MI’RÂJ
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) vertelde over de islam aan iedereen die hij zag en aan iedere stam, zowel aan wie voor de hajj kwamen als aan wie naar Mekka en naar de jaarmarkten kwamen om handel te drijven. Hij vroeg hun hem te beschermen en hem te helpen de islam aan de mensen over te brengen. Maar niemand werd moslim, en niemand was bereid hem te beschermen. Bovendien beledigden zij hem, deden zij hem onrecht, martelden en bespotten zij hem en maakten zij hem voor leugenaar uit. De Meester der werelden was zeer vermoeid, hongerig en dorstig, bekommerd en diep bedroefd. Zo gingen zijn dagen voorbij, en deze toestand duurde voort tot laat in de nacht. De afgodendienaren van Mekka liepen voortdurend achter hem aan; zij verhinderden niet alleen dat de mensen die de Ka’ba kwamen bezoeken moslim werden, maar hielden ook niet op Habîb-i akram onrecht aan te doen. Er was voor onze Meester Rasûlullah geen plaats meer waar hij heen kon gaan. Overal waren vijanden. Enkele maanden in Mekka verliepen in grote zorg.
In de nacht van de 27ste van de gezegende maand Rajab ging hij rechtstreeks naar het huis van Umm Hânî, de dochter van zijn oom Abû Tâlib, dat in de wijk van Abû Tâlib lag. Umm Hânî was toen nog niet tot het geloof gekomen. Toen zij vroeg: “Wie is daar?”, antwoordde onze Meester Rasûlullah: “Ik ben Muhammad, de zoon van je oom. Als je mij aanvaardt, ben ik als gast gekomen.”
Umm Hânî zei: “Voor een gast als jij, waarachtig, betrouwbaar, edel en eervol, geef ik mijn leven. Alleen: als je mij je komst van tevoren had laten weten, had ik iets klaargemaakt. Nu heb ik niets om je te eten te geven.” Onze Meester Rasûlullah zei: “Ik wil geen eten of drinken. Daar hecht ik geen waarde aan. Een plaats om mijn Heer te aanbidden en tot Hem te smeken is voor mij genoeg.”
Umm Hânî liet onze geliefde Profeet binnen en gaf hem een rieten mat, een waskom en een kan. Een gast eer bewijzen en hem tegen de vijand beschermen gold bij de Arabieren als de eervolste plicht. Als een gast in iemands huis iets overkwam, was dat voor de eigenaar van het huis een grote schande. Umm Hânî dacht: “Hij heeft veel vijanden in Mekka. Er zijn er zelfs die hem willen doden. Om mijn eer te bewaren, zal ik tot de ochtend over hem waken.” Zij nam het zwaard van haar vader en begon rond het huis te lopen. Rasûlullah was die dag zwaar gekwetst. Hij verrichtte de wudû en begon tot zijn Heer te smeken, om vergeving te vragen en smeekbeden te doen opdat de dienaren tot het geloof zouden komen en het geluk zouden bereiken. Hij was zeer vermoeid, hongerig en bedroefd. Hij strekte zich uit op de mat en viel meteen in slaap.
Op dat moment zei Allâhu ta’âlâ tegen Jibrîl ’alayhis-salâm: “Ik heb Mijn geliefde Profeet zeer bedroefd. Ik heb zijn gezegende lichaam en zijn tedere hart zeer gekwetst. Ook in deze toestand blijft hij tot Mij smeken. Aan niets anders dan aan Mij denkt hij. Ga, breng Mijn Habîb! Toon hem Mijn Paradijs en Mijn Hel. Laat hem de gunsten zien die Ik voor hem en voor wie hem liefhebben heb bereid. Laat hem de bestraffingen zien die Ik heb bereid voor wie niet in hem geloven en voor wie hem met hun woorden, hun geschriften en hun daden kwetsen. Ik zal hem troosten. Ik zal de wonden van zijn tedere hart verbinden.”
Toen Jibrîl ’alayhis-salâm bij Rasûlullah kwam, trof hij hem in diepe slaap aan.
Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen hem te wekken. Hij had de gestalte van een mens. Hij kuste de zool van zijn gezegende voet. Omdat Jibrîl geen hart en geen bloed heeft, wekten zijn koude lippen Rasûlullah. Hij herkende Jibrîl ’alayhis-salâm onmiddellijk en zei: “O mijn broeder Jibrîl! Waarom kom je op zo’n ongewoon uur? Heb ik soms een fout begaan? Heb ik mijn Heer gekrenkt? Breng je mij een bitter bericht?” En hij vreesde zeer dat zijn Heer ontstemd zou zijn.
“Ik wil geen eten of drinken. Daar hecht ik geen waarde aan. Een plaats om mijn Heer te aanbidden en tot Hem te smeken is voor mij genoeg” Hadîth sharîf
Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “O verhevenste van alle geschapen wezens! O geliefde van de Schepper, o meester der profeten, eervolle en grote Profeet, bron van alle goedheid en oorsprong van alle voortreffelijkheid! Uw Heer groet u en roept u tot Zich. Sta toch op, laten wij gaan.” Onze geliefde Profeet verrichtte de wudû. Jibrîl ’alayhis-salâm zette een tulband van nûr op het gezegende hoofd van onze Meester Rasûlullah, trok hem een kleed van nûr aan en deed om zijn gezegende middel een gordel van robijn. In zijn gezegende hand gaf hij hem een staf van smaragd, versierd met vierhonderd parels. Iedere parel schitterde als de ster Venus. Aan zijn gezegende voeten deed hij hem sandalen van groene smaragd.
Daarna gingen zij hand in hand naar de Ka’ba. Daar opende Jibrîl ’alayhis-salâm de gezegende borst van onze geliefde Profeet. Hij nam zijn hart eruit en waste het met Zamzamwater. Daarna bracht hij een schaal vol wijsheid en îmân, goot die in zijn hart leeg en sloot zijn borst.
Onze eerste qibla: Masjid al-Aqsâ / Jeruzalem
Daarna wees Jibrîl ’alayhis-salâm op een wit dier met de naam Burâq, dat hij uit het Paradijs had meegebracht, en zei: “Yâ Rasûlallah! Bestijg het! Alle engelen wachten op uw komst.” Op dat moment overviel onze Meester de Profeet een droefheid, en hij verzonk in gepeins. Toen Allâhu ta’âlâ daarop Jibrîl ’alayhis-salâm toesprak: “O Jibrîl! Vraag het hem! Waarom is Mijn Habîb bedroefd?”, antwoordde onze Meester (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “Mij is zoveel eer en eerbetoon ten deel gevallen. Toen kwam het in mij op: hoe zal het op de Dag des Oordeels gaan met mijn umma, die zwak is? Hoe zullen zij vijftigduizend jaar lang te voet op het plein van ’Arasât de last van zoveel zonden dragen, en hoe zullen zij de Sirât oversteken, die een weg van dertigduizend jaar is?” Toen kwam het goddelijke bevel: “O Mijn Habîb! Wees gerust. Voor jouw umma maak Ik de tijd van vijftigduizend jaar tot een ogenblik. Wees niet bedroefd.”
Onze Meester de Profeet besteeg de Burâq. De Burâq ging zeer snel: met één stap bereikte hij een plaats voorbij wat het oog kon zien. Tijdens de reis zei Jibrîl ’alayhis-salâm tegen onze geliefde Profeet dat hij op enkele pleisterplaatsen moest afstijgen en het gebed verrichten. Daarop steeg de Meester der werelden precies drie keer af en verrichtte hij het gebed. Jibrîl ’alayhis-salâm vroeg hem of hij wist op welke plaatsen hij het gebed had verricht. Hij gaf zelf het antwoord: hij maakte bekend dat de eerste plaats waar hij was afgestegen Medina was, en dat hij naar deze stad zou emigreren; dat de volgende plaats de Tûr-i Sînâ was, waar Mûsâ op een wijze zonder richting, die niet te kennen is, met Allâhu ta’âlâ had gesproken; en dat hij ten slotte het gebed had verricht in Bethlehem, waar Îsâ ’alayhis-salâm was geboren. Daarna kwamen zij bij de Masjid al-Aqsâ in Jeruzalem.
In de Masjid al-Aqsâ boorde Jibrîl ’alayhis-salâm met zijn vinger een gat in een rots en bond daar de Burâq aan vast. De zielen van sommige van de vroegere profeten hadden zich daar in menselijke gestalte verzameld. Voor het gezamenlijke gebed werd achtereenvolgens aan de profeten Âdam, Nûh en Ibrâhîm (’alayhimus-salâm) gevraagd de imam te zijn. Zij verontschuldigden zich en weigerden. Jibrîl zei: “Terwijl u hier bent, kan een ander geen imam zijn,” en schoof Habîbullah naar voren.
Onze Meester de Profeet was de imam van de profeten en leidde een gebed van twee rak’a’s. Wat daarna gebeurde, vertelde hij zo: “Jibrîl (‘alayhis-salâm) bracht mij een beker wijn van het Paradijs en een beker melk. Ik nam de melk. Jibrîl (‘alayhis-salâm) zei tegen mij: ‘U hebt de fitra (het geluk van beide werelden) gekozen.’ Daarna boden zij mij nog twee bekers aan. In de ene was water, in de andere honing; van beide dronk ik. Jibrîl zei: ‘De honing wijst erop dat uw umma tot de Opstanding zal blijven bestaan, en het water erop dat uw umma van haar zonden gereinigd zal worden.’ Daarna stegen wij samen op naar de hemel. Jibrîl (‘alayhis-salâm) klopte op de poort. Er werd gevraagd: ‘Wie ben jij?’ ‘Ik ben Jibrîl.’ ‘En wie is er bij je?’ ‘Dat is Muhammad (‘alayhis-salâm).’ ‘Is er (openbaring en de uitnodiging tot de Mi’râj om naar de hemel op te stijgen) naar hem gezonden?’ ‘Ja, die is gezonden,’ zei hij. ‘Welkom aan wie gekomen is! Wat een voortreffelijke reiziger is hij die komt!’ zeiden zij, en meteen ging de poort open, en ik bevond mij tegenover Âdam (‘alayhis-salâm). Hij zei ‘Welkom’ tegen mij en deed een smeekbede voor mij… Rechts en links van Âdam ‘alayhis-salâm stonden de zielen van een aantal mensen als schimmen. Telkens wanneer Âdam ‘alayhis-salâm naar rechts keek, glimlachte hij, en telkens wanneer hij naar links keek, huilde hij. Jibrîl ‘alayhis-salâm zei: ‘Yâ Rasûlallah, deze schimmen zijn de zielen van de nakomelingen van Âdam. Die aan de rechterkant zijn bewoners van het Paradijs, die aan de linkerkant bewoners van de Hel! Als hij naar rechts kijkt, glimlacht hij, en als hij naar links kijkt, huilt hij!’
“O verhevenste van alle geschapen wezens! O geliefde van de Schepper, o meester der profeten, eervolle en grote Profeet, bron van alle goedheid en oorsprong van alle voortreffelijkheid! Uw Heer groet u en roept u tot Zich. Sta toch op, laten wij gaan” Jibrîl ’alayhis-salâm
Daar zag ik heel veel engelen. Allen stonden rechtop (qiyâm), vol ootmoed en nederigheid, en waren bezig met de dhikr “Subbûhun quddûsun Rabbul-malâ’ikati war-rûh”. Ik vroeg Jibrîl: ‘Is dit de aanbidding van deze engelen?’ ‘Ja. Sinds zij geschapen zijn, en tot de Opstanding, blijven zij staan. Vraag Haqq ta’âlâ deze aanbidding aan uw umma te schenken,’ zei hij. Ik vroeg het Haqq ta’âlâ. Hij aanvaardde mijn smeekbede. Dat is het staan (qiyâm) in het gebed.
(Daar) kwam ik langs een groep. De engelen verbrijzelden hun hoofden, en die werden weer zoals voorheen. Weer sloegen zij erop, en weer werden ze zoals tevoren. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. ‘Dit zijn zij die het vrijdaggebed en het gezamenlijke gebed verzuimen, en die de rukû’ en de sajda’s niet volledig verrichten,’ zei hij.
Ik zag een groep. Zij waren hongerig en naakt. De zabânîs dreven hen voort om in de Hel te grazen. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. ‘Dit zijn zij die geen medelijden hebben met de armen en geen zakât geven,’ zei hij.
Ik kwam langs een groep. Men had heerlijke gerechten voor hen neergezet. Aan de andere kant lag een kadaver. Zij lieten die heerlijke gerechten staan en aten van het kadaver. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. ‘Dit zijn mannen en vrouwen die het halâl lieten en zich tot het harâm wendden; mensen die harâm aten terwijl zij halâl bezit hadden,’ zei hij.
Ik zag (enkele) mensen die door de zware last op hun rug geen kracht meer hadden om zich te bewegen. In die toestand riepen zij de mensen toe en vroegen hun nog meer last op hen te leggen. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. ‘Dit zijn zij die ontrouw zijn aan wat hun is toevertrouwd. Terwijl zij de mensen hun rechten al hebben afgenomen, blijven zij onrecht plegen,’ zei hij.
Wij kwamen langs een groep mensen die hun eigen vlees afsneden en opaten. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. Jibrîl (‘alayhis-salâm) zei: ‘Dit zijn de kwaadsprekers en zij die praatjes rondbrengen.’
Ik zag een groep mensen met zwarte gezichten en blauwe ogen; hun bovenlip reikte tot aan hun voorhoofd, hun onderlip hing af tot op hun voeten, en uit hun mond stroomden bloed en etter. Men gaf hun uit bekers van vuur giftig bloed en etter te drinken, die uit de Hel stromen, en zij balkten als ezels. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. ‘Dit zijn zij die sterke drank drinken,’ zei hij.
Wij troffen een groep mensen aan die gestraft werden: hun tong was uit hun hoofd getrokken en hun gestalte was veranderd in die van een khinzîr (varken). Jibrîl (‘alayhis-salâm) zei: ‘Dit zijn zij die valse getuigenis afleggen.’
Wij troffen een ander volk aan. Hun buiken waren opgezwollen en hingen omlaag, hun kleur was blauw geworden, hun handen en voeten waren gebonden, en zij konden niet van hun plaats opstaan. Ik vroeg Jibrîl naar hen. ‘Dit zijn zij die rente eten,’ zei hij.1
Wij troffen enkele vrouwen aan. Hun gezichten waren zwart, hun ogen blauw. Men had hun kleren van vuur aangetrokken. De engelen sloegen hen met knotsen van vuur. Zij schreeuwden als honden en zwijnen. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. Jibrîl zei: ‘Dit zijn de vrouwen die ontucht plegen en hun man kwetsen.’
Ik zag een groep. Zij waren zeer talrijk. Zij waren opgesloten in de dalen van de Hel. Het vuur verbrandde hen, zij werden weer tot leven gewekt, en het vuur verbrandde hen opnieuw. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. ‘Dit zijn zij die opstandig waren tegen hun vaders,’ zei hij.
Ik kwam langs een groep. Zij zaaiden graan, en in een ogenblik schoot het op en droeg het aren. ‘Wie zijn dit?’ vroeg ik. Jibrîl zei: ‘Dit zijn zij die hun aanbidding omwille van Allâhu ta’âlâ verrichten.’
Ik kwam bij een zee. Het is onmogelijk de wonderlijke toestand van deze zee te beschrijven. Zij was witter dan melk en had golven als bergen. ‘Wat is dit voor een zee?’ vroeg ik. ‘Deze zee heet de Zee van het Leven. Wanneer Haqq ta’âlâ de doden tot leven wekt, laat Hij uit deze zee regen vallen. De vergane en uiteengevallen lichamen komen tot leven en staan op uit het graf zoals het gras opschiet,’ zei hij…
Daarna stegen wij op naar de tweede hemel. Jibrîl (‘alayhis-salâm) klopte weer op de poort. Er werd gevraagd: ‘Wie ben jij?’ ‘Ik ben Jibrîl.’ ‘En wie is er bij je?’ ‘Dat is Muhammad ‘alayhis-salâm.’ ‘Zijn openbaring en de uitnodiging tot de Mi’râj naar hem gezonden?’ ‘Ja, die zijn gekomen,’ zei hij. ‘Welkom aan wie gekomen is! Wat een voortreffelijke reiziger is hij die komt!’ werd er gezegd, en meteen ging de poort open. Ik bevond mij bij de zonen van twee zusters, Îsâ en Yahyâ ibn Zakariyyâ (‘alayhimas-salâm). Zij zeiden ‘Welkom’ tegen mij en deden een smeekbede voor mij… (Îsâ ’alayhis-salâm was van middelmatige lengte, met een lichte, tarwekleurige huid.)
Ik trof een groep engelen aan. Zij stonden in rijen opgesteld, allen in rukû’. Zij hadden een eigen tasbîh. Zij blijven voortdurend in rukû’; zij heffen hun hoofd niet op en kijken niet omhoog. Jibrîl (‘alayhis-salâm) zei: ‘Zo is de aanbidding van deze engelen. Vraag het Haqq ta’âlâ, opdat zij uw umma ten deel valt.’
Ik deed een smeekbede. Hij aanvaardde haar en schonk de rukû’ in het gebed. Daarna stegen wij op naar de derde hemel. Na dezelfde vraag en hetzelfde antwoord ging de poort open, en ik bevond mij bij Yûsuf (‘alayhis-salâm). Ik zag dat hem de helft van alle schoonheid was gegeven. Hij zei ‘Welkom’ tegen mij en deed een smeekbede voor mij…
Ik zag heel veel engelen. Zij stonden in rijen, allen in sajda. Sinds zij geschapen zijn, verkeren zij in sajda en prijzen zij Hem met een tasbîh die hun eigen is. Jibrîl (‘alayhis-salâm) zei: ‘Zo is de aanbidding van deze engelen. Vraag Allâhu ta’âlâ deze daad voor uw umma gemakkelijk te maken.’ Ik vroeg het Haqq ta’âlâ. Hij aanvaardde het en schonk het jullie in het gebed.
Toen bereikte ik de vierde hemel. Die had een poort van nûr, gemaakt van zuiver zilver. Er hing een slot van nûr aan. Op het slot stond geschreven: “Lâ ilâha illallâh Muhammadun Rasûlullah”. Na dezelfde vraag en hetzelfde antwoord bevond ik mij bij Idrîs (‘alayhis-salâm). Hij zei ‘Welkom’ tegen mij en deed een smeekbede voor mij. Allâhu ta’âlâ heeft over hem gezegd (in betekenis): “Wij hebben hem verheven tot een hoge plaats.”2
Ik zag een engel die op een zetel zat, bekommerd en bedroefd. Om hem heen waren zoveel engelen dat alleen Janâb-i Haqq hun aantal kent. Rechts van hem zag ik engelen van licht (nûrânî). Zij waren in het groen gekleed en verspreidden een heerlijke geur. Zij waren zo mooi dat men hun gezicht niet kon aanzien. Links van hem waren engelen die vuur uit hun mond spuwden. Voor hen lagen speren en zwepen van vuur. Zij hadden zulke ogen dat niemand de kracht had hen aan te kijken. De engel die op de troon zat, had ogen van zijn hoofd tot zijn voeten. Voortdurend keek hij in het register dat voor hem lag, en geen ogenblik wendde hij zijn blik ervan af. Voor hem stond een boom. Op ieder blad stond de naam van een persoon geschreven. Voor hem stond iets wat op een kom leek. Nu eens nam hij er met zijn rechterhand iets uit en overhandigde het aan de engelen van licht aan zijn rechterkant, dan weer nam hij er met zijn linkerhand iets uit en gaf het aan de engelen van duisternis (zulmânî) aan zijn linkerkant. Toen ik (deze) engel aankeek, viel er een vrees in mijn hart. Ik vroeg Jibrîl: ‘Wie is deze engel?’ ‘Dat is ‘Azrâ’îl. Niemand heeft de kracht om zijn gezicht te zien,’ zei hij. Hij ging naar hem toe en zei: ’O ’Azrâ’îl!
“‘Welkom aan wie gekomen is! Wat een voortreffelijke reiziger is hij die komt!’ zeiden zij, en meteen ging de poort open, en ik bevond mij tegenover Âdam (’alayhis-salâm)” Hadîth sharîf
Dit is de Profeet van de eindtijd, de habîb, de geliefde van Allâhu ta’âlâ.’ ‘Azrâ’îl (‘alayhis-salâm) hief zijn hoofd op en glimlachte. Hij stond op, betuigde mij eerbied en zei: ‘Welkom! Haqq ta’âlâ heeft niemand geschapen die eervoller is dan u. En ook uw umma staat boven alle umma’s. Ik heb met uw umma meer medelijden dan hun vaders en moeders.’ Ik zei: ‘Ik heb een verzoek aan je. Mijn umma is zwak. Behandel hen met zachtheid. Neem hun zielen met mildheid.’ Hij zei: ’Bij Allâhu ta’âlâ, Die u als de laatste profeet heeft gezonden en u tot Zijn habîb heeft gemaakt: Allâhu ta’âlâ beveelt mij dag en nacht zeventig keer:
“Neem de zielen van de umma van Muhammad met zachtheid en gemak, en behandel hun zaken met goedheid.” Daarom ben ook ik jegens uw umma tederder dan hun moeders en vaders.’ Daarna stegen wij op naar de vijfde hemel. Daar ontmoetten wij Hârûn3 (‘alayhis-salâm). Hij zei ‘Welkom’ tegen mij en deed een goede smeekbede voor mij. Ik zag de aanbidding van de engelen van de vijfde hemel. Allen stonden overeind en keken naar hun tenen; nooit keken zij elders heen, en zij prezen met luide stem. Ik vroeg Jibrîl (‘alayhis-salâm): ‘Is de aanbidding van deze engelen zo?’ ‘Ja, vraag Haqq ta’âlâ deze aanbidding aan uw umma te schenken,’ zei hij. Ik deed een smeekbede. Janâb-i Haqq schonk het. Daarna stegen wij op naar de zesde hemel. Daar ontmoetten wij Mûsâ (‘alayhis-salâm). Hij zei ‘Welkom’ tegen mij en deed een goede smeekbede voor mij.
Daarna stegen wij op naar de zevende hemel. Na dezelfde vraag en hetzelfde antwoord vond ik Ibrâhîm (‘alayhis-salâm), met zijn rug geleund tegen de Bayt al-Ma’mûr. In die Bayt al-Ma’mûr gaan iedere dag zeventigduizend engelen binnen (en hun beurt komt nooit meer terug). Ik groette Ibrâhîm (‘alayhis-salâm). Hij beantwoordde mijn groet en zei: ‘Welkom, vrome profeet, vrome zoon.’ (Daarna zei hij:) ‘O Muhammad! De grond van het Paradijs is zeer fijn en de aarde ervan rein. Zeg tegen je umma dat zij daar veel bomen planten.’ Ik vroeg: ‘Hoe plant men bomen in het Paradijs?’ Hij zei: ‘Door de tasbîh “Lâ hawla wa lâ quwwata illâ billâh” te reciteren’ (en volgens een andere overlevering: ‘“Subhânallâhi wal-hamdu lillâhi wa lâ ilâha illallâhu wallâhu akbar”’). Daarna bracht (Jibrîl ’alayhis-salâm) mij naar de Sidrat al-Muntahâ. De Sidrat al-Muntahâ is een boom waarvan de wortel in de zesde hemel ligt en de stam en de takken boven de zevende hemel; zijn bladeren waren als olifantsoren en zijn vruchten zo groot als torens.4 Het was alsof hij met zijn schaduw alle hemelen en het Paradijs overschaduwde. Wanneer de nûr van de majesteit en de grootheid van Allâhu ta’âlâ zich openbaarde, hulde hij zich in kleuren, tooide hij zich met robijnen, smaragden en dergelijke edelstenen, en werd hij zo mooi dat niemand van de schepselen die Allâhu ta’âlâ heeft geschapen zijn schoonheid kon beschrijven.
Jibrîl (‘alayhis-salâm) bracht mij voorbij de Sidrat al-Muntahâ en nam afscheid van mij. Ik zei: ‘O Jibrîl! Laat je mij alleen?’ Jibrîl (‘alayhis-salâm) raakte in nood. Hij begon te beven voor de majesteit van Haqq ta’âlâ en zei: ‘O Muhammad! Als ik (nog) één stap zet, ga ik ten onder aan de grootheid van Allâhu ta’âlâ. Mijn hele wezen verbrandt en vergaat.’”
Tot hier was de Meester der werelden samen met Jibrîl ’alayhis-salâm gekomen. Hier toonde Jibrîl ’alayhis-salâm zich aan Rasûlullah in de gestalte waarin hij was geschapen: zijn zeshonderdduizend vleugels uitgespreid, en uit iedere vleugel vielen parels en robijnen.
Daarna kwam er een groen tapijt uit het Paradijs, Rafraf genaamd, waarvan de glans helderder was dan de zon. Het was onophoudelijk bezig met de dhikr van Allâhu ta’âlâ, en het geluid van zijn tasbîh vulde de wereld waarin het zich bevond. Het groette onze Meester de Profeet. Onze Meester Rasûlullah ging op de Rafraf zitten. In een ogenblik stegen zij op tot grote hoogten en gingen zij door zeventigduizend sluiers die hijâb heten. De afstand tussen iedere hijâb was zeer groot. Bij iedere sluier waren engelen met een taak aangesteld. De Rafraf voerde onze Meester de Profeet één voor één door die sluiers. Zo gingen zij voorbij de Kursî, de ’Arsh en de werelden van de zielen. Telkens wanneer Habîb-i akram en Nabiyy-i muhtaram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) door een sluier ging, hoorde hij het bevel: “Wees niet bang, o Muhammad! Kom nader, kom nader!” Hij kwam zo nabij dat hij de rang van Qâba Qawsayn bereikte. Op een wijze die niet te kennen, niet te begrijpen en niet te beschrijven is, bereikte hij de hoogten die Allâhu ta’âlâ wilde. Zonder plaats, zonder tijd, zonder richting en zonder hoedanigheid kwam de ru’ya tot stand, dat wil zeggen: hij zag Allâhu ta’âlâ. Zonder ogen, zonder oren, zonder middel en zonder bemiddeling sprak hij met zijn Heer. Hij verkreeg gunsten die geen enkel schepsel kan kennen of begrijpen.
Imam Rabbânî zegt in zijn “Maktûbât”: “Die Vorst (’alayhis-salâtu was-salâm) heeft in de nacht van de Mi’râj zijn Heer niet in deze wereld gezien. Hij heeft Hem in het hiernamaals gezien. Want de Rasûl ’alayhis-salâm trad die nacht buiten de kring van tijd en plaats. Hij vond een ogenblik zonder begin en zonder einde. Hij zag het begin en het einde als één punt. Hij zag die nacht hoe zij die naar het Paradijs zullen gaan, duizenden jaren later het Paradijs binnengaan en daar verblijven. Het zien in die rang is geen zien in deze wereld. Het is zien met het zien van het hiernamaals.”
Toen tegen onze Meester de Profeet werd gezegd: “Prijs je Heer!”, zei hij meteen: “At-tahiyyâtu lillâhi was-salawâtu wat-tayyibât” (dat wil zeggen: alle lof, alle prijzing en alle lofprijzingen die met de tongen worden uitgesproken, alle diensten en daden van gehoorzaamheid die met het lichaam worden verricht, en alle weldaden en goede werken die met bezit worden gedaan, zijn voor Allâhu ta’âlâ).
“Haqq ta’âlâ heeft niemand geschapen die eervoller is dan u. En ook uw umma staat boven alle umma’s” ’Azrâ’îl ’alayhis-salâm
Eerst groette Allâhu ta’âlâ Zijn Habîb, zonder ogen, zonder oren, zonder bemiddeling en zonder plaats, met de woorden: “As-salâmu ’alayka ayyuhan-nabiyyu wa rahmatullâhi wa barakâtuh” (O Mijn Rasûl! Mijn groet, Mijn zegen en Mijn barmhartigheid zij met jou). Onze Meester de Profeet antwoordde: “As-salâmu ’alaynâ wa ’alâ ’ibâdillâhis-sâlihîn” (O mijn Heer! De groet zij ook met ons en met Uw vrome dienaren).
Toen de engelen dit hoorden, zeiden zij allen uit één mond: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh, wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh” (Ik weet en geloof, alsof ik het met mijn eigen ogen heb gezien, dat er geen god is die aanbidding waardig is dan Allâhu ta’âlâ, en dat Muhammad ’alayhis-salâm Zijn dienaar en Zijn rasûl is).
Toen onze Meester de Profeet zei: “As-salâmu ’alaynâ…”, zei Allâhu ta’âlâ: “O Mijn Habîb! Hier is niemand anders dan wij tweeën. Waarom zei je ‘‘alaynâ’ (met ons)?” Onze Meester Rasûlullah antwoordde:
“O mijn Heer! De lichamen van mijn umma zijn weliswaar niet bij mij, maar hun zielen zijn wel bij mij. Mijn zorgzame blik en heel mijn toewijding zijn niet ver van hen. U hebt mij gegroet en mij van alle kwaad verwijderd. Hoe zou ik mijn arme, bekommerde umma, die door de beproeving (fitna) van de eindtijd wordt getroffen, van deze grote eer en weldaad kunnen uitsluiten? Hoe zou ik hun geen deel kunnen geven aan zo’n gunst?”
Allâhu ta’âlâ zei: “O Mijn Habîb! Deze nacht ben jij Mijn gast. Vraag Mij: wat wil je?” Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Ik wil mijn umma (o mijn Heer!)”
Volgens een overlevering herhaalde Haqq ta’âlâ deze vraag zevenhonderd keer. Onze Meester Rasûlullah antwoordde iedere keer: “Ik wil mijn umma.” Toen Allâhu ta’âlâ zei: “Steeds wil je je umma,” vroeg hij: “O mijn Heer! Ik ben het die vraagt, U bent het die geeft. Schenk mij heel mijn umma.” Janâb-i Haqq zei: “Als Ik jou deze nacht heel je umma schonk, zouden Mijn barmhartigheid en jouw eer niet zichtbaar worden. Een deel ervan heb Ik jou deze nacht geschonken. Twee delen heb Ik uitgesteld. Op de Dag des Oordeels zul jij vragen en zal Ik vergeven. Opdat zo Mijn barmhartigheid en jouw eer (je waardigheid) duidelijk worden.”
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei in een hadîth sharîf: “Die nacht (de nacht van de Mi’râj) vroeg ik Allâhu ta’âlâ de afrekening van heel mijn umma aan mij toe te vertrouwen. Haqq ta’âlâ zei: ‘O Muhammad! Wat je daarmee wilt, is dat niemand kennis krijgt van de fouten van je umma. Wat Ik wil, is dit: omdat jij een barmhartige profeet bent, moeten hun fouten en lelijke daden niet alleen voor vreemden, maar ook voor jou verborgen blijven. O Muhammad! Jij bent hun gids. Ik ben hun Heer. Jij hebt hen pas gezien. Ik heb van eeuwigheid tot eeuwigheid naar hen gekeken en kijk naar hen. O Muhammad! Als Ik er niet van hield met jouw umma te spreken, zou Ik hen op de Dag des Oordeels niet ter verantwoording roepen. Naar geen van hun zonden, groot of klein, zou Ik vragen.’”
“Allâhu ta’âlâ zei: ‘O Muhammad! Open je gezegende ogen en kijk onder je voeten.’ Ik keek en zag een handvol aarde. Haqq ta’âlâ zei: ‘Alles wat bestaat, is de aarde onder jouw voeten. Heb je die aarde van Mij voor het aangezicht van de Vriend gebracht? Het is voor Mij gemakkelijker jouw umma te vergeven dan het stof te vergeven dat aan de zoom van een vriend is blijven kleven.’”
Jouw umma heb Ik jou gegeven, o Habîb!
Mijn Paradijs heb Ik hun ten deel doen vallen.
O Mijn Habîb, wat is het dat je vroeg?
Heb je gesmeekt om een handvol aarde?
Onze Meester de Profeet zei in een hadîth sharîf: “Ik heb Haqq ta’âlâ vele vragen gesteld. Ik hoorde de antwoorden. Ik had spijt dat ik het had gevraagd. (Enkele daarvan zijn deze:)
‘O mijn Heer! U hebt Jibrîl zeshonderdduizend vleugels gegeven. Wat is daartegenover Uw gunst aan mij?’ Haqq ta’âlâ zei: ‘Eén haar van jou is Mij dierbaarder dan de zeshonderdduizend vleugels van Jibrîl. Omwille van één haar van jou laat Ik op de Dag des Oordeels duizenden opstandige zondaars vrij. O Muhammad! Als Jibrîl zijn vleugels uitspreidt, vullen zij de ruimte tussen oost en west. Als jij voorspraak doet, schenk Ik ze jou allemaal, al was de ruimte tussen oost en west vol opstandigen.’ Ik zei: ‘U hebt de engelen zich in sajda laten neerbuigen voor mijn vader Âdam (‘alayhis-salâm). Wat is daartegenover Uw eerbewijs aan mij?’
Haqq ta’âlâ zei: ‘Dat de engelen zich voor Âdam neerbogen, kwam doordat jouw nûr op zijn voorhoofd was. O Muhammad! Ik heb jou iets gegeven wat verhevener is dan dat. Ik heb jouw naam dicht bij Mijn naam geplaatst en op de ‘Arsh-i a’lâ geschreven. Toen was Âdam nog niet geschapen; er was van hem naam noch spoor. Jouw naam heb Ik geschreven op de poort van de hemelen, op de hijâbs, op de poorten van de Paradijzen, op de paleizen en de bomen, overal in het Paradijs. Er was in het Paradijs niets waarop niet “Lâ ilâha illallâh Muhammadun Rasûlullah” geschreven stond. Deze rang is verhevener dan de rang die aan Âdam is gegeven.’
Nu Ik jou liefheb, o edele,
Zijn beide werelden dan niet de jouwe, o lieflijke?
Jouw wezen heb Ik tot spiegel van Mijn Wezen gemaakt,
Jouw naam schreef Ik naast Mijn naam.
‘O mijn Heer! Aan Nûh (‘alayhis-salâm) hebt U een schip gegeven. Wat hebt U daartegenover aan mij geschonken?’ Hij zei: ‘Jou heb Ik de Burâq gegeven, en in één nacht heb Ik je van de aarde tot de ‘Arsh laten komen. Je hebt het Paradijs en de Hel gezien. En aan jouw umma heb Ik de moskeeën gegeven, opdat jouw umma op de Dag des Oordeels die moskeeën bestijgt zoals men schepen bestijgt, de Sirât oversteekt in de tijd van een oogopslag en van de Hel gered wordt.’ ‘O mijn Heer! Aan de Kinderen van Israël hebt U manna en het vlees van een vogel die op de kwartel lijkt doen neerdalen.’ Haqq ta’âlâ zei: ’Aan jou en aan jouw umma heb Ik de gunst van deze wereld en van het hiernamaals geschonken. De gestalte van de Kinderen van Israël heb Ik van een menselijke gestalte veranderd in die van een beer, een aap en een zwijn. Met niemand van jouw umma heb Ik dat gedaan. Ook al doen zij daden zoals de hunne, deze ramp heb Ik hun niet waardig gekeurd. O Muhammad! Ik heb jou een soera gegeven waarvan er in de Tawrât en de Injîl geen gelijke is. Die soera is soera al-Fâtiha. Wie die soera reciteert, diens lichaam wordt harâm voor de Hel. En de bestraffing van zijn moeder en zijn vader zal Ik verlichten. O Muhammad! Ik heb niemand geschapen die akram (kostbaarder, verhevener, eervoller) is dan jij. Voor jou en jouw umma heb Ik vijftig gebeden per dag en nacht tot fard gemaakt.
“Die nacht (de nacht van de Mi’râj) vroeg ik Allâhu ta’âlâ de afrekening van heel mijn umma aan mij toe te vertrouwen” Hadîth sharîf
O Muhammad! Wie Mijn eenheid aanvaardt en Mij geen deelgenoot toekent, voor hem is het Paradijs. Voor zo’n umma van jou heb Ik de Hel harâm gemaakt. Mijn barmhartigheid jegens jouw umma heeft Mijn toorn overtroffen.
O Muhammad! Bij Mij ben jij akram, eervoller dan alle schepselen. Op de Dag des Oordeels zal Ik jou zoveel eer bewijzen dat de hele wereld versteld zal staan. O Mijn Habîb! Zolang jij het Paradijs niet bent binnengegaan, is het de andere profeten en hun umma’s verboden. Zolang jouw umma niet is binnengegaan, gaat geen andere umma binnen. O Muhammad! Wil je zien wat Ik voor jou en jouw umma heb bereid?’ Ik zei: ‘Dat wil ik, o mijn Heer!’ Hij richtte Zich tot Isrâfîl en zei: ‘O Isrâfîl! Zeg tegen Jibrîl, Mijn dienaar, Mijn vertrouweling en Mijn rasûl, dat hij Mijn Habîb naar het Paradijs brengt en hem laat zien wat Ik in het Paradijs voor Mijn Habîb en zijn umma heb bereid. Opdat zijn gezegende hart van zorg bevrijd wordt.’”
De Meester der werelden, onze geliefde Profeet, ging samen met Isrâfîl ’alayhis-salâm naar Jibrîl ’alayhis-salâm. Om het bevel van Allâhu ta’âlâ uit te voeren, bracht Jibrîl ’alayhis-salâm onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) naar het Paradijs. Engelen stonden te wachten met schalen in de hand: de ene vol paradijsgewaden (hulla’s), de andere vol nûr. Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “Yâ Rasûlallah! Deze engelen zijn tachtigduizend jaar vóór Âdam ’alayhis-salâm geschapen. Op deze plaats wachten zij vol ongeduld om wat op de schalen ligt over u en uw umma uit te strooien. Wanneer u en uw umma op de Dag des Oordeels op bevel van Allâhu ta’âlâ de drempel van het Paradijs betreden, zullen deze engelen de edelstenen van de schalen over u uitstrooien.” De engel die met het Paradijs is belast, Ridwân genaamd, ontving hen. Hij bracht onze Meester de Profeet blijde tijdingen en zei: “Haqq ta’âlâ heeft het Paradijs in drie delen verdeeld, om twee ervan aan uw umma te geven en één aan de umma’s van de andere profeten.” En hij leidde hem door het hele Paradijs. Habîb-i akram zei: “Ik zag midden in het Paradijs een rivier.
Zij stroomt boven de ‘Arsh. Uit één plaats komen water, melk, wijn en honing voort. Nooit vermengen zij zich met elkaar. De oever van die rivier was van chrysoliet. De stenen erin waren edelstenen, het slib was amber en de kruiden waren saffraan. Er waren zilveren bekers omheen gezet, talrijker dan de sterren aan de hemel. Eromheen waren vogels met een hals als de hals van een kameel. Wie van hun vlees eet en uit die rivier drinkt, verwerft het welbehagen van Haqq ta’âlâ. Ik vroeg Jibrîl: ‘Wat is dit voor een rivier?’ ‘Dat is de Kawthar. Haqq ta’âlâ heeft hem aan u gegeven. Uit deze Kawthar stroomt het water naar de tuinen in de acht Paradijzen,’ zei hij. Op de oever van die rivier zag ik tenten. Ze waren allemaal van parels en robijnen. Ik vroeg Jibrîl ernaar. ‘Dat zijn de woningen van uw echtgenotes,’ zei hij. In die tenten zag ik hûrî’s. Hun gezichten straalden als de zon, en zij zongen allen met luide stem allerlei melodieën. Zij zeiden: ’Wij zijn vrolijk en blij. Nooit komt er verdriet over ons.
Wij zijn getooid en nooit onbekleed. Wij zijn jong en worden nooit oud. Wij zijn goedaardig en worden nooit boos. Wij blijven altijd zo en sterven nooit.’ Hun melodieën en stemmen bereikten de paleizen en de bomen van de gelukzaligheid en vulden iedere plaats. Zij hebben zulke mooie stemmen dat er, als die melodieën de wereld bereikten, in de wereld geen dood en geen leed meer zou zijn. Jibrîl zei: ‘Wilt u hun gezichten zien?’ ‘Dat wil ik,’ zei ik. Hij opende de deur van een tent. Ik keek. Ik zag zulke mooie gestalten dat ik, al beschreef ik heel mijn leven lang hun schoonheid, er niet mee klaar zou komen. Hun gezichten waren witter dan melk, hun wangen roder dan robijn en stralender dan de zon. Hun huid was zachter dan zijde en lichtte als de maan, en hun geur was heerlijker dan muskus. Hun haar was gitzwart: bij de een gevlochten, bij de ander opgestoken, bij weer een ander losgelaten; zaten zij, dan lag het als een tent om hen heen, stonden zij op, dan reikte het tot aan hun voeten. Voor ieder van hen stond een dienares. Jibrîl zei: ‘Zij zijn voor uw umma.’”
Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Ik zag de tuinen en boomgaarden van de acht Paradijzen en allerlei gunsten. Toen kwam het in mij op dat ik ook de Hel en haar graden wilde zien. Jibrîl nam mij bij de hand en bracht mij naar Mâlik, de grootste engel van de Hel. Hij zei: ‘O Mâlik! Muhammad wil de plaatsen van de vijanden in de Hel zien; toon hem de Hel.’” Toen Mâlik het deksel van de Hel wegnam, begon de Hel zo te koken en op te zwellen dat onze Meester de Profeet (’alayhis-salâtu was-salâm) met eigen ogen zag hoe de Hel alles grijpt en verbrandt, de bestraffingen van de dorst in de Hel, de kettingen van de bestraffing, de slangen en schorpioenen van de bestraffing, en enkele van de bestraffingen die daar zijn.
“Mâlik opende de lagen van de Hel. Ik zag de zeven lagen (allemaal). De zevende laag heet Hâwiya. De bestraffing daar was vele malen zwaarder dan in de andere lagen. Ik vroeg Mâlik: ‘Welke mensen worden in deze laag bestraft?’ Mâlik zei: ‘Hier worden Fir’awn en Qârûn en de huichelaars (munâfiqs) van uw umma bestraft.’ De zesde laag is Lazâ. Daar worden de afgodendienaren (zij die helemaal geen religie hebben) bestraft. De vijfde laag is Hutama. Daar worden zij bestraft die het vuur en de stier aanbidden, en de boeddhisten.
De vierde laag is Jahîm. Daar worden zij bestraft die de zon en de sterren aanbidden. De derde laag is Saqar. Daar worden de christenen bestraft. De tweede laag is Sa’îr. Daar worden de joden bestraft. De eerste laag is Jahannam. De bestraffing daarvan was lichter dan die van de andere lagen. (Toch) zag ik daar zeventigduizend zeeën van vuur. Iedere zee was zo groot dat, als men de aarde en de hemelen in één zee wierp en een engel beval ze te zoeken, hij ze niet zou kunnen vinden, al zocht hij duizend jaar. De zabânîs (de engelen die met de Hel zijn belast) waren zo geweldig groot dat, als een van hen de aarde en de hemelen in één mondhoek stak, het helemaal niet te zien zou zijn. Die zeeën golfden en brachten verschrikkelijke geluiden voort. Als er van dat geluid ook maar een zwakke echo de wereld bereikte, zouden alle levende wezens omkomen.
Ik vroeg: ‘Voor welke mensen is deze laag?’ Mâlik antwoordde niet. Ik vroeg het nog eens. Hij zweeg… Jibrîl zei tegen Mâlik: ‘Hij wacht op jouw antwoord.’ Hij verontschuldigde zich: ‘Houd het mij ten goede.’ Ik zei: ‘Wat het ook is, antwoord, opdat er vandaag nog iets tegen gedaan kan worden.’ Mâlik zei: ‘Yâ Rasûlallah! Zij is voor de opstandigen van uw umma. Vermaan hen, opdat zij zich voor deze verschrikkelijke plaats behoeden. Laten zij zich verre houden van wat hun lichaam naar zo’n bestraffing sleept. Op die dag heb ik geen medelijden met de opstandigen. Noch voor hun grijsaards, noch voor hun jongeren zal ik tederheid voelen.’”
“De Mi’râj is de plaats waar het verstand ophoudt en het geloof begint” Hadîth sharîf
De Meester der werelden begon te huilen. Hij nam de tulband van zijn gezegende hoofd en begon voorspraak te doen en (tot Allâhu ta’âlâ) te smeken. Hij sprak over de zwakheid van zijn umma en zei dat zij zo’n bestraffing niet zouden kunnen verdragen, en hij huilde zo dat ook Jibrîl ’alayhis-salâm en alle engelen met hem huilden. Toen kwam van Allâhu ta’âlâ het woord: “O Mijn Habîb! Jouw aanzien en jouw waarde zijn groot bij Mij; je smeekbede is aanvaard. Wees gerust. Ik heb je wens vervuld. Ik geef je zo’n rang dat Ik door jouw voorspraak een zeer groot aantal opstandigen vergeef, totdat jij zegt: ‘Het is genoeg.’ O Mijn Habîb! Wie Mijn bevel in acht neemt, wordt gered van bestraffing en straf en verwerft Mijn barmhartigheid. Hij verkrijgt de eer Mij in het Paradijs te zien. Voor jou en jouw umma heb Ik vijftig gebeden per dag en nacht tot fard gemaakt.”
Onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) ging verder: “Van die plaats bereikte ik (daarna) de ‘Arsh. Ik ging door de hemelen en kwam bij de plaats waar Mûsâ (‘alayhis-salâm) was. Hij vroeg mij: ‘Wat heeft Haqq ta’âlâ voor jou en jouw umma tot fard gemaakt?’ Ik zei: ‘Hij heeft mij tot fard gemaakt dat er iedere dag en nacht vijftig gebeden worden verricht.’ Hij zei: ‘Keer terug naar je Heer en vraag Hem het wat lichter te maken. Want jouw umma kan dit niet opbrengen. Ik heb de Kinderen van Israël op de proef gesteld en beproefd.’ Daarop keerde ik terug naar mijn Heer en zei: ‘O mijn Heer! Maak (dit bevel) voor mijn umma wat lichter!’ Toen nam Hij van de vijftig gebeden er slechts vijf af. Ik keerde terug naar Mûsâ (‘alayhis-salâm) en zei: (Hij heeft er vijf afgenomen.) Hij zei: ‘Keer terug naar je Heer! Vraag Hem het nog wat lichter te maken. Want jouw umma kan dit niet opbrengen.’ Zo ging ik heen en weer tussen Mûsâ (‘alayhis-salâm) en mijn Heer, totdat Allâhu ta’âlâ ten slotte zei: ‘Ik heb dit gebed teruggebracht tot vijf. Voor ieder gebed is er tienvoudige beloning. Daarom zijn het uiteindelijk toch vijftig gebeden. Want wie zich een goede daad voorneemt en haar niet kan doen, voor hem wordt één beloning opgeschreven; doet hij haar wel, dan worden er voor die ene precies tien opgeschreven. Maar wie zich een zonde voorneemt en haar niet begaat, voor hem wordt niets opgeschreven; begaat hij haar, dan wordt zij slechts als één zonde opgetekend.’ Daarna daalde ik af naar Mûsâ (‘alayhis-salâm) en vertelde hem wat er was gebeurd. Weer zei hij: ‘Keer terug en vraag Hem het nog wat lichter te maken.’ Toen zei ik tegen hem: ‘Omdat ik mijn Heer al zo vaak heb aangeroepen, schaam ik mij nu.’”5 Zo troostte Allâhu ta’âlâ het gezegende hart van onze geliefde Profeet, dat gewond was door de beproevingen die hij had doorstaan. Hij schonk hem gunsten die Hij aan geen van Zijn schepselen had gegeven en die niemand kan kennen of begrijpen.
Kom hierheen, jij die brandt in het vuur van de liefde,
Jij die jezelf voor een minnaar van de Geliefde houdt.
Kom, luister naar de Mi’râj van die Vorst, helder verteld;
Ben je een minnaar, brand dan zonder dralen in het vuur van de liefde.
Het was in de nacht naar maandag – een zeker bericht –
En die nacht was, zo bleek, de Laylat al-Qadr.
Hij met het vorstelijke geluk en de verheven rang
Was die nacht in het huis van Umm Hânî.
Wie vóór hem kwamen, bereikten dit geluk niet,
Niemand verwierf ooit deze verhevenheid.
Want hij zag alles en ging verder, voorbij,
En kwam tot die verheven Tegenwoordigheid.
De Dhu’l-Jalâl, verheven boven de zes richtingen,
Toonde hem Zijn schoonheid, zonder hoe en zonder hoeveel.
Openlijk zag hij de Heer van de majesteit;
Zo zal Hem in het hiernamaals ook zijn umma zien.
Jij die de Mi’râj maakte en Mij hebt gesmeekt:
Het gebed heb Ik tot de Mi’râj van jouw umma gemaakt.
“O Mijn Habîb! Wie Mijn bevel in acht neemt, wordt gered van bestraffing en straf en verwerft Mijn barmhartigheid. Hij verkrijgt de eer Mij in het Paradijs te zien” Hadîth qudsî
Ik geloof! Mijn leven zij voor u ten offer, yâ Rasûlallah
Daarna ging de Meester der werelden in een ogenblik naar Jeruzalem, en vandaar besteeg hij de Burâq, die aan de poort van de Masjid al-Aqsâ was vastgebonden, en keerde hij terug naar Makka al-Mukarrama. Op de weg van Jeruzalem naar Mekka kwam onze Meester de Profeet een karavaan van de Quraysh tegen. Een kameel van de karavaan schrok en viel neer. In Makka al-Mukarrama kwam onze Profeet aan bij het huis van Umm Hânî. De plaats waar hij had gelegen, was nog niet afgekoeld, en het wudû-water in de kom was nog niet tot rust gekomen. Umm Hânî, die buiten rondliep, was ingedommeld en had niets gemerkt.
Toen het ochtend werd, vertelde onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Umm Hânî over zijn Mi’râj en zei daarna: “Vanochtend ga ik naar de Ka’ba en vertel ik dit.” Umm Hânî zei: “O zoon van mijn oom! Vertel dit in geen geval aan de Quraysh! Zij zullen je voor leugenaar uitmaken en je kwetsen. Wie zwak in het geloof zijn, zullen dit niet geloven en de religie verlaten. En de afgodendienaren wachten daar juist op: zij zullen hun geloof bederven. Op dit moment zijn de moslims weinig in getal.
Wat zou je ervan vinden het te vertellen wanneer de moslims wat sterker en hechter zijn geworden?” Het historische antwoord dat de Meester der werelden, de Sultan van het universum, gaf, was dit: “Bij Allah, ik zal het hun vertellen. Wat vandaag rot is, is morgen ook rot. Ik zal deze islam opbouwen met hen die vast in het geloof zijn. Als er nog iemand is die aan mij twijfelt, laat hij zich afscheiden en heengaan. Met hen heb ik niets te maken. Wat rot is, blijft altijd rot. Rot het vandaag niet, dan rot het morgen. Laat het liever nu al rotten dan later, opdat wij niet op weg gaan in vertrouwen op wat rot is. Wie vast staan, zijn ons genoeg.”
Daarna ging hij ’s ochtends naar de Ka’ba en begon te vertellen… De ongelovigen spotten: “Muhammad is zijn verstand kwijt, hij is helemaal op een dwaalspoor geraakt.” Ook wie van plan waren moslim te worden, begonnen te aarzelen. Enkele afgodendienaren gingen verheugd naar het huis van Abû Bakr. Want zij wisten heel goed dat hij een verstandige, ervaren en berekenende koopman was. Toen hij aan de deur kwam, vroegen zij hem: “O Abû Bakr! Jij bent vaak naar Jeruzalem heen en weer gereisd. Je weet het goed. Hoeveel tijd kost het om van Mekka naar Jeruzalem en terug te gaan?” Abû Bakr zei: “Dat weet ik goed. Meer dan een maand.” Verheugd over dit woord zei de bende ongelovigen: “Zo spreekt een verstandig en ervaren man.” Lachend en spottend, en in de hoop dat Abû Bakr er net zo over zou denken als zij, zeiden zij: “Jouw meester zegt dat hij in één nacht naar Jeruzalem en terug is gegaan; hij is helemaal op een dwaalspoor geraakt.” Zij betoonden Abû Bakr genegenheid en respect en hadden hun hoop op hem gevestigd.
Toen Abû Bakr de gezegende naam van onze Meester Rasûlullah hoorde, zei hij (zonder het ook maar aan zijn verstand en zijn logica te toetsen): “Als hij het gezegd heeft, is het waar. Ook ik geloof dat hij in een ogenblik heen en weer is gegaan,” en hij ging naar binnen. Verbijsterd keerden de ongelovigen terug met de woorden: “Wel heb je ooit, wat een geweldige tovenaar is Muhammad! Hij heeft Abû Bakr betoverd.”
Abû Bakr ging onmiddellijk naar onze Meester Rasûlullah. Te midden van een grote menigte zei hij met luide stem: “Yâ Rasûlallah! Gezegend zij uw Mi’râj! Ik dank Allâhu ta’âlâ eindeloos dat Hij ons de eer heeft gegeven dienaren te zijn van een Profeet die zo groot is als u, en dat Hij ons de gunst heeft geschonken uw gezegende gezicht te zien en uw zoete woorden te horen, die de harten veroveren en de zielen aantrekken. Yâ Rasûlallah! Ieder woord van u is waar. Ik geloof. Mijn leven zij voor u ten offer!” De woorden van Abû Bakr brachten de ongelovigen in verwarring. Zij wisten niets meer te zeggen en gingen uiteen. Ook sterkten zijn woorden het hart van enkele mensen die zwak in het geloof waren en in twijfel waren geraakt. Die dag noemde onze Meester Rasûlullah Abû Bakr “Siddîq”. Doordat hij deze naam ontving, steeg zijn rang nog een trede hoger.6
De ongelovigen, die hierover zeer kwaad werden, konden het sterke geloof van de gelovigen niet verdragen: dat zij ieder woord van onze Profeet onmiddellijk geloofden en als motten om het licht om hem heen draaiden. Om onze Meester Rasûlullah te beschamen en te verslaan, begonnen zij hem op de proef te stellen.
Zij stelden vragen als: “O Muhammad! Je zegt dat je naar Jeruzalem bent gegaan. Zeg dan eens: hoeveel deuren en hoeveel vensters heeft de moskee?”
“Ik moet de Mi’râj vertellen; wie niet zal geloven, haakt later toch af; op een rotte fundering bouwt men geen gebouw; wie zich zal afscheiden, scheide zich nu al af, en laat de standvastigen blijven” Hadîth sharîf
De Masjid al-Bay’a, gebouwd op de plaats waar de eed van trouw van ’Aqaba werd afgelegd
Onze Meester Rasûlullah beantwoordde ze allemaal, één voor één. Terwijl onze Meester antwoordde, zei Abû Bakr steeds: “Zo is het, yâ Rasûlallah.” En toch keek onze Meester Rasûlullah uit welvoeglijkheid en schroom zelfs degene die tegenover hem stond niet in het gezicht. Hij zei: “In de Masjid al-Aqsâ had ik niet om mij heen gekeken. Wat zij vroegen, had ik niet gezien. Op dat moment bracht Jibrîl (’alayhis-salâm) de Masjid al-Aqsâ voor mijn ogen. Ik zag en telde de vensters en beantwoordde hun vragen meteen.” Onze Meester Rasûlullah vertelde dat hij onderweg reizigers met kamelen had gezien, en zei: “Inshâ’allâh komen zij op woensdag aan.” Op woensdag, bij zonsondergang, bereikte de karavaan Mekka. Toen men het de mensen van de karavaan vroeg, vertelden zij dat er iets als een storm was opgestoken en dat er een kameel was gevallen. Dit versterkte het geloof van de gelovigen. En de vijandschap van de ongelovigen nam steeds meer toe.7 Dit wonder, dat een jaar vóór de Hijra plaatsvond, op de 27ste van de maand Rajab, in de nacht van donderdag op vrijdag, heet de Mi’râj. Rasûlullah maakte de Mi’râj met ziel en lichaam, in wakende toestand. In de nacht van de Mi’râj werden hem vele goddelijke waarheden getoond, en in deze nacht werden de vijf dagelijkse gebeden tot fard gemaakt. Bovendien werden hem de laatste twee edele verzen van soera al-Baqara geschonken. De Mi’râj wordt in de Qur’ân al-karîm meegedeeld in het eerste vers van soera al-Isrâ en in de eerste verzen van soera an-Najm, en ook in enkele hadîths sharîf.8
Toen onze geliefde Profeet na de Mi’râj zijn Metgezellen over het Paradijs vertelde, zei hij: “O Abû Bakr! Ik heb jouw paleis gezien. Het was van rood goud. Ik heb de gunsten die voor jou zijn bereid met eigen ogen aanschouwd.” Abû Bakr zei daarop: “Moge dat paleis en de eigenaar van het paleis voor u ten offer zijn, yâ Rasûlallah.”
Onze Meester wendde zich tot ’Umar en zei: “O ’Umar! Ik heb jouw paleis gezien. Het was van robijn. In dat paleis waren veel hûrî’s. Maar ik ging niet naar binnen. Ik dacht aan jouw naijver.” ’Umar huilde hevig. Onder tranen zei hij: “Mijn moeder, mijn vader en mijn leven zijn voor u ten offer, yâ Rasûlallah! Zou men zelfs op u naijverig kunnen zijn?” Daarna zei hij tegen ’Uthmân: “O ’Uthmân! Ik heb jou in iedere hemel gezien. Toen ik jouw paleis in het Paradijs zag, dacht ik aan jou.” En tegen ’Alî zei hij: “O ‘Alî! Ik heb jouw gestalte in de vierde hemel gezien. Ik vroeg Jibrîl ernaar. Hij zei: ‘Yâ Rasûlallah! De engelen verlangden er vurig naar ‘Alî te zien. Haqq ta’âlâ schiep een engel in zijn gestalte. Hij staat in de vierde hemel; de engelen bezoeken hem en ontvangen zegen.’ Daarna ging ik jouw paleis binnen. Ik rook aan een vrucht van een boom. Daaruit kwam een hûrî tevoorschijn, die een sluier voor haar gezicht trok. ‘Wie ben jij en voor wie ben jij?’ vroeg ik. Zij zei: ‘Ik ben geschapen voor ‘Alî, de zoon van uw oom, yâ Rasûlallah!’”
In de ochtend na de nacht van de Mi’râj kwam Jibrîl ’alayhis-salâm, en als imam leidde hij voor onze Meester Rasûlullah de vijf gebeden, ieder op zijn tijd. In een hadîth sharîf werd gezegd: “Jibrîl (‘alayhis-salâm) was twee dagen lang bij de deur van de Ka’ba mijn imam. Wij beiden verrichtten het ochtendgebed toen de dageraad (fajr) aanbrak, het middaggebed toen de zon zich van het zenit verwijderde, het namiddaggebed toen de schaduw van ieder ding even lang was als dat ding zelf, het avondgebed toen de zon onderging (toen haar bovenrand verdween) en het nachtgebed toen de avondschemering donker werd. Op de tweede dag verrichtten wij het ochtendgebed toen het licht werd, het middaggebed toen de schaduw van ieder ding tweemaal zo lang was als dat ding zelf, het namiddaggebed direct daarna, het avondgebed op het moment dat het vasten wordt verbroken, en het nachtgebed toen een derde van de nacht voorbij was. Daarna zei hij: ‘O Muhammad! Dit zijn de gebedstijden voor u en voor de profeten die vóór u kwamen. Laat uw umma ieder van de vijf gebeden verrichten tussen deze twee tijden waarop wij het verricht hebben.’”9 Nadat de gebedstijden zo waren bekendgemaakt, werd er ook bericht naar Abessinië gestuurd, met de opdracht de vijf gebeden te verrichten en de gebeden in te halen (qadâ) vanaf het moment waarop zij fard waren geworden tot het moment waarop men ze was gaan verrichten.
“(O mensen van Medina!) Beloven jullie mij dat jullie op de weg van Allah, omwille van Allah, de waarheid zullen spreken, en dat jullie mij zullen helpen zoals jullie jezelf en je eer beschermen?” Hadîth sharîf
