DE HIJRA
Dat de stammen Aws en Khazraj plotseling moslim waren geworden en dat de moslims van Mekka zich mogelijk met de moslims van Medina zouden verenigen, joeg de afgodendienaren een geweldige schrik aan en maakte hen razend. De houding van de afgodendienaren van Mekka werd, toen zij van de tweede eed van trouw van ’Aqaba hoorden, zeer heftig en uiterst gevaarlijk. Voor de moslims was het niet meer uit te houden in Mekka te blijven. Door de laatste eed van trouw van ’Aqaba was Medina voor de moslims een plaats geworden waar zij rust en een toevlucht zouden vinden. Zij wilden een middel vinden om uit deze stad te emigreren en naar een land te gaan waar zij een beetje op adem konden komen en een beetje in vrijheid konden leven. Zij legden hun toestand voor aan onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en vroegen hem toestemming om te emigreren. Hij raadde zijn Metgezellen aan geduld te hebben, want er was nog geen toestemming gegeven om Mekka te verlaten. Ten slotte kwam de langverwachte goddelijke toestemming voor de Hijra. Die dag kwam onze geliefde Profeet vol vreugde naar de Metgezellen en zei: “De plaats waarheen jullie zullen emigreren is mij bekendgemaakt. Het is Yathrib (Medina). Emigreer daarheen. Verenig jullie daar met jullie broeders in de islam. Allâhu ta’âlâ heeft hen tot jullie broeders gemaakt. Hij heeft Yathrib (Medina) voor jullie tot een vaderland gemaakt waar jullie veiligheid en rust zullen vinden.” Met de toestemming en op aanraden van onze Meester Rasûlullah begonnen de moslims groep na groep, de een na de ander, naar Medina te emigreren.1 Onze Meester de Profeet drukte hen die emigreerden met klem op het hart uiterst voorzichtig en behoedzaam te handelen. Om de aandacht van de afgodendienaren niet te trekken, gingen de moslims in kleine karavanen op weg en handelden zij zo heimelijk mogelijk. Abû Salama, die als eerste naar Medina emigreerde, had veel te lijden gehad van de afgodendienaren. Na enige tijd kregen de afgodendienaren door wat er gaande was. Zij begonnen de moslims die zij op weg naar de Hijra te zien kregen terug te sturen, vrouwen van hun mannen te scheiden en wie zij te pakken konden krijgen in de gevangenis te werpen, en zij onderwierpen hen aan allerlei kwellingen. Om hen van hun religie af te brengen, deden zij hun alle mogelijke leed aan. Maar uit vrees dat er een burgeroorlog zou uitbreken, durfden zij hen niet te doden. De moslims grepen niettemin iedere gelegenheid aan en sloegen de wegen naar Medina in. Op een dag gordde ook ’Umar zijn zwaard om. Hij nam zijn pijlen en zijn speer mee en verrichtte ten aanschouwen van iedereen zevenmaal de tawâf om de Ka’ba. Daarna zei hij met luide stem tegen de afgodendienaren die daar waren: “Zie, ook ik emigreer op de weg van Allâhu ta’âlâ om mijn religie te beschermen. Wie zijn vrouw weduwe, zijn kinderen wees en zijn moeder in tranen wil achterlaten, laat die mij achter dat dal tegemoet treden!…” Zo gingen ’Umar en ongeveer twintig moslims op klaarlichte dag zonder enige vrees op weg naar Medina. Uit angst voor hem durfde niemand deze karavaan aan te raken. Voortaan kwam er geen einde meer aan de emigraties, en de Metgezellen bereikten groep na groep Medina.
“De plaats waarheen jullie zullen emigreren is mij bekendgemaakt. Het is Yathrib (Medina). Emigreer daarheen” en “Verenig jullie daar met jullie broeders in de islam. Allâhu ta’âlâ heeft hen tot jullie broeders gemaakt. Hij heeft Yathrib (Medina) voor jullie tot een vaderland gemaakt waar jullie veiligheid en rust zullen vinden” Hadîth sharîf
De weg van de Hijra
Intussen vroeg ook Abû Bakr toestemming om te emigreren. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Heb geduld. Ik hoop dat Allâhu ta’âlâ ook mij toestemming geeft. Dan emigreren wij samen.” Toen Abû Bakr vroeg: “Mogen mijn vader en mijn moeder voor u geofferd worden! Bestaat die mogelijkheid?”, verheugde onze Profeet hem met de woorden: “Ja, die bestaat.” Abû Bakr kocht voor achthonderd dirham twee kamelen en begon op die dag te wachten. In Mekka waren nu alleen nog onze geliefde Profeet, Abû Bakr, ’Alî, de armen, de zieken, de ouden van dagen en de gelovigen die de afgodendienaren in de gevangenis hadden geworpen achtergebleven.
Aan de andere kant ontvingen de inwoners van Medina (de Ansâr) de Mekkanen die emigreerden (de Muhâjirûn) zeer goed en namen hen als gasten op. Er ontstond tussen hen een hechte eenheid.
Bij de gedachte dat ook Rasûlullah zou emigreren en zich aan het hoofd van de moslims zou stellen, raakten de afgodendienaren van Mekka in paniek. Zij kwamen bijeen in Dâr an-Nadwa, waar zij samenkwamen om belangrijke zaken te bespreken, en begonnen te overleggen wat zij zouden doen. De shaytân verscheen bij hen in de gedaante van de Shaykh Najdî, dat wil zeggen van een oude man uit Najd. Hij luisterde naar wat zij zeiden. Er werden verschillende voorstellen gedaan, maar geen enkel voorstel vond bijval. Toen mengde de shaytân zich in het gesprek en gaf zijn mening: “Niets van wat jullie bedacht hebben, kan een oplossing zijn, want zijn lachende gezicht en zijn zoete tong maken iedere maatregel ongedaan. Bedenk een ander middel.”
Abû Jahl, het hoofd van de Quraysh, zei: “Laten wij uit iedere stam een sterke man kiezen. Laten zij zich met het zwaard in de hand op Muhammad storten. Laten zij met hun zwaarden op hem inslaan en zijn bloed vergieten. Dan weet niemand wie hem gedood heeft. Zo zullen zij, of zij willen of niet, met het bloedgeld (diya) genoegen nemen. Wij betalen dan zijn bloedgeld en zijn van deze last verlost.” Ook de shaytân vond dit een goed idee; hij stemde ermee in en moedigde het vurig aan.2
Terwijl de afgodendienaren met deze voorbereidingen bezig waren, kwam Jibrîl ’alayhis-salâm en bracht Rasûl-i akram het besluit van de afgodendienaren over. Hij zei ook tegen hem dat hij die nacht niet in zijn bed moest slapen, en deelde hem het bevel van Allâhu ta’âlâ tot de Hijra mee. Op dit goddelijke bevel zei onze geliefde Profeet tegen ’Alî dat hij in zijn bed moest gaan liggen en de bezittingen die hem in bewaring waren gegeven aan hun eigenaars moest teruggeven, en hij voegde eraan toe: “Ga vannacht in mijn bed liggen slapen en dek je toe met deze mantel van mij! Wees niet bang; jou zal niets overkomen.”
’Alî ging liggen zoals onze Meester de Profeet had bevolen. Hij was toen drieëntwintig jaar oud. Hij was bereid zonder enige vrees zijn eigen leven op te offeren in de plaats van Habîbullah.
In de nacht van de Hijra hadden de kâfirs het gezegende huis van onze Meester Rasûlullah omsingeld. In die nacht werden de eerste verzen van soera Yâ-Sîn geopenbaard. Toen onze Meester de Profeet zijn gezegende huis verliet, reciteerde hij over hen het negende edele vers van soera Yâ-Sîn, met de betekenis: “Wij hebben vóór hen een versperring geplaatst en achter hen een versperring, en Wij hebben hen bedekt; daarom zien zij niet”; daarna nam hij een handvol aarde van de grond en strooide die op de hoofden van de kâfirs. (Er wordt overgeleverd dat allen op wier hoofd iets van deze aarde terechtkwam, in de Slag bij Badr werden gedood.) Onze Meester Rasûlullah liep ongedeerd en veilig tussen hen door en bereikte het huis van Abû Bakr. Geen van de afgodendienaren had hem kunnen zien.
“O Abû Bakr! Heb geduld. Ik hoop dat Allâhu ta’âlâ ook mij toestemming geeft. Dan emigreren wij samen” Hadîth sharîf
Even later kwam iemand naar de afgodendienaren toe en vroeg: “Waar wachten jullie hier op?” Zij antwoordden: “Tot Muhammad uit zijn huis komt.” De man zei: “Ik zweer dat Muhammad tussen jullie door is gegaan en is vertrokken, en hij heeft ook nog aarde op jullie hoofden gestrooid.” De afgodendienaren brachten hun handen naar hun hoofd. Inderdaad vonden zij er aarde op. Zij veegden de aarde van hun gezicht en hun hoofd. Onmiddellijk stormden zij op de deur af en drongen naar binnen. Toen zij ’Alî in het bed van de Rasûl ’alayhis-salâm zagen liggen, vroegen zij waar Rasûl-i akram was.
’Alî zei: “Dat weet ik niet! Hebben jullie mij soms aangesteld om hem te bewaken?” Daarop duwden zij ’Alî ruw heen en weer. De kâfirs gingen naar buiten en begonnen onze Meester Rasûlullah te zoeken. ’Alî hielden zij een tijdlang vast bij de Ka’ba en lieten hem daarna vrij.3
Daarna gingen zij naar het huis van Abû Bakr en ondervroegen zijn dochter Asmâ. Toen zij geen antwoord gaf, sloegen zij haar. Hoewel zij overal zochten, konden zij hen niet vinden, en zij werden razend. Abû Jahl, de woestste van hen, liet in Mekka en omgeving omroepen en beloofde 100 kamelen aan wie onze geliefde Profeet en Abû Bakr zou vinden en terugbrengen of zou laten weten waar zij waren. Sommigen die deze belofte hoorden en op bezit belust waren, bewapenden zich, stegen op hun paarden en gingen op zoek.
Toen onze Meester Rasûlullah het huis van Abû Bakr met zijn komst vereerde en zei: “Mij is toestemming gegeven om te emigreren,” vroeg Abû Bakr as-Siddîq vol ontroering: “Laat mij mijn gezicht wrijven in het stof van uw gezegende voeten, yâ Rasûlallah!… Ga ik met u mee?” Onze Meester antwoordde: “Ja…” As-Siddîq huilde van vreugde. Door zijn tranen heen zei hij: “Mogen mijn vader, mijn moeder en mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! De kamelen staan klaar. Aanvaard welke u maar wilt.” De Sultan der werelden zei: “Ik bestijg geen kameel die niet van mij is. (Alleen) tegen betaling neem ik hem.” Tegenover dit stellige bevel had as-Siddîq geen keus en noemde hij de prijs van de kameel. Abû Bakr riep een man, ’Abdullah ibn Urayqit genaamd, die bekendstond als gids, nam hem tegen betaling in dienst om hun de weg te wijzen en droeg hem op de kamelen drie dagen later naar de grot in de berg Thawr te brengen.
Op de 27e van de maand Safar in het dertiende jaar van de bi’tha, op een donderdag, gingen onze Meester de Profeet en Abû Bakr as-Siddîq op weg, met een beetje voedsel bij zich.
Abû Bakr liep rondom Rasûlullah, nu eens rechts, dan weer links, nu eens vooraan, dan weer achteraan. Toen onze Profeet vroeg waarom hij dat deed, zei hij: “Om een gevaar af te weren dat van welke kant ook kan komen. Als er iets kwaads komt, laat het dan eerst mij treffen. Moge mijn leven voor uw verheven persoon geofferd worden, yâ Rasûlallah!”
De Vorst der wereld zei: “O Abû Bakr! Zou je willen dat een ramp die mij moet treffen, in mijn plaats jou treft?” As-Siddîq antwoordde: “Ja, yâ Rasûlallah! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die u met de ware religie als ware profeet heeft gezonden, dat ik wil dat een ramp die komt, in uw plaats mij treft.”4
Omdat de sandalen van onze geliefde Profeet nauw waren, scheurden zij onderweg; zijn gezegende voeten raakten gewond en hij had geen kracht meer om te lopen. Met grote moeite beklommen zij de berg en bereikten de grot. Toen zij bij de ingang kwamen, zei Abû Bakr: “Omwille van Allah, yâ Rasûlallah, ga niet naar binnen! Laat mij eerst naar binnen gaan. Als daar iets schadelijks is, laat het dan mij treffen, en laat geen verdriet, geen pijn uw gezegende persoon raken” – en hij ging naar binnen. Hij veegde de grot aan en maakte haar schoon. Rechts en links waren vele grote en kleine gaten. Hij scheurde zijn mantel in stukken en stopte de gaten dicht, maar één bleef open. Ook dat dichtte hij met zijn hiel, en hij nodigde Rasûlullah uit binnen te komen. Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) ging naar binnen, legde zijn gezegende hoofd in de schoot van Abû Bakr en sliep in.
Op dat moment beet een slang as-Siddîq in zijn voet. Opdat Rasûlullah niet wakker zou worden, verdroeg hij de pijn en verroerde hij zich niet. Maar toen een traan van hem op het gezegende gezicht van Rasûlullah viel, vroeg deze: “Wat is er gebeurd, o Abû Bakr?” Abû Bakr antwoordde: “Een slang uit het gat dat ik met mijn voet had afgesloten, heeft mij in mijn voet gebeten.” Toen onze Meester Rasûlullah, opdat de wond zou genezen, wat van zijn gezegende speeksel op de wond van Abû Bakr streek, verdween de pijn onmiddellijk en genas hij.
Terwijl onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en Abû Bakr as-Siddîq binnen waren, volgden de afgodendienaren het spoor en kwamen bij de ingang van de grot. Zij zagen dat een spin een web voor de ingang had geweven en dat twee duiven er een nest hadden gebouwd. De spoorzoeker Kurz ibn ’Alqama zei: “Hier houdt het spoor op.” De kâfirs zeiden: “Als zij hier naar binnen waren gegaan, had het spinnenweb boven de ingang gescheurd moeten zijn.”
Toen sommigen zeiden: “Nu wij zo ver gekomen zijn, laat een van jullie de grot ingaan en kijken!..”, zei de kâfir Umayya ibn Khalaf: “Hebben jullie dan helemaal geen verstand? Wat hebben jullie te zoeken in deze grot, waarover laag op laag spinnenweb hangt? Ik zweer dat deze spin haar web al heeft geweven voordat Muhammad geboren werd.”
Terwijl de afgodendienaren bij de ingang twistten, werd Abû Bakr binnen door ongerustheid bevangen en zei: “Yâ Rasûlallah! Bij Allah, ik maak mij geen zorgen om mijzelf. Maar ik ben bang dat uw verheven persoon iets overkomt. Als ik gedood word, ben ik maar één mens; er verandert niets. Maar als u iets overkomt, gaat de hele umma te gronde en stort de religie in.” De Sultan van het universum zei: “O Abû Bakr! Wees niet bedroefd!.. Allâhu ta’âlâ is zeker met ons.”
Toen Abû Bakr as-Siddîq zei: “Yâ Rasûlallah! Moge mijn leven voor u geofferd worden! Als een van hen zijn hoofd buigt en kijkt, ziet hij ons!”, zei onze Meester: “O Abû Bakr! Wij zijn met ons tweeën, en de derde is Allâhu ta’âlâ. Wees niet bedroefd!.. Haqq ta’âlâ is zeker met ons.” De afgodendienaren keerden terug zonder naar binnen te kijken.5
Allâhu ta’âlâ zegt hierover in de Qur’ân al-karîm in betekenis: “Als jullie hem (Mijn Habîb) niet helpen, (bedenk dan die tijd:) toen de kâfirs hem (uit Mekka) verdreven als de tweede van twee (met Abû Bakr), toen zij beiden in de grot waren (op de top van de berg Thawr), heeft Allâhu ta’âlâ hem (Rasûlullah) geholpen. Toen zei hij tegen zijn metgezel (Abû Bakr as-Siddîq): ‘Wees niet bedroefd; de hulp en de bijstand van Allâhu ta’âlâ zijn zeker met ons.’ Allâhu ta’âlâ deed Zijn sakîna, die de harten rust schenkt, op hem neerdalen, versterkte hem (Zijn Habîb) met een leger (een geestelijk leger) dat jullie niet zagen (Hij beschermde hem met de engelen) en vernederde het woord van de kâfirs volkomen. Het woord (van de tawhîd) van Allâhu ta’âlâ daarentegen is het allerhoogste (Hij verbreidde de naam van Allah over de hele wereld en deed hem heersen). Allâhu ta’âlâ is de volstrekt Overwinnende. Hij alleen bezit het oordeel en de wijsheid.”6
“Omwille van Allah, yâ Rasûlallah, ga niet naar binnen! Laat mij eerst naar binnen gaan. Als daar iets schadelijks is, laat het dan mij treffen, en laat geen verdriet, geen pijn uw gezegende persoon raken” Abû Bakr as-Siddîq (radiyallâhu ’anh)
Onze geliefde Profeet en Abû Bakr bleven drie dagen en drie nachten in deze grot. ’Abdullah, de zoon van Abû Bakr, kwam ’s nachts naar de grot en vertelde hun wat hij in Mekka had gehoord, en ’Âmir ibn Fuhayra, de vrijgelaten slaaf van Abû Bakr en de herder van zijn kudden, bracht hun ’s nachts melk en wiste de sporen uit.
Op de vierde dag, in de nacht van zondag op maandag, tegen de dageraad, verliet onze geliefde Profeet de grot Thawr en besteeg zijn kameel, die Qaswâ heette. Volgens een overlevering liet hij Abû Bakr achter zich op het rijdier zitten. Op de andere kameel stegen ’Âmir ibn Fuhayra en ’Abdullah ibn Urayqit, die de wegen goed kende.
De Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) nam afscheid van Makka al-Mukarrama, zijn vaderland, de kostbaarste van alle steden, die door Allâhu ta’âlâ is geprezen. Hij wendde zijn kameel naar de Haram ash-Sharîf en zei bedroefd: “Bij Allah! Jij bent de beste van de plaatsen die Allâhu ta’âlâ heeft geschapen en de meest geliefde bij mijn Heer! Als ik niet uit jou was verdreven, zou ik niet zijn weggegaan. Er is voor mij geen mooier en geen dierbaarder vaderland dan jij. Als mijn volk mij niet uit jou had verdreven, zou ik niet weggaan en nergens anders dan in jou een vaderland en een thuis zoeken.”
Op dat moment daalde Jibrîl ’alayhis-salâm neer en zei: “Yâ Rasûlallah! Verlangt u naar uw vaderland? Mist u het?” Onze Meester antwoordde: “Ja, ik verlang ernaar!” Jibrîl ’alayhis-salâm reciteerde het vijfentachtigste edele vers van soera al-Qasas, dat hem de blijde boodschap bracht dat hij ten slotte naar Mekka zou terugkeren, en troostte zijn gezegende hart.
De reis verliep rustig. Hoewel de afgodendienaren overal zochten, konden zij hen niet vinden; Janâb-i Haqq beschermde Zijn Habîb tegen hun kwaad. Toen onze Meester Rasûlullah bij een plaats kwam die Qudayd heette, hield hij halt voor de tent van een verstandige en kuise vrouw, Umm Ma’bad genaamd, die om haar vrijgevigheid bekendstond. Zij wilden tegen betaling voedsel, dadels en vlees kopen. Umm Ma’bad zei: “Als ik iets had, zou ik het jullie niet voor geld verkopen, maar jullie een maaltijd aanbieden en jullie eren. Door de droogte en de moeilijke omstandigheden is er bij ons niets meer over.” Toen zij vroegen: “Is er melk?”, antwoordde zij: “Nee. De dieren zijn droog.” De Sultan van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wees naar een mager schaap dat naast de tent stond en zei: “O Umm Ma’bad! Waarom staat dit schaap hier vastgebonden?” Zij antwoordde: “Het is niet met de kudde meegegaan, omdat het erg ziek en zwak is. Het had de kracht niet om mee te gaan.” Toen hij vroeg: “Heeft het enige melk? Staat u mij toe het te melken?”, zei zij: “Mogen mijn vader en mijn moeder voor u geofferd worden! Het heeft geen melk, maar niets belet u het te melken.”
Onze Meester Rasûlullah ging naar het schaap toe en noemde de naam van Allâhu ta’âlâ. Nadat hij een smeekbede om zegen had gedaan, streek hij met zijn gezegende hand over de uier van het schaap. Op datzelfde moment vulde de uier zich met melk, die begon te stromen. Meteen brachten zij een kom en vulden die. Hij gaf haar eerst aan Umm Ma’bad. Nadat Umm Ma’bad had gedronken, gaf hij haar aan Abû Bakr en de anderen, en zij dronken tot zij verzadigd waren. Als laatste dronk hij zelf. Daarna raakte hij met zijn gezegende hand opnieuw de uier van het schaap aan, molk het en vroeg om de grootste kom die in de tent was. Ook die vulde hij en gaf haar aan Umm Ma’bad. Volgens de overlevering leefde dat schaap nog achttien jaar, en door de zegen van de Trots der wereld leefden zij ’s morgens en ’s avonds van zijn melk. Nadat zij vertrokken waren, kwam de man van Umm Ma’bad thuis en zag de melk. Verheugd vroeg hij: “Waar komt deze melk vandaan?” Umm Ma’bad antwoordde: “Er kwam een gezegende man die ons huis vereerde. Wat je ziet, is de vrucht van zijn himma en zijn zegen.” Haar man vroeg: “Kun je hem beschrijven? Hoe zijn zijn eigenschappen, hoe ziet hij eruit?”
Umm Ma’bad zei: “De gezegende man die ik zag, was zeer welgevormd en had een glimlachend gezicht. In zijn ogen was een lichte roodheid en in zijn stem zachtheid. Zijn gezegende wimpers waren lang. Het wit van zijn ogen was heel wit en het zwart heel zwart, alsof zij van nature met kohl waren omrand. Zijn haar was zwart en zijn baard dicht. Wanneer hij zweeg, lagen er waardigheid en ernst over hem. Wanneer hij sprak, glimlachte hij, en zijn woorden vloeiden lieflijk uit zijn mond, als aaneengeregen parels. Van ver leek hij zeer ontzagwekkend; van dichtbij werd hij heel innemend en aantrekkelijk. Wie bij hem was, haastte zich met hart en ziel om zijn bevelen uit te voeren.” Zo somde zij nog vele van zijn goede eigenschappen op. Haar man, die verbaasd naar haar luisterde, zei: “Ik zweer dat dit de man is die de Quraysh zoeken. Als ik hem tegenkwam, zou ik de eer hebben hem te dienen en zou ik niet van zijn zijde wijken.” De man van Umm Ma’bad ging onze Meester Rasûlullah achterna, haalde hem in het dal van Rîm in en werd moslim. Hij kreeg de eer een Metgezel te worden. Later werd ook Umm Ma’bad moslim.7
Surâqa ibn Mâlik
De afgodendienaren zochten onophoudelijk naar Muhammad ’alayhis-salâm en Abû Bakr, die op weg waren gegaan naar Medina. Als zij hen niet vonden, zou er voor hen een zeer groot gevaar ontstaan, want zij dachten dat de moslims een “islamitische staat” zouden stichten en hen binnen korte tijd zouden kunnen vernietigen. Daarom zetten de afgodendienaren alles in wat zij hadden. Aan wie onze Meester de Profeet en Abû Bakr zou doden of gevangennemen, beloofden zij behalve honderd kamelen ook ontelbare goederen en geld. Dit nieuws verspreidde zich ook onder de zonen van Mudlij, de stam waartoe Surâqa ibn Mâlik behoorde.
Surâqa ibn Mâlik was een goede spoorzoeker. Daarom hield hij zich nauwkeurig op de hoogte van wat er gebeurde.
Op een dinsdag waren de zonen van Mudlij bijeengekomen in Qudayd, de streek waar Surâqa ibn Mâlik woonde. Ook Surâqa ibn Mâlik was bij de bijeenkomst. Op dat moment kwam een van de mannen van de Quraysh en zei tegen Surâqa: “O Surâqa! Bij Allah, ik heb zojuist een kleine karavaan van drie of vier personen gezien die naar de kust trok. Dat zijn vast Muhammad en zijn Metgezellen.” Surâqa begreep hoe de zaak in elkaar zat. Maar omdat de uitgeloofde beloning zeer groot was, wilde hij haar alleen verwerven. Daarom wilde hij niet dat iemand anders ervan wist. “Nee, de mensen die jij zag, zijn die en die. Zij zijn zojuist voorbijgekomen. Wij hebben hen ook gezien,” zei hij, alsof er niets bijzonders aan de hand was.
Surâqa ibn Mâlik wachtte nog even. Zonder de aandacht te trekken ging hij naar huis. Hij zei tegen zijn knecht dat hij zijn paard en zijn wapens moest nemen en achter het dal op hem moest wachten. Zelf nam hij zijn lans en hield de punt naar beneden gericht, opdat de glans ervan geen aandacht zou trekken. Hij zette zijn paard aan tot galop. Hij reed verder en vond ten slotte hun sporen. Hij kwam zo dichtbij dat hij zelfs de Qur’ân al-karîm hoorde die onze Meester de Profeet reciteerde. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) keek echter helemaal niet om. Toen Abû Bakr omkeek, zag hij Surâqa en raakte in paniek. Onze Meester de Profeet zei tegen hem, zoals in de grot: “Wees niet bedroefd; Allâhu ta’âlâ is met ons.”
“(O Makka al-Mukarrama!) Er is voor mij geen mooier en geen dierbaarder vaderland dan jij. Als mijn volk mij niet uit jou had verdreven, zou ik niet weggaan en nergens anders dan in jou een vaderland en een thuis zoeken” Hadîth sharîf
Volgens de overlevering van Bukhârî zei Abû Bakr toen tegen Rasûl-i akram dat een ruiter hen had ingehaald, en onze Meester de Profeet deed deze smeekbede: “O mijn Heer! Laat hem vallen!” Volgens een andere overlevering begon Abû Bakr te huilen toen Surâqa vlak bij hen kwam. Toen Rasûl-i akram hem vroeg waarom hij huilde, zei hij: “Bij Allah, ik huil niet om mijzelf. Ik huil omdat ik vrees dat u iets kwaads overkomt.” Surâqa kwam zo dichtbij dat hij onze Meester de Profeet kon aanvallen. Hij zei: “O Muhammad! Wie zal jou vandaag tegen mij beschermen?” De Vorst der wereld antwoordde: “Allâhu ta’âlâ, de Jabbâr en de Qahhâr, beschermt mij.” Op dat moment zakten de twee voorbenen van Surâqa’s paard tot aan de knieën in de grond weg. Toen hij het had losgekregen en opnieuw wilde aanvallen, zakten de benen van zijn paard weer in de grond weg. Hoeveel Surâqa zijn paard ook dwong, hij kreeg het op geen enkele manier los. Er was niets anders meer wat hij kon doen. Ten einde raad begon hij onze Meester Rasûlullah, de bezitter van tederheid en barmhartigheid, te smeken. Onze Profeet, die alle volmaaktheden en een goed karakter in zich verenigde en die met een verheven karakter en een verheven natuur geschapen was, willigde zijn verzoek in. Surâqa zei: “O Muhammad! Ik heb begrepen dat jij beschermd wordt. Doe een smeekbede, zodat ik vrijkom. Voortaan zal ik je nooit meer kwaad doen. En tegen hen die je achtervolgen, zal ik met geen woord over je spreken.” Toen de Meester van het universum de smeekbede deed: “O mijn Heer! Als hij in zijn woord waarachtig en oprecht is, bevrijd dan zijn paard,” aanvaardde Allâhu ta’âlâ deze smeekbede. Het paard van Surâqa ibn Mâlik kon pas na deze smeekbede uit de kuil komen. Op dat moment steeg van de plaats waar de benen van het paard waren weggezakt iets als rook naar de hemel op. Surâqa stond verbijsterd, en uit alles wat er gebeurd was begreep hij dat Muhammad ’alayhis-salâm voortdurend beschermd werd. Hij was getuige geweest van vele dingen. Ten slotte zei hij: “O Muhammad! Ik ben Surâqa ibn Mâlik! Koester geen enkel wantrouwen jegens mij. Ik geef u mijn woord: voortaan zal ik niets doen wat u mishaagt. Uw volk heeft een grote beloning beloofd aan wie u en uw Metgezellen gevangenneemt.” En hij vertelde een voor een wat de afgodendienaren van de Quraysh van plan waren. Hij wilde hun zelfs reisproviand en een kameel om te berijden geven, maar onze geliefde Profeet nam dat niet aan en zei tegen hem: “O Surâqa! Zolang jij de religie van de islam niet aanvaardt, wens en verlang ik ook jouw kameel en jouw vee niet. Houd geheim dat je ons gezien hebt; dat is genoeg.” Ibn Sa’d vertelt het als volgt: toen Surâqa tegen onze Meester de Profeet zei: “Beveel mij wat u wilt,” zei onze Meester Rasûlullah: “Blijf in je land. Laat niemand ons inhalen.” Wanneer Allâhu ta’âlâ het wil, gebeurt alles. Wanneer men oprecht op Hem vertrouwt en de weg van Zijn welbehagen gaat, gebeuren er dingen die het verstand te boven gaan. Surâqa, die als een brullende leeuw op weg was gegaan, belust om onze Meester Rasûlullah te doden en grote beloningen te verwerven, was nu als een zachtaardig en volgzaam kind. Allâhu ta’âlâ, Die over alles macht heeft, had het hart van Surâqa naar het goede gewend, opdat hij Zijn Habîb geen kwaad zou doen. Zeker zou Allâhu ta’âlâ Zijn Habîb (sallallâhu ’alayhi wa sallam) niet alleen laten, want hij was Zijn geliefde Profeet, die Hij als barmhartigheid voor de mensen had gezonden, opdat zij in deze wereld en in het hiernamaals het eeuwige geluk zouden bereiken. Daarna keerde Surâqa langs zijn eigen spoor terug. En aan niemand die hij tegenkwam vertelde hij wat hem was overkomen.8
De Sultan van het universum komt!
Onze Meester de Profeet, Abû Bakr, ‘Âmir ibn Fuhayra en hun gids ‘Abdullah ibn Urayqit bereikten na een week reizen, in het dertiende jaar van de bi’tha (622 n.Chr.), op twintig september, de achtste van de maand Rabî’ al-awwal van het eerste jaar van de Hijra, op een maandag, in de voormiddag, het dorp “Qubâ”. Zij werden te gast ontvangen in het huis van een moslim die Kulthûm ibn Hidm heette. De eerste Muhâjirûn hadden, nog voordat Rasûl-i akram in Medina aankwam, in Qubâ een droogplaats voor dadels die aan de zonen van ’Amr ibn ’Awf toebehoorde, tot gebedsplaats gemaakt. Toen Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Qubâ bereikte, breidde hij deze gebedsplaats uit en bouwde de eerste moskee. Zij verrichtten hun gebeden in de Masjid Qubâ. De Masjid Qubâ werd geprezen in het honderdachtste edele vers van soera at-Tawba, met de betekenis: “… de moskee die op godsvrees (taqwâ) gegrondvest is”.9
Ook drieëntwintig september, de dag waarop dag en nacht even lang zijn, brachten zij in het dorp Qubâ door, en op de twaalfde van Rabî’ al-awwal, een vrijdag, vertrokken zij naar Medina. Ten tijde van het middaggebed hielden zij halt in het dal Rânûnâ, tussen Medina en Qubâ. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) verrichtte daar het eerste vrijdaggebed en hield daar ook de eerste khutba.10 En diezelfde dag kwamen zij in Medina aan. (Later werd daar ter herinnering aan het eerste vrijdaggebed een moskee gebouwd met de naam “Masjid al-Jumu’a”.) Intussen ging ’Alî, die in Mekka was achtergebleven, zitten op de plaats bij de Ka’ba waar onze Meester Rasûlullah gewoonlijk zat. Hij liet omroepen: “Wie iets bij Rasûl-i akram in bewaring heeft, laat hij komen en het ophalen.” Ieder kwam, noemde het kenmerk van wat van hem was en nam zijn toevertrouwde goed in ontvangst. Zo werden de toevertrouwde goederen aan hun eigenaars teruggegeven. De leeuw van Allah, ’Alî, ging naar de plaats waar de kâfirs van de Quraysh bijeen waren en zei: “Inshâ’allâhu ta’âlâ vertrek ik morgen naar Madîna al-Munawwara. Hebben jullie iets te zeggen? Zeg het zolang ik nog hier ben.” Allen bogen het hoofd en zeiden niets. Toen het morgen werd, verzamelde ’Alî de persoonlijke bezittingen van Rasûl-i akram en ging op weg. Vier of vijf mannen van de Quraysh versperden hem de weg, maar hij vocht met hen en versloeg hen. Daarna kwam hij onderweg Miqdâd ibn Aswad tegen. Ook hem velde hij met één slag en riep hem op tot het geloof. Ook hij werd moslim. Hij vervolgde zijn weg en haalde onze Meester Rasûlullah in Qubâ in, met opgezwollen voeten waaruit bloed stroomde. Aan het einde van deze reis, waarop hij zich overdag verborg en ’s nachts te voet verder trok, was hij in een toestand geraakt waarin hij niet meer naar onze Profeet toe kon gaan. Toen Rasûl-i akram dit vernam, ging hij zelf naar hem toe. Toen hij ’Alî zag, kreeg hij medelijden met zijn toestand, omarmde hij zijn geliefde, opofferingsgezinde neef, streelde met zijn gezegende handen zijn tere, fijne voeten, die op de weg van de Haqq duizenden ontberingen hadden verduurd, en deed een smeekbede voor zijn genezing. Er wordt zelfs overgeleverd dat naar aanleiding van deze opoffering van ’Alî het verheven vers werd geopenbaard met de betekenis: “Onder de mensen zijn er die hun leven (zichzelf) opofferen om het welbehagen van Allâhu ta’âlâ te verwerven”.1112
“O Surâqa! Het is alsof ik je nu al de armbanden van de Chosroes (de sjah van Perzië) zie dragen, zijn gordel zie omdoen en zijn kroon zie opzetten!” Hadîth sharîf
Toen de Metgezellen die eerder naar Medina waren geëmigreerd en de moslims van Medina hoorden dat de Sultan van het universum Mekka had verlaten om te emigreren, wachtten zij vurig en vol spanning op zijn komst. Daarom zetten zij uitkijkposten aan de buitenranden van Madîna al-Munawwara; zij brandden van verlangen onze Meester te verwelkomen op het moment dat hij hun stad met zijn komst zou vereren. Zij die hem zo liefhadden, wachtten dagenlang met hun ogen op de horizon gericht, zoals de gloeiende woestijn naar water smacht.
Ten slotte klonk er plotseling een stem: “Zij komen! Zij komen!..” Wie de stem hoorde, liet zijn blik over het midden van de gloeiende woestijn gaan. Ja!.. Ja!.. Ook zij zagen dat de zo lang verwachte gasten, ondanks de brandende hitte van de zon in de gloeiende woestijn, met grote majesteit op hen afkwamen. Vol vreugde begonnen zij elkaar toe te roepen: “Een blijde boodschap!.. Een blijde boodschap!.. Rasûlullah komt!.. Onze Profeet komt!.. Verheug je, o mensen van Medina! Vier feest! Habîbullah komt!.. De kroon op ons hoofd komt!..” In een oogwenk vulde het bericht de straten van Madîna al-Munawwara. Van zeven tot zeventig, van de ouden tot de zieken: iedereen had op dit weergaloze, blijde bericht gewacht.
Alle inwoners van Medina trokken hun mooiste kleren aan en haastten zich om de Meester der werelden te verwelkomen. De klank van de takbîr deed de hemel weerklinken, en de tranen van vreugde stroomden als een stortvloed. Er hing een sfeer vol weemoed en geluk, en Medina beleefde de mooiste dag uit zijn geschiedenis. Aan de ene kant stonden zij die een prijs hadden gezet op het hoofd van de Habîb van Allâhu ta’âlâ, die iedereen kende onder de bijnaam “Amîn”; aan de andere kant zij die hem en zijn Metgezellen wilden beschermen, aan hun borst wilden drukken en daarvoor hun leven wilden geven.
De inwoners van Medina wilden zo spoedig mogelijk het stralende gelaat van onze geliefde Profeet zien. Sinds Medina bestond, had het nog nooit zo’n vreugdevol, zo’n gezegend moment beleefd. Het was een feest zoals er tot die dag nooit een was gevierd. Op dit feest, waarvan de weerga nooit gezien is en nooit gezien zal worden, zongen de kinderen, de jongeren, de volwassenen, die gelukkige mensen, voor het eerst, tegelijk en uit één mond dit gedicht:13
Tala’al-badru ’alaynâ,
De volle maan is over ons opgegaan
Min thaniyyâtil-wadâ’,
Van de heuvels van Wadâ’.
Wajabash-shukru ’alaynâ,
Dankbaarheid werd voor ons een plicht,
Mâ da’â lillâhi dâ’.
Zolang iemand tot Allah roept.
Ayyuhal-mab’ûthu fînâ,
O u die tot ons gezonden bent,
Ji’ta bil-amril-mutâ’,
U bracht het bevel van Allah (Amrullah).
Ji’ta sharraftal-Madîna,
U hebt Medina vereerd,
Marhaban yâ khayra dâ’.
Welkom, o beste van wie oproept!
Anta shamsun, anta badrun,
U bent de zon, u bent de maan,
Anta nûrun ’alâ nûr,
U bent nûr op nûr,
Anta misbâhuth-Thurayyâ,
U bent het licht van de Plejaden,
Yâ Habîbî, yâ Rasûl!
O geliefde, o Rasûl!
Qad labisnâ thawba ’izzin,
Wij zijn met eer en aanzien bekleed,
Ba’da athwâbir-riqâ’,
Van onze lompen zijn wij verlost,
Wa radi’nâ thadya majdin,
Wij bereikten grootheid en werden verzadigd,
Ba’da ayyâmid-diyâ’.
Wij leden verlies en vonden winst.
Qâlat ahmârud-dayâjî,
De maan die de duisternis verdrijft, zegt:
Qul li-arbâbil-Islâm,
“Zeg tot de mensen van de islam:
Kullu man yatba’ Muhammad,
Wie Muhammad (’alayhis-salâm) volgt,
Yanbaghî an lâ yudâm.
Doe hem nooit onrecht aan.”
Wa ta’âhadnâ jamî’an,
Wij hebben allen samen ons woord gegeven
Yawma aqsamnal-yamîn,
Op de dag dat de eed werd gezworen:
Lan nakhûnal-’ahda yawman,
Oprechtheid is onze weg,
Wattakhadhnas-sidqa dîn.
Verraad bestaat niet in de religie.
Lastu wallâhi nasiyyan,
Bij Allah, ik zal het nooit vergeten:
Mâ yuqâsîhil-’ibâd,
Er was geen dag zonder pijn.
Mashhadan yâ najma amnin,
U bent getuige, o ster van veiligheid:
Dhû wafâ’in wa widâd.
Groot zijn uw trouw en uw liefde.
Overal weerklonken de smeekbeden: “Welkom, yâ Rasûlallah” en “Kom bij ons, yâ Rasûlallah.” Enkele vooraanstaanden van Medina grepen de teugel van Qaswâ en smeekten: “Yâ Rasûlallah! Kom bij ons…” Toen zei hij tegen hen: “Laat de teugel van mijn kameel los; zij heeft een bevel gekregen. Voor wiens huis zij knielt, daar zal ik te gast zijn!”
“Onder de mensen zijn er die hun leven opofferen om het welbehagen van Allâhu ta’âlâ te verwerven” Baqara: 207
Iedereen werd door grote spanning en nieuwsgierigheid bevangen. Waar zou Qaswâ knielen? Qaswâ trok verder Medina in, en wanneer zij voor een deur langskwam, smeekten de bewoners van het huis: “Yâ Rasûlallah! Vereer ons met uw bezoek, vereer ons met uw bezoek!” Onze Meester de Profeet zei glimlachend tegen hen: “Maak de weg vrij voor de kameel! Haar is bevolen waar zij moet knielen.”
Ten slotte knielde Qaswâ op de plaats waar zich nu de deur van de gezegende moskee van onze Meester de Profeet bevindt. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) steeg niet af. Het dier stond weer op en begon te lopen. Daarna knielde het op de eerste plaats en stond niet meer op. Toen steeg onze Meester van Qaswâ af en zei: “Inshâ’allâh is dit onze verblijfplaats,” en vervolgens vroeg hij: “Van wie is deze plaats?” Men antwoordde: “Yâ Rasûlallah! Zij is van Suhayl en Sahl, de zonen van ’Amr.” Deze jongens waren wezen. Onze Profeet vroeg: “Wie van onze verwanten woont het dichtst bij deze plaats?” Want de moeder van ’Abdulmuttalib, de grootvader van onze Meester Rasûlullah, behoorde tot de zonen van Najjâr. Khâlid ibn Zayd Abû Ayyûb Ansârî zei vol vreugde: “Yâ Rasûlallah! Mijn huis is het dichtst bij. Dit is mijn huis en dit is de deur,” en hij wees het opgewonden aan. Hij laadde de last van Qaswâ af en nodigde onze Meester Rasûlullah uit zijn huis binnen te gaan.14
De moslims van Medina en de Muhâjirûn waren buitengewoon verheugd over de Hijra van onze Meester. Dit jaar wordt “Sanat al-Idhn” genoemd.
Ten tijde van de Hijra was de genezing van de harten, de kroon van de mensheid, de Habîb van Allâhu ta’âlâ, onze Meester de Profeet, drieënvijftig jaar oud.
WAT ZAL ER VAN MIJ WORDEN?
Wat zal er van mij worden, yâ Rasûlallah?
Mijn ziel en mijn lichaam branden, yâ Rasûlallah.
Als een flakkerende vlam, als een wierookvat
Smeul ik van liefde voor u, yâ Rasûlallah.
Van verlangen, al zo lang van u gescheiden,
Smelt ik weg en verga ik, yâ Rasûlallah.
U bent de Koning om wie het heelal werd geschapen; aan uw verheven deur
Buig ik mijn hoofd, yâ Rasûlallah.
Op de aarde waarop u trad, zijn rozen ontloken,
En ik ben daar een doorn, yâ Rasûlallah.
Abû Ayyûb Ansârî radiyallâhu ’anh
