Mijn Geliefde Profeet

DE SLAG BIJ BADR

Deze veldtocht wordt ook het tweede Badr, Badr al-Qitâl en Badr al-Kubrâ genoemd. Het succes van de Metgezellen bij de expedities begon de ongelovigen angst aan te jagen. Hun karavanen trokken voortaan in konvooien en met soldaten aan hun zijde op weg. In het tweede jaar van de Hijra zamelden de afgodendienaren van Mekka bij iedere familie kapitaal in en zonden zij een karavaan van duizend kamelen naar Damascus. Aan het hoofd ervan stond Abû Sufyân, een van de vooraanstaanden van Mekka, die toen nog geen moslim was.1 Om de karavaan te beschermen, waren er ook ongeveer veertig bewakers aangesteld… Na de verkoop van de koopwaar zouden zij met al het geld wapens kopen, en die zouden worden gebruikt in de strijd tegen de moslims.

Toen Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) vernam dat de afgodendienaren een grote karavaan voor de handel naar Damascus hadden gestuurd, gaf hij enkele Muhâjirûn de opdracht hun toestand te verkennen. Toen zij aankwamen op de plaats die Dhu’l-’Ushayra heet, hoorden zij dat de karavaan al voorbij was, en keerden zij naar Medina terug. Als de wapens en de bezittingen uit de handen van de mensen van het ongeloof (kufr) werden genomen, zouden zij de mensen van de islam geen schade meer kunnen berokkenen en zou hun weerstand gebroken zijn. Daarom beoordeelde onze Meester Rasûlullah de toestand en begon hij onmiddellijk met de voorbereidingen voor de strijd.

Hij liet ’Abdullah ibn Umm Maktûm in zijn plaats achter om het gebed te leiden.2 Talha ibn ’Ubaydullah en Sa’îd ibn Zayd stuurde hij als verkenners uit om te vernemen wanneer de karavaan terugkwam.3 Omdat de vrouw van ’Uthmân ernstig ziek was, beval hij hem in Medina te blijven. Daarna gaf hij nog vier mensen een taak. Zo kwam het aantal mensen met een opdracht op acht.

Deze gelegenheid mocht niet gemist worden. Onze Meester de Profeet trof onmiddellijk voorbereidingen, nam driehonderdvijf Metgezellen van de Muhâjirûn en de Ansâr mee en trok op de twaalfde van de gezegende maand Ramadân op naar Badr. Met degenen die een opdracht hadden, bereikte hun aantal 313.4 Vierenzestig van hen waren Muhâjirûn.

Badr was een plaats waar de wegen naar Mekka, Medina en Syrië samenkwamen.

Om aan deze krijgstocht te mogen deelnemen, smeekten zelfs jongens die nog maar net opgegroeid waren, en zelfs vrouwen, onze Meester de Profeet. Umm Waraqa kwam bij onze Meester Rasûlullah en zei: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Als u het toestaat, wil ik met u meegaan. Ik zal de wonden van de gewonden verbinden en de zieken verzorgen. Misschien schenkt Allâhu ta’âlâ ook mij het martelaarschap!” Daarop zei Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “Blijf jij in je huis en reciteer de Qur’ân al-karîm. Zonder twijfel zal Allâhu ta’âlâ jou het martelaarschap schenken.”

“Blijf jij (o Umm Waraqa) in je huis en reciteer de Qur’ân al-karîm. Zonder twijfel zal Allâhu ta’âlâ jou het martelaarschap schenken” Hadîth sharîf

De route naar de Slag bij Badr

Sa’d ibn Abî Waqqâs vertelde: “Toen onze Meester Rasûlullah de kinderen die met ons op veldtocht wilden gaan, wilde terugsturen, zag ik dat mijn broer ‘Umayr zich ergens probeerde te verbergen om niet gezien te worden. Hij was toen zestien jaar. Ik vroeg: ‘Wat is er met je, dat je je zo verstopt?’ Hij zei: ‘Ik ben bang dat onze Meester Rasûlullah ook mij te jong vindt en mij terugstuurt! Ik wil juist aan de veldtocht deelnemen en wens dat Allâhu ta’âlâ mij het martelaarschap schenkt.’ Toen zij hem op dat moment bij onze Meester Rasûlullah meldden, zei hij tegen mijn broer: ‘Ga jij terug.’ Toen begon mijn broer ’Umayr te huilen. Habîb-i akram, de oceaan van barmhartigheid, kon zijn tranen niet verdragen en gaf hem toestemming. Ik was het die zijn zwaard om zijn middel had gegord, want zelf kon hij het niet omgorden.”5 Het vaandel van onze geliefde Profeet, de Meester der werelden, werd gedragen door Mus’ab ibn ’Umayr, Sa’d ibn Mu’âdh en ’Alî.6 De Metgezellen hadden slechts drie paarden en zeventig kamelen bij zich. Een van de paarden was van Miqdâd, een van Zubayr en een van Marthad ibn Abî Marthad. Twee of drie mensen bereden om beurten één kameel. Onze Meester Rasûlullah reed om beurten met ’Alî, Abû Lubâba en Marthad ibn Abî Marthad. Maar zij allen smeekten hem, opdat de Rasûl ’alayhis-salâm niet zou lopen maar steeds op de kameel zou blijven: “Mogen onze levens voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Stijg niet af van de kameel. Wij lopen in plaats van uw verheven persoon.” Maar de Sultan van het universum beschouwde zichzelf niet als anders dan zij en zei: “Jullie zijn niet sterker dan ik in het lopen, en ik ben, wat loon en beloning betreft, niet minder behoeftig dan jullie.” Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en zijn verheven Metgezellen liepen in de woestijn onder een verzengende hitte. Bovendien vastten zij. Om de islam te verbreiden, verdroegen de Metgezellen vele ontberingen en volgden zij onze Meester de Profeet met liefde en vuur. Want aan het einde wachtten de tevredenheid van Allâhu ta’âlâ en van Zijn Rasûl, het martelaarschap en het Paradijs, waarnaar zij zo vurig verlangden… Onze geliefde Profeet keek naar de toestand van zijn Metgezellen en deed de smeekbede: “O Allah! Zij gaan te voet; geef hun rijdieren! O Allah! Zij zijn onbedekt en naakt; kleed hen! O Allah! Zij hebben honger; verzadig hen! Zij zijn arm; maak hen rijk door Uw gunst en Uw vrijgevigheid!”

Terwijl onze Meester de Profeet en zijn gezegende leger onder deze hevige hitte naar Badr optrokken, was ook de karavaan van de afgodendienaren die uit Damascus kwam Badr genaderd. De twee Metgezellen die onze Meester de Profeet had uitgestuurd om nieuws over de karavaan in te winnen, vernamen dat de karavaan binnen een of twee dagen in Badr kon aankomen, en keerden haastig terug. Toen de mensen van de karavaan bij het dorp kwamen waar die twee het nieuws hadden vernomen, vroegen zij de dorpelingen: “Weten jullie iets van de spionnen van de moslims?” Zij zeiden: “Dat weten wij niet. Maar er kwamen twee mannen, die daar een tijdje zaten en daarna opstonden en weggingen.”

Abû Sufyân ging naar de beschreven plek en onderzocht haar; hij plette de kamelenmest die op de grond lag en zag er pitten van voer in. Hij zei: “Dit is voer uit Medina. Ik denk dat die twee mannen spionnen van Muhammad (’alayhis-salâm) zijn.” Hij vermoedde dat de moslims heel dichtbij waren en werd door grote angst bevangen. Bezorgd over het lot van de karavaan, besloot hij dag en nacht door te trekken en zonder tijd te verliezen in snelle vaart langs de kust van de Rode Zee naar Mekka te gaan. Bovendien stuurde hij een man die Damdam ibn ’Amr Ghifârî heette als boodschapper naar Mekka om de toestand te melden.7

“O Allah! Zij (mijn Metgezellen) gaan te voet; geef hun rijdieren! O Allah! Zij zijn onbedekt en naakt; kleed hen! O Allah! Zij hebben honger; verzadig hen! Zij zijn arm; maak hen rijk door Uw gunst en Uw vrijgevigheid!” Hadîth sharîf

Toen deze man in Mekka aankwam, scheurde hij zijn hemd van voren en van achteren open. Hij keerde het zadel van zijn kameel om. In een vreemde toestand begon hij te jammeren en te schreeuwen: “Help! Help!… O Quraysh! Schiet te hulp!… Muhammad en zijn Metgezellen hebben jullie karavaan aangevallen, jullie goederen die bij Abû Sufyân zijn. Als jullie op tijd komen, kunnen jullie je karavaan redden!…”

Toen de Mekkanen dit hoorden, verzamelden zij zich onmiddellijk en troffen hun voorbereidingen. Zij brachten zevenhonderd man op kamelen, honderd ruiters en honderdvijftig voetsoldaten bijeen. Toen zij tegen Abû Lahab zeiden: “Kom, doe jij ook mee!”, voerde hij uit angst zijn ziekte als voorwendsel aan. In zijn plaats stuurde hij ’Âs ibn Hishâm. Een afgodendienaar die Umayya ibn Khalaf heette, was bij de voorbereidingen voor de strijd uiterst laks. Want hij had gehoord dat onze Meester de Profeet had gezegd: “Mijn Metgezellen zullen Umayya doden.” Hij was bang, omdat hij wist dat de Profeet nooit van de waarheid afweek. Daarom voerde hij tegenover het aandringen van Abû Jahl aan dat hij oud en heel dik was. Maar toen Abû Jahl hem van lafheid beschuldigde, was hij gedwongen mee te gaan.

Het leger van de afgodendienaren telde ongeveer duizend man. Allen droegen ijzeren maliënkolders. Zij hadden vrouwen met mooie stemmen bij zich. Ook hadden zij niet verzuimd muziekinstrumenten en drank mee te nemen. Zij meenden dat zij met zo’n sterk leger niet alleen driehonderd man, maar zelfs een leger van duizend man in een oogwenk zouden verslaan. Er waren er zelfs die al vóór het vertrek uitrekenden wie zij zouden doden en welke buit zij zouden behalen. Maar de grootste wens van hen allen was de islam uit de weg te ruimen. Deze ontketende kudde afgodendienaren ging op weg onder het geroffel van de tamboerijnen die de vrouwen bespeelden en de liederen die zij zongen.

Ondertussen had Abû Sufyân zich al een flink eind van Badr verwijderd en een aardig stuk weg richting Mekka afgelegd. Toen hij zeker wist dat het gevaar geweken was, stuurde hij zijn man Qays ibn Imru’ul-Qays naar de Quraysh met de boodschap: “O gemeenschap van Quraysh! Jullie waren uit Mekka vertrokken om jullie karavaan, jullie mannen en jullie goederen te beschermen. Wij zijn aan het gevaar ontkomen. Keer nu terug!…” Bovendien gaf hij hun de raad: “Pas ervoor op naar Medina te gaan om tegen de moslims te strijden!”

Toen Qays het bericht aan het leger van de afgodendienaren bracht, zei Abû Jahl: “Ik zweer dat wij naar Badr gaan en daar drie dagen en drie nachten feestvieren, kamelen slachten en wijn drinken. De stammen in de omtrek zullen naar ons kijken, ons om onze toestand benijden en zien dat wij voor niemand bang zijn. Daarna zal niemand het uit ontzag voor ons nog wagen ons aan te vallen. O onoverwinnelijk leger van de Quraysh! Voorwaarts!…” Toen Qays zag dat Abû Jahl niet in een toestand was om naar raad te luisteren, keerde hij terug en bracht Abû Sufyân op de hoogte. Abû Sufyân, een vooruitziend en voorzichtig man, kon niet nalaten te zeggen: “Wee! Wat jammer voor de Quraysh!… Dit is een plan van ’Amr ibn Hishâm (Abû Jahl). Hij heeft dit beslist gedaan uit begeerte om het hoofd van de mensen te zijn. Maar zulke overmoed is altijd een grote tekortkoming en een onheilsteken. Als de moslims hen tegenkomen, wee dan de Quraysh!..”

Abû Sufyân bracht de karavaan haastig naar Mekka en voegde zich bij het leger. Ondertussen naderde de Vorst van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) met zijn Metgezellen Badr. Op een gegeven moment zag hij Khubayb ibn Yasâf en Qays ibn Muharrith, afgodendienaren uit Medina, te midden van het leger van de islam. Hoewel Khubayb een ijzeren helm op zijn hoofd had, herkende hij hem en zei tegen Sa’d ibn Mu’âdh: “Is dat niet Khubayb?” Hij zei: “Ja, yâ Rasûlallah!” Khubayb was een moedige, sterke vechter die de krijgskunst verstond. Samen met Qays kwam hij bij onze Meester Rasûlullah. Onze Profeet vroeg hun: “Waarom gaan jullie met ons mee?” Zij zeiden: “Jij bent de zoon van onze zuster en onze buurman. Ook wij gaan met ons volk mee om buit te verzamelen!” Toen onze Meester Khubayb vroeg: “Geloof jij in Allâhu ta’âlâ en in Zijn Rasûl?”, zei hij: “Nee.” De Rasûl ’alayhis-salâm zei: “Keer dan terug! Wie niet van onze religie is, kan niet bij ons zijn!” Khubayb zei: “Iedereen kent mijn dapperheid en mijn heldenmoed, en weet dat ik een vechter ben die wonden slaat in de borst van de vijand. Voor de buit zal ik aan jouw zijde tegen jouw vijand strijden.” Onze Meester de Profeet aanvaardde zijn hulp niet.

Nadat zij een tijdje verder waren getrokken, herhaalde Khubayb zijn verzoek, maar onze Profeet maakte bekend dat zijn wens niet aanvaard kon worden zolang hij geen moslim werd. Toen zij aankwamen op de plaats Rawhâ, kwam Khubayb bij onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en zei: “Yâ Rasûlallah! Ik geloof dat Allâhu ta’âlâ de Heer der werelden is, en ik geloof in uw profeetschap; ik ben tot het geloof gekomen.” Daarop verheugde de Vorst van het universum zich zeer. Ook Qays werd, nadat hij naar Medina was teruggekeerd, met het geloof vereerd (radiyallâhu ’anh).

Toen het leger van de islam in de vallei van Safrâ aankwam, ontving het het bericht dat de Mekkanen een leger hadden gevormd en naar Badr optrokken om hun karavaan te redden. Onze Meester de Profeet riep zijn Metgezellen bijeen en overlegde met hen over deze toestand. Want toen de moslims van Medina onze Meester Rasûlullah bij ’Aqaba trouw hadden gezworen, hadden zij hem beloofd: “Yâ Rasûlallah! Kom naar onze stad. Daar zullen wij u tegen uw vijand beschermen, al kost het ons ons leven, en wij zullen u volgen.” Nu echter waren zij buiten Medina getrokken. En tegenover hen stond een groot vijandelijk leger dat hen in aantal, wapens en bezit vele malen overtrof.

Toen onze Meester Rasûlullah zijn Metgezellen naar hun mening vroeg, stonden van de Muhâjirûn Abû Bakr as-Siddîq en ’Umar al-Fârûq ieder afzonderlijk op en verklaarden dat men tegen het vijandelijke leger moest strijden. Ook Miqdâd ibn Aswad van de Muhâjirûn stond op en zei: “Yâ Rasûlallah! Voer uit wat het bevel van Allâhu ta’âlâ ook is. Trek op volgens Zijn gebod. Wij zijn ieder ogenblik met u; geen ogenblik wijken wij van uw zijde. Wij zullen niet zeggen wat de Kinderen van Israël tegen Mûsâ ’alayhis-salâm zeiden: ‘O Mûsâ! Zolang het volk van geweldenaars en onrechtplegers in dat gebied is, zullen wij daar niet heen gaan en die stad nooit binnengaan. Ga dus jij met jouw Heer, en strijd jullie beiden tegen hen. Wij blijven hier zitten…’8 Wij offeren ons leven en ons hoofd op de weg van Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl. Wij zweren bij Allâhu ta’âlâ, Die u als ware Profeet heeft gezonden: al zou u ons naar Abessinië aan de overkant van de zee sturen, wij zouden gaan. Nooit zullen wij u ook maar in het minste tegenspreken. Wij zijn bereid al uw wensen te vervullen. Mogen mijn vader, mijn moeder en mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah…”

“Wie niet van onze religie is, kan niet bij ons zijn!” Hadîth sharîf

De Slag bij Badr

Deze woorden van Miqdâd verheugden onze geliefde Profeet zeer, en hij deed goede smeekbeden voor hem.9

Hier was de mening van de moslims van Medina zeer belangrijk. Want zij waren talrijker, en zij hadden beloofd Rasûlullah in Medina te beschermen. Een belofte om buiten Medina te strijden hadden zij niet gedaan. Toen men dit begreep, stond Sa’d ibn Mu’âdh van de Ansâr op en zei: “Yâ Rasûlallah! Als u het toestaat, zal ik namens de Ansâr spreken.” Toen hem dat werd toegestaan, zei hij: “Yâ Rasûlallah! Wij hebben in u geloofd en uw profeetschap bevestigd. Al wat u hebt gebracht, is waarheid en is juist. Hierover hebben wij u ons vaste woord gegeven en gezworen te luisteren en te gehoorzamen. Nooit zullen wij op dat woord terugkomen; waarheen u zich ook begeeft, wij staan tot uw bevel. Uw bevel houden wij boven ons hoofd. Ons leven en ons hoofd offeren wij op uw weg. Wij zweren bij Allâhu ta’âlâ, Die u als ware Profeet heeft gezonden: als u in de zee duikt, duiken wij u achterna. Niemand van ons zal ook maar één stap achterblijven. Wat er ook in uw gezegende hart is, beveel het, en wij voeren het uit. Ook onze bezittingen mogen samen met ons leven voor u geofferd worden. Nooit zullen wij ons gezicht van de vijand afwenden. In de strijd zijn wij standvastig. Onze hoop is u te verblijden en uw tevredenheid te verwerven. Moge de barmhartigheid van Allâhu ta’âlâ over u zijn…” De Metgezellen die deze woorden hoorden, werden zeer bewogen. Allen verklaarden dat zij zich met hart en ziel bij deze woorden aansloten. Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was zeer tevreden. Hij deed smeekbeden voor Sa’d en voor zijn Metgezellen. Alle aarzeling was nu verdwenen. Hoe talrijk en hoe sterk de vijand ook was, de roemrijke Metgezellen zouden zonder met hun ogen te knipperen achter onze geliefde Profeet naar het martelaarschap optrekken en de tevredenheid van Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl verwerven. Met de Meester van het universum aan hun hoofd was er geen plaats waar zij niet heen zouden gaan… Toen de Trots der wereld de trouw en het vuur van zijn Metgezellen zag, gaf hij hun de blijde boodschap: “Kom, trek op! Verheug jullie over de genade van Allâhu ta’âlâ. Bij Allah, het is alsof ik nu kijk naar de plaatsen waar de mensen van de Quraysh op het slagveld getroffen neervallen, en hen zie!” Na deze blijde boodschap volgden de Metgezellen onze Meester Rasûlullah vol liefde.

De engelen komen te hulp

Toen zij de omgeving van Badr bereikten, was het de nacht van donderdag op vrijdag. Onze geliefde Profeet zei tegen zijn Metgezellen: “Ik hoop dat jullie bij de put naast die kleine heuvel enige inlichtingen kunnen krijgen.” Hij stuurde de leeuw van Allâhu ta’âlâ, ’Alî, en Sa’d ibn Abî Waqqâs, Zubayr ibn ’Awwâm en enkele andere Metgezellen daarheen. ’Alî en zijn makkers gingen onmiddellijk naar de put. Daar zagen zij de kameeldrijvers en de waterdragers van de Quraysh. Toen dezen de moslims zagen, vluchtten zij. Maar twee van hen werden gegrepen. De een was Ashlam, de slaaf van de zonen van Hajjâj, de ander ’Arîd Abû Yasâr, de slaaf van de zonen van ’Âs ibn Sa’îd.

Toen zij hen bij onze Meester de Profeet brachten, vroeg Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) hun: “Waar zijn de Quraysh?” Zij antwoordden: “Zij hebben zich gelegerd achter die zandheuvel die daar te zien is.” Onze Meester vroeg: “Hoeveel man zijn de Quraysh?” Zij zeiden: “Dat weten wij niet.” Op de vraag “Hoeveel kamelen slachten zij per dag?” kreeg hij als antwoord: “De ene dag negen, de andere dag tien.” Daarop zei onze Meester de Profeet: “Zij zijn minder dan duizend en meer dan negenhonderd.” Opnieuw vroeg hij: “Wie van de vooraanstaanden van de Quraysh zijn erbij?” Toen zij zeiden: “’Utba, Shayba, Hârith ibn ’Amr, Abu’l-Bakhtarî, Hakîm ibn Hizâm, Abû Jahl, Umayya ibn Khalaf…”, wendde onze Meester Rasûlullah zich tot zijn Metgezellen en zei: “De mensen van Mekka hebben jullie hun eigen vlees en bloed uitgeleverd.” Daarna vroeg hij die twee: “Is er op de heenweg iemand van de Quraysh teruggekeerd?” Zij antwoordden: “Ja. Akhnas ibn Abî Sharîq van de Banû Zuhra is teruggekeerd.” Onze Meester zei: “Hoewel hij zelf niet op het rechte pad is en het hiernamaals, Allâhu ta’âlâ en het Boek niet kent, heeft hij de Banû Zuhra het rechte pad gewezen… Is er behalve hen nog iemand teruggekeerd?”, en kreeg als antwoord: “De zonen van ’Adiyy ibn Ka’b zijn teruggekeerd.”10

“Yâ Rasûlallah! Voer uit wat het bevel van Allâhu ta’âlâ ook is. Trek op volgens Zijn gebod. Wij zijn ieder ogenblik met u; geen ogenblik wijken wij van uw zijde” Miqdâd ibn Aswad (radiyallâhu ’anh)

Om de Quraysh een laatste keer te waarschuwen, stuurde onze Meester de Profeet ’Umar met een voorstel tot een overeenkomst naar hen toe. ’Umar ibn Khattâb zei tegen hen: “O koppig volk! De Rasûl ’alayhis-salâm zegt: ‘Laat iedereen van deze zaak afzien en in vrede terugkeren. Want strijden tegen anderen dan jullie is mij liever dan strijden tegen jullie!…’”

Tegenover dit voorstel trad Hakîm ibn Hizâm van de afgodendienaren van de Quraysh naar voren en zei: “O gemeenschap van Quraysh! Muhammad heeft zich zeer billijk tegenover jullie gedragen. Aanvaard onmiddellijk wat hij vraagt. Als jullie niet doen wat hij zegt, zweer ik dat hij hierna in het geheel niet meer billijk tegenover jullie zal zijn!…” Abû Jahl werd boos om deze woorden van Hakîm en zei: “Dit zullen wij nooit aanvaarden, en wij keren niet terug zolang wij geen wraak hebben genomen op de moslims, zodat niemand het ooit nog waagt onze karavaan aan te vallen.” Zo sloot hij de wegen naar vrede af. ’Umar keerde terug.

Die nacht kwamen onze Meester de Profeet en zijn roemrijke Metgezellen vóór de afgodendienaren in Badr aan en sloegen hun kamp op dicht bij de putten. Onze Meester de Profeet overlegde met zijn Metgezellen en vroeg hun mening over de plaats waar het hoofdkwartier moest worden gevestigd. Hubâb ibn Mundhir, die toen pas drieëndertig jaar was, stond op en vroeg het woord. Toen hem dat werd gegeven, vroeg hij: “Yâ Rasûlallah! Is dit een plaats die Allâhu ta’âlâ u heeft bevolen om er het hoofdkwartier te vestigen, en waar wij beslist moeten blijven? Of is zij gekozen op grond van een persoonlijke mening, als krijgsmaatregel?” Onze Meester de Profeet zei: “Nee! Deze plaats is gekozen als krijgsmaatregel.”

Daarop zei Hubâb: “Mogen mijn vader, mijn moeder en mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah!

Wij zijn mannen van de oorlog. Ook deze streek kennen wij goed. In de put dicht bij de plaats waar de Quraysh zich zullen legeren, is zoet en overvloedig water. Als u het toestaat, laten wij ons daar legeren. Laten wij alle putten in de omgeving dichtgooien. Daarna maken wij een reservoir en vullen het met water. Terwijl wij tegen de vijand strijden, komen wij telkens als wij dorst hebben uit ons reservoir drinken. De vijand daarentegen vindt geen water en raakt uitgeput.”11 Op dat moment bracht Jibrîl ’alayhis-salâm de openbaring die bekendmaakte dat dit idee juist was. Onze Meester de Profeet zei: “O Hubâb! De juiste mening is die welke jij hebt aangewezen,” en stond op. Met zijn allen gingen zij naar de aangewezen put. Zij gooiden alle putten dicht behalve die met het zoete water, en maakten een groot reservoir. Zij vulden het met water en zetten er bekers bij om uit te drinken.

Op dat moment kwam Sa’d ibn Mu’âdh bij onze Meester de Profeet en stelde voor: “Yâ Rasûlallah! Zullen wij voor u van dadelpalmtakken een schaduwdak maken waaronder u kunt zitten?” De Trots der wereld was blij met dit idee van Sa’d en deed een smeekbede voor hem. Onmiddellijk werd een schaduwdak gemaakt. De Sultan der profeten ging met zijn eervolle Metgezellen over het slagveld en onderzocht het. Telkens bleef hij staan en wees met zijn gezegende handen een voor een de plaatsen aan waar de afgodendienaren van de Quraysh gedood zouden worden, met de woorden: “Inshâ’allâh is dit morgenochtend de plaats waar die en die getroffen neervalt! Inshâ’allâh is dit morgenochtend de plaats waar die en die getroffen neervalt! Hier is het! Hier…”

Later vertelde ’Umar dit als volgt: “Ik zag dat ieder van hen precies op de plaats werd getroffen en gedood waar Rasûl-i akram zijn gezegende hand had gelegd. Geen van hen lag ook maar een klein stukje verder naar voren of naar achteren.”

De Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) verdeelde de Metgezellen in drie groepen. Het vaandel van de Muhâjirûn gaf hij aan Mus’ab ibn ’Umayr, dat van de Aws aan Sa’d ibn Mu’âdh en dat van de Khazraj aan Hubâb ibn Mundhir. Ieder verzamelde zich onder zijn vaandel.12 Onze Meester stelde het leger in rijen op en bracht het in slagorde.

Terwijl hij het leger in orde bracht, raakte hij met het stokje in zijn gezegende hand de borst aan van Sawâd ibn Ghaziyya, die uit de rij naar voren was gekomen, en zei: “Kom in de rij, o Sawâd!” Sawâd zei: “Yâ Rasûlallah! Het stokje in uw hand heeft mij pijn gedaan. Omwille van Allâhu ta’âlâ, Die u met de ware religie, met het Boek en met de rechtvaardigheid heeft gezonden, wil ook ik u zo met een stokje aanraken.” Alle Metgezellen stonden versteld van deze woorden. Kon men van de Meester van het universum vergelding (qisâs) eisen? Kon zoiets gedaan worden? Maar onze Meester Rasûlullah opende de voorkant van zijn gezegende hemd en zei: “Kom, neem vergelding en haal je recht.” Toen kuste Sawâd vol vreugde en liefde de gezegende borst van Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam).

Iedereen had vergelding verwacht; bij het tafereel dat zij zagen, bewonderden zij hun broeder Sawâd en benijdden zij hem om zijn toestand. Toen onze geliefde Profeet vroeg: “Waarom heb je dat gedaan?”, zei Sawâd: “Mogen mijn vader, mijn moeder en mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Ik zie dat vandaag op bevel van Allâhu ta’âlâ mijn levenseinde gekomen is, en ik ben bang van uw verheven persoon gescheiden te worden. Daarom wenste ik dat in deze laatste minuten die wij samen doorbrengen, mijn lippen uw gezegende lichaam zouden aanraken. Ik wilde dat dit een middel zou zijn opdat u op de Dag des Oordeels voorspraak voor mij doet en ik zo van de bestraffing gered word.” Bij deze liefde werd ook onze Meester de Profeet zeer ontroerd, en hij deed een smeekbede voor Sawâd.

De rechtervleugel van het gezegende leger van de islam zou onder bevel staan van de heldhaftige mujâhid Zubayr ibn ’Awwâm, en de linkervleugel onder bevel van Miqdâd ibn Aswad.13

Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wilde met zijn eervolle Metgezellen overleggen hoe de strijd moest worden begonnen, en vroeg: “Hoe strijden jullie?” ’Âsim ibn Thâbit stond op, met zijn boog en zijn pijl in de hand, en gaf zijn mening: “Yâ Rasûlallah! Wanneer de Quraysh ons tot op ongeveer honderd meter genaderd zijn, laten wij hen dan met pijlen beschieten. Wanneer zij daarna op een steenworp afstand gekomen zijn, laten wij stenen werpen. Wanneer zij zo dichtbij zijn dat de lansen hen bereiken, laten wij dan met onze lansen strijden tot ze breken. Daarna trekken wij onze zwaarden en strijden wij!” Deze tactiek beviel onze Meester de Profeet. Hij gaf zijn Metgezellen de volgende aanwijzing: “Verlaat jullie linies niet. Blijf standvastig op jullie plaats zonder jullie te verroeren. Begin de strijd niet zolang ik geen bevel geef. Verspil jullie pijlen niet door ze te gebruiken voordat de vijand jullie nadert. Schiet jullie pijlen af wanneer de vijand zijn schild opent. Wanneer de vijand goed dichtbij is gekomen, werp dan stenen met de hand. Gebruik jullie lansen wanneer zij naderbij komen. En wanneer het tot een gevecht van man tegen man komt, strijd dan met jullie zwaarden…”

“Inshâ’allâh is dit morgenochtend de plaats waar die en die getroffen neervalt! Inshâ’allâh is dit morgenochtend de plaats waar die en die getroffen neervalt! Hier is het! Hier…” Hadîth sharîf

Daarna werden er wachtposten uitgezet en kregen de Metgezellen rust. Door de wijsheid van Allâhu ta’âlâ vielen zij in zo’n diepe slaap dat zij hun oogleden niet konden opheffen. Toen onze Meester de Profeet zich had teruggetrokken onder het schaduwdak van dadelpalmtakken, trokken Abû Bakr en daarna Sa’d ibn Mu’âdh hun zwaard en hielden zij de wacht bij de ingang van het schaduwdak. Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) hief zijn gezegende handen op en begon in grote droefheid Allâhu ta’âlâ te smeken: “O mijn Heer! Als U dit handjevol mensen vernietigt, zult U op aarde nooit meer aanbeden worden…” Deze ontroerende smeekbede duurde tot de ochtend.

De plaats waar het gezegende leger van de islam zijn kamp had opgeslagen, was zanderig. Daardoor was het lopen moeilijk, en de voeten zakten in het zand weg. Als gunst van Allâhu ta’âlâ en door de zegen van de smeekbede van onze Meester Rasûlullah begon het die nacht te regenen, steeds harder, en het water stroomde zo overvloedig dat de beken buiten hun oevers traden. De waterzakken werden gevuld, en de grond werd zo hard dat de voeten niet meer wegzakten.

De afgodendienaren daarentegen bleven in modder en stromend water steken.

Na het ochtendgloren wekte onze Meester Rasûlullah zijn Metgezellen voor het gebed.

Nadat hij het ochtendgebed had geleid, sprak hij over de verdienste van de jihâd tegen de vijand en van het martelaarschap, en moedigde hij hen aan tot de strijd. Hij zei: “Voorwaar, Allâhu ta’âlâ beveelt wat waar en juist is. Van niemand aanvaardt Hij een daad die niet voor Zijn tevredenheid wordt verricht… Streef ernaar het bevel na te komen waarmee onze Heer jullie op deze plaatsen Zijn barmhartigheid en Zijn vergeving heeft beloofd, en doorsta de beproeving! Want Zijn belofte is waar, Zijn woord is waarheid en Zijn straf is streng. Ik en jullie zijn verbonden met Allâhu ta’âlâ, Die Hayy en Qayyûm is. Bij Hem hebben wij onze toevlucht gezocht, aan Hem hebben wij ons vastgehouden, op Hem hebben wij ons verlaten. En tot Hem is onze laatste terugkeer. Moge Allâhu ta’âlâ mij en alle moslims vergeven!…”

Op de zeventiende van de gezegende maand Ramadân ging de zon van een vrijdag op. Weldra zou de meedogenloosste, ongelijkste, belangrijkste en grootste strijd van de geschiedenis beginnen…

Aan de ene kant stonden de Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en een handvol van zijn eervolle Metgezellen, die er geen ogenblik voor terugdeinsden hun leven te offeren; aan de andere kant een ontketende, uitzinnige menigte ongelovigen, die zich had verzameld om de islam in een lepel water te verdrinken en een profeet te vernietigen die de eer had de habîb van Allâhu ta’âlâ te zijn. Helaas waren er onder hen ook verwanten van Rasûl-i akram. Ook zij waren naar Badr gekomen om tegen hun geliefde neef te strijden.

Onze Meester de Profeet bekeek opnieuw de opstelling van zijn leger en herhaalde de aanwijzingen die hij had gegeven. Op dat moment kwamen de afgodendienaren van de Quraysh uit hun kamp en begonnen zij de vallei van Badr in te stromen. De meesten van hen waren met maliënkolders bedekt. Vol hoogmoed en trots waren zij tot de aanval op het leger van de islam overgegaan. Toen onze Meester Rasûlullah de afgodendienaren zo zag, ging hij met Abû Bakr de tent binnen, hief zijn gezegende handen op en begon Janâb-i Haqq te smeken: “O mijn Heer! Zie, de afgodendienaren van de Quraysh komen met al hun hoogmoed en trots!… Zij dagen U uit en loochenen Uw Profeet. O Allah! Ik vraag U de belofte van hulp en overwinning die U mij hebt gedaan, te vervullen!… O Allah! Als U de ondergang van dit handjevol moslims wilt, zal er hierna niemand meer zijn die U aanbidt!…”

Zo smeekte hij Allâhu ta’âlâ onophoudelijk, steeds opnieuw om hulp vragend. Dit buitengewoon droevige, hartverscheurende smeken van onze Meester de Profeet duurde voort tot zijn mantel (ridâ), terwijl hij geheel in vervoering was, van zijn gezegende schouder gleed. Abû Bakr, die dit innige smeken niet kon verdragen, raapte de gezegende mantel met grote eerbied van de grond op, legde hem op de gezegende schouder van onze Meester en troostte hem met de woorden: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Zoveel smeken is genoeg!… U hebt met aandrang tot uw Heer gesmeekt! Voorwaar, Allâhu ta’âlâ zal u spoedig de overwinning geven die Hij u heeft beloofd.” Op dat moment kwam de Meester der werelden de tent uit, terwijl hij de volgende edele verzen reciteerde, waarin in betekenis wordt gezegd: “Deze menigte (in Badr) zal voorzeker spoedig uiteengeslagen en verslagen worden, en zij zullen hun rug keren en vluchten. Sterker nog, het eigenlijke tijdstip van hun bestraffing is de Opstanding. De bestraffing van dat tijdstip is nog verschrikkelijker en bitterder.”14

Onze geliefde Profeet kwam aan het hoofd van zijn leger. Hij reciteerde voor zijn roemrijke Metgezellen de volgende edele verzen: “O jullie die geloven! Wanneer jullie een vijandelijke groep ontmoeten, houd dan stand en gedenk Allâhu ta’âlâ veel, opdat jullie gered worden… Zo zullen jullie hopelijk het heil bereiken. Gehoorzaam Allah en Zijn Rasûl. Twist niet met elkaar, anders zullen jullie falen en verdwijnt de kracht (macht, sterkte) die jullie in handen hebben. Wees geduldig, want Allâhu ta’âlâ is met de geduldigen.”15

Dit zou de eerste strijd zijn die met het hele leger tegen de vijand werd gevoerd. De strijd stond op het punt te beginnen. De spanning had haar hoogtepunt bereikt. Toen Rasûl-i akram het edele vers reciteerde met de betekenis “Gedenk Allâhu ta’âlâ veel…”, begonnen alle Metgezellen samen “Allâhu akbar!… Allâhu akbar!…” te roepen en Janâb-i Haqq te smeken hun de overwinning te schenken. Zij wachtten nu nog slechts op een teken van onze Meester de Profeet. Volgens de gewoonten van die tijd traden, voordat twee legers op elkaar stuitten, van beide kanten dapperen naar voren die met elkaar vochten. Door dit tweegevecht namen aan beide kanten de woede en de strijdlust toe, en raakte men warm voor de strijd. ‘Âmir ibn Hadramî van de afgodendienaren hield zich niet aan deze regel, trapte die met voeten en schoot een pijl op het leger van de islam af. De pijl trof Mihja’ van de Muhâjirûn; hij werd martelaar (shahîd), en zijn gezegende ziel steeg op naar het Paradijs. De meester der profeten gaf over deze eerste martelaar de blijde boodschap: “Mihja’ is de meester van de martelaren.” De Metgezellen konden niet meer op hun plaats blijven. Maar zolang er geen bevel van onze Meester kwam, konden zij geen enkele beweging maken.

“O mijn Heer! Zie, de afgodendienaren van de Quraysh komen met al hun hoogmoed en trots!… Zij dagen U uit en loochenen Uw Profeet. O Allah! Ik vraag U de belofte van hulp en overwinning die U mij hebt gedaan, te vervullen!…” Hadîth sharîf

Ieders binnenste begon te koken als een vulkaan!…

Op dat moment zag men drie mannen uit het leger van de afgodendienaren naar voren springen. Dat waren verbeten vijanden van de islam uit de zonen van Rabî’a: ’Utba, zijn broer Shayba en zijn zoon Walîd. Zij riepen naar de mujâhids: “Is er onder jullie iemand die tegen ons kan vechten?” Toen van de Metgezellen allereerst Abû Hudhayfa naar voren trad om tegen zijn vader ’Utba te strijden, zei de Sultan der werelden tegen hem: “Blijf jij staan!” Toen traden van de mujâhids van Medina de zonen van ’Afrâ Khâtûn, Mu’âdh en Mu’awwidh, en ’Abdullah ibn Rawâha naar voren. Zij stelden zich tegenover ’Utba, Shayba en Walîd op. Met het zwaard in de hand stonden zij klaar.

De afgodendienaren wilden dat zij zich bekendmaakten en vroegen: “Wie zijn jullie?” Toen zij zeiden: “Wij behoren tot de moslims van Medina,” zeiden de afgodendienaren: “Met jullie hebben wij niets te maken! Wij moeten de zonen van ’Abdulmuttalib hebben. Met hen willen wij strijden,” en zij wendden zich tot het leger van de islam en riepen: “O Muhammad! Stuur ons onze gelijken uit ons eigen volk!”

Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) deed een smeekbede voor deze drie dappere Metgezellen op het strijdveld en beval hun daarna naar hun plaats terug te keren. Toen liet hij zijn blik over zijn Metgezellen gaan en zei: “O zonen van Hâshim! Sta op! Strijd op de weg van de Haqq tegen hen die gekomen zijn om de nûr van Allâhu ta’âlâ met hun valse religies te doven; Allâhu ta’âlâ heeft immers jullie Profeet juist daarvoor gezonden. Sta op, o ’Ubayda! Sta op, o Hamza! Sta op, o ’Alî!”

De leeuwen van Allâhu ta’âlâ, Hamza, ’Alî en ’Ubayda, zetten hun helm op en liepen het strijdveld op. Toen zij tegenover hen stonden, zeiden de afgodendienaren: “Wie zijn jullie? Als jullie onze gelijken zijn, strijden wij met jullie.” Toen zij antwoordden: “Ik ben Hamza! Ik ben ’Alî! Ik ben ’Ubayda!”, zeiden de afgodendienaren: “Ook jullie zijn eervolle mannen, net als wij. Wij aanvaarden de strijd met jullie.” De heldhaftige mujâhids van de islam nodigden de afgodendienaren eerst uit tot het geloof, maar zij aanvaardden het niet. Daarop trokken zij alle drie tegelijk hun zwaard en stortten zich op de afgodendienaren. Hamza en ’Alî doodden de ongelovigen ’Utba en Walîd in één aanval. ’Ubayda verwondde Shayba. Ook Shayba verwondde ’Ubayda. Hamza en ’Alî snelden ’Ubayda te hulp en doodden Shayba ter plekke. Zij namen ’Ubayda in hun armen en brachten hem bij onze Meester Rasûlullah.16 Uit de gezegende enkel van ’Ubayda ibn Hârith stroomden bloed en merg. Zonder zich ook maar iets om zijn toestand te bekommeren, vroeg hij: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Als ik in deze toestand sterf, ben ik dan geen martelaar?” Onze Meester de Profeet zei: “Jawel, jij bent een martelaar,” en gaf hem zo de blijde boodschap dat hij tot de bewoners van het Paradijs behoorde. (’Ubayda radiyallâhu ’anh overleed op de terugweg van de strijd, op de plaats Safrâ.) De afgodendienaren, die in dit tweegevecht drie van hun belangrijke mannen hadden verloren, raakten van hun stuk. Toch probeerde Abû Jahl het moreel van zijn leger op te vijzelen en hen te troosten met de woorden: “Kijk niet naar de dood van ’Utba, Shayba en Walîd; zij hebben zich in de strijd overhaast en zijn voor niets gestorven! Ik zweer dat wij niet terugkeren voordat wij de moslims gegrepen en met touwen vastgebonden hebben!…” De heldhaftige Metgezellen daarentegen konden niet wachten om deze bende afgodendienaren zo snel mogelijk met hun zwaarden te bestraffen. En onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) herhaalde de volgende smeekbede, die niet van zijn gezegende tong week: “O Allah! Vervul de belofte die U mij hebt gedaan!.. O Allah! Als U dit handjevol moslims vernietigt, zal er op aarde niemand meer zijn die U aanbidt!…”

Op dat moment trad uit de rijen van de afgodendienaren ’Abdurrahmân naar voren, de zoon van Abû Bakr, die toen nog geen moslim was – een van de dapperste en scherpste boogschutters van de Quraysh. Hij betrad het strijdveld en daagde iemand uit tot een tweegevecht. In de middaghitte van deze julimaand zag men ook uit de rijen van de mujâhids iemand onmiddellijk naar zijn zwaard grijpen en naar voren treden. Dat was de held Abû Bakr, die vereerd was als eerste moslim te worden en met de rang van Siddîq, de verhevenste mens na de profeten… Hij was naar voren gesprongen om tegen zijn eigen zoon te strijden. Maar de Meester der werelden zei tegen hem: “O Abû Bakr! Weet je niet dat jij voor mij bent als mijn ziende oog en mijn horende oor? Wijk niet van mijn zijde! Iedere last die mijn lichaam en mijn hart treft, wordt lichter wanneer ik je gezegende gezicht zie. Door jou wordt mijn hart sterk.”

Zo weerhield hij hem van de strijd. Abû Bakr as-Siddîq kon niet nalaten tegen zijn zoon te zeggen: “O verdorvene! Waar is je band met mij gebleven?”

Toen zag men hoe de Sultan der profeten, Habîb-i akram, zich naar de grond boog en een handvol zand opnam. Hij wierp dit zand naar de vijand en zei: “Mogen hun gezichten zwart worden!… O Allah! Werp angst in hun harten en laat hun voeten beven!” Daarna wendde hij zich tot zijn Metgezellen en gaf het bevel: “Ten aanval!.. Val aan!” De roemrijke Metgezellen, die slechts op een teken wachtten, kwamen in beweging volgens de aanwijzingen die eerder waren gegeven. Onder de kreten “Allâhu akbar!… Allâhu akbar!…” begonnen de pijlen te zoemen, de stenen hun doel te treffen en de lansen tegen de maliënkolders te slaan… De leeuwen van Allâhu ta’âlâ: Hamza streed met twee zwaarden, één in iedere hand; ’Alî, ’Umar, Zubayr ibn ’Awwâm, Sa’d ibn Abî Waqqâs, Abû Dujâna17 en ’Abdullah ibn Jahsh drongen aan het ene uiteinde de rijen van de afgodendienaren binnen en kwamen er aan het andere weer uit, zodat de ongelovigen niet meer wisten waar zij het zoeken moesten. Ieder van hen was een onneembare vesting geworden. De kreten “Allâhu akbar!… Allâhu akbar!…” vulden de wereld, en de grootheid van de majesteit van Allâhu ta’âlâ daalde als een moker neer op de hoofden van de ongelovigen. Onze Meester de Profeet smeekte Allâhu ta’âlâ: “Yâ Hayy! Yâ Qayyûm! Yâ Hayy! Yâ Qayyûm!” ’Alî heeft gezegd: “Bij Badr was de Rasûl ’alayhis-salâm de moedigste en heldhaftigste van ons allen. Hij was ook degene die het dichtst bij de rijen van de afgodendienaren stond. Wanneer wij in het nauw zaten, zochten wij onze toevlucht bij hem.”

De afgodendienaren namen hun leider Abû Jahl in hun midden. Een van hen kleedden zij als Abû Jahl, zodat hij op hem leek. De naam van deze ongelukkige was ’Abdullah ibn Mundhir. ’Alî stortte zich op ’Abdullah en hieuw voor de ogen van Abû Jahl zijn hoofd af. Daarna kleedden zij Abû Qays zo. Ook hem doodde Hamza.

’Alî vocht met een afgodendienaar. De afgodendienaar had zijn zwaard naar ’Alî gezwaaid, en het zwaard was in het schild blijven steken. Terwijl ’Alî zijn Dhu’l-Fiqâr op het geharnaste lichaam van de afgodendienaar liet neerkomen en hem met maliënkolder en al van de schouder tot de borst doorkliefde, zag hij boven zijn hoofd een zwaard flitsen. Snel boog hij zijn hoofd. Op het moment dat de man die het zwaard deed flitsen zei: “Hier! Deze is van Hamza ibn ’Abdulmuttalib!”, viel het hoofd van de afgodendienaar met helm en al op de grond. Toen ’Alî omkeek, zag hij zijn oom Hamza met twee zwaarden strijden. Telkens wanneer onze Profeet zag hoe dapper zijn Metgezellen streden, prees hij hen met de woorden: “Zij zijn de leeuwen van Allâhu ta’âlâ op aarde.”

“O Allah! Vervul de belofte die U mij hebt gedaan!.. O Allah! Als U dit handjevol moslims vernietigt, zal er op aarde niemand meer zijn die U aanbidt!…” Hadîth sharîf

Op een gegeven moment brak het zwaard van ’Ukkâsha, die vlak naast onze Meester Rasûlullah streed. Toen onze geliefde Profeet dat zag, nam hij een stok die op de grond lag, reikte hem die aan en zei: “O ’Ukkâsha! Strijd hiermee!..” Zodra ’Ukkâsha de stok aannam, werd die, als een wonder van onze Profeet, een lang, glanzend, scherp zwaard met een sterke rug. Met dit zwaard doodde hij tot het einde van de strijd vele afgodendienaren.

De Meester der werelden, Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam), streed en sprak intussen de volgende gezegende hadîth sharîf uit, die zijn Metgezellen in vuur en vlam zette: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens macht mijn bestaan is: wie vandaag strijdt in de hoop op de tevredenheid van Janâb-i Haqq, met geduld en standvastigheid, en gedood wordt terwijl hij voorwaarts gaat zonder zijn rug te keren, die zal Haqq ta’âlâ voorzeker in Zijn Paradijs brengen.” Toen ’Umayr ibn Humâm deze gezegende woorden hoorde, zei hij: “Prachtig! Prachtig! Dus om het Paradijs binnen te gaan, is er niets anders nodig dan dat ik martelaar word!”, en hij voerde zijn aanvallen nog verder op. Terwijl hij met de vijand vocht, zei hij: “Tot Allâhu ta’âlâ gaat men niet met stoffelijke proviand, maar alleen met de vrees voor Haqq ta’âlâ, met daden voor het hiernamaals en met geduld en standvastigheid in de jihâd. Alle andere proviand raakt zonder twijfel op en is uitgeput!…” Zo streed hij tot hij als martelaar sneuvelde.

De strijd was zeer hevig geworden!… Op één Metgezel stortten zich tegelijk minstens drie afgodendienaren. Niets kon de roemrijke Metgezellen ontmoedigen; zij probeerden ieder van hen met het zwaard te bereiken. Telkens wanneer zij “Allâhu akbar! Allâhu akbar!..” riepen, kregen zij nieuwe kracht, en zij werden het niet moe steeds opnieuw aan te vallen. Op een gegeven moment werd de aanval van de afgodendienaren heviger, en de Metgezellen raakten in het nauw. Op dat moment ging onze Meester Rasûlullah met Abû Bakr zijn tent van dadelpalmtakken binnen. Onze Profeet begon opnieuw Allâhu ta’âlâ te smeken. Hij smeekte: “O mijn Heer! Schenk mij de hulp die U mij hebt beloofd!…” Toen kwam de openbaring. Daarin werd in betekenis gezegd: “Toen jullie je Heer om hulp en overwinning vroegen, beantwoordde Hij jullie verzoek en aanvaardde Hij jullie smeekbede met de woorden: ‘Voorwaar, Ik zal jullie te hulp komen met duizend engelen, die elkaar opvolgen.’”18 Onze Meester de Profeet stond onmiddellijk op en zei: “Een blijde boodschap, o Abû Bakr! De hulp van Allâhu ta’âlâ heeft je bereikt! Zie, daar is Jibrîl. Op de zandheuvels houdt hij de teugels van zijn paard vast; gewapend wacht hij op het bevel.” Zoals in soera al-Anfâl wordt meegedeeld, had Janâb-i Haqq tegen de engelen in betekenis gezegd: “Toen jouw Heer aan de engelen openbaarde: ’Ik ben met jullie (bij de overwinning en de hulp aan de moslims). Kom, steun de gelovigen (met de blijde boodschap van de overwinning) en geef hun kracht en sterkte. Ik zal nu schrik en angst werpen in het hart van de ongelovigen. Sla hen boven op hun nek, en breek de gewrichten van hun vingers en tenen, hun leden!’ Want zij hebben zich verzet tegen Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl. En wie zich verzet tegen Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl (die treft Zijn bestraffing): de straf van Allâhu ta’âlâ is zeer zwaar!”19

Op dit bevel namen Jibrîl, Mîkâ’îl en Isrâfîl ’alayhimus-salâm, ieder met duizend engelen, achtereenvolgens hun plaats in bij onze geliefde Profeet: naast hem, rechts van hem en links van hem.20

Jibrîl ’alayhis-salâm had een gele tulband om zijn hoofd gewonden. De andere engelen droegen witte tulbanden. Zij hadden de uiteinden van hun tulbanden over hun rug laten hangen en zaten op witte paarden. De Vorst der wereld zei tegen zijn Metgezellen: “De engelen hebben een kenteken en een onderscheidingsteken. Maak ook jullie voor jezelf een kenteken en een onderscheidingsteken!”

Zubayr ibn ’Awwâm wond een gele doek als tulband om zijn hoofd, en Abû Dujâna een rode. ’Alî stak een witte pluim op, en Hamza bevestigde een struisvogelveer op zijn borst. Met het ingrijpen van de engelen in de strijd veranderde de toestand in een oogwenk. Nog voordat een Metgezel zijn zwaard tegen de ongelovige voor hem had geheven, scheidde diens hoofd zich van zijn romp en viel op de grond. Rechts en links van onze Meester de Profeet, voor hem en achter hem, zag men onbekende mannen tegen de afgodendienaren strijden.

Sahl vertelde: “Tijdens de Slag bij Badr zagen wij, telkens wanneer een van ons zijn zwaard naar het hoofd van een afgodendienaar zwaaide, dat diens hoofd van zijn lichaam werd gescheiden en over de grond rolde, nog voordat het zwaard zijn doel had bereikt!…”

De dood van Abû Jahl

De vaandeldrager van de afgodendienaren, Abû ‘Azîz ibn ‘Umayr, werd gevangengenomen. Hun bevelhebber Abû Jahl daarentegen droeg onophoudelijk gedichten voor om de Quraysh moed in te spreken en probeerde het moreel van zijn soldaten op te vijzelen. Hij viel aan als een jonge kerel, pochte: “Voor zulke dagen heeft mijn moeder mij gebaard!…”, en spoorde de jongeren aan. ‘Ubayda ibn Sa’îd, een van de afgodendienaren, had zich van top tot teen in een maliënkolder gehuld. Alleen zijn ogen waren te zien. Hij draaide zich op zijn paard nu eens naar deze, dan weer naar die kant en daagde op zijn manier uit met de woorden: “Ik ben Abû Dhât al-Karish! Ik ben Abû Dhât al-Karish!”, dat wil zeggen: ik ben de dikbuik, de vader van de buik. De heldhaftige mujâhid Zubayr ibn ‘Awwâm kwam dicht bij hem, richtte zijn lans precies op zijn oog en wierp hem met de uitroep: “Allâhu akbar!” De lans trof doel en sloeg hem van zijn paard. Toen Zubayr op hem toesnelde, was ‘Ubayda dood. Hoewel Zubayr zijn voet op diens wang zette en met al zijn kracht trok, kwam de lans er maar met moeite uit, krom gebogen. De heldenmoed die Zubayr in de Slag bij Badr toonde, was zeer groot. Er was op zijn lichaam geen plek die niet gewond was. Zijn zoon ‘Urwa vertelde hierover: “Mijn vader had drie zware zwaardslagen opgelopen. Een daarvan was in zijn nek. De wond had zo’n diep litteken achtergelaten dat ik mijn vinger erin kon steken.” Ook ‘Abdurrahmân ibn ‘Awf streed verbeten tegen de Quraysh; zonder zich te bekommeren om het bloed dat uit zijn wonden stroomde, velde hij ieder die hem voor de voeten kwam. ‘Abdurrahmân vertelde als volgt over een voorval waarvan hij getuige was: “Op een gegeven moment stond er niemand meer voor mij. Toen ik naar rechts en naar links keek, viel mijn oog op twee jongemannen van de Ansâr. Ik wilde bij de sterkste en slagvaardigste van hen zijn. Een van deze twee jongens nam mij met zijn ogen op, wendde zich toen tot mij en vroeg: ‘O oom! Kent u Abû Jahl?’ Ik zei: ‘Ja, die ken ik,’ en vroeg: ‘O neef, wat wil je met Abû Jahl?’ Hij zei: ‘Men heeft mij verteld dat hij Rasûlullah beschimpt. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ: als ik hem zie, wijk ik niet van hem tot ik hem gedood heb of zelf gestorven ben.’ Ik moet zeggen dat ik versteld stond van deze stellige en vastberaden woorden die een jongen in zijn opwinding sprak.

“O Abû Bakr! Weet je niet dat jij voor mij bent als mijn ziende oog en mijn horende oor? Wijk niet van mijn zijde! Iedere last die mijn lichaam en mijn hart treft, wordt lichter wanneer ik je gezegende gezicht zie. Door jou wordt mijn hart sterk” Hadîth sharîf

Ook de andere jongen nam mij op en zei hetzelfde als de eerste. Op dat moment kreeg ik Abû Jahl in het oog! Hij liep onophoudelijk heen en weer te midden van het leger van de Quraysh. Toen ik zei: ‘O jongens! Die man die daar haastig heen en weer loopt, is Abû Jahl,’ grepen zij onmiddellijk hun zwaarden en gingen op Abû Jahl af.

Zij begonnen met hem te strijden. Deze jongens waren de broers Mu’âdh en Mu’awwidh, de zonen van ’Afrâ Khâtûn.” Intussen kreeg Mu’âdh ibn ’Amr, een van de helden onder de Metgezellen, de gelegenheid dicht bij Abû Jahl te komen. Hij stortte zich op Abû Jahl, die op een paard met een lange staart zat, en sloeg hem met al zijn kracht met zijn zwaard op het been. Het been van Abû Jahl viel op de grond. Op dat moment begon ’Ikrima, die zijn vader te hulp kwam en toen nog geen moslim was, met Mu’âdh ibn ’Amr te vechten.

Op dat ogenblik schoten de broers Mu’âdh en Mu’awwidh als een valk naar voren. Zij velden ieder die hun voor de voeten kwam en bereikten Abû Jahl. Zij sloegen met hun zwaarden op hem in tot zij dachten dat hij dood was.

Mu’âdh ibn ’Amr was in het gevecht met ’Ikrima aan zijn hand en arm gewond geraakt. Zijn gezegende hand was bij de pols afgehouwen en bleef aan het vel hangen. Mu’âdh ibn ’Amr, die geheel in de strijd opging, had geen tijd zich met zijn hand bezig te houden en haar te verbinden. Zelfs terwijl zijn afgehouwen hand aan het vel bungelde, streed hij heldhaftig.

Allâhu akbar!… Wat een sterk geloof!… Wat een tafereel om te zien!… Nadat Mu’âdh een tijd zo had gestreden, merkte hij dat hij zich minder goed kon bewegen. De oorzaak daarvan was zijn afgehouwen hand. Onmiddellijk zette hij zijn voet erop, rukte haar af en wierp haar weg…21

Nawfal ibn Khuwaylid, een van de verbeten vijanden van de islam, was een van de meest geroemde vechters van de Quraysh. Hij schreeuwde onophoudelijk en deed alles om de kudde afgodendienaren op te hitsen en in vuur en vlam te zetten. Toen onze Meester de Profeet hem zo zag, had hij de smeekbede gedaan: “O Allah! Help mij tegen Nawfal ibn Khuwaylid. Reken met hem af.” Toen de leeuw van Allâhu ta’âlâ, ’Alî, de afgodendienaar Nawfal zag, stortte hij zich onmiddellijk op hem. Hij liet zijn zwaard met zo’n kracht neerkomen dat hij, hoewel diens benen met maliën bedekt waren, ze allebei tegelijk afhieuw. Daarna sloeg hij hem met zijn zwaard in de nek en scheidde zijn hoofd van zijn romp.22

Umayya ibn Khalaf, die Bilâl Habashî op het gloeiende zand had gelegd en enorme rotsblokken op zijn borst had gezet, was een van de verbetenste afgodendienaren. Deze grote vijand van de islam, die iedere gelegenheid aangreep om onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) te kwellen, probeerde ook in de vallei van Badr de afgodendienaren bijeen te houden en spande zich in om de nûr van de islam te doven. Toen Bilâl hem zo zag, kwam hij met getrokken zwaard op hem af, ging recht voor hem staan en viel hem aan met de woorden: “O Umayya ibn Khalaf, hoofd van het ongeloof (kufr)!… Als jij gered wordt, moge ik dan niet gered worden!” En nauwelijks had hij geroepen: “O broeders van de Ansâr! Kom te hulp, het hoofd van het ongeloof is hier!”, of de Metgezellen omsingelden Umayya en doodden hem onmiddellijk.23

In het leger van de afgodendienaren was er nu geen leider meer over. Niemand van hen wist wat hij moest doen; zij probeerden in het wilde weg te vluchten. De vesting van het ongeloof was ingestort. De roemrijke Metgezellen zetten de achtervolging voort. Een deel van de afgodendienaren werd gevangengenomen. Ook ’Abbâs, de oom van onze geliefde Profeet, was onder de gevangenen.24

De overwinning was aan de gelovigen

Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) vroeg zijn roemrijke Metgezellen: “Weet iemand iets over Nawfal ibn Khuwaylid?” ’Alî trad naar voren en zei: “Yâ Rasûlallah! Ik heb hem gedood.” Onze geliefde Profeet was zeer verheugd over dit bericht, sprak de takbîr uit met de woorden “Allâhu akbar!” en zei: “Allâhu ta’âlâ heeft mijn smeekbede over hem aanvaard.”

Toen men hem vertelde dat Umayya ibn Khalaf gedood was, verheugde hij zich eveneens zeer en zei: “Alhamdulillâh! Dank zij Allâhu ta’âlâ. Mijn Heer heeft Zijn dienaar gesteund en Zijn religie doen zegevieren.”

Rasûl-i akram zei over Abû Jahl: “Wat zou Abû Jahl gedaan hebben, wat is er van hem geworden? Wie gaat er even kijken?”, en beval hem onder de doden te zoeken. Zij zochten, maar vonden hem niet. Onze Meester de Profeet zei: “Zoek hem; over hem heb ik een woord gesproken. Als jullie hem niet herkennen, kijk dan naar het litteken op zijn knie. Op een dag waren hij en ik op een feestmaal van ’Abdullah ibn Jud’ân. Wij waren allebei jong. Ik was iets ouder dan hij. In het gedrang duwde ik hem. Hij viel op zijn knieën. Een van zijn knieën raakte gewond, en het litteken van die wond is nooit van zijn knie verdwenen.”

Daarop ging ’Abdullah ibn Mas’ûd Abû Jahl zoeken. Hij vond hem gewond, herkende hem en zei: “Ben jij Abû Jahl?” Hij zette zijn voet op diens nek, greep hem bij zijn baard, trok eraan en zei: “O vijand van Allâhu ta’âlâ! Heeft Allâhu ta’âlâ je eindelijk vernederd en verachtelijk gemaakt?” Abû Jahl zei: “Waarom zou Hij mij vernederen en verachtelijk maken! O schaapherder! Moge Allah jou vernederen en verachtelijk maken. Je bent op een plek geklommen die heel moeilijk te beklimmen is! Vertel me liever aan welke kant vandaag de overwinning en de zege zijn.” Ibn Mas’ûd zei: “De overwinning is aan de kant van Allah en Zijn Rasûl.” Terwijl hij de helm van Abû Jahl van diens hoofd haalde, zei hij: “O Abû Jahl! Ik ga je doden.” Abû Jahl zei: “Je bent niet de eerste die de voornaamste van zijn volk doodt. Maar eerlijk gezegd valt het mij zwaar dat juist jij mij doodt. Snijd mijn hals dan tenminste dicht bij mijn borst door, zodat mijn hoofd er indrukwekkend uitziet!”, en zo liet hij zien tot welke hoogte zijn ongeloof (kufr), zijn hoogmoed en zijn trots waren gestegen.

Omdat Ibn Mas’ûd het hoofd van Abû Jahl met zijn eigen zwaard niet kon afhouwen, hieuw hij het af met het zwaard van Abû Jahl. Hij bracht diens wapens, maliënkolder, helm en hoofd en legde ze voor onze Meester de Profeet neer met de woorden: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Dit is het hoofd van Abû Jahl, de vijand van Allâhu ta’âlâ.” Onze geliefde Profeet zei: “Hij is Allah, buiten Wie er geen god is.” Daarna stond hij op en ging met zijn Metgezellen naar het lijk van Abû Jahl. Daar zei hij: “Lof zij Allâhu ta’âlâ, Die jou vernederd en verachtelijk heeft gemaakt.

O vijand van Allah! Jij was de Fir’awn van deze umma.” Daarna dankte hij Allâhu ta’âlâ met de woorden: “O mijn Heer! U hebt Uw belofte aan mij vervuld.” Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) liet de wonden van de gewonde Metgezellen verbinden. Hij liet vaststellen wie als martelaar gesneuveld waren. Er waren veertien martelaren gevallen: zes van de Muhâjirûn en acht van de Ansâr. Terwijl hun gezegende zielen allen naar het Paradijs vlogen, werden van de afgodendienaren, die zich hadden ingespannen om de nûr van de islam te doven, zeventig man gedood en zeventig gevangengenomen. Onze Meester Rasûlullah zond ’Abdullah ibn Rawâha en Zayd ibn Hâritha naar Medina om de overwinning aan te kondigen. Onze Meester de Profeet leidde het lijkgebed (janâza)25 voor de martelaren en liet hen in hun graven leggen. Vierentwintig van de lijken van de afgodendienaren wierpen zij in een droge put, de overige gezamenlijk in kuilen, en zij bedekten ze met aarde. De Meester der werelden kwam met zijn eervolle Metgezellen naar de rand van de put en zei: “O jullie die in de put zijn geworpen!” Daarna noemde hij de namen van de gedode afgodendienaren, samen met de namen van hun vaders, en zei: “O ’Utba ibn Rabî’a! O Umayya ibn Khalaf! O Abû Jahl ibn Hishâm!.. Wat waren jullie een slecht volk voor jullie Profeet! Jullie hebben mij geloochend, terwijl anderen mij geloofden en bevestigden. Jullie hebben mij uit mijn stad en mijn land verdreven, terwijl anderen hun deuren voor mij openden en mij aan hun borst drukten. Jullie hebben oorlog tegen mij gevoerd, terwijl anderen mij hielpen. Hebben jullie gevonden wat mijn Heer jullie had beloofd? Ik heb de overwinning gevonden die mijn Heer mij had beloofd.”

“(O mijn Metgezellen!) De engelen hebben een kenteken en een onderscheidingsteken. Maak ook jullie voor jezelf een kenteken en een onderscheidingsteken!” Hadîth sharîf

’Umar vroeg: “Yâ Rasûlallah! Spreekt u tegen mensen die kadavers zijn geworden?” Daarop zei Rasûl-i akram: “Ik zweer bij mijn Heer, Die mij als ware Profeet heeft gezonden: jullie horen mij niet beter dan zij. Maar zij kunnen niet antwoorden.”

Toen de afgodendienaren haastig van het slagveld vluchtten om hun leven te redden, hadden zij niets kunnen meenemen van wat zij hadden meegebracht. Alles viel de moslims in handen. Onze Meester de Profeet verdeelde de buit onder al zijn Metgezellen die aan de Slag bij Badr hadden deelgenomen en die een opdracht hadden gehad. Zij bleven nog drie nachten in Badr en keerden negentien dagen later naar Medina terug. Intussen waren ’Abdullah ibn Rawâha en Zayd ibn Hâritha, die als boodschappers van het goede nieuws waren uitgezonden, Medina genaderd. Toen zij op zondag in de voormiddag bij de plaats ’Aqîq kwamen, gingen zij uiteen. ’Abdullah ibn Rawâha ging van de ene kant Medina binnen, Zayd ibn Hâritha van een andere kant. Zij gingen van huis tot huis en maakten de overwinning bekend. ’Abdullah ibn Rawâha, de dichter van onze Meester Rasûlullah, kondigde de overwinning met luide stem aan:

O gemeenschap van de Ansâr! Ik breng jullie de blijde boodschap:
Gezond en wel is de Profeet van Allah.
De afgodendienaren zijn gedood en gevangengenomen,
En onder de gevangenen zijn mannen van grote naam.
De zonen van Rabî’a en van Hajjâj zijn allen
In Badr gedood, en ook Abû Jahl, ’Amr ibn Hishâm.

’Âsim ibn ’Adiyy vroeg: “O Ibn Rawâha! Is het waar wat je zegt?” ’Abdullah ibn Rawâha zei: “Ja, bij Allah, het is waar! Inshâ’allâh komt morgen ook Rasûlullah, met de gevangenen, de handen gebonden!”

Het overlijden van Ruqayya

Die dag was Ruqayya (radiyallâhu ’anhâ), de dochter van onze geliefde Profeet, overleden. Haar man ’Uthmân had het lijkgebed voor haar geleid. Het bericht van de overwinning, dat op dit verdriet volgde, bracht hun enige verlichting.

Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) loofde met zijn Metgezellen Allâhu ta’âlâ, Die hem de overwinning van Badr had geschonken, en wierp zich neer in een sajda van dank; daarna ging hij met de gevangenen op weg naar Madîna al-Munawwara.

‘Abdullah ibn Rawâha en Zayd ibn Hâritha, die eerder het goede nieuws hadden gebracht, hadden verteld wat er in de Slag bij Badr was gebeurd en wie als martelaar waren gesneuveld. De kinderen, de vrouwen en zij die met een opdracht in Medina waren achtergebleven, waren zeer verheugd over de overwinning. Zij gingen onze Meester de Profeet tegemoet. Onder de martelaren was ook Hâritha ibn Surâqa. De moeder van Hâritha, Rubayyi’, had vernomen dat haar zoon, terwijl hij uit het reservoir water dronk, door een vijandelijke pijl was getroffen en als martelaar was gesneuveld. Toen onze moeder Rubayyi’ dit bericht hoorde, had zij gezegd: “Zolang de Rasûl ’alayhis-salâm niet gekomen is, huil ik niet om mijn zoon. Wanneer hij Medina met zijn gezegende komst vereert, zal ik het hem vragen. Als mijn zoon in het Paradijs is, huil ik helemaal niet. Maar als hij in de Hel is, zal ik in plaats van tranen bloed uit mijn ogen laten stromen.”

Toen onze geliefde Profeet met zijn gezegende Metgezellen Medina met zijn komst vereerde, ging Rubayyi’ naar hem toe en zei: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! U kent mijn liefde voor mijn zoon Hâritha. Is hij als martelaar gesneuveld en het Paradijs binnengegaan? Als dat zo is, zal ik geduld hebben. Zo niet, dan zal ik bloedige tranen uit mijn ogen laten stromen.” Habîb-i akram gaf haar de blijde boodschap: “O Umm Hâritha! Je zoon is niet in één Paradijs, maar in meer dan één. Zijn plaats is de Firdaws.” Daarop zei Rubayyi’: “Nu huil ik niet meer om mijn zoon.” De Sultan van het universum vroeg om een kom water. Uit barmhartigheid stak hij zijn gezegende hand in het water en haalde haar er weer uit. Dit water gaf hij de moeder en de zuster van Hâritha te drinken. Bovendien streek hij dit water over hun hoofd en hun gezicht. Vanaf die dag straalden de gezichten van Rubayyi’ en haar dochter vol nûr. En zij leefden zeer lang. De Leermeester van het universum (’alayhi afdalus-salawât) verdeelde de zeventig gevangenen die naar Medina waren gebracht onder zijn Metgezellen en beval hen goed te behandelen. Over het lot van de gevangenen was er nog geen openbaring van Allâhu ta’âlâ gekomen. Na overleg met zijn Metgezellen besloot onze Meester Rasûlullah de gevangenen tegen losgeld (fidya) vrij te laten.

Het bedrag van het losgeld werd vastgesteld naar het vermogen van iedere gevangene. Van hen die geen geld hadden, zouden zij die konden lezen en schrijven tien mensen in Medina die dat niet konden, lezen en schrijven leren; daarna mochten zij naar Mekka gaan. Onze Meester de Profeet zei tegen zijn oom ’Abbâs, die onder de gevangenen was: “O ’Abbâs! Betaal losgeld voor jezelf, voor de zoon van je broer, ’Aqîl ibn Abî Tâlib, en voor Nawfal ibn Hârith. Want jij bent rijk.” ’Abbâs zei: “Yâ Rasûlallah! Ik ben moslim. De Quraysh hebben mij met geweld naar Badr gebracht.” Rasûlullah zei: “Allâhu ta’âlâ kent jouw islam. Als je de waarheid spreekt, zal Allâhu ta’âlâ je daarvoor zeker het loon geven. Maar uiterlijk sta jij tegenover ons. Daarom moet je je losgeld betalen.” ’Abbâs zei: “Yâ Rasûlallah! Ik heb geen ander vermogen dan de 800 dirham die u van mij als buit hebt genomen.” Onze Meester de Profeet zei: “O ’Abbâs! En die goudstukken, waarom spreek je daar niet over?” Hij vroeg: “Welke goudstukken?” Onze geliefde Profeet zei: “De goudstukken die je op de dag dat je uit Mekka zou vertrekken, aan je vrouw Umm al-Fadl, de dochter van Hârith, gaf! Toen je ze haar gaf, was er niemand anders bij jullie. Je zei tegen Umm al-Fadl: ‘Ik weet niet wat mij op deze tocht overkomt. Als mij een ramp treft en ik niet terugkeer, dan is dit deel voor jou, dit deel voor Fadl, dit voor ‘Abdullah, dit voor ‘Ubaydullah en dit voor Qutham.’” Toen stond ’Abbâs versteld en zei: “Ik zweer dat er niemand bij ons was toen ik deze goudstukken aan mijn vrouw gaf. Hoe weet u dat?” Toen onze Meester de Profeet zei: “Allâhu ta’âlâ heeft het mij bekendgemaakt,” zei ’Abbâs: “Ik getuig dat u de rasûl van Allâhu ta’âlâ bent en dat u de waarheid spreekt,” en hij sprak de kalima-i shahâda uit.26 Toen hij moslim was geworden, gaf onze Meester de Profeet hem een taak in Mekka. Hij beval hem de moslims daar te beschermen en berichten te sturen over hen die vijandig stonden tegenover de islam.

“Ik zweer bij mijn Heer, Die mij als ware Profeet heeft gezonden: jullie horen mij niet beter dan zij (de lijken van de afgodendienaren). Maar zij kunnen niet antwoorden” Hadîth sharîf

Aan de Quraysh, die in de Slag bij Badr waren verslagen, werd bericht gestuurd dat zij hun gevangenen tegen losgeld konden terugkrijgen. Maar Nadr ibn Hârith, die de meester der profeten vóór de Hijra zeer veel leed en kwellingen had aangedaan, werd onthoofd. Ook de laaghartige ’Uqba ibn Abî Mu’ayt werd gedood; in zijn ellendigheid had hij het gewaagd de ingewanden van een kameel op de gezegende rug van de Rasûl ’alayhis-salâm te leggen, terwijl deze bij de Ka’ba het gebed verrichtte. Toen het hoofd van deze verbeten vijand van de islam van zijn romp gescheiden was, loofde onze Meester Rasûlullah Allâhu ta’âlâ. Hij ging naar hem toe en zei: “Bij Allah, ik ken niemand die zo slecht is als jij, die Allâhu ta’âlâ, Zijn rasûl en de Qur’ân al-karîm hebt geloochend en je profeet van de ene kwelling in de andere hebt gestort.”

De gevangenen bleven bij de Metgezellen (’alayhimur-ridwân) tot zij door hun verwanten tegen losgeld werden opgehaald. Alle Metgezellen behandelden de gevangenen zeer goed en lieten hen delen in hun voedsel.

Abû ’Azîz, de broer van Mus’ab ibn ’Umayr, was onder de gevangenen. Hij vertelde: “Ook ik was gevangene in het huis van een moslim uit Medina. Zij behandelden mij zeer goed: het brood dat zij ’s morgens en ’s avonds zouden eten, gaven zij aan mij, en zelf moesten zij zich met alleen dadels behelpen. Als een van hen een stuk brood in handen kreeg, bracht hij het rechtstreeks naar mij. Uit schaamte gaf ik het brood terug aan degene die het gebracht had. Maar hij gaf het mij weer terug.”

Ook een gevangene van de Quraysh die Yazîd heette, vertelde: “Toen de moslims van Badr naar Medina kwamen, lieten zij ons gevangenen op de dieren rijden, terwijl zij zelf te voet gingen.”

Onder de gevangenen was ook Abu’l-‘Âs ibn Rabî’, de zoon van de zuster van Khadîja (radiyallâhu ’anhâ) en schoonzoon van onze Meester de Profeet. Abu’l-’Âs was een van de kooplieden van Mekka en bezat veel. Hij was beroemd om zijn betrouwbaarheid en zijn rechtschapenheid. Toen uit Mekka het losgeld voor de gevangenen werd gestuurd, had Zaynab, om het losgeld aan te vullen, ook de halsketting meegestuurd die haar moeder haar op de bruiloft had geschonken. Toen het losgeld aankwam, herkende de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de halsketting en zei: “O mijn Metgezellen, als jullie het goedvinden, stuur dan de gevangene van mijn dochter Zaynab met haar losgeld naar haar terug.” De Metgezellen stemden in. Op voorwaarde dat hij Zaynab naar Medina zou sturen, mocht Abu’l-’Âs met zijn bezit naar Mekka gaan. Abu’l-’Âs liet Zaynab en hen die bij haar waren, met zijn broer Kinâna vertrekken. Toen de afgodendienaren dit hoorden, werden zij woedend en stuurden enkele van hun mannen achter hen aan. Bij Dhû Tuwâ haalden zij hen in. Toen Habbâr ibn Aswad zijn lans wierp, schrok de kameel en wierp Zaynab af, zodat zij op de grond viel. Kinâna strooide zijn pijlen voor zich uit en zei dat hij ieder die Zaynab kwaad wilde doen met een pijl zou doden. Hij bracht Zaynab Mekka uit tot aan de pleisterplaats. Zaynab werd ziek door de verwondingen die zij had opgelopen. Zij was zwanger; toen zij in Medina aankwam, verloor zij haar kind. Toen de Rasûl ’alayhis-salâm dit hoorde, was hij zeer bedroefd.

De nederlaag van de afgodendienaren bij Badr en hun vlucht van het slagveld in ellendige toestand veroorzaakten in Mekka grote ontsteltenis. Dit was een uitkomst die zij in het geheel niet hadden verwacht en die zelfs nooit bij hen was opgekomen. Abû Lahab en de andere afgodendienaren geloofden niet wat de eerste boodschapper vertelde. Toen Abû Sufyân, die van het slagveld was gevlucht, in Mekka aankwam, riepen zij hem onmiddellijk bij zich. Abû Lahab vroeg hem: “O zoon van mijn broer! Vertel eens, hoe is het gegaan?” Abû Sufyân ging daar ergens zitten. Velen luisterden staande. Abû Sufyân vertelde:

“Vraag het maar niet: toen wij de moslims ontmoetten, was het alsof onze handen en armen gebonden waren. Zij deden met ons wat zij wilden. Een deel van ons doodden zij, een ander deel namen zij gevangen. Ik zweer dat ik niemand van de onzen iets verwijt of kwalijk neem. Want op dat moment kwamen wij tussen hemel en aarde mannen in het wit tegen, op appelgrauwe paarden. Niets kon tegen hen standhouden, en niemand kon hen weerstaan!”

Abû Râfi’, de slaaf van ‘Abbâs, was daar aanwezig; hoewel hij in de eerste tijd van de islam moslim was geworden, had hij uit vrees voor het kwaad van de afgodendienaren zijn islam niet openbaar gemaakt. Abû Râfi’, die zwijgend naar hen luisterde, vergat van vreugde alles en flapte eruit: “Bij Allah, dat waren engelen!”

Abû Lahab gaf hem een harde klap in het gezicht, tilde hem op en smeet hem tegen de grond. Hij sloeg hem ook nog flink. Daarop kon Umm al-Fadl, de vrouw van ‘Abbâs, die daar aanwezig was, zich niet meer inhouden. Want ook zij was al moslim geworden. Umm al-Fadl nam een van de palen die in de kamer stonden en sloeg Abû Lahab er hard mee met de woorden: “Je vond hem zwak omdat hij niemand heeft, nietwaar?” Het hoofd van Abû Lahab werd opengeslagen. Bloedend, vernederd, verachtelijk en geminacht keerde hij zich om en ging weg. Zeven dagen later gaf Allâhu ta’âlâ hem een ziekte die ‘zwarte puist’ wordt genoemd. Aan deze ziekte stierf hij. Zijn zonen lieten hem twee of drie nachten onbegraven liggen. Ten slotte begon hij te stinken. Iedereen vluchtte voor de ziekte die Abû Lahab had getroffen, zoals men voor de pest (tâ’ûn) vlucht, en walgde ervan. Daarop zei iemand van de Quraysh tegen de zonen van Abû Lahab: “Wee jullie! Schamen jullie je niet? Jullie hebben je vader in huis laten liggen tot hij stonk. Begraaf hem dan tenminste ergens en zorg dat hij uit het zicht is.” De zonen antwoordden die man: “Wij zijn bang voor de ziekte die hij heeft!” Toen zei de man tegen hen: “Gaan jullie maar, ik kom ook; ik zal jullie helpen.” Daarna kwamen zij met z’n drieën bijeen. Zij droegen hem weg en lieten hem op een afgelegen plek achter. Zij gooiden stenen op hem tot hij niet meer te zien was. Zo kwam Abû Lahab in de verblijfplaats waar hij eeuwig in bestraffing en vuur zal blijven: zijn graf, duister, een kuil van de Hel.

Onder de Quraysh die bij Badr gevangen waren genomen, was ook Walîd ibn Walîd. ’Abdullah ibn Jahsh had hem gevangengenomen. De broers van Walîd, Hishâm en Khâlid ibn Walîd, die toen nog geen moslim was, kwamen naar Medina. ’Abdullah ibn Jahsh wilde hem niet laten gaan zolang er geen fidya-i najât, dat wil zeggen losgeld voor zijn bevrijding, werd betaald. Zijn broer Khâlid stemde daarmee in, maar Hishâm, zijn broer van dezelfde vader maar een andere moeder, aanvaardde het niet. Onze Meester Rasûlullah stelde voor dat de wapens en de uitrusting van hun vader zouden worden gegeven. Hishâm stemde daarmee in, maar Khâlid aanvaardde het niet. Ten slotte werden zij het eens over het zwaard, de maliënkolder en de helm van hun vader, die honderd dinar waard waren. Zij bevrijdden Walîd uit de gevangenschap en gingen op weg naar Mekka. Maar onderweg naar Mekka, in Dhu’l-Hulayfa, op vier mijl van Medina, scheidde Walîd zich van hen af, ging naar onze Meester de Profeet, kwam tot het geloof en werd een van de Metgezellen. Enige tijd nadat hij moslim was geworden, ging hij naar Mekka, naar zijn broers. Toen vroeg Khâlid ibn Walîd hem: “Als je toch moslim zou worden, waarom deed je dat dan niet voordat het losgeld betaald was? Je hebt ons het aandenken aan onze vader afgenomen. Waarom heb je dat gedaan?” Hij antwoordde: “Ik was bang dat de Quraysh zouden zeggen: ‘Hij kon de gevangenschap niet verdragen en is Muhammad ‘alayhis-salâm gaan volgen.’”

“O ’Abbâs! Allâhu ta’âlâ kent jouw islam. Als je de waarheid spreekt, zal Allâhu ta’âlâ je daarvoor zeker het loon geven. Maar uiterlijk sta jij tegenover ons. Daarom moet je je losgeld betalen” Hadîth sharîf

Zijn broers waren zeer kwaad over dit antwoord en sloten hem op in de gevangenis, samen met enkele moslims van de zonen van Makhzûm, ’Ayyâsh ibn Abî Rabî’a en Salama ibn Hishâm (radiyallâhu ’anhumâ). Walîd ibn Walîd (radiyallâhu ’anh) zat jarenlang gevangen omdat hij tot het geloof was gekomen. Hij onderging veel onrecht en marteling van zijn oom Hishâm, een van de verbeten vijanden van de islam, en van zijn verwanten die afgodendienaren waren. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) deed voor ’Ayyâsh ibn Abî Rabî’a, Salama ibn Hishâm en Walîd, die onder de onderdrukking van de afgodendienaren leden, de volgende smeekbede: “O Allah! Red Walîd ibn Walîd, Salama ibn Hishâm, ’Ayyâsh ibn Abî Rabî’a en de andere gelovigen die als zwak worden beschouwd (en machteloos, in het nauw gedreven in de handen van de ongelovigen). O Allah, vertrap Mudar (de Quraysh) nog harder (zeer hard). Maak deze jaren (voor hen) gelijk aan de jaren van Yûsuf.”

Door de zegen van de smeekbede van onze Meester Rasûlullah vond Walîd een gelegenheid en ontvluchtte hij de plaats waar hij vastgebonden was. Hij kwam naar Madîna al-Munawwara en bereikte onze geliefde Profeet. Toen Habîbullah naar de toestand van ’Ayyâsh ibn Abî Rabî’a en Salama ibn Hishâm vroeg, vertelde hij dat zij met hun voeten aan elkaar gebonden waren en kronkelden onder zware bestraffing en martelingen.

De Sultan van het universum was zeer bedroefd over hun toestand en zocht naar middelen om hen te redden. Toen hij vroeg wie hen kon redden, antwoordde Walîd, hoewel hij jarenlang gemarteld was, met grote moed en liefde: “Yâ Rasûlallah! Ik zal hen redden en bij u brengen.” Hij ging terug naar Mekka. Door een vrouw te volgen die hun eten bracht, kwam hij te weten waar de gemartelde moslims waren. Beiden zaten gevangen in een gebouw zonder dak. ’s Nachts liet Walîd zich, met gevaar voor zijn leven, met grote moed langs de muur naar beneden zakken en kwam bij zijn makkers. De twee onderdrukten, die geen andere schuld hadden dan dat zij geloofden, waren door de afgodendienaren aan een steen vastgebonden en werden in de verzengende hitte van de Arabische woestijn aan allerlei onrecht onderworpen. Walîd bevrijdde deze gezegende broeders en zette hen op zijn kameel. Zelf ging hij te voet en blootsvoets op weg naar Madîna al-Munawwara, om zo snel mogelijk bij Rasûlullah te zijn, die hij zo liefhad. Niet de verzengende hitte van de woestijn brandde hem, maar het verlangen de Meester der werelden te bereiken.

Hongerig, dorstig en blootsvoets kwam hij in drie dagen in Medina aan. Zijn tenen waren door de stenen aan flarden gescheurd. Onder het bloed bereikte Walîd ibn Walîd Habîbullah, die hij zo liefhad.

De overwinning van Badr vervulde de moslims met grote vreugde. De afgodendienaren daarentegen waren in groot verdriet en grote teleurstelling gestort. Toen de Negus, de koning van Abessinië, hoorde dat onze Meester Rasûlullah had gezegevierd, ging ook hij onmiddellijk naar de Metgezellen in zijn land en bracht hun de blijde boodschap met de woorden: “Lof zij Allâhu ta’âlâ, Die Zijn Rasûl in Badr heeft doen zegevieren en hem de overwinning heeft geschonken.”

De gebeurtenissen na de Slag bij Badr

Onze geliefde Profeet (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) streed in Medina zowel tegen de joden als tegen de huichelaars die zich als moslim voordeden, zoals ‘Abdullah ibn Ubayy, en bovendien tegen de afgodendienaren. Daarnaast nodigde hij de stammen van afgodendienaren buiten Medina uit tot de islam en spande hij zich in opdat zij met de islam vereerd zouden worden. Veldtochten zoals Qarqara, Banû Qaynuqâ’, Sawîq, Ghatafân, Bahrân… werden allemaal na de Slag bij Badr ondernomen.

Enkele gebeurtenissen in het tweede jaar van de Hijra

In dit jaar kwam het bevel dat de zakât fard werd, dat de sadaqa-i fitr gegeven moest worden, dat de feestgebeden verricht moesten worden en dat het offer gebracht moest worden. Onze Meester Rasûlullah liet zijn dochter Umm Kulthûm met ’Uthmân trouwen. Hij nam Hafsa, de dochter van ’Umar, en Zaynab bint Khuzayma (radiyallâhu ’anhumâ) tot vrouw. Hasan, de zoon van ’Alî, werd geboren.

Het huwelijk met ’Âisha

Onze Meester de Profeet had zich al in Mekka met ’Âisha verloofd, maar de bruiloft had nog niet plaatsgevonden. Op een dag vroeg Abû Bakr de Vorst der wereld: “Yâ Rasûlallah! Wat weerhoudt u ervan met uw echtgenote samen te komen?” Rasûlullah zei: “De bruidsgave (mahr).” Abû Bakr stuurde Rasûlullah het geld voor de bruidsgave.27

Daarop vond de bruiloft van onze moeder ’Âisha plaats. Onze Meester de Profeet was toen vijfenvijftig jaar.28 Onze moeder ’Âisha was zeer intelligent en begaafd en kon gebeurtenissen ter plekke in dichtvorm weergeven. Wat zij had geleerd en uit het hoofd kende, vergat zij nooit. Zij was zeer verstandig, scherpzinnig, geleerd, letterkundig onderlegd, kuis en vroom. Omdat haar geheugen zeer sterk was, vroegen de Metgezellen haar naar veel dingen en leerden zij die van haar. Zij werd in een edel vers geprezen.

De veldtocht naar Qarqarat al-Kudr

Het bericht kwam dat een groep van de Banû Sulaym en van Ghatafân zich in Qarqara had verzameld. Daarop vertrok onze Meester de Profeet met tweehonderd man van de Muhâjirûn en de Ansâr uit Medina. Ibn Umm Maktûm was als plaatsvervanger in Medina achtergelaten. ’Alî droeg het witte vaandel. Zij kwamen ter plaatse, maar troffen niemand aan: de afgodendienaren hadden gehoord dat het leger van de islam in aantocht was, en hadden de plaats verlaten. Terwijl zij door de vallei trokken, kwamen zij een kameeldrijver tegen. Zij vroegen hem waar de mannen van de Banû Sulaym en van Ghatafân waren. De kameeldrijver zei: “Zij hadden mij voor vijf dagen in dienst genomen om op hun dieren te passen. Nu weet ik niet waar zij zijn.” Vijfhonderd kamelen werden als buit genomen. Ook de herder Yasâr werd gevangengenomen. Nadat zij drie nachten in de vallei van Qarqarat al-Kudr hadden doorgebracht, trokken zij met de kamelen voor zich uit naar Medina. Op de plaats Dirâr zonderde onze Meester de Profeet een vijfde van de kamelen af en verdeelde hij de rest. Iedereen kreeg twee kamelen. De volgende dag zagen zij, terwijl zij het ochtendgebed verrichtten, dat deze kameeldrijver Yasâr met hen het gebed verrichtte. Onze Meester de Profeet liet deze slaaf vrij. Daarna keerden zij behouden naar Medina terug.

“Bij Allah, ik ken niemand die zo slecht is als jij (’Uqba ibn Abî Mu’ayt), die Allâhu ta’âlâ, Zijn rasûl en de Qur’ân al-karîm hebt geloochend en je profeet van de ene kwelling in de andere hebt gestort” Hadîth sharîf

Iedere ziel die brandt in het vuur van grenzeloos verlangen, wordt tot nûr;
En het hart dat door de pijn der liefde verwoest is, wordt weer opgebouwd.

De veldtocht tegen de Banû Qaynuqâ’

Op een dag wilden de joden van de Banû Qaynuqâ’ de spot drijven met een moslimvrouw; een van de Metgezellen zag dit, trok onmiddellijk zijn zwaard en doodde die jood. De joden verzamelden zich op hun beurt en doodden deze gezegende Metgezel, die als martelaar sneuvelde. Het voorval werd aan onze Meester de Profeet gemeld. Rasûl-i akram verzamelde hen op de markt van Qaynuqâ’ en zei: “O gemeenschap van joden! Vrees dat jullie getroffen worden door een bestraffing zoals Allâhu ta’âlâ die de Quraysh heeft gegeven, en word moslim. Jullie weten heel goed dat ik een profeet ben die door Allâhu ta’âlâ is gezonden. Dit, en ook het verbond dat Allâhu ta’âlâ met jullie heeft gesloten, hebben jullie in jullie boek gelezen…”

“Lof zij Allâhu ta’âlâ, Die Zijn Rasûl in Badr heeft doen zegevieren en hem de overwinning heeft geschonken” de Negus Ashama (rahmatullâhi ’alayh)

De veldtocht tegen de Banû Qaynuqâ’

Ondanks deze barmhartigheid verbraken de joden het verdrag dat zij hadden gesloten en daagden zij de Sultan der werelden uit met de woorden: “O Muhammad! Laat het je niet misleiden dat je een volk hebt verslagen dat niet weet hoe het oorlog moet voeren! Wij zweren dat wij strijdbare mannen zijn! Pas wanneer je met ons begint te strijden, zul je begrijpen wat voor helden wij zijn!…” Zo maakten zij duidelijk dat zij het eerdere verdrag hadden verbroken en hem uitdaagden. Daarop bracht Jibrîl ’alayhis-salâm de openbaring, waarin in betekenis werd gezegd: “(O Mijn Habîb!) Als je vreest voor verraad (een handeling in strijd met de overeenkomst) van een volk dat (met jou) een verdrag heeft gesloten, maak hun dan (voordat je de oorlog verklaart) rechtstreeks, naar waarheid en rechtvaardigheid, bekend dat je hun verbond verwerpt. Want Allâhu ta’âlâ heeft de verraders niet lief.”29

In een ander edel vers werd in betekenis gezegd: “O Mijn Rasûl! Zeg tegen die joden die ongelovig zijn: Voorzeker zullen jullie verslagen worden en verzameld en naar de Hel gesleept worden; en wat is de Hel een slechte verblijfplaats!”30

Habîb-i akram stelde onmiddellijk, op een zaterdag halverwege de maand Shawwâl, een leger samen en trok op naar de vesting waar de joden van Qaynuqâ’ zich bevonden. Hamza droeg het witte vaandel, en Abû Lubâba was als plaatsvervanger in Medina achtergelaten.31

Het gezegende leger belegerde de vesting van Qaynuqâ’. De joden, die hadden gezegd: “Wat zijn wij voor strijdbare helden!..”, durften – laat staan dat zij weerstand boden – zelfs geen pijl uit hun vesting af te schieten. Onze Meester Rasûlullah nam de in- en uitgangen onder controle. Niemand kon naar buiten. Deze toestand duurde vijftien dagen.32

De joden werden door angst bevangen en gaven zich over. Hoewel ieder van hen gedood had moeten worden, toonde onze geliefde Profeet, die als barmhartigheid voor de werelden is gezonden, mededogen en stond hij de joden van Qaynuqâ’ toe naar Syrië te gaan. Niemand van hen mocht in die streek blijven. Zo werden zij uit het gebied van Medina verdreven.33 De Banû Qaynuqâ’ verlieten hun land. Hun bezittingen en wapens werden buit voor de moslims.

De veldtocht van Sawîq

Toen Abû Sufyân na zijn vlucht uit de Slag bij Badr in Mekka was aangekomen, legde hij de gelofte af “geen olie op zijn hoofd te smeren en zijn vrouwen niet te naderen” zolang hij geen wraak had genomen op Muhammad (sallallâhu ’alayhi wa sallam). In het tweede jaar van de Hijra, op zondag, de vijfde van de maand Dhu’l-hijja, trok hij om zijn gelofte in te lossen met tweehonderd ruiters op naar Medina. Op een nacht ging hij in Medina naar het huis van iemand en vroeg naar onze Meester de Profeet. Die persoon schonk hem geen aandacht.

Hij deed zelfs zijn deur niet voor hem open. Abû Sufyân vertrok daar en werd de gast van Sallâm ibn Mishkam. De volgende dag ging hij daar weg en kwam in de streek ’Urayd. In die streek trof hij Ma’bad ibn ’Amr van de Ansâr met zijn knecht aan en doodde hen terwijl zij aan het werk waren; zij werden martelaar. Hij stak een dadelboomgaard in brand en ging weg met de woorden: “Mijn eed is vervuld.”

Toen dit voorval aan onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) werd gemeld, liet hij Abû Lubâba als plaatsvervanger in Medina achter en zette hij met tweehonderd man de achtervolging van Abû Sufyân in.

“Voorzeker zullen jullie verslagen worden en verzameld en naar de Hel gesleept worden; en wat is de Hel een slechte verblijfplaats!” Âl ’Imrân: 12

Toen de afgodendienaren dit hoorden, sloegen zij op de vlucht. Om zich te redden, lieten zij hun lasten en een soort graan dat zij “sawîq” noemden achter, samen met de ketels die zij hadden meegebracht om het te koken. De moslims vonden deze dingen en namen ze als buit. Daarom wordt deze veldtocht de veldtocht van Sawîq genoemd.

Het huwelijk van ’Alî en Fâtima

Het was het tweede jaar van de Hijra. Fâtima, de dochter van de Trots van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam), was vijftien jaar geworden.

Op een dag was Fâtima voor een dienst bij Rasûl-i akram binnengekomen. Onze Meester Rasûlullah zag dat zijn dochter de huwbare leeftijd had bereikt. Vanaf die dag vroegen zeer velen om de hand van onze moeder Fâtimat az-Zahrâ. De Rasûl ’alayhis-salâm schonk hun geen aandacht en zei: “Haar zaak hangt af van het bevel van Haqq ta’âlâ.”

Op een dag zaten Abû Bakr, ’Umar en Sa’d ibn Mu’âdh in de moskee en spraken met elkaar: “Iedereen behalve ’Alî heeft om de hand van Fâtima gevraagd. Niemand heeft gehoor gekregen.” Siddîq zei: “Ik denk dat zij voor ’Alî bestemd is. Laten wij hem gaan bezoeken en deze zaak ter sprake brengen. Als hij zijn armoede aanvoert, laten wij hem dan helpen.” Sa’d zei: “O Abû Bakr! Jij doet altijd goed. Sta op, dan gaan wij met je mee.” Met z’n drieën verlieten zij de moskee en gingen naar ’Alî. ’Alî was met zijn kameel op pad en gaf de dadelboomgaard van een van de Ansâr water. Toen hij hen zag, ging hij hen tegemoet en vroeg hoe het met hen ging. Abû Bakr zei: “O ’Alî! In ieder goed werk ben jij de voorste, en bij Rasûl-i akram heb je een rang die niemand anders ten deel is gevallen. Iedereen heeft om de hand van Fâtima gevraagd. Niemand heeft gehoor gekregen. Wij denken dat zij voor jou bestemd is. Waarom onderneem je geen stap?”

Toen ’Alî dit hoorde, vulden zijn gezegende ogen zich met tranen en zei hij: “O Abû Bakr! Je hebt mij diep geraakt. Niemand verlangt meer naar haar dan ik. Maar mijn armoede staat het in de weg.” Abû Bakr zei: “Zeg dat niet. Bij Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl is de wereld niets. Armoede kan hiervoor geen beletsel zijn. Ga en vraag om haar hand.”

’Alî vertelde: “Met schaamte en verlegenheid ging ik naar Rasûlullah. Rasûlullah was een en al ontzag en waardigheid. Ik ging bij hem zitten en kon geen woord uitbrengen. Onze Meester Rasûlullah zei: ‘Waarom ben je gekomen? Heb je iets nodig?’ Ik zweeg. Toen hij zei: ‘Je bent zeker gekomen om Fâtima ten huwelijk te vragen,’ kon ik alleen ‘Ja’ zeggen. (Onze Meester de Profeet liet Fâtima weten dat ‘Alî om haar hand vroeg. Zij zweeg.) Onze Meester de Profeet vroeg: ‘Wat heb je om Fâtima als bruidsgave te geven?’ Ik zei: ‘Ik heb niets bij me om haar te geven, yâ Rasûlallah.’”

Hij vroeg opnieuw: “Waar is het hutamî-maliënhemd dat ik je gegeven heb? Wat is ermee gebeurd?” Toen ’Alî zei: “Ik heb het bij me,” zei hij: “Verkoop het en breng mij het geld. Als bruidsgave is dat genoeg.”34 Volgens een andere overlevering vroeg onze Meester Rasûlullah aan ’Alî: “Wat heb je bij je?”, en hij antwoordde: “Ik heb mijn paard en mijn maliënhemd,” waarop onze Meester Rasûlullah zei: “Je paard zul je nodig hebben, maar verkoop je maliënkolder.” En volgens weer een andere overlevering zei hij: “O ’Alî, ga een huis voor jezelf huren.”

Tot zijn huwelijk woonde ’Alî bij onze Meester de Profeet. Op bevel van onze Meester de Profeet huurde hij het huis van Hâritha ibn Nu’mân, dicht bij de Masjid an-Nabawî, tegenover de kamer van ’Âisha. Zijn maliënkolder stuurde hij naar de markt. ’Uthmân (radiyallâhu ta’âlâ ’anh) liep over de markt en herkende de maliënkolder van ’Alî. Hij riep de omroeper en vroeg: “Hoeveel vraagt de eigenaar voor deze maliënkolder?” De omroeper zei: “Hij vraagt vierhonderd dirham.” ’Uthmân (radiyallâhu ’anh) zei: “Kom je geld halen.” Daarna ging hij naar zijn gezegende woning. Hij nam de maliënkolder van de omroeper over en betaalde hem het geld. Hij zei: “Deze maliënkolder past niemand anders dan hem. En dit geld mag hij aan de bruiloft besteden. En moge hij ook onze verontschuldiging aanvaarden.” Hij gaf de vierhonderd dirham, legde de maliënkolder erbovenop en stuurde alles als geschenk naar ’Alî. Toen ’Alî met de maliënkolder en de dirhams bij onze Profeet kwam, deed onze Meester de Profeet veel goede smeekbeden voor ’Uthmân en zei: “’Uthmân is mijn metgezel in het Paradijs.” Daarna riep hij Bilâl Habashî, gaf hem een deel van het geld en beval: “Neem dit geld en ga naar de markt! Koop wat rozenwater, en met de rest van het geld honing, en los die in een hoek van de moskee in een schone kom met water op. Maak een honingdrank (sharbat), zodat wij die kunnen drinken nadat de nikâh gesloten is. Nodig mijn Metgezellen van de Ansâr en de Muhâjirûn die aanwezig zijn, uit in de moskee, en maak aan het volk bekend dat de nikâh van Fâtima en ’Alî gesloten zal worden.”

Bilâl Habashî ging naar buiten en maakte aan het volk bekend dat de nikâh van ’Alî en Fâtima gesloten zou worden. De Metgezellen kwamen naar de Masjid an-Nabawî en vulden haar binnen en buiten. Toen stond onze Meester de Profeet op en hield de volgende khutba: “Alle lof en dank komt de Heer der werelden toe. Hij is Degene Die geprezen wordt om de gunsten die Hij schenkt, Die aanbeden wordt om Zijn oneindige macht en kracht, Wiens bestraffing en afrekening gevreesd worden, en Wiens oordeel en bevel heersen op aarde en in de hemelen. Hij is het Die de schepselen door Zijn macht heeft geschapen, Die hen door Zijn rechtvaardige oordelen van elkaar heeft onderscheiden, en Die de mensen heeft geëerd met de religie (van de islam) en met de Profeet Muhammad (’alayhis-salâm)… Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen mijn dochter Fâtima in de nikâh te geven aan ’Alî ibn Abî Tâlib. Ik neem jullie nu tot getuigen dat ik (op bevel van Allâhu ta’âlâ) Fâtima met een bruidsgave van 400 mithqâl zilver aan ’Alî ibn Abî Tâlib in de nikâh heb gegeven. Moge mijn Heer hun bestaan samenbrengen en dit voor hen gezegend maken. Moge Hij hun nageslacht rein maken, een sleutel tot barmhartigheid, een mijn van wijsheid en een bron van veiligheid voor de umma van Muhammad.

Dit is wat ik te zeggen heb. Ik vraag mijn Heer om vergeving voor mijzelf en voor jullie.”

Daarna stond ook ’Alî op en hield de volgende korte khutba: “… Ik spreek salât en salâm uit over Muhammad ’alayhis-salâm, in wiens aanwezigheid wij ons bevinden en die zijn gezegende dochter Fâtima met een bruidsgave van 400 mithqâl zilver aan mij in de nikâh heeft gegeven. O mijn broeders in de religie! Zonder twijfel hebben jullie gehoord wat onze Meester de Profeet heeft gezegd, en jullie zijn er getuigen van. Ook ik ben daarvan getuige en stem ermee in. Ik aanvaard het precies zo. Allâhu ta’âlâ is getuige van ons aller woorden, en Hij is ons aller Behoeder.”35

“’Uthmân is mijn metgezel in het Paradijs” Hadîth sharîf

Toen de huwelijksakte gesloten was, liet onze Meester de Profeet verse dadels brengen en zei: “Kom, neem van deze dadels en eet.” Iedereen nam ervan en at. Daarna deelde Bilâl de honingdrank uit; ook die dronken zij, en alle Metgezellen deden de smeekbede: “Bârakallâhu fîkumâ wa ’alaykumâ wa jama’a shamlakumâ.” Toen de nikâh werd gesloten, was Fâtima (radiyallâhu ’anhâ) vijftien en ’Alî (radiyallâhu ’anh) vijfentwintig jaar oud.

Na de nikâh huilde Fâtima. Onze Meester de Profeet kwam bij haar en zei: “O Fâtima! Wat is er met je, dat je huilt? Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ dat ik je in de nikâh heb gegeven aan de geleerdste van hen die om je hand vroegen, aan de voortreffelijkste in zachtmoedigheid en verstand, en aan de eerste die moslim werd.” Fâtima zei: “Papa! De bruidsgave van ieder meisje dat trouwt, wordt in goud en zilver geschat en vastgesteld. Als ook mijn bruidsgave zo wordt vastgesteld, wat is dan het verschil tussen u en de anderen? Op de Dag des Oordeels wil ik voorspraak doen voor de vrouwen van al die zondaars onder de gelovigen voor wie u voorspraak doet. Dat is mijn wens.”

Toen Allâhu ta’âlâ bekendmaakte dat deze wens van Fâtima aanvaard was, zei onze Meester Rasûlullah: “O Fâtima, je hebt laten zien dat je het kind van een profeet bent!”

’Alî zei: “Na deze gebeurtenissen gingen er enkele maanden voorbij. In de bijeenkomst werd hierover niet meer gesproken. Ook ik kon uit schroom (hijâb), dat wil zeggen uit schaamte, mijn mond niet opendoen. Maar soms, wanneer onze Meester Rasûlullah mij alleen zag, zei hij: ‘Wat is je vrouw een goede vrouw! Een blijde boodschap voor jou: zij is de sayyida van de vrouwen van de wereld.’”

In die dagen zei ’Aqîl, de broer van ’Alî: “O ’Alî! Wij zijn blij met deze huwelijksakte. Maar mijn wens is dat deze twee gelukkigen bij elkaar komen te wonen.” ’Alî antwoordde: “Dat is ook mijn wens, maar ik schaam mij.” ’Aqîl nam ’Alî bij de hand, en toen zij bij het huis van onze Meester de Profeet kwamen, troffen zij Umm Ayman, de dienares van Rasûlullah. Zij vertelden haar de zaak. Umm Ayman zei: “Het is niet nodig dat jullie hiervoor komen. Wij zullen het met de reine echtgenotes (azwâj-i tâhirât) eens worden en jullie bericht sturen. Want in deze zaken wordt naar het woord van de vrouwen geluisterd.”

Umm Ayman vertelde de zaak aan de vrouwen van Rasûlullah. De andere reine echtgenotes kwamen daarop naar het huis van ’Âisha. Zij dachten aan Khadîja en zeiden: “Als zij nog had geleefd, hadden wij geen zorg gehad.” Onze Meester Rasûlullah huilde en zei: “Waar is een vrouw als Khadîja? Toen de mensen mij loochenden, geloofde zij mij, en zij besteedde al haar bezit op mijn weg. Zij heeft de religie van de islam zeer geholpen. Toen zij nog leefde, beval Haqq ta’âlâ mij: ‘Breng Khadîja de blijde boodschap: in het Paradijs is voor haar een paleis van smaragd gebouwd.’” De vrouwen van onze Meester Rasûlullah brachten de wens van ’Alî naar voren. Daarop beval onze Meester Rasûlullah Umm Ayman ’Alî te roepen. Toen ’Alî kwam, stonden de vrouwen die in de bijeenkomst waren op en gingen weg. ’Alî ging met gebogen hoofd zitten. Rasûlullah vroeg: “Wil je je vrouw, o ’Alî?”

’Alî (radiyallâhu ’anh) zei: “Ja, yâ Rasûlallah! Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden.” Rasûl-i akram zei tegen Asmâ bint ’Umays: “Ga en richt het huis van Fâtima in.” Asmâ ging naar het huis waar Fâtima als bruid naartoe zou gaan. Zij maakte een kussen van nieuw leer, een van opgelapt leer en een van mat, en vulde ze met dadelpalmvezel. Na het nachtgebed kwam onze Meester Rasûlullah naar het huis van Fâtima en bekeek wat er was klaargemaakt.

Onze Profeet beval dat met twee derde van het geld dat ’Alî had gebracht dingen als voedsel, sieraden en geurstoffen gekocht moesten worden, en met een derde kleding, en hij liet het huisraad aanvullen. In de uitzet en het huisraad van Fâtima was het volgende: de drie kussens die Asmâ bint ’Umays had gemaakt, een tapijt met franjes, een hoofdkussen gevuld met dadelpalmvezel, twee handmolens, een waterzak, een aarden waterkruik, een leren drinkbeker, een handdoek, een rok, een gelooide ramsvacht, een versleten, kaalgesleten, bont Jemenitisch tapijt, een rustbank gevlochten van dadelpalmbladeren, twee bonte gewaden van Jemenitisch maaksel en een fluwelen deken. Daarna gaf onze Meester Rasûlullah ’Alî wat geld en zei hem dadels en boter te kopen. ’Alî vertelde wat er daarna gebeurde als volgt:

“Ik kocht voor vijf dirham dadels en voor vier dirham boter. Ik bracht ze bij Rasûlullah. Hij vroeg om een leren tafelkleed. Met zijn gezegende hand mengde hij de dadels, het meel, de boter en de yoghurt, maakte er een soort gerecht van en zei: ‘O ‘Alî! Ga en breng wie je maar vindt.’ Ik ging naar buiten, zag heel veel mensen, nodigde hen allemaal uit, ging naar binnen en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Het zijn heel veel mensen.’

De Meester der werelden, de Trots van het universum, zei: ‘Laat hen met tien tegelijk binnenkomen om te eten.’ Zo deed ik. Men telde het na: zevenhonderd mensen, mannen en vrouwen, hadden gegeten en waren verzadigd.”

Nadat het bruiloftsmaal (walîma) van ’Alî en Fâtima was gegeten, zei onze Meester de Profeet, volgens wat Umm Ayman heeft meegedeeld, tegen ’Alî: “O ’Alî, mijn dochter Fâtima is als bruid naar jullie huis gegaan. Ook ik zal na het avondgebed komen om een smeekbede te doen. Wacht op mij.”

Toen ’Alî thuiskwam, ging hij in een hoek zitten. Ook Fâtima ging in een andere hoek van het huis zitten. Daarna kwam onze Meester Rasûlullah en klopte op de deur. Umm Ayman deed de deur open.

Rasûlullah vroeg: “Is mijn broer hier?” Umm Ayman zei: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Wie is uw broer?” Toen onze Meester Rasûlullah zei: “Het is ’Alî ibn Abî Tâlib,” vroeg Umm Ayman: “Hebt u uw dochter met uw broer laten trouwen?” Onze Meester Rasûlullah zei: “Ja.” Op grond van de woorden van Rasûlullah “Is mijn broer hier?” meende Umm Ayman dat de nikâh niet geoorloofd zou zijn. En met zijn “Ja” gaf onze Meester Rasûlullah te kennen dat alleen geboorte uit dezelfde moeder een huwelijk verhindert.

Daarna vroeg onze Meester Rasûlullah Umm Ayman: “Is Asmâ bint ’Umays ook hier?” Toen zij “Ja” antwoordde, zei hij: “Dan is zij gekomen om de dochter van Rasûlullah te dienen.” Toen Umm Ayman “Ja” zei, zei hij: “Moge zij het goede bereiken,” en deed hij een smeekbede voor haar.

“O Fâtima! Wat is er met je, dat je huilt? Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ dat ik je in de nikâh heb gegeven aan de geleerdste van hen die om je hand vroegen, aan de voortreffelijkste in zachtmoedigheid en verstand, en aan de eerste die moslim werd” Hadîth sharîf

Daarna liet hij een kom water brengen. Hij waste zijn gezegende handen en deed wat muskus in het water. Toen riep hij Fâtima. Fâtima keek uit schaamte naar haar kleed. Onze Meester Rasûlullah nam wat van het water, besprenkelde daarmee de borst, het hoofd en de rug van Fâtima en deed de smeekbede: “Allâhumma innî u’îdhuhâ bika wa dhurriyyatahâ minash-shaytânir-rajîm” (O mijn Heer, ik zoek bij U toevlucht opdat U haar en haar nageslacht beschermt tegen het kwaad van de verworpen, gestenigde shaytân). Daarna deed hij hetzelfde bij ’Alî en deed de smeekbede: “Allâhumma bârik fîhimâ wa bârik ’alayhimâ wa bârik lahumâ fî naslihimâ.” Hij reciteerde de soera’s al-Ikhlâs en al-Mu’awwidhatayn en zei: “Ga met de naam en de zegen van Allâhu ta’âlâ naar je vrouw.” Daarna greep hij met zijn gezegende handen de twee deurvleugels vast, deed een smeekbede om zegen en vertrok.36

’Alî zei: “Vier dagen na onze bruiloft vereerde onze Meester Rasûlullah ons huis met zijn bezoek. Hij vermaande ons met woorden vol wijsheid die de harten winnen, en zei: ‘O ‘Alî! Breng water!’ Ik stond op en bracht water. Hij reciteerde een edel vers en zei: ‘Drink een beetje van dit water. Laat wat over.’ Zo deed ik. Het overgebleven water sprenkelde hij op mijn hoofd en mijn borst. Opnieuw zei hij: ‘Breng water.’ Weer bracht ik water. Hij deed bij Fâtima hetzelfde als hij bij mij had gedaan. Daarna stuurde hij mij naar buiten.”

Nadat ’Alî naar buiten was gegaan, vroeg hij zijn dochter naar hem. Fâtima zei: “Papa, alle eigenschappen van volmaaktheid zijn in hem aanwezig. Maar sommige vrouwen van de Quraysh zeggen tegen mij: ‘Je man is arm.’” Daarop zei onze Meester Rasûlullah: “O mijn dochter! Je vader en je man zijn niet arm. Alle schatten en rijkdommen van aarde en hemel zijn mij aangeboden. Ik heb ze niet aanvaard. Ik heb aanvaard wat bij Allâhu ta’âlâ aanvaard is. O mijn dochtertje! Als jij wist wat ik weet, zou de wereld in jouw ogen gering en laag zijn. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ: je man is de eerste van de Metgezellen. Hij is ook groot in de islam en de diepste in kennis. O mijn dochter! Allâhu ta’âlâ heeft uit de Ahl al-Bayt twee mensen uitverkoren. De een is je vader en de ander je man. Pas er vooral voor op dat je hem niet ongehoorzaam bent en niet tegen zijn bevel ingaat.”

De Trots van het universum (’alayhi afdalus-salawât) riep, nadat hij zijn dochter had vermaand, ’Alî. Ook hem vertrouwde hij Fâtima toe met de woorden: “O ’Alî! Houd rekening met de gevoelens van Fâtima. Zij is een deel van mij. Behandel haar goed. Als je haar verdriet doet, doe je mij verdriet.” Hij vertrouwde hen beiden aan Allâhu ta’âlâ toe. Toen hij daarna opstond en op het punt stond te vertrekken, zei Fâtima: “Yâ Rasûlallah! Het werk binnenshuis doe ik. Het werk buitenshuis doet ’Alî. Als u mij een dienstmeisje schenkt, helpt zij mij bij sommige werkzaamheden. Dan maakt u mij blij.” Onze Meester Rasûlullah zei: “O Fâtima! Zal ik je iets schenken dat beter is dan een dienstmeisje, of een dienstmeisje?”

Onze moeder Fâtima zei: “Schenk mij wat beter is dan een dienstmeisje.” Daarop zei onze Meester Rasûlullah: “Zeg iedere dag wanneer je gaat slapen drieëndertig keer ‘Subhânallâh’, drieëndertig keer ‘Alhamdulillâh’, drieëndertig keer ‘Allâhu akbar’ en één keer ‘Lâ ilâha illallâhu wahdahû lâ sharîka lah, lahul-mulku wa lahul-hamdu wa huwa ‘alâ kulli shay’in qadîr’. Dat zijn samen honderd woorden. Op de Dag des Oordeels zul je duizend goede daden (hasana) vinden. Op de Weegschaal (Mîzân) zullen je goede daden zwaar wegen.” Daarna verliet onze Meester de Profeet het huis van zijn dochter en ging naar zijn gelukzalige woning.

De dood van Ka’b ibn Ashraf

Door de overwinning bij Badr sloeg de angst toe in de harten van de joden en van de afgodendienaren in Medina die beelden aanbaden. Sommige joden kwamen tot inzicht, zeiden: “De man wiens eigenschappen wij in onze boeken lezen, is beslist deze. Het is niet meer mogelijk tegen hem in te gaan. Want hij zal altijd zegevieren,” en werden moslim. Anderen echter zeiden: “Muhammad heeft gestreden tegen de Quraysh, die niets van oorlog begrijpen. Daarom heeft hij gezegevierd. Als hij met ons zou strijden, zouden wij hem laten zien hoe men oorlog voert en hoe men de overwinning behaalt.”

Toen een jood die Ka’b ibn Ashraf heette, hoorde van de overwinning van het leger van de islam bij Badr, ging hij uit haat tegen de moslims naar Mekka. Hij verzamelde de afgodendienaren daar, droeg gedichten voor om hen ertoe te brengen Medina aan te vallen, en spoorde hen aan en hitste hen op. Hij sloot met hen een overeenkomst om tegen onze Meester de Profeet te strijden. Hij beraamde zelfs een aanslag op onze geliefde Profeet. Allâhu ta’âlâ maakte deze toestand aan onze Meester Rasûlullah bekend en zei in betekenis: “Zij zijn het die Allâhu ta’âlâ heeft vervloekt (van Zijn barmhartigheid heeft verwijderd)…”37

Daarop zei Rasûl-i akram tegen zijn eervolle Metgezellen: “Wie zal Ka’b ibn Ashraf doden? Want hij heeft Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl gekwetst.”

Muhammad ibn Maslama vroeg: “Yâ Rasûlallah! Wilt u dat ik hem dood?” Onze Meester Rasûlullah zei: “Ja, dat wil ik.” Muhammad ibn Maslama dacht enkele dagen over deze zaak na en maakte plannen. Hij ging naar zijn makkers Abû Nâ’ila, ’Abbâd ibn Bishr, Hârith ibn Aws en Abû ’Abs ibn Jabr en legde hun de zaak voor. Allen vonden het goed en zeiden: “Wij doden hem samen.” Samen gingen zij naar onze Meester de Profeet en zeiden: “Yâ Rasûlallah! Als u het toestaat, mogen wij dan, terwijl wij met hem praten, over u een paar dingen zeggen die Ka’b zullen bevallen?” Onze Meester de Profeet stond hun toe te zeggen wat zij wilden.

Daarop ging Muhammad ibn Maslama met zijn makkers naar Ka’b ibn Ashraf. Hij zei: “Die Muhammad heeft ons om sadaqa gevraagd. Hij heeft ons veel belastingen opgelegd. Daarom ben ik gekomen om iets van je te lenen.” Ka’b was blij, omdat hij meende dat Muhammad ibn Maslama net zo dacht als hij, en zei: “Hij zal jullie nog meer tot last zijn.” Muhammad ibn Maslama zei: “Nu wij hem eenmaal gevolgd hebben, zullen wij hem blijven volgen. Laten wij eens zien hoe het afloopt. Leen ons nu wat dadels.” Ka’b zei: “Ja, dat zal ik doen, maar jullie moeten mij iets in onderpand geven!” Muhammad ibn Maslama en zij die bij hem waren, vroegen: “Wat wil je?” Toen Ka’b zei: “Ik wil jullie vrouwen als onderpand,” stemden zij niet in. Ka’b zei: “Geef mij dan jullie zonen in onderpand.” Zij zeiden: “Ook die kunnen wij niet in onderpand geven. Van een van hen zou men dan zeggen dat hij voor een of twee kameelladingen dadels in onderpand is gegeven, en dat zou voor ons een smet zijn die wij nooit zouden vergeten. Maar wij kunnen je onze wapens en onze maliënkolders in onderpand geven.” Ka’b aanvaardde dit voorstel. Hij zei hun ook wanneer zij moesten komen.38

“O ’Alî! Houd rekening met de gevoelens van Fâtima. Zij is een deel van mij. Behandel haar goed. Als je haar verdriet doet, doe je mij verdriet” Hadîth sharîf

Op een nacht ging Muhammad ibn Maslama naar Ka’b. Abû Nâ’ila was bij hem. Ka’b riep hen naar de burcht, en zelf kwam hij naar beneden om hen te ontvangen. De vrouw van Ka’b zei: “Waar ga je op dit uur naartoe?” Ka’b zei: “Het zijn Muhammad ibn Maslama en mijn broer Abû Nâ’ila die gekomen zijn.” Zijn vrouw zei: “Deze stem die ik hoor, bevalt mij helemaal niet. Het is alsof er bloed van druppelt.” Ka’b zei: “Nee, het zijn Muhammad ibn Maslama en mijn melkbroer Abû Nâ’ila. Hij is een goede jongen. Zelfs als men hem ’s nachts tot een zwaardgevecht roept, komt hij zonder aarzelen. Zo iemand is hij.” Muhammad ibn Maslama nam twee mannen met zich mee de burcht in, volgens een overlevering drie. Dat waren Abû ’Abs ibn Jabr, Hârith ibn Aws en ’Abbâd ibn Bishr.39 Muhammad ibn Maslama zei tegen zijn makkers: “Wanneer Ka’b komt, zal ik zeggen dat ik aan zijn haar wil ruiken; ik pak zijn hoofd vast en ruik eraan. Wanneer jullie zien dat ik het hoofd van Ka’b stevig vastheb, sla dan toe met jullie zwaarden.” Ka’b ibn Ashraf kwam mooi gekleed en een heerlijke geur verspreidend naar hen toe. Ibn Maslama ging naar Ka’b toe met de woorden: “Tot nu toe heb ik nog nooit zo’n heerlijke geur geroken.” Ka’b pochte: “De best geurende vrouwen van de Arabieren zijn bij mij.” Muhammad ibn Maslama zei: “Sta je toe dat ik aan je hoofd ruik?” Ka’b zei dat hij het toestond. Ibn Maslama rook eraan. Hij liet ook zijn makkers eraan ruiken. Daarna zei hij dat hij er nog eens aan wilde ruiken. Ditmaal greep Muhammad ibn Maslama zijn hoofd vast en gaf hij zijn makkers een teken om hem met hun zwaarden te slaan.

Bij de eerste zwaardslag schreeuwde Ka’b hevig, maar hij stierf niet. Toen doodde Muhammad ibn Maslama hem met zijn dolk. De mujâhids die Ka’b hadden gedood, verlieten onmiddellijk de plek en bereikten Medina. Toen zij onze Meester Rasûlullah de blijde boodschap brachten, loofde onze Profeet Allâhu ta’âlâ en deed hij een smeekbede voor de mujâhids. De dood van de ongelovige Ka’b ibn Ashraf joeg de joden grote angst aan. Want nu een vooraanstaand leider als Ka’b gedood was, was het slechts een kwestie van tijd voordat zij zelf gedood zouden worden. ’s Morgens kwamen zij bijeen en gingen naar onze Meester de Profeet. Zij beklaagden zich over wat er in de nacht was gebeurd. Rasûl-i akram zei: “Hij viel ons voortdurend lastig en droeg gedichten tegen ons voor. Wie van jullie hetzelfde doet, moet weten dat zijn straf het zwaard is.” Na deze waarschuwing sloten de joden uit angst opnieuw een verdrag met onze Meester Rasûlullah.40

De veldtocht naar Ghatafân

Deze veldtocht wordt ook “de veldtocht naar Anmâr” en “de veldtocht naar Dhû Amr” genoemd. Een groep van de Banû Tha’laba en de Banû Muhârib had zich verzameld op de plaats die Dhû Amr heet, en had besloten alles wat zij rondom Medina vonden te plunderen. Hun leider was een man die Da’thûr ibn Hârith ibn Muhârib heette, met de bijnaam Ghawrath. Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) liet ’Uthmân ibn ’Affân (radiyallâhu ’anh) als plaatsvervanger in Medina achter en vertrok met een troepenmacht van vierhonderdvijftig man uit Medina. Onderweg kwamen zij een man tegen die Jabbâr heette. Zij vroegen hem naar de vijand. Hij zei: “Zij willen niet met jullie strijden. Toen zij jullie zagen, vluchtten zij de bergen in.” Rasûlullah legde hem de islam voor. Hij aanvaardde die en werd moslim.

Terwijl het islamitische leger naar het dal oprukte, begon het te regenen. Een tijdlang viel de regen met volle kracht; daarna nam hij af en hield op. De mujâhids, met onze Meester de Profeet voorop, waren van top tot teen doorweekt. Ieder droogde ergens zijn kleren. Ook Rasûlullah trok op een afgelegen plek zijn kleren uit om ze te drogen en spreidde ze over een boom uit. Terwijl hij onder de boom uitrustte, zagen de ongelovigen die het islamitische leger bespiedden dat Rasûlullah alleen was, en zij brachten Da’thûr ibn Hârith op de hoogte. Om Rasûlullah te doden, sloop deze geruisloos naar de plek waar hij uitrustte. Hij trok zijn zwaard en zei: “Wie kan jou uit mijn handen redden?” Rasûlullah zei: “Allâhu ta’âlâ redt mij.” Op dat ogenblik kwam Jibrîl ’alayhis-salâm; hij gaf Da’thûr een slag tegen de borst en wierp hem tegen de grond, en het zwaard viel uit zijn hand. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) nam het zwaard van Da’thûr en zei: “Wie redt jou uit mijn handen?” Da’thûr zei: “Niemand kan mij redden.” Hij sprak de kalima-i shahâda uit en werd moslim. Door hem kwamen veel mensen tot het geloof.41 Hij beloofde nooit meer soldaten voor de oorlog te verzamelen. Zonder gewapend treffen keerde men naar Medina terug. De tocht had elf dagen geduurd.

De veldtocht naar Bahrân

Deze veldtocht wordt ook “Banû Sulaym” of “de veldtocht naar Najrân” genoemd. Er kwam bericht dat een groot aantal afgodendienaren, die zich bij de Banû Sulaym hadden verzameld, Medina zou aanvallen. Ibn Umm Maktûm werd als plaatsvervanger achtergelaten. Rasûlullah trok met een strijdmacht van driehonderd man tegen de vijand op. Toen de vijand hoorde dat het islamitische leger in aantocht was, vluchtte hij de bergen in. Daardoor kwam het niet tot een treffen. De veldtocht duurde twaalf dagen.

“Hij (Ka’b ibn Ashraf) viel ons voortdurend lastig en droeg gedichten tegen ons voor. Wie van jullie hetzelfde doet, moet weten dat zijn straf het zwaard is” Hadîth sharîf

Uw liefde heeft mij van mijzelf beroofd;
Ik heb U lief, o mijn Heer!
Hoe zoet is de liefde voor U;
Ik heb U lief, o mijn Heer!
Om rijkdom ben ik niet verblijd,
Om armoede niet bedroefd.
In Uw liefde vind ik mijn vreugde;
Ik heb U lief, o mijn Heer!
U hebt de aanbidding bevolen,
De goede daden geprezen,
U schonk gunsten zonder einde;
Ik heb U lief, o mijn Heer!
Wat is mijn nafs toch ondankbaar:
Voor haar genot offert zij mij steeds op!
Maar ik vond het ware genot;
Ik heb U lief, o mijn Heer!
De aanbidding goed verrichten,
En ook werken voor de wereld –
Dat is dag en nacht mijn werk, want
Ik heb U lief, o mijn Heer!
Liefde bestaat niet uit woorden, Hilmi!
Je Heer gebood ons te werken.
Laat het blijken uit je daden:
Ik heb U lief, o mijn Heer!
Zoveel vijanden van de islam
Vallen de religie heimelijk aan;
Als jij stilzit, is dat dan juist?
Ik heb U lief, o mijn Heer!
Zit een minnaar lui terneer?
Laat hij stof op de beminde vallen?
Breng de vijand tot zwijgen en zeg:
“Ik heb U lief, o mijn Heer!”