âsim ibn Abî ’Awf en doodde hem onmiddellijk. Maar de afgodendienaar Ma’bad, die achter hem stond, haalde met al zijn kracht met zijn zwaard naar Abû Dujâna uit. Door een gunst van Allâhu ta’âlâ wierp Abû Dujâna zich met een plotselinge, bliksemsnelle beweging op de grond en ontsnapte hij aan de dodelijke slag. Hij stond meteen op, sloeg Ma’bad met zijn zwaard en doodde hem.
Het doelwit van de afgodendienaren van de Quraysh was de Meester der werelden. Zij zetten al hun krachten in om hem te kunnen naderen. Maar op geen enkele manier kwamen zij langs zijn roemrijke, eervolle Metgezellen, die als motten om hem heen cirkelden en er uit vrees dat hem iets zou overkomen geen ogenblik voor terugdeinsden hun leven te geven. Deze dertig dappere helden zeiden tot onze Meester Rasûlullah: “Yâ Rasûlallah! Opdat wij nooit van uw zijde wijken, zijn onze gezichten een bescherming en een schild voor uw gezegende gezicht, en zijn onze lichamen geofferd voor uw gezegende lichaam – als u maar ongedeerd blijft!”
De afgodendienaren vielen in groepen aan. De Trots der wereld wees op een groep en zei tegen zijn dappere Metgezellen die bij hem waren en hun lichaam als schild voor hem gebruikten: “Wie offert zijn lichaam voor ons op de weg van Allâhu ta’âlâ?” – en vijf Metgezellen uit Medina sprongen naar voren. Deze dappere motten streden voor de gezegende ogen van onze Meester Rasûlullah, terwijl zij de takbîr uitspraken en voortdurend om hem heen cirkelden. Ten slotte werden vier van hen daar ter plaatse martelaar. Toen de vijfde, op veertien plaatsen gewond, op de grond viel, zei de Meester der werelden: “Breng hem dicht bij mij.” Uit alle delen van zijn lichaam stroomde bloed. Onze geliefde Profeet ging zitten en maakte van zijn gezegende voeten een kussen voor zijn hoofd. Deze gelukkige Metgezel, die in die toestand de eer van het martelaarschap bereikte, was ’Umâra ibn Yazîd.
De dapperheid van Talha ibn ’Ubaydullah
Op een moment dat de afgodendienaren zeer dichtbij waren gekomen, zei onze Profeet: “Wie treedt hen tegemoet, wie houdt hen tegen?” Talha ibn ’Ubaydullah zei: “Ik! Yâ Rasûlallah!” en wilde naar voren stormen. Onze Meester de Profeet zei: “Wie is er nog zoals jij?” Een van de Metgezellen uit Medina vroeg toestemming met de woorden: “Yâ Rasûlallah! Ik!” Toen onze geliefde Profeet zei: “Ga dan, treed jij hen tegemoet,” sprong hij naar voren en wierp hij zich op de afgodendienaren.
Hij verrichtte heldendaden zonder weerga. Nadat hij enkele ongelovigen had gedood, dronk hij de beker van het martelaarschap.21 Rasûl-i akram zei opnieuw: “Wie biedt hun weerstand?” Opnieuw trad Talha vóór iedereen naar voren. Toen onze Meester de Profeet vroeg: “Wie is er nog zoals jij?”, zei een gezegende man van de Ansâr: “Ik treed hen tegemoet, yâ Rasûlallah.” Onze Profeet zei: “Ga dan, treed jij hen tegemoet.” Ook hij werd, strijdend tegen de afgodendienaren, martelaar. Zo bereikten alle Metgezellen die op dat moment bij onze Meester de Profeet waren, al strijdend het martelaarschap.
Bij de Sultan van het universum was op dat moment niemand meer over behalve Talha ibn ’Ubaydullah. Talha vreesde dat Rasûlullah iets zou overkomen; hij rende naar alle kanten en streed meedogenloos tegen de ongelovigen. De snelheid waarmee hij zijn zwaard zwaaide, de manier waarop hij in een oogwenk de vijand aan alle kanten van Rasûlullah van repliek diende en van zijn lichaam een schild maakte tegen pijlen, lansen en zwaardslagen, waren zonder weerga. Talha cirkelde als een mot en sloeg geen acht op de zwaarden die hem raakten. Zijn wens was de Sultan van het universum te beschermen en op deze weg, net als zijn andere broeders, martelaar te worden. Er was geen plek op zijn lichaam meer zonder wond; op zijn kleren was niets anders meer te zien dan bloed. Toch was hij overal tegelijk. Op dat moment bereikten Abû Bakr en Sa’d ibn Abî Waqqâs Rasûl-i akram.
Intussen viel de meester der dapperen, Talha, door bloedverlies bewusteloos neer op de hete aarde. Hij was overal doorzeefd door zwaardslagen, lanssteken en pijlen. Hij had zesenzestig grote wonden en ontelbare kleine. Onze geliefde Profeet beval Abû Bakr onmiddellijk Talha te hulp te snellen. Abû Bakr as-Siddîq sprenkelde water op het gezegende gezicht van Talha om hem bij te brengen. Zodra Talha ibn ’Ubaydullah bijkwam, zei hij: “O Abû Bakr! Is Rasûlullah ongedeerd?” – en zo toonde hij de mooiste vorm van liefde en verbondenheid. Rasûl-i akram liefhebben en het leven geven voor zijn gezegende lichaam kan niet verder gaan dan dit. Toen Abû Bakr zei: “Rasûlullah maakt het goed. Hij heeft mij gestuurd,” haalde Talha opgelucht adem en zei: “Oneindige dank zij Allâhu ta’âlâ. Zolang hij leeft, is iedere ramp niets.” Op dat moment kwamen er nog enkele Metgezellen aan.
De Meester der werelden, Muhammad Mustafâ (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam), kwam naar Talha. Toen de gewonde mujâhid Rasûlullah levend zag, huilde hij van vreugde. Nadat onze Meester de Profeet met zijn hand over zijn lichaam had gestreken, hief hij zijn handen op en deed hij de smeekbede: “O Allah! Schenk hem genezing en geef hem kracht.” Door een wonder van Rasûl-i akram stond Talha kerngezond op en begon hij opnieuw tegen de vijand te strijden. Onze geliefde Profeet zei over hem: “Op de dag van Uhud zag ik dat er op aarde niemand dicht bij mij was, behalve Jibrîl aan mijn rechterkant en Talha ibn ’Ubaydullah aan mijn linkerkant.”22 “Wie een man van het Paradijs over de aarde wil zien lopen, laat hij naar Talha ibn ’Ubaydullah kijken.”
“Talha en Zubayr zijn mijn buren in het Paradijs” Hadîth sharîf
Op het hele front woedde de strijd in volle hevigheid. Rond onze Meester de Profeet waren Abû Dujâna, de vaandeldrager Mus’ab ibn ’Umayr, Talha ibn ’Ubaydullah, Nasîba Khâtûn – die uit de achterste rijen was komen aansnellen om onze Profeet te beschermen – en enkele Metgezellen. Samen met onze Meester Rasûlullah streden zij tegen de afgodendienaren. De felle afgodendienaar ’Abdullah ibn Hunayd, van top tot teen gewapend, in harnassen gehuld en met een helm op, gaf zijn paard de sporen toen hij onze geliefde Profeet zag. Hij schreeuwde: “Ik ben de zoon van Zuhayr. Wijs mij Muhammad aan. Of ik dood hem, of ik sterf naast hem!” Terwijl hij zijn paard op onze Meester de Profeet afstuurde, ging Abû Dujâna voor hem staan en zei: “Kom maar op! Ik ben iemand die met zijn lichaam het gezegende lichaam van Muhammad ’alayhis-salâm beschermt. Zolang je mij niet vertrapt, bereik je hem niet!” Hij sloeg met zijn zwaard tegen de benen van het paard, bracht ’Abdullah ibn Hunayd ten val, hief zijn zwaard en velde hem met één slag, met de woorden: “Hier, dit is van de zoon van Kharasha!” De Meester der werelden, die het voorval gadesloeg, deed deze smeekbede: “O Allah! Zoals ik tevreden ben met de zoon van Kharasha (Abû Dujâna), wees ook U zo tevreden met hem!”
Een van de afgodendienaren, Mâlik ibn Zuhayr, een zeer trefzekere scherpschutter en een boogschutter die raakte waarop hij mikte, zocht onze Meester de Profeet overal om hem bij de eerste gelegenheid met een pijl te treffen. Hij kwam tot dicht bij onze Meester Rasûlullah, spande zijn boog, mikte op het gezegende hoofd van onze geliefde Profeet en schoot zijn pijl af. Er was zelfs geen tijd voor een oogwenk. Talha opende in een flits zijn hand en maakte zichzelf tot doelwit. De pijl drong in de palm van Talha’s hand en verbrijzelde zijn hand. Alle pezen van zijn vingers werden doorgesneden en de botten van zijn hand braken. De Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had gezien wat er gebeurde; hij werd zeer bedroefd en zei: “Als je (toen je je hand naar de pijl uitstak om mij te beschermen) ‘Bismillâhir-rahmânir-rahîm’ had gezegd, zouden de engelen je, terwijl de mensen naar je keken, naar de hemelen hebben opgeheven.”23
Vier afgodendienaren uit Mekka, ’Abdullah ibn Qamî’a, Ubayy ibn Khalaf, ’Utba ibn Abî Waqqâs en ’Abdullah ibn Shihâb Zuhrî, hadden afgesproken en gezworen een einde te maken aan het leven van Rasûl-i akram. Op dit benarde moment streed onze Meester Rasûlullah, met enkele Metgezellen bij zich, meedogenloos tegen de vijand. Vóór onze Meester de Profeet stond de vaandeldrager Mus’ab ibn ’Umayr. Door het harnas dat hij droeg, leek Mus’ab sterk op onze geliefde Profeet. Ook hij was, met het vaandel van de islam in zijn rechterhand, in een vreselijk gevecht met de afgodendienaren verwikkeld. Op dat moment kwam Ibn Qamî’a, in harnassen gehuld, te paard daarheen. Uit alle macht schreeuwend: “Wijs mij Muhammad aan! Als hij ontkomt, moge ik dan niet ontkomen!”, gaf hij zijn paard de sporen in de richting van onze Meester de Profeet. Mus’ab en Nasîba Khâtûn traden hem tegemoet en begonnen te strijden, terwijl zij hun lichaam als schild voor onze Meester de Profeet gebruikten. Hoeveel zwaardslagen zij deze ongelovige ook toebrachten, door zijn harnas hadden ze geen uitwerking. Ibn Qamî’a gaf Nasîba Khâtûn een zwaardslag en verbrijzelde haar schouder. Daarna liet hij zijn zwaard neerkomen op de rechterhand van Mus’ab, waarmee deze het vaandel vasthield. Met zijn rechterhand afgehouwen nam Mus’ab ibn ’Umayr het gezegende vaandel van de islam, dat hem dierbaarder was dan zijn eigen leven, in zijn linkerhand, zonder het op de grond te laten vallen.
Op dat moment reciteerde hij het edele vers met de betekenis: “Muhammad ’alayhis-salâm is een rasûl. Vóór hem zijn ook rasûls gekomen.”24 Ditmaal liet Ibn Qamî’a zijn zwaard neerkomen op de linkerhand van Mus’ab. Ook met zijn linkerhand afgehouwen liet de roemrijke vaandeldrager het vaandel van de islam niet op de grond vallen. De dappere Metgezel hield het vaandel met zijn armen vast, drukte het tegen zijn lichaam en liet het verder wapperen. Toen stak Ibn Qamî’a zijn lans in het lichaam van de roemrijke Metgezel. Ook hij werd, net als zijn andere makkers, martelaar en ging over naar het hiernamaals.
Toen Mus’ab viel, viel het roemrijke vaandel van de islam niet op de grond: een engel die de gedaante van Mus’ab had aangenomen, greep het onmiddellijk. Toen onze geliefde Profeet zei: “Voorwaarts, o Mus’ab! Voorwaarts!”, zei de engel die het vaandel vasthield: “Ik ben Mus’ab niet.” Toen begreep de Sultan van het universum dat het een engel was, en hij gaf het vaandel aan ’Alî.25
Ibn Qamî’a daarentegen dacht dat Mus’ab onze Meester de Profeet was; hij haastte zich naar de afgodendienaren en begon te schreeuwen: “Ik heb Muhammad gedood!” De afgodendienaren die dit hoorden, werden nog uitzinniger door het genot hun doel te hebben bereikt. De Metgezellen echter, die niet wisten wat er werkelijk was gebeurd, waren als verlamd. Overal hing een sfeer van rouw. Zelfs ’Umar liet zijn armen slap langs zijn lichaam hangen en bleef met zijn makkers zitten waar zij waren. Toen Anas ibn Nadr hen zo zag, vroeg hij: “Waarom zitten jullie hier?”
Zij antwoordden: “Rasûlullah is als martelaar gevallen!…” Anas zei: “Als Rasûlullah als martelaar is gevallen, dan is zijn Heer (Allâhu ta’âlâ) eeuwig. Wat moeten wij na Rasûlullah nog in leven doen! Kom, sta op! Laten ook wij ons leven geven voor datgene waarvoor onze Profeet strijdend zijn gezegende leven heeft gegeven.” Anas brak de schede van zijn zwaard26 en stortte zich onder de roepen “Allâhu akbar!…” met getrokken zwaard midden tussen de vijand. Hij velde veel ongelovigen en werd martelaar. Alleen al in zijn gezicht had hij zeventig wonden. Omdat zijn lichaam talloze wonden had, kon niemand behalve zijn zuster hem herkennen.
Veel Metgezellen hadden zich verspreid, en een deel van hen had het martelaarschap bereikt. De afgodendienaren maakten gebruik van deze verspreiding en verzamelden zich rond Rasûl-i akram. Met stenen en zwaarden probeerden zij de Sultan der beide werelden te doden. Omdat hij twee harnassen droeg, hadden de slagen geen uitwerking. De stenen die ’Utba ibn Abî Waqqâs wierp, troffen het gezegende gezicht van onze geliefde Profeet en verwondden zijn onderlip. Zijn gezegende rechter rabâ’iyya in de onderkaak, dat wil zeggen een snijtand, brak. Op dat moment kwam ook de afgodendienaar die Ibn Qamî’a heette, en hij sloeg met zijn zwaard op het gezegende hoofd van de Meester der werelden. De helm van onze geliefde Profeet brak, en twee van de ringen ervan drongen in zijn gezegende slapen.
Door nog een zwaardslag van Ibn Qamî’a raakte hij aan zijn gezegende schouder gewond, en hij viel op zijn zij in de diepe kuil die Abû ’Âmir had gegraven om de moslims erin te laten vallen. Onze geliefde Profeet deed over de verrader Ibn Qamî’a deze smeekbede: “Moge Allâhu ta’âlâ je vernederen en te gronde richten!” Ibn Qamî’a ging hoogst verheugd naar Abû Sufyân en schreeuwde: “Ik heb Muhammad gedood! Ik heb Muhammad gedood!…” De afgodendienaren hadden hun doel bereikt! Zij bekommerden zich niet meer om onze Profeet. Zij trokken zich terug uit de omgeving van de kuil waarin onze Meester de Profeet lag, en gingen de strijd aan met de Metgezellen.27
“Wie een man van het Paradijs over de aarde wil zien lopen, laat hij naar Talha ibn ’Ubaydullah kijken” Hadîth sharîf
Toen Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) in de kuil viel, bloedden zijn gezegende wangen. Toen hij met zijn gezegende handen over zijn gezicht streek, zag hij dat zijn handen en zijn gezegende baard met bloed waren gekleurd. Nog vóór er één druppel op de grond viel, was Jibrîl ’alayhis-salâm er; hij ving dat gezegende bloed op en zei: “Yâ Habîballah! Bij het recht van Allâhu ta’âlâ: als er een druppel van dit bloed op de aarde viel, zou er tot de Dag des Oordeels geen gras meer op de aarde groeien.” De Trots der wereld zei: “Als er een druppel bloed van mij op de aarde valt, daalt er een straf uit de hemel neer. O mijn Heer! Vergeef mijn volk, want zij weten het niet,” en hij deed een smeekbede dat zij die hem hadden willen doden, die met hun zwaard op zijn gezegende lichaam hadden geslagen, zijn gezegende tanden hadden gebroken en zijn gezegende gezicht met bloed hadden gekleurd, de rechte leiding (hidâya) zouden vinden.
Op dat moment riep Ka’b ibn Mâlik met luide stem: “O moslims! Goed nieuws! Hier is Rasûlullah!…” Toen de roemrijke Metgezellen deze stem hoorden, snelden zij vol vreugde daarheen, alsof zij weer tot leven waren gekomen. ’Alî en Talha ibn ’Ubaydullah kwamen onmiddellijk en haalden hem uit de kuil. Abû ’Ubayda ibn Jarrâh trok met zijn tanden de ringen van de helm los die in de gezegende slapen van onze geliefde Profeet waren gedrongen. Bij het uittrekken van deze stukken ijzer verloor hij ook zijn twee voortanden. Een van de Metgezellen, Mâlik ibn Sinân, zoog het bloed op dat uit het gezegende gezicht van onze Meester Rasûlullah sijpelde. Daarop zei onze Meester de Profeet: “Wiens bloed zich met mijn bloed heeft vermengd, die zal het vuur van de Hel niet raken.”
De afgodendienaren begonnen opnieuw op hen af te komen. Vol vreugde dat zij onze Meester de Profeet hadden teruggevonden, vormden de Metgezellen in een oogwenk een kring rond onze Meester Rasûlullah, en zij lieten geen enkele afgodendienaar tot hem door. Toen de afgodendienaren begrepen dat zij onze Meester de Profeet niets meer konden doen, begonnen zij de top van de berg te beklimmen. De Sultan der beide werelden zei tegen Sa’d ibn Abî Waqqâs, die bij hem was: “Drijf hen terug.” Toen Sa’d vroeg: “Yâ Rasûlallah! Ik heb maar één pijl bij me. Hoe moet ik hen daarmee terugdrijven?”, gaf Rasûl-i akram opnieuw hetzelfde bevel. Daarop stak de meester der boogschutters, Sa’d ibn Abî Waqqâs, zijn hand in zijn koker en schoot zijn pijl af. De pijl vond zijn doel en velde een afgodendienaar. Toen hij zijn hand opnieuw naar de pijlenkoker uitstak, zag hij dat er nog een pijl in zat. Hij keek goed: het was de pijl die hij zo-even had afgeschoten. Weer stierf er een afgodendienaar. Dit herhaalde zich vele malen. Door een wonder van onze geliefde Profeet vond Sa’d telkens de pijl die hij daarvoor had afgeschoten in zijn koker terug. Toen de Quraysh zagen dat hun mannen de een na de ander werden gedood, zagen zij ervan af de berg te beklimmen. Zij daalden af en trokken zich terug.
Een van hen, Ubayy ibn Khalaf, stuurde zijn paard op onze Meester de Profeet af en begon te schreeuwen: “Waar is die man die beweert een profeet te zijn? Laat hij tegen mij uitkomen en met mij vechten!” De Metgezellen wilden tegen hem uitkomen, maar onze geliefde Profeet stond het niet toe. Hij nam de lans van Hârith ibn Simma en trad zelf naar voren. De laaghartige Ubayy gaf zijn paard de sporen en kwam naderbij met de woorden: “O Muhammad! Als jij ontkomt, moge ik dan niet ontkomen!” Hij was van top tot teen in harnassen gehuld. De Meester der werelden wierp de lans die hij in de hand hield naar de hals van Ubayy. De lans vloog door de lucht en drong tussen zijn helm en de kraag van zijn harnas in zijn hals. Brullend als een rund tuimelde Ubayy van zijn paard op de grond. Zijn ribben braken. De afgodendienaren tilden hem op en droegen hem weg. Onderweg gaf hij de geest, terwijl hij schreeuwde: “Muhammad heeft mij gedood!…” Onze Meester Rasûlullah begon met de Metgezellen die bij hem waren de rotsen van Uhud te beklimmen. Toen hij bij de rotsen aankwam, wilde hij hogerop klimmen. Maar omdat hij uitgeput was, twee harnassen over elkaar droeg en zijn gezegende lichaam meer dan zeventig zwaardslagen had gekregen, had hij er de kracht niet voor. Daarop nam Talha onze Meester de Profeet op zijn rug en droeg hem de rotsen op. Onze geliefde Profeet zei: “Toen Talha Rasûlullah hielp, werd het Paradijs voor hem wâjib.” Omdat hij geen kracht meer over had, verrichtte hij het middaggebed zittend.
Aan de voet van de berg stortten de Metgezellen zich, ieder als een leeuw, op de afgodendienaren. Voor hen die met hun zwaard op onze Profeet hadden geslagen, maakten zij de wereld tot een kerker. Op een gegeven moment kwam Hâtib ibn Abî Balta’a naar onze geliefde Profeet en vroeg: “Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Wie heeft u dit aangedaan?” Onze Meester zei:
“’Utba ibn Abî Waqqâs heeft een steen naar mij gegooid, mij in het gezicht geraakt en mijn rabâ’iyya-tand gebroken.” Daarop vroeg Hâtib opnieuw: “Yâ Rasûlallah! Welke kant is hij op gegaan?” Onze Meester de Profeet wees met een gebaar de richting aan waarheen hij was gegaan. Hâtib snelde onmiddellijk die kant op. Na lang zoeken vond hij ’Utba. Hij wierp hem van zijn paard, hieuw met één slag zijn hoofd af, bracht het naar Rasûlullah en verkondigde hem de blijde boodschap. Onze Meester de Profeet deed een smeekbede voor hem met de woorden: “Moge Allâhu ta’âlâ tevreden zijn met jou. Moge Allâhu ta’âlâ tevreden zijn met jou.” De afgodendienaren konden geen stand houden tegenover de Metgezellen, die zich hadden hergroepeerd en opnieuw tot de aanval waren overgegaan. Met bijna dertig doden verlieten zij het slagveld en gingen zij op weg naar Mekka. Het gerucht dat onze Meester de Profeet als martelaar was gevallen, had Medina bereikt. Vrouwen als Fâtima, ’Âisha, Umm Sulaym, Umm Ayman, Hamna bint Jahsh en Ku’ayba snelden naar Uhud. Toen Fâtima haar vader, onze Meester de Profeet, gewond zag, huilde zij. Onze Meester Rasûlullah troostte haar. ’Alî bracht water in zijn schild. Onze moeder Fâtima waste met dat water het gezegende gezicht van onze Meester de Profeet en spoelde het bloed weg. Maar het bloed uit zijn gezicht bleef stromen. Toen Fâtima een stuk mat verbrandde en de as op de wond drukte, kwam het bloed tot staan.28
Daarna daalden zij af naar het slagveld. Eerst werden de gewonden opgespoord en hun wonden verbonden. De afgodendienaren hadden sommige martelaren onherkenbaar gemaakt.
Zij hadden hun oren, neuzen en andere lichaamsdelen afgesneden en hun buiken opengereten. ’Abdullah ibn Jahsh was een van hen. Toen onze geliefde Profeet en zijn Metgezellen dit zagen, werden zij zeer bedroefd. Zijn uitgelezenste Metgezellen hadden de beker van het martelaarschap gedronken en waren, na de grond van Uhud met hun bloed te hebben gedrenkt, naar het Paradijs gevlogen. Maar de behandeling die de martelaren was aangedaan, was niet te verdragen. Niet alleen onze Meester de Profeet, maar alle Metgezellen voelden hun hart van verdriet samenkrimpen. Bij dit tafereel huilde de Meester der werelden. Terwijl de tranen uit zijn gezegende ogen stroomden, zei hij: “Ik zal op de Dag des Oordeels getuigen dat deze martelaren hun leven op de weg van Allâhu ta’âlâ hebben gegeven. Begraaf hen met hun bloed. Bij Allah, op de Dag des Oordeels zullen zij met bloedende wonden naar de mahshar29 komen. De kleur van hun bloed zal de kleur van bloed zijn, en de geur ervan de geur van muskus.”
Onze geliefde Profeet zei: “Ik zie Hamza niet. Hoe is het hem vergaan?” ’Alî zocht hem en vond hem. Toen onze Profeet daarheen ging en een onvoorstelbaar tafereel aantrof, kon hij het niet verdragen. De oren, de neus en de andere lichaamsdelen van Hamza waren afgesneden, zijn gezicht was onherkenbaar gemaakt, zijn buik was opengereten en zijn lever was eruit gehaald. Terwijl de tranen uit zijn gezegende ogen stroomden, richtte onze Meester de Profeet zich tot Hamza en zei: “O Hamza! Nooit heeft iemand zo’n ramp getroffen als jou, en nooit zal iemand die treffen. O oom van Rasûlullah! O Hamza, leeuw van Allâhu ta’âlâ en van Zijn Rasûl! O Hamza, die het goede deed! O Hamza, beschermer van Rasûlullah! Moge Allâhu ta’âlâ jou barmhartig zijn!…”
“Toen Talha Rasûlullah hielp, werd het Paradijs voor hem wâjib” Hadîth sharîf
Op dat moment zag men een vrouw die haastig en ongerust naderbij kwam. Het was onze moeder Safiyya, de tante van onze geliefde Profeet. Ook zij had, net als de andere vrouwen, het gerucht gehoord dat onze Meester Rasûlullah als martelaar was gevallen; zij had alles vergeten en was rennend naar Uhud gekomen. Toen Rasûl-i akram zijn tante zag, dacht hij dat zij de toestand van de martelaren niet zou kunnen verdragen, en hij zei tegen haar zoon Zubayr ibn ’Awwâm: “Laat je moeder teruggaan, opdat zij het lichaam van haar broer niet ziet.” Zubayr rende naar zijn moeder. De gezegende vrouw zei vol ontroering: “Mijn zoon! Vertel mij hoe het met Rasûlullah is!…” Ook ’Alî was bij hen gekomen. Toen hij zei: “Alhamdulillâh30, Rasûlullah maakt het goed,” was zij opgelucht, maar zij kon zich niet weerhouden te zeggen: “Laat hem mij zien.” ’Alî wees met een gebaar de Meester der werelden aan. Toen onze moeder Safiyya de zon der beide werelden levend zag, was zij zeer verheugd en loofde zij Allâhu ta’âlâ. Daarna wilde zij naar voren lopen om te zien hoe het met haar broer Hamza gesteld was. Toen haar zoon Zubayr zei: “Lieve moeder! Rasûlullah beveelt dat u teruggaat,” zei Safiyya: “Als ik moet teruggaan om niet te zien wat hem is aangedaan: ik weet al dat het lichaam van mijn broer is verminkt. Dit is hem op de weg van Allâhu ta’âlâ overkomen. Op deze weg aanvaarden wij zelfs nog ergere dingen. Het thawâb ervan verwachten wij van Allâhu ta’âlâ. Inshâ’allâh zullen wij geduld hebben en het verdragen.” Toen Zubayr ibn ’Awwâm kwam en dit meldde, zei onze Meester de Profeet: “Laat haar dan maar kijken.”
Safiyya ging bij het lichaam van Hamza zitten en huilde in stilte. Toen Safiyya kwam, had zij twee khirqa’s (mantels) meegebracht. Zij haalde ze tevoorschijn en zei: “Deze heb ik voor mijn broer Hamza meegebracht; wikkel hem erin.” In een van deze khirqa’s werd Hamza, de “Sayyid ash-Shuhadâ”, dat wil zeggen de meester der martelaren, in zijn lijkwade gewikkeld.31 Habîbullah kwam bij het hoofdeinde van de vaandeldrager Mus’ab ibn ’Umayr. De handen van Mus’ab waren afgehouwen en hij was op veel plaatsen gewond. Om hem heen lag een plas bloed. Ook hier werd onze Meester de Profeet zeer bedroefd; hij richtte zich tot deze dierbare martelaren en reciteerde het 23e vers van soera al-Ahzâb, met de betekenis: “Onder de gelovigen zijn er mannen die trouw zijn gebleven aan het woord dat zij Allâhu ta’âlâ gaven. Sommigen van hen hebben hun woord ingelost om te strijden tot zij martelaar werden (zij zijn martelaar geworden). Anderen wachten nog op het martelaarschap. Zij hebben hun gegeven woord in geen enkel opzicht veranderd.” Daarna zei onze Meester de Profeet: “Ook de Rasûl van Allâhu ta’âlâ is getuige dat jullie op de Dag des Oordeels als martelaren voor Allâhu ta’âlâ zullen worden verzameld.”
Daarna wendde hij zich tot hen die bij hem waren en zei: “Bezoek hen. Groet hen. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ: wie hen in deze wereld groet, die zal bij de Opstanding door deze dierbare martelaren worden teruggegroet.”
Voor Mus’ab ibn ’Umayr konden zij niets vinden dat als lijkwade kon dienen. Zijn eigen kaftan bedekte zijn gezegende lichaam niet helemaal. Als zij er zijn hoofd mee bedekten, bleven zijn voeten onbedekt; als zij er zijn voeten mee bedekten, bleef zijn hoofd onbedekt. Habîb-i akram zei: “Bedek zijn hoofd met de kaftan en zijn voeten met idhkhir-gras.”32
Deze gelukkige Metgezel, die zijn leven in dienst van de islam had doorgebracht en op deze weg de rang van het martelaarschap had bereikt, verliet de wereld met een halve lijkwade.33
Over de andere martelaren werd het gebed verricht, en zij werden met hun bebloede kleren begraven, met twee of drie in één graf (radiyallâhu ’anhum). In de Slag bij Uhud waren er zeventig martelaren gevallen. Vierenzestig van hen behoorden tot de Ansâr en zes tot de Muhâjirûn.
Van de meeste Metgezellen waren verwanten als martelaar gevallen. Daarom was hun hart gewond. Om de achterblijvers te troosten, zei Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “Bij Allah, hoe graag had ik samen met mijn Metgezellen ook martelaar willen worden en de nacht willen doorbrengen in de schoot van de berg Uhud! Toen jullie broeders martelaar werden, plaatste Allâhu ta’âlâ hun zielen in de kroppen van groene vogels.
Zij komen bij de rivieren van het Paradijs en drinken van het water ervan. Zij eten van de vruchten ervan. Zij aanschouwen alle hoeken van het Paradijs. Zij vliegen door de rozentuinen ervan. Daarna gaan zij de gouden lampen binnen die onder de ‘Arsh-i a’lâ hangen, en daar brengen zij de avond door. Wanneer zij het genot en de schoonheid van zulke spijzen en dranken zien, zeggen zij: ‘Wisten onze broeders maar wat Allâhu ta’âlâ ons heeft geschonken! Dan zouden zij niet terugdeinzen voor de jihâd en niet uit angst voor de strijd de vijand de rug toekeren.’ En Allâhu ta’âlâ zei: ‘Ik zal hun jullie toestand bekendmaken.’” (En Janâb-i Haqq zond een edel vers neer en zei in betekenis:) “Denk niet dat zij die op de weg van Allâhu ta’âlâ als martelaar zijn gevallen, dood zijn! Integendeel, zij leven en worden bij hun Heer van levensonderhoud voorzien. Zij zijn verheugd over wat Allâhu ta’âlâ hun heeft geschonken (de rang van het martelaarschap). Aan hen die achter hen nog niet bij hen zijn gekomen (door het martelaarschap), willen zij de blijde boodschap brengen: ‘Over hen komt geen vrees, en zij zullen niet bedroefd zijn.’ Zij verheugen zich over een gunst en een genade van Allâhu ta’âlâ, en over de blijde boodschap dat Allâhu ta’âlâ de beloning van de gelovigen niet verloren laat gaan.”34 “Allâhu ta’âlâ verschijnt aan hen en zegt: ‘O Mijn dienaren! Zeg waar jullie ziel naar verlangt, dan laat Ik jullie het in overvloed proeven.’ Zij zeggen: ‘O onze Heer! Er is geen gunst die hoger is dan de gunsten die U ons hebt geschonken, dat wij die nog zouden vragen. Wij eten in het Paradijs van alles wat wij wensen. Maar als wij iets zouden vragen, dan zouden wij vragen dat onze zielen in onze lichamen worden teruggebracht, dat wij naar de wereld worden teruggestuurd en dat wij, strijdend op Uw weg, opnieuw worden gedood.’”
Er was hier niets meer te doen. Zij verzamelden zich en maakten zich gereed voor vertrek. Bij Uhud, waar zij waren gekomen voor jihâd fî sabîlillâh, dat wil zeggen om de religie van Allâhu ta’âlâ te verbreiden, was een veldslag geleverd die in de geschiedenis zijn weerga niet kent. Men was getuige geweest van talloze heldendaden van de Metgezellen, die geen oog ooit had gezien en die de verbeelding te boven gaan, en de ongelovigen hadden opnieuw een les gekregen.
“O Hamza! Nooit heeft iemand zo’n ramp getroffen als jou, en nooit zal iemand die treffen. O oom van Rasûlullah! O Hamza, leeuw van Allâhu ta’âlâ en van Zijn Rasûl! O Hamza, die het goede deed! O Hamza, beschermer van Rasûlullah! Moge Allâhu ta’âlâ jou barmhartig zijn!…” Hadîth sharîf
De Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) ging met zijn gezegende Metgezellen op weg naar het stralende Medina. Toen zij bij de plaats Harra kwamen, stelde hij zijn Metgezellen in rijen op, hief zijn gezegende handen op en deed deze smeekbede tot Allâhu ta’âlâ: “O Allah! Alle lof en lofprijzing komt bovenal U toe. O Allah! Er is niemand die op het rechte pad kan leiden wie U in dwaling laat, en niemand die kan laten dwalen wie U op het rechte pad leidt… O Allah! Laat ons het geloof liefhebben. Sier onze harten met het geloof. Laat ons afkeer hebben van ongeloof, opstandigheid en overtreding. Maak ons tot hen die weten wat schadelijk is voor onze religie en onze wereld, tot hen die het rechte pad bereiken. O Allah! Laat ons als moslims leven en laat ons als moslims sterven. Voeg ons bij de schare van de vromen en de goeden, want zij zijn niet van hen die hun eer en waardigheid verliezen, en niet van hen die van hun religie afvallig worden. O Allah! Geef ook de ongelovigen die Uw Rasûl loochenen, zich van Uw weg afwenden en tegen Uw Profeet strijden, hun straf! Laat Uw straf, die recht en waarheid is, op hen neerdalen!… Âmîn!”
De Metgezellen stemden in met deze smeekbede met de woorden: “Âmîn! Âmîn!” Onze geliefde Profeet was met zijn Metgezellen Medina genaderd. De vrouwen en kinderen die in Medina waren achtergebleven, waren de wegen op gestroomd en probeerden vol spanning en droefheid in het naderende leger de Meester van het universum te zien. Toen zij zijn stralende gezicht zagen, dat de wereld verlicht, loofden zij Allâhu ta’âlâ. Daarna bleven hun ogen op het leger rusten: zij zochten hun vaders, hun echtgenoten, hun zonen, hun ooms van moederszijde en hun ooms van vaderszijde. Als zij hen niet zagen… konden zij hun tranen niet bedwingen. Toen Rasûl-i akram, die een oceaan van barmhartigheid is, de droefheid van zijn Metgezellen zag, werd ook hij zeer bedroefd, en uit zijn gezegende ogen vloeiden tranen.
Op een gegeven moment zag men dat Kabsha Khâtûn, de moeder van Sa’d ibn Mu’âdh, onze Meester de Profeet naderde. Bij Uhud was haar zoon ’Amr als martelaar gevallen. Toen zij in zijn gezegende tegenwoordigheid kwam, zei zij: “Mogen mijn vader, mijn moeder en mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Alhamdulillâh, ik zie u ongedeerd terug. Nu u ongedeerd bent, zijn alle rampen voor mij niets!” Zij vroeg niet naar haar zoon, haar eigen vlees en bloed. Nadat onze geliefde Profeet haar had gecondoleerd met haar zoon ’Amr, zei hij: “O moeder van Sa’d! Goed nieuws voor jou en voor zijn huisgenoten: allen van hen die als martelaar zijn gevallen, zijn in het Paradijs bijeengekomen en elkaars gezellen geworden. En zij zullen ook voorspraak doen voor hun huisgenoten.”
Kabsha Khâtûn zei: “Wij zijn tevreden met alles wat van Allâhu ta’âlâ komt, yâ Rasûlallah! Wie zal er na deze blijde berichten nog om hen huilen! Doet u een smeekbede voor hen die zijn achtergebleven.” De Meester der werelden deed deze smeekbede: “O Allah! Neem de droefheid weg die in hun harten is! En maak hun achterblijvers tot de besten van hen die achterblijven!”
Doelend op de strijd tegen de lichamelijke begeerten, zei onze Meester de Profeet tegen zijn Metgezellen: “(O mijn Metgezellen! Nu) zijn wij van de kleine jihâd teruggekeerd, en wij gaan beginnen aan de grote jihâd.”35 Daarna raadde hij iedereen aan thuis te gaan rusten en de gewonden hun wonden te verzorgen. Hij was zelf ook gewond. Hij ging rechtstreeks naar zijn huis van geluk.
De veldtocht naar Hamrâ al-Asad
Toen Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) naar Medina terugkeerde, nam hij maatregelen, omdat de mogelijkheid bestond dat de afgodendienaren ieder ogenblik konden terugkeren en Medina overvallen.
Op de maandag na de Slag bij Uhud wilde hij, hoewel hij gewond was, laten zien dat de moslims door de strijd van de vorige dag niet verzwakt waren, en de vijand intimideren, zodat die niet naar Medina zou terugkeren. Daarom zei hij tegen Bilâl Habashî: “Zeg: ‘Rasûlullah beveelt jullie de vijand te achtervolgen! Wie gisteren bij Uhud niet met ons heeft gestreden, komt niet mee; alleen wie aan de strijd heeft deelgenomen, komt mee!’” Toen Bilâl dit bevel aan de Metgezellen bekendmaakte, maakten zij zich onmiddellijk gereed, hoewel de meesten gewond waren. Zelfs twee zwaargewonde broers, ‘Abdullah en Râfi’, snelden, zodra zij deze oproep van Rasûl-i akram hoorden, ondanks al hun pijn en steken naar de rijen van de mujâhids, met de woorden: “Zouden wij soms de kans laten schieten om met Rasûlullah op veldtocht te gaan?!”
Onze geliefde Profeet begon met zijn roemrijke Metgezellen de afgodendienaren te achtervolgen. Op de plaats die Rawhâ heet, vernamen zij dat de afgodendienaren zich hadden verzameld en hadden besloten Medina te overvallen en de moslims te vernietigen. Het bleek dat ook deze maatregel een wonder van onze Meester de Profeet was.
Toen de afgodendienaren hoorden dat Rasûl-i akram op hen afkwam, werden zij bang, verlieten zij de plaats waar zij waren en keerden zij naar Mekka terug.36
Onze Meester de Profeet achtervolgde hen tot de plaats die Hamrâ al-Asad heet. Twee van de afgodendienaren werden gevangengenomen. Zij bleven daar drie dagen en keerden daarna naar Medina terug.
In een edel vers prees Allâhu ta’âlâ deze eervolle Metgezellen die naar Hamrâ al-Asad waren gegaan, en zei Hij in betekenis: “Voor hen die, nadat zij gewond waren geraakt, toch gehoor gaven aan de oproep van Allâhu ta’âlâ en Zijn Profeet, en vooral voor hen onder hen die het goede doen en zich voor het kwade hoeden, is er een zeer grote beloning.”37
Ibn Qamî’a, een van hen die bij Uhud hadden gezworen onze geliefde Profeet te doden, klom na zijn terugkeer in Mekka op een dag de berg op om naar zijn schapen te kijken. Op de top van de berg vond hij zijn schapen. Een ram uit de kudde kwam in volle vaart aanrennen en begon Ibn Qamî’a met zijn horens te stoten. Stoot na stoot verscheurde hij Ibn Qamî’a en doodde hem.
Ook ’Abdullah ibn Shihâb Zuhrî werd, toen hij op weg was naar Mekka, door een wit gevlekte slang gebeten en stierf.
Allen die het op het leven van onze Meester de Profeet hadden gemunt, kregen binnen een jaar hun straf en stierven.
“O mijn Metgezellen! Nu zijn wij van de kleine jihâd teruggekeerd, en wij gaan beginnen aan de grote jihâd” Hadîth sharîf
Drinkt zijn vriend slangengif, dan wordt het hem levenswater;
Drinkt zijn vijand water, dan wordt het zeker slangengif, het water.
In iedere druppel deed het duizend zeeën van barmhartigheid golven,
Toen hij voor de wudû zijn hand uitstak en zijn rozenwang raakte – het water.
“Moge ik het stof van zijn voeten bereiken,” zegt het, en al eeuwen onophoudelijk
Slaat het zijn hoofd van steen tot steen en dwaalt het rond, het water.
Deeltje voor deeltje wil het licht strooien over het stof van zijn drempel;
Van die drempel wijkt het niet, al werd het aan stukken gebroken, het water.
De zondaars weten dat het herhalen van uw lof een geneesmiddel is,
Zoals, om de roes te verdrijven,
De drinker water drinkt.
Yâ Habîballah, yâ Khayral-bashar, naar u verlang ik,
Zoals dorstige lippen, brandend, verlangen naar water.
U bent die zee van edelmoedigheid die in de nacht van de Mi’râj
De dauw van uw gunst bracht tot de vaste sterren en de planeten – het water.
