Mijn Geliefde Profeet

DE HIJRA NAAR ABESSINIË

De eerste Hijra naar Abessinië

In het vijfde jaar van het profeetschap (de bi’tha) van onze Meester Rasûlullah bleef het aantal moslims ondanks de martelingen van de afgodendienaren groeien. Maar ook de afgodendienaren voerden hun martelingen op en deden alles wat in hun macht lag. Het bedroefde onze Meester de Profeet zeer dat zijn Metgezellen ondraaglijke martelingen ondergingen, dat zij met touwen aan hun voeten aan kamelen werden vastgebonden die in tegengestelde richtingen werden voortgedreven, en zo uiteengereten werden. Deze martelingen werden met iedere dag heviger, en zijn hart vol mededogen kon ze niet verdragen.

Op een dag riep hij de Metgezellen bijeen en zei: “O mijn Metgezellen! Verspreid jullie nu over de aarde. Allâhu ta’âlâ zal jullie spoedig weer samenbrengen.”

Zij vroegen: “Yâ Rasûlallah! Waarheen zullen wij gaan?” Onze Profeet wees met zijn gezegende hand naar het land Abessinië en zei: “Daarheen! Gaan jullie naar het land Abessinië!1 Want daar is een koning die niemand van hen die bij hem zijn onrecht aandoet. En het is een land van oprechtheid. Blijf daar tot Allâhu ta’âlâ jullie een uitweg en een weg tot redding opent uit de nood waarin jullie verkeren.”

Zo had de Vorst der wereld, Muhammad Mustafâ (sallallâhu ’alayhi wa sallam), besloten dat zijn Metgezellen van de martelingen verlost zouden worden en dat hij zelf de strijd tegen de afgodendienaren van Mekka alleen zou voortzetten. Onze geliefde Profeet, die bij zijn geboorte had gezegd: “Mijn umma! Mijn umma!”, offerde zich nu op voor de redding van zijn Metgezellen. Met deze toestemming van hem verlieten sommigen van de Metgezellen hun vaderland en emigreerden!.. Maar omdat zij van onze geliefde Profeet gescheiden werden, was ook hun verdriet zeer groot.

Aan deze eerste Hijra namen deel: ’Uthmân en zijn vrouw Ruqayya bint Rasûlullah, Abû Hudhayfa en zijn vrouw Sahla bint Suhayl, Zubayr ibn ’Awwâm, Mus’ab ibn ’Umayr, ’Abdurrahmân ibn ’Awf, Abû Salama ibn ’Abdulasad en zijn vrouw Umm Salama, Hâtib ibn ’Amr, ’Âmir ibn Rabî’a en zijn vrouw Laylâ bint Abî Hathma, ’Uthmân ibn Maz’ûn, Abû Sabra ibn Abî Ruhm en zijn vrouw Umm Kulthûm bint Suhayl, Suhayl ibn Baydâ en ’Abdullah ibn Mas’ûd (radiyallâhu ’anhum).2 Onze Meester de Profeet zei over ’Uthmân: “Ongetwijfeld is ’Uthmân de eerste die na de profeet Lût samen met zijn echtgenote is geëmigreerd.”

Sommigen van de Metgezellen verlieten Mekka in het geheim op een rijdier, anderen te voet. Toen de karavaan in Shu’ayba aankwam, waren daar door de goedheid van Allah de Verhevene twee koopvaardijschepen aangekomen. De Metgezellen betaalden de kooplieden ieder een half goudstuk en gingen aan boord. Intussen hadden de afgodendienaren hiervan gehoord en zetten zij de achtervolging van de Metgezellen in. Toen zij de kust bereikten, waren de Muhâjirûn al aan boord gegaan en hadden zij zee gekozen, zodat de afgodendienaren niemand van hen te pakken konden krijgen. Hun moeite was vergeefs, en ontmoedigd keerden zij terug. Via de Rode Zee bereikten de Metgezellen behouden Abessinië.3 De koning van Abessinië, de Negus (Najâshî), gaf de moslims onderdak in zijn land en behandelde hen zeer goed.

“O mijn Metgezellen! Verspreid jullie nu over de aarde. Allâhu ta’âlâ zal jullie spoedig weer samenbrengen” Hadîth sharîf

Nadat de Metgezellen naar Abessinië waren vertrokken, werd soera an-Najm geopenbaard. Toen Rasûlullah deze soera in de Masjid al-Harâm aan de Quraysh voordroeg en bij het negentiende en twintigste edele vers kwam, waar de afgoden van de afgodendienaren worden genoemd, mengde de vervloekte shaytân er woorden tussen als: “De afgoden zijn verheven afgoden; van hen wordt voorspraak verwacht.” De afgodendienaren dachten dat Rasûlullah deze woorden had gezegd en zeiden: “Aangezien hij met onze religie heeft ingestemd, hebben ook wij vrede met hem gesloten.” Toen in die tijd ook Walîd ibn Mughîra bij Rasûlullah kwam en zei: “Voortaan zullen wij je niet meer lastigvallen,” verbaasde onze Meester de Profeet zich. Dit “vredes”-bericht (!) van de afgodendienaren bereikte tegen het einde van de gezegende maand Ramadân de Metgezellen in Abessinië. De moslims in Abessinië kregen het bericht: “In Mekka hebben de afgodendienaren en de moslims een overeenkomst gesloten!” Daarop dachten zij: “Onze Hijra, het verlaten van onze woonplaats en ons vaderland, was het gevolg van de vijandschap van de afgodendienaren. Nu is hun vijandschap in vriendschap veranderd. Laten we dus gaan en de eer verwerven Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) te dienen.” Intussen maakte Jibrîl ’alayhis-salâm Rasûlullah deze list van de shaytân bekend. Hij was hierover zeer bedroefd. Janâb-i Haqq zond het tweeënvijftigste edele vers van soera al-Hajj neer, met de betekenis: “Wanneer de rasûls met een sharî’a die Wij vóór jou hebben gezonden, en de nabîs die hen volgden, een edel vers wilden reciteren of iets uit zichzelf wilden zeggen, mengde de shaytân iets in wat zij reciteerden of zeiden. Allâhu ta’âlâ scheidt wat de shaytân erin mengde van het ware. Daarna bevestigt Hij Zijn verzen. Allâhu ta’âlâ kent de toestand van de mensen en voert Zijn oordeel uit.” Toen de afgodendienaren dit vers hoorden, begonnen zij opnieuw te kwellen en te martelen. Met toestemming van de koning van Abessinië kwamen de Muhâjirûn in de maand Shawwâl naar Makka al-Mukarrama. Maar zij ontdekten dat het bericht dat zij hadden ontvangen onjuist was.4 Toen zij hoorden wat er gebeurd was, waren zij verbijsterd. Daarna kwamen zij bij onze Meester de Profeet en zeiden over Abessinië: “Wij hebben daar goede naburen en bescherming gevonden. Niemand heeft aan onze religie getornd, wij werden niet gekwetst. Wij hebben ook geen woord gehoord dat ons mishaagde. In vrede hebben wij Allâhu ta’âlâ aanbeden.”5 Zij vertelden uitvoerig dat het water, de lucht en de vruchten van Abessinië kracht gaven; dat er vier gebedshuizen waren; dat er iedere dag op die plaatsen kamelen en schapen werden geslacht; dat de armen en de vreemdelingen werden uitgenodigd en goed onthaald; dat hun koning hen bezocht, hun bescherming verleende en hun moeilijkheden wegnam; en zij gaven blijk van hun tevredenheid.6 Zij waren meer dan twee maanden in Abessinië gebleven.

Hoe Hamza moslim werd

Het zesde jaar van de bi’tha… De stem van de islam verspreidde zich met iedere dag van mond tot mond, bereikte de harten en drong nog verder door. Dit maakte de afgodendienaren van de Quraysh razend; ondanks al hun inspanningen konden zij de verspreiding van de islam niet verhinderen. In “Dalâ’il an-Nubuwwa” en “Ma’ârij an-Nubuwwa” wordt het volgende meegedeeld:

Een van de afgodendienaren, Walîd genaamd, had een afgod. Zij kwamen op de heuvel Safâ bijeen en aanbaden deze afgod. Op een dag ging onze Meester de Profeet naar hen toe en nodigde de afgodendienaren uit tot het geloof. Een jinn die kâfir was, kroop in die afgod en sprak ongepaste woorden over onze geliefde Profeet. De Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was daarover bedroefd. Op een andere dag groette iemand die zelf niet te zien was onze Meester de Profeet en zei: “Yâ Rasûlallah! Een jinn die kâfir was, heeft ongepaste dingen over u gezegd. Ik heb hem gevonden en gedood. Wilt u morgen naar de heuvel Safâ komen? U nodigt hen dan opnieuw uit tot de islam. En ik kruip in die afgod en spreek woorden die u prijzen.” Onze Meester de Profeet aanvaardde het voorstel van deze jinn, die ’Abdullah heette.

De volgende dag ging onze geliefde Profeet daarheen en nodigde de afgodendienaren opnieuw uit tot het geloof.

Ook Abû Jahl was daar. De moslimjinn kroop in de afgod die de afgodendienaren in handen hadden en sprak mooie woorden en gedichten over onze geliefde Profeet en over de islam. Toen de afgodendienaren deze woorden hoorden, sloegen zij de afgod in hun handen aan stukken en vielen Rasûlullah aan. Zijn gezegende haar raakte helemaal in de war. Zijn gezegende gezicht werd met bloed bevlekt. Hij verdroeg hun mishandeling en kwelling en zei: “O Quraysh! Jullie slaan mij. Maar ik ben jullie Profeet.” Daarna ging hij daar weg en keerde naar huis terug. Een dienstmeisje had deze gebeurtenis van begin tot eind gezien. Intussen was Hamza in de bergen op jacht. Toen hij op het punt stond een pijl op een gazelle af te schieten, begon de gazelle te spreken en zei: “O Hamza! In plaats van een pijl op mij af te schieten, zou je er beter aan doen pijlen af te schieten op hen die de zoon van je broer willen doden.” Hamza verwonderde zich over deze woorden en ging haastig op weg naar huis. Het was zijn gewoonte om, wanneer hij van de jacht terugkwam, eerst langs de Haram ash-Sharîf te gaan voor de tawâf en pas daarna naar huis te gaan. Die dag, terwijl hij de tawâf verrichtte, kwam het dienstmeisje naar hem toe en vertelde hem wat Abû Jahl Muhammad ’alayhis-salâm had aangedaan. Toen Hamza hoorde dat onze Meester de Profeet was beledigd, laaide het gevoel van verwantschap in hem op. Hij nam zijn wapens en ging naar de plek waar de afgodendienaren waren. “Ben jij het die de zoon van mijn broer met kwade woorden heeft bejegend en zijn hart heeft gekwetst? Welnu, mijn religie is ook zijn religie. Als je de kracht hebt, doe mij dan ook maar aan wat je hem hebt aangedaan!” zei hij, en met de boog die hij om zijn hals droeg, sloeg hij het hoofd van Abû Jahl open. De kâfirs die daar waren, wilden Hamza aanvallen. Maar Abû Jahl zei: “Raak hem niet aan; Hamza heeft gelijk. Ik heb zijn neef kwade woorden toegevoegd.” Nadat Hamza daar was weggegaan, zei Abû Jahl tegen de mensen om hem heen: “Pas op, val hem niet lastig! Dan wordt hij boos op ons en wordt hij moslim. Daarmee wordt Muhammad sterker.” Want Hamza was een man van aanzien, gewaardeerd en sterk. Om te voorkomen dat Hamza moslim werd, had Abû Jahl er zelfs in berust dat zijn hoofd werd opengeslagen. Hamza ging naar onze Meester de Profeet en zei: “O Muhammad! Ik heb je op Abû Jahl gewroken. Ik heb hem in zijn bloed laten liggen. Wees niet bedroefd, verheug je!” Onze geliefde Profeet zei: “Over zulke dingen verheug ik mij niet.” Toen Hamza zei: “Om je te verheugen en je van je verdriet te bevrijden, zal ik doen wat je maar wilt!”, zei onze Meester de Profeet: “Ik verheug mij alleen als jij gelooft en je kostbare lichaam van het vuur van de Hel redt.”

Hamza werd onmiddellijk moslim. Over hem werd een edel vers geopenbaard. Volgens ’Abdullah ibn ’Abbâs is Hamza degene van wie in de Qur’ân al-karîm, in het honderdtweeëntwintigste edele vers van soera al-An’âm, wordt verteld dat hij “tot leven werd gewekt en tot het licht (nûr) werd gebracht”, en is Abû Jahl “degene die in de duisternissen rondtast”.

Hamza ging naar de afgodendienaren, maakte hun bekend dat hij moslim was geworden en dat hij Muhammad ’alayhis-salâm, de Habîb van Allâhu ta’âlâ, zou beschermen, al kostte het hem zijn leven, en droeg een qasîda voor. In de qasîda die hij voordroeg, zei hij: “Lof zij Allâhu ta’âlâ, omdat Hij mijn hart heeft doen neigen tot de islam en tot de waarheid. Deze religie is gezonden door Allâhu ta’âlâ, de Heer der werelden, Die alles weet wat Zijn dienaren doen, Die iedereen met Zijn goedgunstigheid behandelt en Wiens macht alles overwint. Wanneer de Qur’ân al-karîm wordt gereciteerd, stromen de tranen uit de ogen van hen die een hart en verstand bezitten. De Qur’ân al-karîm is aan Muhammad ’alayhis-salâm neergezonden in verzen die in een zuivere, welsprekende taal zijn uiteengezet. Hij, Muhammad Mustafâ, is onder ons een gezegende man naar wiens woord wordt geluisterd en voor wie men het hoofd buigt. O afgodendienaren! Verlies jullie verstand niet en laat het jullie niet zwart worden voor de ogen, zodat jullie harde, zware en grove woorden over hem zouden spreken. Als jullie je door zo’n gedachte laten meeslepen: niemand zal hem kunnen aanraken zonder over de lijken van ons, moslims, heen te stappen.”

“O Quraysh! Jullie slaan mij. Maar ik ben jullie Profeet” Onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm

Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was zeer verheugd dat Hamza moslim was geworden. Doordat ook hij zich bij hen voegde, werden de moslims veel sterker. Met de bekering van Hamza veranderde de toestand. Want de Mekkanen wisten dat Hamza een krijgsman was, moedig, edelmoedig, een worstelaar en een grote held. Daarom konden de afgodendienaren van de Quraysh de moslims niet meer zonder enige reden slecht behandelen; vooral voor de kracht van het zwaard van Hamza waren zij beducht.7

Uit liefde voor u trok ik op weg,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!
Een zondaar ben ik, met zwart gezicht,
Voorspraak, yâ Rasûlallah!

Hoe ’Umar moslim werd

De religie van de islam verspreidde zich met de dag, en de nûr van de Qur’ân al-karîm verlichtte de zielen. Wie ervoor bestemd was, kwam als gunst van Allâhu ta’âlâ tot het geloof en vond de rechte leiding. Deze gezegende mensen, die de eer hadden Metgezellen (radiyallâhu ’anhum) te zijn, gingen hand in hand en hart aan hart en draaiden als motten om het licht rond onze Meester Rasûlullah. Zijn geringste wens en zijn kleinste teken beschouwden zij als een groot bevel; zij wedijverden om het uit te voeren en schroomden zelfs niet hun leven daarvoor op te offeren. De onrust en de ongerustheid van de afgodendienaren daarentegen hadden hun hoogtepunt bereikt. Want ook Hamza, een van de helden op wie men met de vinger wees, was moslim geworden en had zijn plaats in de rijen van Rasûlullah ingenomen. Deze onverwachte gebeurtenis bracht de afgodendienaren volledig buiten zichzelf. Daarom ging ’Umar, de zoon van Khattâb (die toen nog geen moslim was), op een dag zijn huis uit met het voornemen onze Meester Rasûlullah te doden waar hij hem ook zag.

Hij trof onze geliefde Profeet aan terwijl die in de Masjid al-Harâm het gebed verrichtte. Terwijl hij wachtte tot het gebed was beëindigd, trok wat hij reciteerde zijn aandacht, en nieuwsgierig begon ’Umar te luisteren. Habîb-i akram reciteerde de gezegende soera al-Hâqqa. In betekenis: “De Opstanding, waarvan de komst een waarheid is!… Wat is de Opstanding, waarvan de komst een waarheid is (weet jij dat)? Wat heeft jou doen weten wat de Opstanding is, waarvan de komst een waarheid is? De Thamûd en de ’Âd (de volken) loochenden de Opstanding, van wier verschrikking de harten zullen beven. Het volk van Thamûd werd om zijn overmoed vernietigd (door de schreeuw van Jibrîl ’alayhis-salâm).

Wat het volk van ’Âd betreft: zij werden vernietigd door een verwoestende, loeiende, razende en hevige wind (een orkaan). Allâhu ta’âlâ liet die orkaan zeven nachten en acht dagen achtereen op hen los. (Zij raakten in zo’n toestand dat) jij, als je er toen bij was geweest, had gezien hoe zij dood neervielen als holle stammen van dadelpalmen die met wortel en al waren uitgerukt en ter aarde geveld! Zie je nu nog iets van hen over (iemand, een levend wezen)? Ook Fir’awn, en zij die vóór hem waren, en de bewoners van de omgekeerde steden (het volk van Lût) begingen steeds die fout (shirk en opstand)… Zo kwamen zij in opstand tegen de profeet van hun Heer (tegen Lût ’alayhis-salâm en de anderen). Daarop greep hen een bestraffing die heviger was dan die over de andere umma’s kwam… Voorwaar, toen het water alles bedekte (in de zondvloed van Nûh), droegen Wij jullie (dat wil zeggen de voorvaderen aan wie jullie je bestaan danken) in het schip, opdat het jullie tot les zou zijn en opdat oren die het horen het zouden bewaren en onthouden.

Wanneer er eenmaal op de Bazuin wordt geblazen, en de aarde en de bergen van hun plaats worden opgeheven en met geweld tegen elkaar worden geslagen tot zij uiteenvallen, op die dag zal de Opstanding aanbreken. Op die dag zal de hemel, beroofd van haar kracht en stevigheid, splijten en uiteenvallen.

De engelen zijn aan de randen van de hemel (zij wachten op het bevel van hun Heer). Op die dag dragen acht engelen (van hen die rond de hemel zijn) de ’Arsh van je Heer. Op die dag zullen jullie worden voorgeleid (aan Allâhu ta’âlâ voor de afrekening), zodat geen enkel geheim van jullie (dat jullie in de wereld meenden te hebben verborgen) verborgen zal blijven (voor Allâhu ta’âlâ). Dan zal hij wiens boek in zijn rechterhand is gegeven (verheugd) zeggen: ‘Neem, lees mijn boek! Ik wist voorzeker dat ik mijn afrekening zou ontmoeten.’

Hij zal een leven vol welbehagen hebben, in een hoog Paradijs… waarvan (de vruchten) binnen handbereik zijn. (Tegen hen wordt gezegd:) ’Eet en drink, en moge het jullie wel bekomen, als beloning voor de goede daden die jullie in de voorbije dagen (in de wereld) vooruit hebben gezonden.’

Wat hem betreft wiens boek in zijn linkerhand is gegeven, hij zal zeggen: ’Ach! Was mijn boek mij maar niet gegeven… Had ik maar niet geweten wat mijn afrekening is! Ach! Was het (de dood) maar een definitief einde geweest (van mijn leven) (en was ik maar niet weer opgewekt)! Mijn bezit heeft mij niets gebaat. Mijn (hele) heerschappij (mijn kracht, mijn bewijs, al wat ik had) heeft mij verlaten en is vergaan!..’ (Allâhu ta’âlâ zegt tegen de engelen die in de Hel met een taak belast zijn:) ’Grijp hem en bind hem (zijn handen aan zijn hals)!.. Werp hem daarna in de Jahîm (de plaats van de hevigste bestraffing in de Hel)! Steek hem daarna (opnieuw) in een keten van zeventig el lang!.. Want hij geloofde niet in Allâhu ta’âlâ, de Verhevene. Hij spoorde (laat staan dat hij zelf te eten gaf, ook anderen) niet aan de arme te eten te geven. Daarom heeft hij hier vandaag geen enkele verwant (en geen vriend die medelijden met hem heeft). En geen ander voedsel dan ghislîn (de met bloed vermengde etter van de bewoners van de Hel), dat niemand eet dan zij die (willens en wetens) zondigen (de kâfirs)…’”8 ’Umar luisterde vol bewondering naar wat onze Meester de Profeet reciteerde. In zijn hele leven had hij nooit zulke mooie woorden gehoord. Later heeft hij het zelf als volgt verteld: “Ik was vol bewondering voor de welsprekendheid, de gaafheid en de beknoptheid van deze woorden die ik hoorde. Ik zei bij mijzelf: ‘Ik zweer dat dit een dichter moet zijn, zoals de Quraysh zeggen!’” Op dat moment ging onze Profeet verder met het reciteren van de edele verzen: “Ik zweer bij wat jullie zien en bij wat jullie niet zien: ongetwijfeld is hij (de Qur’ân al-karîm) een woord dat een zeer eervolle Rasûl bij Allâhu ta’âlâ heeft gebracht (van zijn Heer). Het is niet het woord van een dichter. Hoe weinig geloven jullie!..”9 ’Umar vertelde: “Opnieuw zei ik bij mijzelf: ‘Dit moet een waarzegger zijn, want hij heeft begrepen wat er in mij omging!..’” Rasûlullah ging verder met het reciteren van de soera: “Het is ook niet het woord van een waarzegger. Hoe weinig bedenken jullie!.. Hij (de Qur’ân al-karîm) is neergezonden van de Heer der werelden (aan Muhammad ’alayhis-salâm, door bemiddeling van Jibrîl ’alayhis-salâm). Als hij (de Profeet) tegen Ons uit zichzelf enkele woorden had verzonnen (die Wij niet hebben gezegd), dan zouden Wij hem zeker met kracht hebben gegrepen en daarna ongetwijfeld zijn levensader (zijn halsslagader) hebben doorgesneden en hem hebben vernietigd!

“(O oom!) Ik verheug mij alleen als jij gelooft en je kostbare lichaam van het vuur van de Hel redt” Hadîth sharîf

En niemand van jullie zou dat hebben kunnen verhinderen! Voorwaar, hij (de Qur’ân al-karîm) is een duidelijke vermaning voor de godvrezenden. Wij weten zeker dat er onder jullie zijn die hem loochenen (zoals er ook zijn die hem bevestigen). Voorwaar, hij (de Qur’ân al-karîm) zal voor de kâfirs (die in het hiernamaals de gunsten zien die aan hen worden gegeven die hem bevestigden) een (onontkoombare) spijt en smart zijn. Voorwaar, hij (de Qur’ân al-karîm) is de zekere waarheid (haqq al-yaqîn) (hij is beslist de werkelijkheid van de zekere kennis, hij bestaat uit zekere kennis). Prijs daarom de naam van je Heer, de Verhevene.”10

’Umar zei: “Nadat Rasûlullah de hele soera had gereciteerd, ontstond er in mijn hart een neiging tot de islam.” Drie dagen nadat Hamza moslim was geworden, riep Abû Jahl de afgodendienaren bijeen en zei: “O Quraysh! Muhammad heeft onze afgoden beschimpt. Hij heeft gezegd dat onze voorvaderen die vóór ons leefden in de Hel worden bestraft en dat ook wij daarheen zullen gaan!..

Er is geen andere uitweg dan hem te doden!.. Wie hem doodt, zal ik honderd rode kamelen en ontelbaar veel goud geven!..” In een oogwenk verdween uit het hart van ’Umar, de zoon van Khattâb, de neiging tot de islam. Hij sprong op en zei: “Niemand anders dan de zoon van Khattâb zal dit doen.” Zij juichten hem toe: “Vooruit, zoon van Khattâb! Laat ons maar eens zien wat je kunt!”

Hij gordde zijn zwaard om en ging op weg. Onderweg kwam hij Nu’aym ibn ’Abdullah tegen. Die vroeg: “Waarheen, zo heftig en woedend, o ’Umar?” Hij zei: “Ik ga Muhammad doden, die tweedracht onder het volk heeft gezaaid en de broer tot vijand van zijn broer heeft gemaakt.” Nu’aym zei: “O ’Umar! Dat is een zware opgave. Zijn Metgezellen draaien als motten om hem heen en waken angstvallig over hem, opdat hem niets overkomt. Het is zeer moeilijk bij hen in de buurt te komen. Ook al doodde je hem, je zou niet ontkomen aan de zonen van ’Abdulmuttalib.”

’Umar werd hierover zeer kwaad. “Of hoor jij soms ook bij hen? Laat ik eerst met jou afrekenen!” zei hij, en hij greep naar zijn zwaard. “O ’Umar! Laat mij! Ga liever naar je zuster Fâtima en haar man Sa’îd ibn Zayd; ook zij zijn moslim geworden,” zei Nu’aym. ’Umar geloofde deze woorden niet. “Als je het niet gelooft, ga dan en vraag het! Dan zul je het begrijpen,” zei hij.

Als ’Umar in deze opzet was geslaagd, zou de verdeeldheid in religie zijn verdwenen, maar zou de bloedwraak, een gewoonte van de Arabieren, zijn ontstaan, en zou de Quraysh, in tweeën gesplitst, in eindeloze gevechten zijn geraakt. Zo zouden niet alleen ’Umar ibn Khattâb, maar alle zonen van Khattâb zijn gedood. Maar omdat ’Umar ibn Khattâb zeer sterk, moedig en driftig was, kon hij hier niet aan denken. Bezorgd over zijn zuster ging hij onmiddellijk naar hun huis.

In die tijd was soera Tâ-Hâ net neergezonden. Sa’îd en Fâtima (radiyallâhu ’anhumâ) hadden haar laten opschrijven, hadden een Metgezel die Khabbâb ibn Aratt heette bij zich thuis gehaald en reciteerden haar. ’Umar hoorde hun stemmen bij de deur. Hij klopte heel hard op de deur. Toen zij hem woedend zagen, met het zwaard aan zijn middel, verborgen zij het geschrift en verstopten zij Khabbâb. Daarna deden zij de deur open. Toen hij binnenkwam, vroeg hij: “Wat waren jullie aan het lezen?” Zij zeiden: “Niets.”

Nog woedender viel hij uit: “Wat ik heb gehoord, is dus waar: ook jullie zijn bedrogen door zijn tovenarij!” Hij greep Sa’îd bij zijn kraag en wierp hem op de grond. Toen zijn zuster haar man wilde redden, gaf hij ook haar in zijn woede een klap in het gezicht. Toen hij zag dat er bloed uit haar gezicht begon te stromen, kreeg hij medelijden met zijn zuster. Fâtima had pijn en zat onder het bloed. Maar de kracht van het geloof bracht haar in beweging; zij zocht haar toevlucht bij Allâhu ta’âlâ en zei: “O ’Umar! Waarom schaam je je niet voor Allah en geloof je niet in de Profeet die Hij met verzen en wonderen heeft gezonden? Kijk, ik en mijn man zijn met de islam vereerd. Al hak je ons het hoofd af, wij keren er niet van terug.” En zij sprak de kalima-i shahâda uit.

Tegenover dit geloof van zijn zuster werd ’Umar plotseling zacht en ging op de grond zitten. Met zachte stem zei hij: “Laat mij dat boek eens zien dat jullie aan het lezen waren.” Fâtima zei: “Zolang je niet rein bent, geef ik het je niet.” ’Umar verrichtte de ghusl.

Daarna bracht Fâtima het blad van de Qur’ân al-karîm. ’Umar kon goed lezen. Hij begon soera Tâ-Hâ te lezen. De zuiverheid van taal, de welsprekendheid, de betekenissen en de voortreffelijkheid van de Qur’ân al-karîm maakten zijn hart langzamerhand zacht. Toen hij het edele vers las met de betekenis: “Aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op de aarde is, wat daartussen is en wat onder de aarde is (de zeven lagen)”11, verzonk hij in diep gepeins. Hij zei: “O Fâtima! Behoren al deze eindeloze schepselen aan de Allah Die jullie aanbidden?” Zijn zuster antwoordde: “Ja, natuurlijk! Is daar twijfel over?” Zijn verbazing nam toe en hij zei: “O Fâtima! Wij hebben zo’n vijftienhonderd gebeeldhouwde en versierde beelden van goud, zilver, brons en steen. Geen van hen bezit iets op aarde.” Hij las nog wat verder en overdacht het edele vers met de betekenis: “Er is geen ware god, geen aanbedene die aanbidding en verering waardig is, dan Allâhu ta’âlâ. Aan Hem behoren de mooiste namen.”12 Hij zei: “Waarlijk, hoe waar is dit!” Toen Khabbâb dit hoorde, sprong hij op uit zijn schuilplaats en sprak de takbîr uit. Daarna zei hij: “Een blijde boodschap, o ’Umar! Rasûlullah heeft Allâhu ta’âlâ gesmeekt: ‘O mijn Heer! Versterk deze religie met Abû Jahl of met ‘Umar!’ Kijk, dit geluk, deze zaligheid is jou ten deel gevallen.”

Dit edele vers en deze smeekbede wisten de vijandschap in het hart van ’Umar uit en veegden haar weg. Onmiddellijk zei hij: “Waar is Rasûlullah?” Zijn hart was al aan Rasûlullah gehecht. Die dag gaf Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) in het huis van Arqam zijn Metgezellen raad. De Metgezellen waren daar bijeen: door zijn stralende gelaat te zien en zijn zoete, indringende woorden te horen, polijstten zij hun harten, en terwijl zij van toestand tot toestand overgingen in een eindeloos genot, een eindeloze vreugde en blijdschap, verkwikten zij hun zielen.

Vanuit het huis van Arqam werd gezien dat ’Umar eraan kwam. Hij had ook zijn zwaard bij zich. Omdat ’Umar ontzagwekkend en sterk was, schaarden de Metgezellen zich om Rasûlullah. Hamza zei: “Wat valt er voor ’Umar te vrezen? Als hij met goede bedoelingen is gekomen, is hij welkom. Zo niet, dan sla ik hem het hoofd af voordat hij zijn zwaard trekt!” Op dat moment zei Rasûlullah: “Maak plaats voor hem, laat hem binnenkomen!”

“Het is ook niet het woord van een waarzegger. Hoe weinig bedenken jullie!.. Hij (de Qur’ân al-karîm) is neergezonden van de Heer der werelden (aan Muhammad ’alayhis-salâm, door bemiddeling van Jibrîl ’alayhis-salâm)” Hâqqa: 42–43

Jibrîl ’alayhis-salâm had al eerder bekendgemaakt dat ’Umar kwam om te geloven en onderweg was. Onze Meester Rasûlullah ontving ’Umar met een glimlach en zei: “Laat hem, ga bij hem vandaan.” ’Umar knielde voor Rasûlullah neer. Rasûlullah nam ’Umar bij de arm en zei: “Kom tot het geloof, o ’Umar!” En met een zuiver hart sprak hij de kalima-i shahâda uit. Van vreugde lieten de Metgezellen hun takbîr tot in de hemel weerklinken.

Nadat hij moslim was geworden, vertelde ’Umar over zijn toestand:

“Toen ik moslim werd, verborgen de Metgezellen zich voor de afgodendienaren en verrichtten zij hun aanbidding in het geheim. Ik was hierover zeer bedroefd en vroeg: ‘Yâ Rasûlallah! Zijn wij niet op de waarheid?’ Onze Meester de Profeet zei: ‘Ja. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens macht mijn bestaan is: of jullie nu dood zijn of levend, jullie zijn zeker op de waarheid.’

Toen zei ik: ‘Yâ Rasûlallah! Aangezien wij op de waarheid zijn en de afgodendienaren op de valse weg, waarom verbergen wij dan onze religie? Bij Allah, wij hebben meer recht en zijn waardiger om de religie van de islam tegenover het ongeloof (kufr) openlijk te verkondigen. De religie van Allâhu ta’âlâ zal in Mekka ongetwijfeld zegevieren. Als ons volk zich billijk tegenover ons gedraagt, des te beter; als zij buiten hun boekje willen gaan, zullen wij met hen strijden.’ Onze Meester Rasûlullah zei: ‘Wij zijn in aantal zeer weinig!’

Ik zei: ‘Yâ Rasûlallah! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die u als ware Profeet heeft gezonden, dat er geen bijeenkomst van afgodendienaren zal overblijven waar ik niet ga zitten om zonder schroom en zonder vrees de islam uit te leggen. Laten wij nu naar buiten treden!’ Toen hij dit aanvaardde, gingen wij in twee rijen naar buiten en liepen naar de Haram ash-Sharîf. Aan het hoofd van de ene rij liep Hamza, aan het hoofd van de andere ik. Met krachtige stappen, alsof wij de aarde tot meel vertrapten, met een waardige en ontzagwekkende tred, betraden wij de Masjid al-Harâm. De afgodendienaren van de Quraysh keken nu eens naar mij, dan weer naar Hamza. Zij werden door zo’n droefheid en verdriet getroffen, dat zij misschien nog nooit in hun leven in zo’n wanhoop waren gevallen.” Toen ’Umar zo aankwam, trad Abû Jahl naar voren en vroeg: “O ’Umar! Wat is dit?” Zonder op hem te letten zei ’Umar: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh.” Abû Jahl wist niet wat hij moest zeggen. Hij stond als versteend. ’Umar wendde zich tot die bende afgodendienaren en zei: “O Quraysh!… Wie mij kent, kent mij! Wie mij niet kent, moet weten dat ik ’Umar ben, de zoon van Khattâb… Wie zijn vrouw weduwe en zijn kinderen wees wil maken, laat hem zich van zijn plaats verroeren! Wie zich verroert, hak ik met mijn zwaard in stukken en vel ik ter aarde!…” Daarop gingen de afgodendienaren van de Quraysh in een oogwenk uiteen en verwijderden zich. Rasûlullah en zijn verheven Metgezellen stelden zich in een rij op en spraken met luide stem de takbîr uit. De hemel boven Mekka weergalmde van de kreten van de Metgezellen: “Allâhu akbar!… Allâhu akbar!…” Voor het eerst werd in de Haram ash-Sharîf openlijk het gebed verricht.13 Toen ’Umar moslim werd, werd het vierenzestigste edele vers van soera al-Anfâl neergezonden. In betekenis: “O Mijn Profeet! Als helper is Allâhu ta’âlâ voor jou voldoende, en de gelovigen die jouw voetsporen volgen.” Sommige mensen die in twijfel heen en weer geslingerd werden, kozen voor de islam toen zij zagen dat ’Umar moslim was geworden, en verwierven de eer Metgezel te worden.

Voortaan begon het aantal moslims met de dag als een lawine te groeien.

“O mijn Heer! Versterk deze religie met Abû Jahl of met ’Umar!” Hadîth sharîf

In ieder werk noemde hij de naam van de Rahmân, die bron van vrijgevigheid, Een mijn van lof en dank was de Profeet, die bron van vrijgevigheid. Hij was de plaats van goddelijke gunsten, de bron van kennis en zachtmoedigheid, Zijn ziel was vervuld van een goed karakter, die bron van vrijgevigheid. Om Allah was hij mild en nederig voor de schepselen van de Haqq, Aan alle mensen schonk hij goedheid en weldaad, die bron van vrijgevigheid.

Vroeger aanzien van de Ka’ba al-Mu’azzama Makka al-Mukarrama

De tweede Hijra naar Abessinië

Toen de Metgezellen (’alayhimur-ridwân) in Mekka terugkwamen, begonnen de afgodendienaren hen opnieuw te kwellen en te martelen. Hun onderdrukking werd steeds erger. Zonder enige schroom pasten zij iedere soort marteling toe. Op een dag zei ’Uthmân: “Yâ Rasûlallah! Ik heb Abessinië leren kennen als een goede plaats voor de handel. Een maand handel levert er veel winst op. Totdat Allâhu ta’âlâ de plaats van de Hijra bepaalt, kan er voor de moslims geen betere plaats zijn dan deze. Dan worden de gelovigen tenminste verlost van de kwellingen van de Quraysh. De Negus heeft ons veel welwillendheid en heel wat goedheid betoond.” Daarop zei onze Meester de Profeet: “Keer terug naar Abessinië, opdat jullie door de naam van Allâhu ta’âlâ beschermd zijn.” Toen ’Uthmân zei: “Yâ Rasûlallah! Als u daarheen zou gaan, zouden zij misschien moslim worden. Omdat zij mensen van het Boek zijn, zouden zij snel tot de islam komen en hun hulp niet onthouden,” zei onze geliefde Profeet: “Ik heb geen opdracht gekregen rust en gemak te zoeken. Wat de Hijra betreft, wacht ik op het gezegende bevel van Allâhu ta’âlâ. Zoals mij wordt bevolen, zo zal ik handelen.”

In het zesde jaar van de bi’tha ging volgens een overlevering een karavaan van honderdeen personen van de Metgezellen (radiyallâhu ’anhum), 83 mannen en 18 vrouwen, voor de tweede keer op weg naar Abessinië. Aan het hoofd van deze karavaan was Ja’far ibn Abî Tâlib gesteld. Behouden kwamen zij aan in het land van de Negus. Umm Salama (radiyallâhu ’anhâ) vertelde over wat zij in Abessinië meemaakten: “Toen wij in Abessinië aankwamen, troffen wij daar een zeer goede buur. Die buur was de koning, de Negus. Hij vervulde al onze wensen. Wij konden de geboden van onze religie naleven zoals wij wilden. Wij konden Allâhu ta’âlâ vrij aanbidden en ondergingen geen enkele kwelling. Wij hoorden geen enkel kwaad woord.” Toen de afgodendienaren van Mekka van deze toestand hoorden, besloten zij twee gezanten naar de koning van Abessinië te sturen. Voor de Negus werden, naast uiterst kostbare voorwerpen, geschenken van het Mekkaanse leer, waar hij veel van hield, gereedgemaakt. Ook voor de geestelijken en de hoogwaardigheidsbekleders van de staat werd aan geschenken gedacht. Met deze taak werden ’Abdullah ibn Abî Rabî’a en ’Amr ibn ’Âs belast. Deze twee gezanten werd ingeprent wat zij in de tegenwoordigheid van de Negus moesten zeggen. Men zei tegen hen: “Geef, voordat jullie met de koning spreken, ieder van zijn patriarchen en bevelhebbers zijn geschenken. Bied daarna die van de Negus aan. Vraag, nadat jullie dat hebben gedaan, dat de moslims die daar zijn aan jullie worden uitgeleverd. Geef de Negus geen gelegenheid de moslims te ontmoeten en met hen te spreken.”14 De gezanten kwamen in Abessinië aan. Nadat zij de hoogwaardigheidsbekleders van de staat hadden bezocht en hun hun geschenken hadden gegeven, zeiden zij tegen ieder van hen: “Onder ons zijn enkele mensen opgestaan. Zij hebben een nieuwe religie verzonnen die wij noch u kennen. Wij willen deze lieden die hierheen zijn gekomen naar hun land terugbrengen. Wanneer u met uw koning over hen spreekt, zet u er dan voor in dat zij aan ons worden uitgeleverd zonder dat er met hen wordt gesproken. Degenen die zich het best met deze mensen kunnen bezighouden, zijn hun eigen ouders en hun buren. Die kennen hen zeer goed.”15 De patriarchen gingen op dit voorstel in. Daarna boden de Mekkaanse gezanten de geschenken van de Negus aan. De Negus aanvaardde de geschenken, nodigde hen bij zich uit en sprak een tijd met hen.

“Keer terug naar Abessinië, opdat jullie door de naam van Allâhu ta’âlâ beschermd zijn” Hadîth sharîf

De gezanten zeiden tegen de Negus: “O koning! Enkele mensen uit ons midden hebben in uw land hun toevlucht gezocht. Zoals zij de religie van hun eigen volk hebben verlaten, zo zijn zij ook niet tot uw religie toegetreden. Zij hebben een verzonnen religie, naar hun eigen goeddunken. Noch wij noch u kennen deze religie. De vooraanstaanden van het volk waartoe zij behoren, hebben ons naar u gezonden. Deze vooraanstaanden zijn de vaders en de naaste verwanten van de mannen die in uw land hun toevlucht hebben gezocht. Hun wens is dat zij die gekomen zijn, worden teruggestuurd. Want zij kennen hun toestand van nabij. Zij weten beter wat deze mensen in hun eigen religie niet goedkeuren…” Wat zowel ’Amr ibn ’Âs als ’Abdullah ibn Abî Rabî’a het meest wensten, was dat de Negus naar deze woorden zou luisteren en naar hun wensen zou handelen. Nadat de gezanten deze woorden hadden gesproken, namen de patriarchen van de Negus het woord en zeiden: “Zij hebben volkomen gelijk. Hun volk kan zich beter met hen bezighouden en kan beter beoordelen wat zij goedkeuren en wat niet. Lever deze mannen daarom uit, zodat zij hen naar hun land en hun volk terugbrengen.” De Negus werd hierover zeer boos en zei: “Bij Allah, nee! Ik lever deze mannen niet uit. Ik kan geen verraad plegen tegenover mannen die bij mij hun toevlucht hebben gezocht en naar mijn land zijn gekomen. Zij hebben mij boven anderen verkozen en zijn naar mijn land gekomen. Daarom zal ik de Muhâjirûn die gekomen zijn in mijn paleis uitnodigen, hun vragen wat zij te zeggen hebben op de woorden van deze mannen, en naar hun antwoorden luisteren. Als de Muhâjirûn zijn zoals dezen zeggen, geef ik hen aan hen die gekomen zijn en stuur ik hen terug naar hun volk. Zo niet, dan zal ik hen beschermen en hun goed doen zolang zij in mijn land blijven.” Al eerder had de Negus de hemelse boeken bestudeerd. Hij wist dat de tijd van de komst van Muhammad ’alayhis-salâm nabij was, dat zijn volk hem een leugenaar zou noemen, niet in hem zou geloven en hem uit Mekka zou verdrijven. De Negus vroeg de gezanten uit Mekka: “In wie geloven zij?” Zij zeiden: “In Muhammad.” Toen de Negus deze naam hoorde, begreep hij dat hij profeet was, maar hij liet het niet merken. Opnieuw vroeg hij hun die gekomen waren: “Wat is zijn religie en zijn leer, en waartoe roept hij op?” ’Amr zei: “Hij heeft geen leer.” De Negus zei: “Hoe kan ik een groep die bij mij bescherming heeft gezocht uitleveren zonder hun leer en hun religie te kennen? Laten we een raad bijeenroepen. Laten we ook hen laten komen. Laten we hen met jullie confronteren. Dan wordt duidelijk hoe het met jullie allen staat. En dan leer ik ook hun religie kennen.” Zij nodigden de moslims in het paleis uit. De moslims overlegden eerst onder elkaar en bespraken: “Wat zullen wij zeggen dat de koning van Abessinië bevalt en bij zijn gemoedsaard past?” Ja’far zei: “Bij Allah, wat wij hierover weten, is alleen wat onze Profeet ons heeft bevolen. Wat de uitkomst ook is, wij leggen ons erbij neer.” Allen stemden in, en nadat zij waren overeengekomen dat alleen Ja’far zou spreken, kwamen zij bij de Negus. Ook de Negus had zijn geleerden bijeengeroepen. Er werd een grote raad gehouden. Daarna brachten zij de Muhâjirûn binnen. Toen de moslims binnenkwamen, gaven zij de salâm-groet.

Maar zij bogen zich niet neer in sajda. Toen de Negus hun vroeg: “Waarom hebben jullie je niet neergebogen?”, zeiden zij: “Wij buigen ons voor niemand neer in sajda dan voor Allâhu ta’âlâ. Onze Meester de Profeet heeft ons verboden ons voor iemand anders dan Allâhu ta’âlâ neer te buigen en heeft gezegd: ‘De sajda komt alleen Allâhu ta’âlâ toe.’” De Negus zei tegen de Muhâjirûn: “O jullie, groep die in mijn tegenwoordigheid is gekomen! Zeg het mij. Waarvoor zijn jullie naar mijn land gekomen? Hoe staat het met jullie? Jullie zijn geen kooplieden, en jullie hebben ook geen verzoek. Hoe staat het met die profeet van jullie die is opgestaan? Waarom groeten jullie niet zoals de mensen uit jullie land die hierheen komen groeten?”

Ja’far (radiyallâhu ’anh) zei: “O koning! Eerst zal ik drie dingen zeggen. Als ik de waarheid spreek, bevestig mij dan; als ik lieg, spreek mij dan tegen. Beveel allereerst dat van deze mannen slechts één spreekt en de ander zwijgt!”

’Amr ibn ’Âs zei: “Laat mij spreken.” De Negus zei: “O Ja’far, spreek jij eerst.”

Ja’far zei: “Ik heb drie dingen te zeggen. Vraagt u deze man: zijn wij slaven die gevangen moeten worden genomen en aan hun meesters teruggegeven?” De Negus vroeg: “O ’Amr! Zijn zij slaven?” ’Amr zei: “Nee! Zij zijn geen slaven, zij zijn vrij!” Ja’far zei: “Hebben wij soms onrechtmatig iemands bloed vergoten, zodat wij moeten worden uitgeleverd aan hen wier bloed is vergoten?” Toen de Negus ’Amr vroeg: “Hebben dezen onrechtmatig iemand gedood?”, zei ’Amr: “Nee, zij hebben zelfs geen druppel bloed vergoten.” Ja’far zei tegen de Negus: “Hebben wij soms goederen die wij onrechtmatig van het bezit van anderen hebben genomen en die wij verplicht zijn terug te betalen?” De Negus zei: “O ’Amr! Ook al moesten deze arme mensen heel veel goud terugbetalen: als zij schulden hebben, zal ik die betalen. Zeg het!” ’Amr zei: “Nee, zelfs geen qîrât (een munteenheid)!” Toen de Negus vroeg: “Wat willen jullie dan van hen?”, zei ’Amr: “Zij en wij waren in één religie en op één weg. Zij hebben die verlaten. Zij zijn Muhammad en zijn religie gevolgd.” De Negus vroeg Ja’far: “Waarom hebben jullie de religie waarin jullie waren verlaten en een andere gevolgd? Aangezien jullie de religie van jullie volk hebben verlaten en ook niet in mijn religie zijn, hoe is dan deze religie waarin jullie geloven? Kun je mij erover inlichten?”

Ja’far zei: “O koning! Wij waren een onwetend volk. Wij aanbaden afgoden. Wij aten het kadaver van gestorven dieren en begingen iedere slechte daad. Wij verbraken de banden met onze verwanten en behandelden onze buren niet goed. De sterken onder ons onderdrukten de zwakken en wisten niet wat barmhartigheid is. In die toestand bleven wij, totdat Allâhu ta’âlâ ons uit ons eigen midden een profeet zond van wie wij de waarachtigheid, de betrouwbaarheid, de kuisheid, de reinheid en de zuivere afstamming kenden. Die profeet nodigde ons uit te geloven in het bestaan en de eenheid van Allâhu ta’âlâ, Hem te aanbidden en de stenen en afgoden te verlaten die wij en onze voorvaderen steeds hadden aanbeden. Hij beval ons waarachtig te zijn, geen verraad te plegen met wat ons was toevertrouwd, de rechten van de verwantschap in acht te nemen, goed met de buren om te gaan en ons te hoeden voor zonden en voor het vergieten van bloed. Hij hield ons af van iedere zedeloosheid, van liegen, van het zich vergrijpen aan het bezit van wezen en van het belasteren van kuise vrouwen. Hij beval ons Allâhu ta’âlâ te aanbidden zonder Hem een gelijke of deelgenoot toe te kennen. En wij aanvaardden het, geloofden in alles wat hij van Allâhu ta’âlâ had gebracht en deden wat hij zei. Wij aanbaden Allâhu ta’âlâ. Wat Hij voor ons verboden (harâm) had gemaakt, beschouwden wij als harâm, en wat Hij voor ons geoorloofd (halâl) had gemaakt, als halâl, en zo handelden wij. Daarom werd ons volk onze vijand en deed het ons onrecht. Om ons van onze religie af te brengen, ons van de aanbidding van Allâhu ta’âlâ te laten afzien en weer afgoden te laten aanbidden, onderwierpen zij ons aan allerlei martelingen en beproevingen. Zij deden ons onrecht. Zij drongen ons steeds verder in het nauw. Zij drongen zich tussen ons en onze religie en wilden ons van onze religie scheiden. Toen verlieten wij ons land en ons huis en zochten onze toevlucht in uw land. Wij hebben u boven anderen verkozen. Wij hebben vurig verlangd naar uw bescherming en uw nabuurschap. Wij hopen bij u geen onderdrukking en geen onrecht te ondervinden.” Ja’far vervolgde zijn rede als volgt: “Wat het groeten betreft: wij hebben u gegroet met de groet van Rasûlullah. Zo groeten wij ook elkaar. Onze Meester de Profeet heeft ons meegedeeld dat ook de groet van de bewoners van het Paradijs zo is. Daarom hebben wij uw verheven persoon zo gegroet. En omdat onze Meester de Profeet heeft gezegd dat men zich niet voor mensen in sajda neerbuigt, zoeken wij onze toevlucht bij Allâhu ta’âlâ tegen het neerbuigen voor een ander dan Allâhu ta’âlâ.” De Negus vroeg: “Ken jij iets van wat Allah heeft geopenbaard?” Toen Ja’far zei: “Ja,” zei de Negus: “Reciteer het mij.” Ja’far begon de eerste verzen van soera Maryam te reciteren. (Er wordt ook overgeleverd dat hij uit de soera’s al-‘Ankabût en ar-Rûm reciteerde.) De Negus huilde. De tranen die uit zijn ogen stroomden, maakten zijn baard nat. Ook de monniken huilden. De Negus en de monniken zeiden: “O Ja’far! Reciteer nog wat meer van dit zoete en mooie woord.” Ja’far reciteerde vanaf het begin van soera al-Kahf, waarin in betekenis wordt gezegd: “Lof zij Allah, Die aan Zijn dienaar (Muhammad ‘alayhis-salâm) het rechte Boek (de Qur’ân al-karîm) heeft neergezonden, waarin Hij geen kromheid in de bewoordingen en geen tegenspraak in de betekenis heeft gelegd (ver van overdrijving en tekortkoming), om de kâfirs te waarschuwen voor de zwaarste bestraffing (de Hel) die van Hem (vanuit Zijn verheven tegenwoordigheid) uitgaat, om de gelovigen die goede daden verrichten de blijde boodschap te brengen van een mooie beloning (het Paradijs), waarin zij eeuwig zullen blijven, en om hen te waarschuwen die zeggen: ‘Allâhu ta’âlâ heeft een kind genomen.’ Noch zij (die zeggen: ‘Allâhu ta’âlâ heeft een kind genomen’) noch hun voorvaderen hebben daarover (over dat woord) enige kennis (of wetenschap). Dit woord dat uit hun mond komt, is (ernstig en) uiterst gevaarlijk. Zij spreken niets dan leugens. (O Mijn Rasûl!) Als zij niet in deze Qur’ân al-karîm geloven, wil jij je dan van verdriet en toorn om hen te gronde richten? Wij hebben wat op aarde is (wouden, rivieren, delfstoffen, dieren en planten…) tot een sieraad gemaakt, om de mensen te beproeven wie van hen de beste daden verricht…”16

“De sajda komt alleen Allâhu ta’âlâ toe” Hadîth sharîf

De Negus kon zich niet bedwingen en zei: “Bij Allah, dit is een nûr die uit dezelfde lamp opwelt. Ook Mûsâ en Îsâ (’alayhimas-salâm) zijn ermee gekomen.” Daarna wendde hij zich tot de gezanten van de Quraysh en zei: “Ga heen! Bij Allah, ik lever hen niet aan jullie uit, en ik denk ook niets kwaads over hen.” ’Abdullah ibn Abî Rabî’a en ’Amr ibn ’Âs verlieten de Negus.17 ’Amr zei tegen ’Abdullah: “Ik zweer dat ik bij de Negus een misstap van hen aan het licht zal brengen en hen met wortel en tak zal laten uitroeien. Je zult het zien!” Zijn vriend zei tegen ’Amr: “Ook al keren zij zich tegen ons, wij zijn hoe dan ook met hen verwant. Doe dat niet.” ’Amr zei: “Ik zal de Negus laten weten dat zij Îsâ ’alayhis-salâm als een dienaar beschouwen.” De volgende dag ging hij naar de Negus en zei: “O koning! Zij spreken zware woorden over Îsâ (’alayhis-salâm), de zoon van Maryam. Stuur iemand naar hen en vraag hun eens wat zij over Îsâ ’alayhis-salâm zeggen.” De Negus stuurde iemand naar de moslims om te vragen hoe zij over Îsâ dachten. De moslims kwamen opnieuw bijeen en zeiden tegen elkaar: “Als zij ons naar Îsâ ’alayhis-salâm vragen, wat zullen wij dan antwoorden?” Ja’far zei: “Bij Allah, wij zeggen over Îsâ wat Allâhu ta’âlâ heeft gezegd en wat onze Meester de Profeet ons heeft gebracht.” Toen zij voor de Negus verschenen, vroeg de Negus: “Wat zeggen jullie over Îsâ ’alayhis-salâm, de zoon van Maryam?” Ja’far antwoordde: “Over Îsâ ’alayhis-salâm zeggen wij wat onze Meester de Profeet ons van Allâhu ta’âlâ heeft gebracht en verkondigd. Wij aanvaarden dat hij de dienaar en de rasûl van Allâhu ta’âlâ is, en Zijn woord, dat Allâhu ta’âlâ heeft neergelegd in Maryam, een kuise vrouw die afstand had gedaan van de wereld en van de mannen en zich aan Haqq ta’âlâ had gewijd. Dat is de toestand en de waardigheid van Îsâ, de zoon van Maryam. Wij zeggen: zoals Hij Âdam uit aarde heeft geschapen, zo heeft Hij ook Îsâ ’alayhis-salâm zonder vader geschapen.” Daarop strekte de Negus zijn hand naar de grond uit, raapte een strohalm op en zei: “Ik zweer dat ook Îsâ, de zoon van Maryam, niets meer is dan wat jullie hebben gezegd. Het verschil is nog niet zo groot als deze strohalm.”

Toen de Negus dat zei, begonnen de hoogwaardigheidsbekleders en de bevelhebbers om hem heen onder elkaar te fluisteren en te morren.

Toen de Negus dat zag, zei hij tegen hen: “Ik zweer dat ik, wat jullie ook zeggen, goed over deze mensen denk.” Daarna wendde hij zich tot de geëmigreerde moslims en zei: “Ik feliciteer jullie en hem bij wie jullie vandaan komen! Ik geloof dat hij de rasûl van Allah is. Wij hadden hem trouwens al in de Injîl gezien. Ook Îsâ, de zoon van Maryam, heeft die Rasûl aangekondigd. Bij Allah, als hij hier was, zou ik naar hem toe gaan, zijn schoenen dragen en zijn voeten wassen! Ga heen! Leef in het ongerepte deel van mijn land, ver van iedere aanval, in veiligheid en rust. Wie jullie kwaad doet, richt ik te gronde. Al gaven zij mij een berg goud, ik zou niet één van jullie verdriet doen!”

Daarna zei de Negus over de geschenken die de gezanten van de Quraysh hadden meegebracht: “Ik heb er geen behoefte aan! Toen Allâhu ta’âlâ mij mijn koninkrijk, dat anderen hadden geroofd, teruggaf en het volk aan mij onderwierp, heeft Hij van mij geen steekpenningen aangenomen,” en hij gaf hun hun geschenken terug. De gezanten van de Quraysh verlieten de Negus met lege handen. En de gelukkige Negus had voor de islam gekozen en de Metgezellen buitengewoon verheugd.18

HAQQ SCHIEP HET UNIVERSUM
Haqq schiep het universum uit liefde voor Muhammad,
Hij schiep de maan en de dag uit verlangen naar Muhammad.
“Wees!” zei Hij – het universum werd; Lawh en Qalam werden beschreven,
Het hele Woord werd gereciteerd ter ere van Muhammad.
Alle awliyâ kwamen en legden hun gezicht aan Zijn drempel,
Zij deden de dhikr van de tawhîd voor de nûr van Muhammad.
Uways Qaranî verwierf het, en toch verlangde hij nog meer;
De acht Paradijzen werden versierd uit liefde voor Muhammad.
De vogels vliegen in de lucht, bergen en stenen worden groen,
De bomen dragen vruchten uit liefde voor Muhammad.
Wie geen geloof had, kwam en ontving het geloof van hem,
Zij verrichtten de vijf gebeden uit liefde voor Muhammad.
De engelen kwamen en stelden zich op in rijen,
Zij verrichtten de vijf gebeden uit liefde voor Muhammad.
Wie is Yunus om hem te prijzen? Het vers van de Qur’ân prijst hem.
Gedenk hem, spreek de salawât uit – uit liefde voor Muhammad.

“Ik feliciteer jullie en hem bij wie jullie vandaan komen! Ik geloof dat hij de rasûl van Allah is. Wij hadden hem trouwens al in de Injîl gezien. Ook Îsâ, de zoon van Maryam, heeft die Rasûl aangekondigd” De Negus Ashama