DE EDEN VAN TROUW VAN ’AQABA
De eerste eed van trouw van ’Aqaba
In het elfde jaar van de bi’tha (de zending als profeet), in de maand Dhu’l-hijja, kwamen As’ad ibn Zurâra en elf van zijn metgezellen in de tijd van de hajj opnieuw naar Mekka. Er was precies een jaar verstreken sinds hun vorige ontmoeting met de Meester der werelden. Dat jaar deden de afgodendienaren de moslims meer leed en kwelling aan dan in alle voorgaande jaren. Zij hielden onze Meester Rasûlullah voortdurend in het oog en martelden iedereen die met hem sprak. Toen de mensen van Medina dit vernamen, spraken zij met onze Profeet af hem ’s nachts bij ’Aqaba te ontmoeten. Toen het nacht werd, kwamen zij bijeen. Zij betuigden hem hun trouw, beloofden zich aan al zijn bevelen en wensen te onderwerpen en legden de eed van trouw (bay’a) af. In deze overeenkomst verbonden zij zich ertoe “geen deelgenoten toe te kennen aan Allâhu ta’âlâ, geen ontucht te plegen, niet te stelen, zich te onthouden van laster en hun kinderen niet te doden uit vrees voor schande of uit vrees voor gebrek aan levensonderhoud”.1
Onze geliefde Profeet maakte deze twaalf mannen – twee van hen behoorden tot de stam Aws en de anderen tot de stam Khazraj – tot vertegenwoordigers van hun stammen. Zij moesten hun stammen de islam uitleggen en namens hen tegenover onze Meester Rasûlullah borg staan. As’ad ibn Zurâra werd namens hen allen tot vertegenwoordiger aangesteld. Het waren de vijf die het jaar daarvoor bij de ontmoeting van ‘Aqaba aanwezig waren geweest en de zeven die de islam pas hadden aanvaard: uit de zonen van Mâlik ibn Najjâr: As’ad ibn Zurâra, ‘Awf ibn Hârith en Mu’âdh ibn Hârith; uit de zonen van Zurayq ibn ‘Âmir: Râfi’ ibn Mâlik en Dhakwân ibn ’Abdu Qays; uit de zonen van Ghanm ibn ’Awf: ’Ubâda ibn Sâmit; uit de zonen van Ghusayna: Yazîd ibn Tha’laba; uit de zonen van ’Ajlân ibn Zayd: ’Abbâs ibn ’Ubâda; uit de zonen van Harâm ibn Ka’b: ’Uqba ibn ’Âmir; uit de zonen van Sawâd ibn Ghanm: Qutba ibn ’Âmir; uit de zonen van ’Abdulashhal ibn Jusham: Abu’l-Haytham Mâlik ibn Tayyihân; en uit de zonen van ’Amr ibn ’Awf: ’Uwaym ibn Sâ’ida.
De zon die in Medina opging
Na de eerste eed van trouw (overeenkomst) van ’Aqaba keerden As’ad ibn Zurâra en zijn metgezellen terug naar Medina. Dag en nacht legden zij hun stammen de islam uit en riepen hen op tot de ware religie. Als gevolg van deze oproep begon de islam zich in Medina snel te verspreiden. Het ging zo ver dat de stammen Aws en Khazraj, die elkaar voorheen vijandig gezind waren, zich verenigden en onze Meester Rasûlullah om een leraar vroegen, om de islam beter te kunnen leren. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zond daarop Mus’ab ibn ’Umayr, een van zijn Metgezellen in Mekka, als leraar naar Medina, om de Qur’ân al-karîm en de islam te onderwijzen. Mus’ab verbleef in het huis van As’ad. Samen gingen zij van huis tot huis en maakten de islam aan iedereen bekend. Zij vroegen de mensen Rasûlullah lief te hebben en te beloven dat zij zich met hart en ziel zouden inzetten om hem tegen al zijn vijanden te beschermen. Zo bereidden zij hen voor op de eed van trouw die aan Rasûlullah zou worden afgelegd. Het stamhoofd van As’ad ibn Zurâra was Sa’d ibn Mu’âdh, en zij waren aan elkaar verwant. Omdat het in die tijd onder de Arabieren gewoonte was verwanten niet te krenken, ging Sa’d ibn Mu’âdh, die nog niet tot het geloof was gekomen, niet naar het huis van As’ad ibn Zurâra om deze zaak te verhinderen. Als stamhoofd wilde hij zich er niet zelf mee bemoeien. Daarom zei hij tegen Usayd ibn Hudayr, een van de vooraanstaanden van zijn stam: “Ga naar onze wijk, zoek die man op die daar gekomen is en doe wat je moet doen. Als As’ad niet de zoon van mijn tante van moederszijde was, zou ik dit niet aan jou overlaten.”
Daarop nam Usayd ibn Hudayr zijn speer en ging naar het huis waar Mus’ab ibn ’Umayr verbleef. Toen hij daar aankwam, begon hij woedend te spreken: “Waarom zijn jullie naar ons gekomen? Jullie misleiden de mensen! Als jullie je leven niet willen verliezen, vertrek dan onmiddellijk hiervandaan!” Toen Mus’ab ibn ’Umayr hem zo boos zag, antwoordde hij hem uiterst zacht en vriendelijk: “Ga eerst even zitten en luister naar wat wij te zeggen hebben! Begrijp wat wij willen; als het je bevalt, aanvaard je het. Zo niet, dan houd je ons tegen…” Usayd kwam tot bedaren, zei: “Je spreekt naar waarheid,” stak zijn speer in de grond en ging zitten. Hij luisterde naar de lieflijke woorden van Mus’ab, naar zijn woorden die tot in het hart doordrongen, en naar de verzen van de Qur’ân al-karîm die hij met een mooie stem reciteerde. Buiten zichzelf riep hij uit: “Wat is dit mooi!” Daarna vroeg hij: “Wat moet men doen om tot deze religie toe te treden?” Zij legden het hem uit, en Usayd ibn Hudayr sprak de kalima-i shahâda (geloofsbelijdenis) uit en werd moslim. Usayd kon van blijdschap niet stil blijven zitten en zei: “Ik ga en stuur iemand naar jullie toe. Als hij moslim wordt, blijft er in Medina niemand van zijn volk over die niet tot het geloof komt…” – en hij stond haastig op en vertrok. Hij ging regelrecht naar Sa’d ibn Mu’âdh. Toen Sa’d ibn Mu’âdh hem zag, zei hij: “Ik zweer dat Usayd niet terugkomt met het gezicht waarmee hij hier is weggegaan.” Daarna vroeg hij: “Wat heb je gedaan, o Usayd?” Usayd ibn Hudayr, die vurig wenste dat Sa’d ibn Mu’âdh moslim zou worden, antwoordde: “Ik heb met die man (Mus’ab ibn ’Umayr) gesproken en heb geen kwaad in hen gezien. Maar wij hebben gehoord dat de Banû Hâritha, die er argwaan over koesteren dat je neef As’ad zo iemand in zijn huis onderdak geeft, op weg zijn gegaan om hem te doden.” Deze woorden raakten Sa’d ibn Mu’âdh diep, want enkele jaren daarvoor hadden zij in een oorlog de Banû Hâritha verslagen en gedwongen hun toevlucht in Khaybar te zoeken. Een jaar later hadden zij hun vergeven en hun toegestaan naar hun land terug te keren. De gedachte dat zij zich desondanks zo zouden gedragen, maakte Sa’d ibn Mu’âdh zeer boos. In werkelijkheid was er echter niets van dien aard. Usayd ibn Hudayr nam zijn toevlucht tot deze list om te voorkomen dat Sa’d ibn Mu’âdh zijn tante van moederszijde en haar zoon As’ad ibn Zurâra, en daarmee ook Mus’ab ibn ’Umayr, kwaad zou doen. Zo bereidde hij de weg voor waarlangs Sa’d naar hun kant zou overgaan en ten slotte moslim zou worden. Op deze woorden van Usayd ibn Hudayr sprong Sa’d ibn Mu’âdh op en ging naar As’ad ibn Zurâra. Daar aangekomen zag hij As’ad en Mus’ab ibn ’Umayr in volmaakte rust en kalmte bij elkaar zitten en met elkaar praten. Hij liep op hen toe en zei: “O As’ad! Als er geen verwantschap tussen ons was, zou jij dit niet kunnen doen…” Mus’ab ibn ’Umayr antwoordde op deze woorden: “O Sa’d! Wacht even, ga zitten, luister naar ons en begrijp het… Als onze woorden je bevallen, des te beter; bevallen zij je niet, dan stellen wij het je niet voor, en sta je op en ga je weg!” Bij deze zachte en lieflijke woorden kwam Sa’d ibn Mu’âdh tot bedaren; hij ging in een hoek zitten en begon naar hen te luisteren. Mus’ab ibn ’Umayr legde Sa’d ibn Mu’âdh eerst de islam uit. Hij zette de grondslagen van de islam uiteen. Daarna reciteerde hij met zijn lieflijke, mooie stem een gedeelte uit de Qur’ân al-karîm. Naarmate hij reciteerde, veranderde de toestand van Sa’d ibn Mu’âdh en raakte hij buiten zichzelf. Tegenover de weergaloze welsprekendheid van de Qur’ân al-karîm werd zijn hart zacht en was hij diep onder de indruk. Hij kon zich niet langer inhouden en vroeg: “Wat doen jullie om tot deze religie toe te treden?” Mus’ab ibn ’Umayr leerde hem onmiddellijk de kalima-i shahâda. Ook hij werd moslim door te zeggen: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh.” Van de rust en de blijdschap die hij voelde omdat hij moslim was geworden, kon Sa’d ibn Mu’âdh niet stil blijven zitten. Hij ging onmiddellijk naar huis en verrichtte de ghusl, zoals hem was geleerd. Daarna vroeg hij zijn volk bijeen te komen. Hij nam Usayd ibn Hudayr met zich mee en ging naar de plaats waar het volk was. Hij richtte zich tot de zonen van ’Abdulashhal en vroeg: “O zonen van ’Abdulashhal! Wat voor iemand ben ik in jullie ogen?” Uit één mond antwoordden zij: “Jij bent ons stamhoofd en de grootste onder ons; wij volgen jou!” Op deze woorden zei Sa’d ibn Mu’âdh: “Dan laat ik jullie allen weten: ik ben vereerd met de islam. Ik wil dat ook jullie geloven in Allâhu ta’âlâ en in Zijn Rasûl. Als jullie niet geloven, zal ik met niemand van jullie meer spreken of omgaan!…”
“Dan laat ik jullie allen weten: ik ben vereerd met de islam. Ik wil dat ook jullie geloven in Allâhu ta’âlâ en in Zijn Rasûl” Sa’d ibn Mu’âdh (radiyallâhu ’anh)
Sanat as-Surûr (het jaar van vreugde)
Zodra de zonen van ’Abdulashhal hoorden dat hun stamhoofd Sa’d ibn Mu’âdh moslim was geworden en ook hen tot de islam opriep, werden zij allen tezamen moslim. Die dag lieten zij tot de avond de hemel van Medina weerklinken van de kalima-i shahâda en de klank van de takbîr.2 Kort nadat de zonen van ’Abdulashhal gezamenlijk moslim waren geworden, aanvaardden ook de hele bevolking van Medina en de stammen Aws en Khazraj de islam. Ieder huis werd verlicht door de nûr van de islam. Sa’d ibn Mu’âdh en Usayd ibn Hudayr sloegen alle afgodsbeelden van hun stammen stuk. Toen dit aan onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) werd meegedeeld, was hij zeer verheugd. De moslims in Mekka waren vol vreugde. Daarom werd dit jaar (621 n.Chr.) “Sanat as-Surûr” (het jaar van vreugde) genoemd.
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Habîballah!
As-salâtu was-salâmu ’alayka yâ Sayyidal-awwalîna wal-âkhirîn!
De tweede eed van trouw van ’Aqaba
In het twaalfde jaar van de bi’tha had de onderdrukking van de moslims door de afgodendienaren van Mekka haar uiterste grens bereikt en was zij ondraaglijk geworden. In Medina daarentegen waren de mannen van Aws en Khazraj, dankzij de inspanningen van As’ad ibn Zurâra en Mus’ab ibn ’Umayr, vervuld van liefde en vurig verlangen: zij stonden klaar om de moslims met open armen te ontvangen, hen aan hun borst te drukken en ieder offer voor hen te brengen. Zij wensten dat onze Meester Rasûlullah Medina zo spoedig mogelijk met zijn komst zou vereren, en beloofden dat zij voor hem hun bezit en hun leven niet zouden sparen. De tijd van de hajj was aangebroken. In de maand Dhu’l-hijja kwamen drieënzeventig mannen en twee vrouwen, moslims uit Medina, samen met Mus’ab ibn ’Umayr naar Mekka. Na de hajj kwamen zij allen opnieuw bij ’Aqaba met onze Profeet bijeen. De twaalf vertegenwoordigers, onder wie As’ad ibn Zurâra, stelden onze Profeet namens hun stammen voor naar Medina te emigreren, en zij verzochten hem dat ook. Onze Meester Rasûlullah reciteerde hun enkele edele verzen uit de Qur’ân al-karîm en vroeg hun daarna om een vast woord, dat hem de zekerheid gaf dat zij hem zouden beschermen zoals zij zichzelf, hun vrouwen en hun kinderen beschermden en behoedden. Ook ’Abbâs, de oom van onze Meester Rasûlullah, die nog geen moslim was, was daar aanwezig. Hij richtte zich als volgt tot deze groep die gekomen was om de eed van trouw af te leggen: “O mensen van Medina! Dit is de zoon van mijn broer. Van alle mensen heb ik hem het liefst. Als jullie hem geloven, als jullie geloven in wat hij van Allah heeft gebracht en hem met jullie mee willen nemen, moeten jullie mij een vast woord geven dat mij geruststelt. Zoals jullie weten, is Muhammad ’alayhis-salâm een van ons. Wij hebben hem beschermd tegen hen die niet in hem geloven. Hij leeft onder ons met eer en aanzien, beschermd. Ondanks dit alles heeft hij zich van iedereen afgewend en besloten zich bij jullie aan te sluiten en met jullie mee te gaan. Als jullie genoeg strijdkracht bezitten om stand te houden wanneer alle Arabische stammen zich verenigen en jullie aanvallen, begin dan aan deze zaak. Bespreek ook deze kwestie goed onder elkaar en beraad jullie, zodat jullie later niet verdeeld raken. Zullen jullie je woord houden en hem tegen zijn vijanden kunnen beschermen? Als jullie dat naar behoren kunnen doen, des te beter. Maar als jullie hem in de steek zullen laten nadat hij Mekka heeft verlaten, zie er dan nu al van af, zodat hij in zijn vaderland met eer en beschermd kan blijven leven.” Deze woorden van ’Abbâs bedroefden de moslims van Medina. Het was alsof zij te horen kregen dat zij onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam), wanneer zij hem naar hun land meenamen, niet tegen de afgodendienaren zouden kunnen beschermen en hem bij de eerste nood in de steek zouden laten. As’ad ibn Zurâra, een van de Metgezellen uit Medina, wendde zich tot onze Meester de Profeet en zei: “Yâ Rasûlallah! Als u het toestaat, wil ik enkele woorden zeggen. Laat mij ze aan u voorleggen.” Toen de Trots van het universum hem toestemming gaf, zei As’ad: “Mogen mijn vader en mijn moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Iedere oproep heeft een weg, een methode, zacht of streng. U roept ons nu op tot iets wat de mensen zeer moeilijk kunnen aanvaarden, want het is voor de mensen heel zwaar de afgoden die zij van oudsher aanbaden te verlaten en de islam te aanvaarden. Toch hebben wij de islam met heel ons hart aanvaard. U hebt ons ook bevolen de banden met onze verwanten die afgodendienaren zijn te verbreken, en ook dat hebben wij in oprechtheid aanvaard. U weet dat ook dit heel moeilijk te aanvaarden is. Wij hebben onze armen geopend voor uw verheven persoon, terwijl zelfs uw eigen ooms u niet hebben beschermd, maar uw vijanden zijn geworden, en wij beschouwen deze eervolle taak als een plicht die op ons rust. Wij zijn het allen eens over deze woorden. Wat wij met onze tong zeggen, bevestigen wij met ons hart. Wij zweren dat wij uw gezegende lichaam tot de laatste druppel van ons bloed zullen beschermen, zoals wij onze eigen vrouwen en kinderen beschermen. Als wij deze overeenkomst breken, mogen wij dan, omdat wij ons woord aan Allâhu ta’âlâ niet hebben gehouden, tot de ellendigen gerekend worden. Yâ Rasûlallah! Wij zijn trouw aan dit woord van ons. Moge Allâhu ta’âlâ ons doen slagen!” Daarna vervolgde hij: “Yâ Rasûlallah! Neem van ons de waarborg die u voor uzelf wenst en stel de voorwaarden die u wilt.”
Onze Meester de Profeet spoorde hen aan tot de islam en reciteerde uit de Qur’ân al-karîm. Daarna zei hij: “Mijn voorwaarde voor mijn Heer is dat jullie Allâhu ta’âlâ aanbidden en Hem niets als deelgenoot toekennen. Mijn voorwaarde voor mijzelf en mijn Metgezellen is dat jullie ons onderdak geven, mij en mijn Metgezellen helpen en ons beschermen tegen alles waartegen jullie jezelf verdedigen en beschermen.”
Barâ ibn Ma’rûr zei: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die u met de ware religie en het Boek als profeet heeft gezonden, dat wij u zullen beschermen zoals wij onze vrouwen en kinderen verdedigen en beschermen! Neem onze eed van trouw aan, yâ Rasûlallah!” ’Abbâs ibn ’Ubâda, een van de moslims uit Medina, zei tegen zijn metgezellen, om de overeenkomst met onze Meester de Profeet te bekrachtigen: “O mannen van Khazraj! Weten jullie waarom jullie Muhammad ’alayhis-salâm hebben aanvaard?” Zij antwoordden: “Ja.” Daarop zei hij: “Jullie aanvaarden hem en volgen hem zowel in tijden van vrede als in tijden van oorlog. Als jullie onze Profeet alleen en zonder hulp zullen laten wanneer jullie bezittingen schade lijden en jullie verwanten en naasten omkomen, doe dat dan nu al. Bij Allah! Als jullie zoiets doen, gaan jullie in deze wereld en in het hiernamaals te gronde! Maar als jullie verstand jullie zegt dat jullie hem trouw zullen blijven in datgene waartoe hij oproept, ook al gaan jullie bezittingen verloren en worden jullie naaste verwanten gedood, neem hem dan. Bij Allah, dat is goed voor jullie wereld en voor jullie hiernamaals.” Toen zeiden zijn metgezellen: “Ook al gaan onze bezittingen verloren en worden onze naasten gedood, wij zullen onze Profeet niet opgeven. Wij zullen ons nooit van hem scheiden. Liever sterven dan terugkeren!”
“Als wij deze overeenkomst breken, mogen wij dan, omdat wij ons woord aan Allâhu ta’âlâ niet hebben gehouden, tot de ellendigen gerekend worden. Yâ Rasûlallah! Wij zijn trouw aan dit woord van ons. Moge Allâhu ta’âlâ ons doen slagen!” As’ad ibn Zurâra (radiyallâhu ’anh)
Daarna wendden zij zich tot onze Meester de Profeet en vroegen: “Yâ Rasûlallah! Wat is er voor ons als wij deze overeenkomst nakomen?” Toen zei onze geliefde Profeet: “Het welbehagen van Allâhu ta’âlâ en het Paradijs!” Ieder van hen gaf zijn woord als vertegenwoordiger en zaakwaarnemer van zijn volk. Eerst gaf As’ad ibn Zurâra hem de hand en zei: “Ik leg de eed van trouw af dat ik het woord zal nakomen dat ik Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl heb gegeven, en mijn belofte zal vervullen hem met mijn leven en mijn bezit te helpen.” Na hem legde ieder op dezelfde wijze de eed van trouw af, en zij betuigden hun tevredenheid en hun overgave met de woorden: “Wij hebben de oproep van Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl aanvaard; wij hebben gehoord en gehoorzaamd.” Zo stelden zij zonder aarzelen hun leven en hun bezit ten dienste van Rasûlullah. De eed van trouw met de vrouwen werd alleen met woorden afgelegd. Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) nam van hen het woord af “Allâhu ta’âlâ niets als deelgenoot toe te kennen, niet te stelen, niet te lasteren, geen ontucht te plegen, hun kinderen niet te doden, niet te liegen en zich niet tegen goede daden te verzetten…” Terwijl de mensen van Medina onze Meester de Profeet de eed van trouw aflegden, riep een stem vanaf de heuvel van ’Aqaba: “O jullie die in Minâ jullie kamp hebben opgeslagen! De Profeet en de moslims van Medina zijn overeengekomen tegen jullie te strijden!” Onze Profeet zei over deze stem: “Dit is de shaytân van ’Aqaba,” en tegen degene die riep zei hij: “O vijand van Allâhu ta’âlâ! Ook met jou zal ik afrekenen!” Tegen de mensen van Medina die de eed van trouw hadden afgelegd zei hij: “Keer onmiddellijk terug naar jullie kampplaatsen.” ’Abbâs ibn ’Ubâda zei: “Yâ Rasûlallah! Ik zweer dat wij, als u het wenst, morgenochtend op de kâfirs in Minâ afgaan en hen allen over de kling jagen.” Onze Meester de Profeet was daarover tevreden, maar zei: “Ons is nog niet bevolen zo te handelen. Keer voorlopig terug naar jullie plaatsen.” Volgens de overlevering van imam Nasâ’î, op gezag van ’Abdullah ibn ’Abbâs, behoren de Ansâr die bij de eed van trouw van ’Aqaba aanwezig waren, doordat zij naar Rasûlullah toe kwamen, ook tot de Muhâjirûn.3
De cipres blijft hooghartig voor de smeekbede van de tortelduif,
Tenzij hem bij de zoom grijpt, aan zijn voeten valt en smeekt: het water.
De roos wil het bloed van de nachtegaal drinken – tenzij met list
In de aard van de rozentak dringt en hem redt: het water.
Zijn reine wezen deed het stralen voor de mensen van de wereld;
De weg van Ahmad Mukhtâr volgde het water.
De meester van het mensdom, een zee van uitverkoren parels –
Zijn wonderen zijn voor het vuur van de bozen water.
Om de glans van de rozentuin van het profeetschap te verfrissen,
Liet hij door zijn wonder uit harde rots ontspringen: water.
Zijn wonder is in de wereld een zee zonder oever;
Tot in duizend vuurtempels van de ongelovigen drong daaruit water.
Wie het hoort, bijt van verbazing in zijn vinger:
Op de dag van nood gaf hij uit zijn vingers de Ansâr water.
