KWELLING, MARTELING EN ONDERDRUKKING
Wanneer de vooraanstaande afgodendienaren van de Quraysh onze Meester de Profeet nu alleen zagen, vielen zij hem aan, beledigden hem en probeerden hem zelfs te slaan. Ook schrokken zij er niet voor terug zijn Metgezellen te martelen. Op een dag zaten de vooraanstaande afgodendienaren van de Quraysh bij de Ka’ba ash-Sharîfa. Zij begonnen over onze Meester de Profeet te praten en zeiden: “Van niemand hebben wij ooit verdragen wat wij van hem verdragen. Hij noemt ons dwazen, hij kleineert en verguist onze goden, hij hekelt onze religie en verdeelt onze gemeenschap, en toch hebben wij geduld en zeggen wij niets.” Op dat moment kwam Habîb-i akram de Ka’ba bezoeken. Hij kuste de Hajar al-Aswad en begon aan de tawâf. Toen hij langs hen liep, begonnen de afgodendienaren onze Meester de Profeet met beledigende woorden te overladen. Onze Meester Rasûlullah was hierover zeer bedroefd, maar hij zei niets en zette zijn tawâf voort. Toen hij voor de derde keer langs hen kwam, bleef hij staan en zei: “O Quraysh! Luister naar mij! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens macht mijn ziel is, dat mij is meegedeeld dat jullie te gronde zullen gaan!”
De afgodendienaren die daar waren, wisten niet wat zij moesten doen en stonden als versteend. Zij konden geen woord uitbrengen. Alleen Abû Jahl trad naar onze Meester Rasûlullah toe en begon hem te smeken: “O Abu’l-Qâsim! Jij bent geen vreemde. Let niet op ons grove gedrag; ga door met je aanbidding. Je bent niet zo onwetend dat je ons zou volgen.” Daarop ging Muhammad ’alayhis-salâm daar weg. De volgende dag kwamen de afgodendienaren op dezelfde plek bijeen en begonnen onze Meester de Profeet zwart te maken. Juist toen kwam onze Meester Rasûlullah daar aan. De afgodendienaren stortten zich onmiddellijk op de Habîb van Allâhu ta’âlâ. ’Uqba ibn Abî Mu’ayt, een van de ellendigsten onder hen, greep onze geliefde Profeet bij zijn gezegende kraag. Hij kneep zijn gezegende hals zo hard dicht dat hij geen adem meer kon halen. Op dat moment kwam Abû Bakr daar aan. Om Rasûlullah te beschermen wierp hij zich tussen hen en riep: “Willen jullie een man doden die zegt: ‘Mijn Heer is Allah’? Hij heeft jullie verzen gebracht van de Heer der werelden!…” De afgodendienaren lieten Habîbullah los en vielen Abû Bakr as-Siddîq aan. Zij sloegen en schopten hem op zijn gezegende hoofd. Een ellendeling die ’Utba ibn Rabî’a heette, sloeg Abû Bakr met zijn schoenen in zijn gezegende gezicht, zodat het onder het bloed zat en hij onherkenbaar werd. Als de zonen van Taym niet waren toegesneld om hen uit elkaar te halen, zouden zij hem hebben doodgeslagen. De mannen van zijn stam legden Abû Bakr, die uitgeput en er erbarmelijk aan toe was, in een laken en droegen hem naar zijn huis. Daarna keerden zij onmiddellijk naar de Ka’ba terug en zeiden: “Als Abû Bakr sterft, zweren wij dat wij ’Utba zullen afmaken!” Toen gingen zij terug naar Abû Bakr.1 Abû Bakr kwam lange tijd niet bij bewustzijn.
Zijn vader en de mannen van de Banû Taym deden alles om hem bij te brengen. Pas tegen de avond kwam hij bij. Zodra hij zijn ogen opende, kon hij met gebroken stem nog zeggen: “Wat doet Rasûlullah? Hoe is het met hem? Ook hem hadden zij uitgescholden en beledigd.” Tegen zijn moeder, Umm al-Khayr, zeiden zij: “Vraag hem eens of hij iets wil eten of drinken.” Abû Bakr as-Siddîq had helemaal geen kracht meer. Hij wilde ook niets eten of drinken. Toen het huis leeg was geworden, vroeg zijn moeder: “Wat wil je eten, wat wil je drinken?” Hij opende zijn ogen en vroeg niet naar zijn eigen pijn en smart, maar naar de toestand van hem die hij meer liefhad dan zijn eigen leven: “Hoe is het met Rasûlullah? Wat doet hij?”
“O Quraysh! Luister naar mij! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens macht mijn ziel is, dat mij is meegedeeld dat jullie te gronde zullen gaan!” Onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm
Zijn moeder antwoordde: “Bij Allah, ik weet niets over je vriend!” Abû Bakr zei tegen haar: “Gaat u naar Umm Jamîl, de dochter van Khattâb, en vraagt u haar naar Rasûlullah!”
Umm Jamîl was de zuster van ’Umar en was moslim geworden. De moeder van Abû Bakr ging naar Umm Jamîl en zei: “Mijn zoon Abû Bakr vraagt jou naar Muhammad ’alayhis-salâm. Hoe zou het met hem zijn?” Umm Jamîl zei: “Ik weet niets, noch over Muhammad ’alayhis-salâm noch over Abû Bakr! Als u wilt, gaan we samen.” Toen Umm al-Khayr zei: “Goed,” gingen zij samen naar het huis van Abû Bakr. Toen Umm Jamîl Abû Bakr as-Siddîq in zo’n erbarmelijke toestand zag, onder de wonden en de blauwe plekken, kon zij zich niet inhouden. Zij slaakte een kreet en zei: “Een volk dat jou dit heeft aangedaan, is ongetwijfeld losbandig en buiten alle perken gegaan. Mijn wens tot Allâhu ta’âlâ is dat zij hun vergelding krijgen voor wat zij hebben gedaan.” Abû Bakr vroeg Umm Jamîl: “Wat doet Rasûlullah? Hoe is het met hem?” Umm Jamîl zei tegen hem: “Je moeder is hier; zij hoort wat ik zeg.” Abû Bakr antwoordde: “Van haar heb je niets te vrezen; zij zal je geheim niet verspreiden.” Umm Jamîl zei: “Hij leeft en het gaat goed met hem.” Hij vroeg opnieuw: “Waar is hij nu?” Umm Jamîl antwoordde: “Hij is in het huis van Arqam.” Abû Bakr zei: “Bij Allah, zolang ik niet naar Rasûlullah ben gegaan en hem heb gezien, eet ik niets en drink ik niets!” Zijn moeder zei: “Wacht nu nog even! Als iedereen in slaap is gevallen, gaan we.”
Toen iedereen sliep en het op straat stil was geworden, ging Abû Bakr, steunend op zijn moeder en op Umm Jamîl, langzaam naar Rasûlullah. Hij omhelsde en kuste hem, en hij omhelsde ook zijn moslimbroeders. De toestand van Abû Bakr bedroefde onze Meester de Profeet zeer. Abû Bakr zei: “Yâ Rasûlallah! Mogen mijn vader en mijn moeder voor u worden opgeofferd! Ik heb geen ander verdriet dan dat die losbandige man mijn gezicht en mijn ogen over de grond heeft gewreven tot ik onherkenbaar was! En zij die hier naast mij staat, is mijn moeder Salmâ, die mij ter wereld heeft gebracht. Ik verzoek u nederig een smeekbede voor haar te doen. Misschien zal Allâhu ta’âlâ haar omwille van u van het vuur van de Hel redden.” Daarop smeekte onze geliefde Profeet Allâhu ta’âlâ dat Salmâ moslim zou worden. De smeekbede van onze Meester Rasûlullah werd aanvaard. Zo kwam ook Umm al-Khayr tot de rechte leiding (hidâya), werd moslim en verwierf de eer tot de eerste moslims te behoren.
Mogen de handen van Abû Lahab verdorren
Het huis van onze Meester de Profeet lag tussen de huizen van twee verbeten afgodendienaren, Abû Lahab en ’Uqba ibn Abî Mu’ayt. Zij probeerden onze geliefde Profeet bij iedere gelegenheid te kwellen. Zij wierpen zelfs ’s nachts de ingewanden van dieren voor de deur van onze Meester Rasûlullah. Zijn oom Abû Lahab nam daar geen genoegen mee: vanuit het huis van zijn buurman ’Adiyy kwelde hij hem door stenen naar hem te gooien.
Zijn vrouw, Umm Jamîl, deed niet voor haar man onder: zij verzamelde doornige takken en strooide die op de wegen waarlangs Rasûlullah zou komen, zodat zij in zijn gezegende voeten zouden prikken. Op een dag, toen Abû Lahab het vuil dat hij had meegebracht voor de deur van onze Meester de Profeet uitstortte, zag Hamza hem. Hij rende onmiddellijk op hem af, greep zijn broer Abû Lahab vast en stortte het vuil dat hij had meegebracht over zijn eigen hoofd uit.
Na deze kwellingen van Abû Lahab en zijn vrouw werd over hen soera al-Masad (Tabbat) geopenbaard, die begint met de woorden: “Mogen de handen van Abû Lahab verdorren, en zij zijn al verdord…” Toen Umm Jamîl, de vrouw van Abû Lahab, hoorde dat er een soera over hen was neergezonden, begon zij onze Meester de Profeet te zoeken. Toen zij vernam dat hij bij de Ka’ba was, nam zij een enorme steen in de hand en ging daarheen. Abû Bakr had op dat moment de eer met onze Profeet in gesprek te zijn.
Toen hij Umm Jamîl met de steen in de hand zag, zei hij: “Yâ Rasûlallah! Daar komt Umm Jamîl. Zij is een zeer kwaadaardige vrouw; ik vrees dat zij u kwaad zal doen. Als u zich in een hoek terugtrok, zou u niet aan haar kwelling blootstaan.” Onze Meester Rasûlullah zei: “Zij kan mij niet zien.” Umm Jamîl kwam vlak voor Abû Bakr staan en sprak laaghartige woorden: “O Abû Bakr! Zeg mij snel waar die vriend van je is! Hij heeft mij en mijn man in verzen gehekeld en zwartgemaakt. Als hij een dichter is, dan zijn ook ik en mijn man dichters. Kijk, nu hekel ik hem ook. Wij komen tegen hem in opstand, wij aanvaarden zijn profeetschap niet en wij moeten ook niets van zijn religie hebben. Ik zweer dat ik, als ik hem maar zag, hem deze steen op zijn hoofd zou slaan…” Toen Abû Bakr zei: “Mijn meester is geen dichter en heeft jou niet in verzen gehekeld,” draaide Umm Jamîl zich om en ging weg. Abû Bakr wendde zich tot onze Meester de Profeet en vroeg: “Yâ Rasûlallah! Heeft zij u niet gezien?” Hij zei: “Zij heeft mij niet gezien. Allâhu ta’âlâ heeft haar ogen zo gemaakt dat zij mij niet kon zien.”2
Van de gezegende dochters van onze Meester de Profeet was Umm Kulthûm verloofd met ’Utayba, de zoon van Abû Lahab, en Ruqayya met zijn andere zoon ’Utba; maar zij waren nog niet getrouwd.
Toen soera al-Masad werd geopenbaard, stelden Abû Lahab, die voor de Hel bestemd was, zijn vrouw en de vooraanstaanden van de Quraysh aan ’Utba en ’Utayba voor: “Door zijn dochters te nemen hebben jullie zijn last verlicht. Verstoot zijn dochters, zodat hij in moeilijkheden komt. Wij zullen voor jullie ieder meisje van de Quraysh vragen dat jullie willen.” Zij zeiden: “Goed, wij hebben hen verstoten.” ’Utayba, een laaghartige man, ging nog verder: hij kwam bij onze Profeet (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) en beledigde hem met de woorden: “O Muhammad! Ik erken jou en je religie niet. Ook je dochter heb ik verstoten. Voortaan moet jij mij niet liefhebben, en ik jou ook niet! Kom jij niet naar mij, en ik kom niet naar jou!…” Daarna viel hij onze geliefde Profeet aan en greep hem bij zijn gezegende kraag. Hij scheurde zijn hemd en beledigde hem. Daarop sprak onze geliefde Profeet een verwensing over hem uit: “O mijn Heer! Laat een van Uw wilde dieren op hem los!” Toen de ellendige ’Utayba naar zijn vader ging en vertelde wat er gebeurd was, zei Abû Lahab: “Ik ben bang voor de smeekbede van Muhammad tegen mijn zoon.” Enkele dagen later stuurde Abû Lahab zijn zoon ’Utayba voor de handel naar Damascus. De karavaan had halt gehouden op een plaats die Zarqâ heette om er te overnachten. Een leeuw begon in de omgeving rond te sluipen. Zodra ’Utayba dat zag, zei hij: “Wee mij! Ik zweer dat de verwensing van Muhammad (’alayhis-salâm) is aanvaard. Deze leeuw zal mij verslinden! Ook al is hij zelf in Mekka, hij is mijn moordenaar!” Even later verdween de leeuw. Zij lieten ’Utayba op een wat hogere plek slapen. In de nacht kwam de leeuw terug. Hij besnuffelde de mensen van de karavaan een voor een en kwam zo bij ’Utayba. Hij sprong op hem, reet zijn buik open, greep zijn hoofd en maakte met een gruwelijke beet een einde aan hem. Schreeuwend en jammerend gaf ’Utayba de geest met de woorden: “Had ik jullie niet gezegd dat Muhammad de waarachtigste van de mensen is?” En toen Abû Lahab hoorde dat zijn zoon door een leeuw was verscheurd, huilde hij: “Had ik jullie niet gezegd dat ik bang was voor de smeekbede van Muhammad tegen mijn zoon?”3
“Mogen de handen van Abû Lahab verdorren (moge hij vergaan), en zij zijn al verdord. Noch zijn bezit (wat hij van zijn vader erfde) noch wat hij verwierf, heeft hem gebaat. Hij zal een laaiend vuur binnengaan, en ook zijn vrouw, als draagster van brandhout, met om haar hals een gedraaid touw” Tabbat: 1–5
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) riep de mensen op tot het eeuwige geluk; hij nodigde hen uit te geloven in het bestaan en de eenheid van Allâhu ta’âlâ en spande zich in opdat zij niet in de Hel zouden branden. De afgodendienaren daarentegen zeiden: “Dit is de religie van onze vaders,” en gingen door met het aanbidden van afgoden. Onze Meester de Profeet nodigde hen uit als waardige mensen te leven, eergevoel en eer te bezitten, zich te bevrijden van waardeloosheid en op te stijgen naar hoge, verheven rangen. Zij echter bleven koppig volharden. Abû Lahab stond vooraan onder hen die hem beledigden en kwelden. Hij volgde Rasûlullah voortdurend en spande zich in om de mensen ervan af te houden naar hem te luisteren en twijfel in hun gedachten te zaaien. Telkens wanneer onze Meester Rasûlullah op de plaatsen van samenkomst en op de jaarmarkten zei: “O mensen! Zeg ‘Lâ ilâha illallâh’, opdat jullie gered worden!”, kwam hij er onmiddellijk achteraan en zei: “O mensen! Deze man die hier spreekt, is mijn neef. Geloof zijn woorden in geen geval. Blijf uit zijn buurt!”
Op een dag verrichtte Muhammad ’alayhis-salâm het gebed (salât) bij de Ka’ba ash-Sharîfa. Een groep van zeven afgodendienaren uit de vooraanstaanden van de Quraysh, onder wie Abû Jahl, Shayba ibn Rabî’a, ’Utba ibn Rabî’a en ’Uqba ibn Abî Mu’ayt, kwam en ging dicht bij Rasûlullah zitten. In de buurt lagen de ingewanden en de resten van een kameel die de dag ervoor was geslacht. De laaghartige Abû Jahl wendde zich tot zijn gezellen en deed een afschuwelijk voorstel: “Wie van jullie neemt die kamelenmaag en legt die tussen de schouders van Muhammad wanneer hij zich in sajda neerbuigt?” ’Uqba ibn Abî Mu’ayt, de meest onrechtvaardige, de wreedste, de meedogenloosste en de ellendigste van allen die daar waren, stond onmiddellijk op en zei: “Ik doe het.” Terwijl onze Profeet in sajda was, legde hij de maag met alles wat erin zat op zijn gezegende schouders. De afgodendienaren die toekeken, begonnen te schateren van het lachen. Onze Meester de Profeet verlengde zijn sajda en hief zijn gezegende hoofd niet op. Op dat moment zag ’Abdullah ibn Mas’ûd, een van de Metgezellen, wat er gebeurde. Hij heeft deze gebeurtenis als volgt verteld:
“Toen ik Rasûlullah in die toestand zag, schoot het bloed mij naar het hoofd. Maar ik had geen volk en geen stam die mij uit de handen van de afgodendienaren zou beschermen. Ik had niemand en ik was zwak. Op dat moment had ik zelfs niet de kracht om te spreken. Ik bleef staan en keek met groot verdriet naar Rasûlullah.
Ach, had ik toen maar de kracht of een beschermer gehad die mij tegen de afgodendienaren kon beschermen, dan had ik weggenomen en weggegooid wat zij op de gezegende schouder van de Rasûl ’alayhis-salâm hadden gelegd! Terwijl ik zo stond te wachten, brachten zij Fâtima, de dochter van Rasûlullah, het bericht. Fâtima was toen nog klein. Zij kwam aangerend en wierp weg wat er op haar vader lag. Zij sprak een verwensing uit over hen die dit hadden gedaan en zei harde woorden tegen hen. Onze Meester Rasûlullah voltooide zijn gebed alsof er niets gebeurd was, en zei daarna driemaal:
‘O Allah! Deze groep van de Quraysh laat ik aan U over! O Allah! Abû Jahl ‘Amr ibn Hishâm laat ik aan U over! O Allah! ‘Utba ibn Rabî’a laat ik aan U over! O Allah! Shayba ibn Rabî’a laat ik aan U over! O Allah! ‘Uqba ibn Abî Mu’ayt laat ik aan U over! O Allah! Umayya ibn Khalaf laat ik aan U over! O Allah! Walîd ibn ‘Utba laat ik aan U over! O Allah! ‘Umâra ibn Walîd laat ik aan U over!’
Toen de afgodendienaren deze verwensing hoorden, hielden zij op met lachen en werden zij bang, want zij geloofden dat een smeekbede die bij de Baytullah werd gedaan, aanvaard zou worden. Onze Meester Rasûlullah zei tegen Abû Jahl: ‘Bij Allah, óf jij ziet hiervan af, óf Allâhu ta’âlâ laat een ramp op je hoofd neerkomen.’ Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ dat ik ieder van deze mannen wier namen Rasûlullah noemde, in de Slag bij Badr gedood ter aarde heb zien liggen, en dat ik heb gezien hoe zij als een door de hitte stinkend kadaver in de put van Badr werden geworpen.”
Op een dag zei Abû Jahl bij de Baytullah tegen de afgodendienaren van de Quraysh: “O Quraysh! Jullie zien dat Muhammad niet ophoudt onze religie te hekelen, onze afgoden en onze vaders die ze aanbaden zwart te maken en ons als dwazen te beschouwen. Ik zweer in jullie bijzijn dat ik morgen, wanneer hij hier het gebed verricht en zich in sajda neerbuigt, hem met een steen die ik zelf nauwelijks kan dragen met kracht op zijn hoofd zal slaan. Beschermen jullie mij dan tegen de zonen van ’Abdulmuttalib of niet, zoals jullie willen. Nadat ik hem gedood heb, mogen zijn verwanten met mij doen wat zij willen…” De afgodendienaren die daar waren, zweepten hem op: “Wij zweren dat wij je zullen beschermen en je aan niemand zullen uitleveren. Als jij hem maar doodt!” ’s Morgens kwam Abû Jahl met een enorme steen in de hand naar de Ka’ba. Hij ging bij de afgodendienaren zitten en begon te wachten. Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) kwam zoals altijd naar de Baytullah en begon het gebed te verrichten. Abû Jahl stond op en liep op Rasûlullah af om hem met de enorme steen in zijn hand te slaan. Alle afgodendienaren volgden het gebeuren vol spanning. Toen Abû Jahl dicht bij Rasûlullah kwam, begon hij plotseling te beven. De enorme steen viel uit zijn hand op de grond, zijn gezicht werd asgrauw en hij trok zich in grote angst terug. Verbaasd gingen de afgodendienaren naar Abû Jahl toe en vroegen: “O ’Amr ibn Hishâm! Zeg op, wat is er gebeurd?” Abû Jahl zei: “Juist toen ik de steen ophief om hem te doden, kwam er een woeste kameel voor mij staan. Ik zweer dat ik in mijn hele leven nog nooit zo’n ontzagwekkende kameel heb gezien of van zo’n kameel heb gehoord, met zulke hoge poten en zulke scherpe tanden. Als ik nog wat dichterbij was gekomen, had hij mij zeker gedood.” Op een andere dag riep Abû Jahl de afgodendienaren bijeen en vroeg: “Verricht de wees van ’Abdullah hier het gebed en wrijft hij zijn gezicht over de aarde?” Zij zeiden: “Ja.” Abû Jahl, die juist op dat antwoord had gewacht, zei: “Als ik hem zo zie, verpletter ik zijn hoofd met mijn voet.” Op een dag stond de meester der profeten bij de Ka’ba in gebed. Abû Jahl zat met zijn vrienden. Hij stond op en liep op Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) af. Hij kwam heel dichtbij. Maar plotseling streek hij met zijn hand over zijn gezicht en sloeg op de vlucht. De afgodendienaren gingen naar hem toe en zeiden: “Wat is er gebeurd? Wat is er met je aan de hand?” Abû Jahl antwoordde: “Tussen ons verscheen een put van vuur. Toen ik zag dat sommigen zich op mij wierpen, ben ik teruggegaan.” Telkens wanneer de vooraanstaanden van de afgodendienaren, zoals Walîd ibn Mughîra, Abû Jahl (’Amr ibn Hishâm), Aswad ibn Muttalib, Umayya ibn Khalaf, Aswad ibn ’Abdu Yaghûth, ’Âs ibn Wâ’il en Hârith ibn Qays, Rasûlullah zagen, spotten zij: “Die denkt ook nog dat hij profeet is en dat Jibrîl naar hem toe komt.” Op een dag dat Habîb-i akram hierover zeer bedroefd was, kwam Jibrîl ’alayhis-salâm en bracht enkele edele verzen. In betekenis:
“(O Mijn Rasûl!) Waarlijk, ook met de profeten die vóór jou werden gezonden, is de spot gedreven. Hen die met hen (de profeten) de spot dreven en hen hoonden, omsingelden de ramp en de bestraffing van alle kanten, als vergelding voor hun spot.”4 “Voorwaar, Wij zijn voor jou voldoende tegen hen die met jou spotten, hen die naast Allâhu ta’âlâ een andere god erkennen. Zij zullen spoedig weten (welk einde hun wacht). Wij weten waarlijk dat je borst beklemd raakt en je hart benauwd wordt door wat zij zeggen (doordat zij deelgenoten toekennen aan Allah, de Qur’ân al-karîm beschimpen en spottende woorden tegen jou spreken).”5
“O Abû Jahl! Bij Allah, óf jij ziet hiervan af, óf Allâhu ta’âlâ laat een ramp op je hoofd neerkomen” Onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm
Op een dag, toen de Sultan van het universum de tawâf rond de Ka’ba al-Mu’azzama verrichtte, kwam Jibrîl ’alayhis-salâm en zei: “Ik heb het bevel gekregen met hen (de spotters) af te rekenen.” Even later liep Walîd ibn Mughîra voor hen langs. Jibrîl ’alayhis-salâm vroeg: “Wat voor iemand is hij die daar voorbijgaat?” Onze Meester de Profeet zei: “Hij is een van de slechtste dienaren van Allâhu ta’âlâ.” Jibrîl ’alayhis-salâm wees naar het been van Walîd en zei: “Met hem heb ik afgerekend!” Even later kwam ’Âs ibn Wâ’il voorbij. Jibrîl vroeg ook naar hem, en toen hij hetzelfde antwoord kreeg, wees hij naar zijn buik en zei: “Ook hem heb ik op zijn plaats gezet!” Toen Aswad ibn Muttalib voorbijkwam, wees hij naar zijn ogen; toen hij ’Abdu Yaghûth zag, wees hij naar zijn hoofd. Toen Hârith ibn Qays voorbijliep, wees hij naar zijn buik en zei: “O Muhammad! Allâhu ta’âlâ heeft u van het kwaad van deze mannen gered. Binnenkort zal ieder van hen door een ramp worden getroffen.”
Een doorn drong in de voet van ’Âs ibn Wâ’il. Hoeveel geneesmiddelen zij ook maakten, zij vonden geen remedie voor zijn kwaal. Ten slotte zwol zijn voet op als de hals van een kameel, en hij gaf de geest terwijl hij schreeuwde: “De Allah van Muhammad heeft mij gedood!”
Aswad ibn Muttalib werd blind. Jibrîl ’alayhis-salâm liet hem zijn hoofd tegen een boom stoten en vernietigde hem.
Toen Aswad ibn ’Abdu Yaghûth op een plaats was die Bâd-i samûm heette, werden zijn gezicht en zijn lichaam pikzwart. Toen hij thuiskwam, herkenden zij hem niet en joegen hem van de deur weg. Van verdriet sloeg hij zijn hoofd tegen de deur van zijn huis, tot hij stierf.
Hârith ibn Qays had gezouten vis gegeten. Zijn dorst werd steeds heviger. Hoeveel water hij ook dronk, zijn dorst werd niet gelest. Ten slotte barstte hij open. Ook in de kuit van Walîd ibn Mughîra drong een stuk ijzer. Zijn wond genas niet, hij verloor veel bloed, en ook hij gaf de geest terwijl hij schreeuwde: “De Allah van Muhammad heeft mij gedood!”
Zo kreeg ieder van hen de vergelding voor wat hij had gedaan. Bovendien werd in edele verzen meegedeeld dat de afgodendienaren eeuwig in de Hel zullen blijven. Op een dag kwam onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Hakam ibn Abi’l-’Âs tegen. Nadat hij van hem was weggegaan, begon Hakam achter de rug van onze Meester Rasûlullah spottend zijn mond, zijn gezicht en zijn lichaam te verwringen.
Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zag met de nûr van het profeetschap wat Hakam deed, en deed een smeekbede dat hij zo zou blijven. Toen greep een beving het lichaam van Hakam aan, en zo bleef hij tot het einde van zijn leven.
De martelingen die de Metgezellen werden aangedaan
De afgodendienaren kwelden niet alleen onze Meester de Profeet. Ook zijn roemrijke Metgezellen (radiyallâhu ’anhum) martelden zij. Vooral de armen en hen die niemand hadden, kozen zij uit, en zonder enige schroom deden zij hun alle dwang en onderdrukking aan waartoe zij in staat waren, op een manier die het verstand en de verbeelding te boven gaat. Het meest werden gemarteld Bilâl Habashî, Zinnîra Khâtûn, Khabbâb ibn Aratt, ’Ammâr ibn Yâsir en zijn familie (radiyallâhu ’anhum ajma’în). Sommigen van hen brandden zij met stenen die in de zon gloeiend heet waren geworden; anderen lieten zij zonder eten en drinken en martelden hen met de woorden: “Keer je af van de religie van Muhammad!” Maar zij verdroegen deze ondraaglijke kwellingen met geduld en keerden zich nooit af van de religie van de islam.
Allah is Eén, Allah is Eén
Bilâl, de slaaf van een afgodendienaar die Umayya ibn Khalaf heette, was door toedoen van Abû Bakr as-Siddîq moslim geworden. Omdat Umayya van zijn twaalf slaven het meest van Bilâl hield, had hij hem tot bewaker van de afgodentempel gemaakt. Toen Bilâl moslim werd, zette hij alle afgoden in de afgodentempel in de houding van de sajda, met het gezicht naar de grond. Toen dit bericht Umayya bereikte, werd hij door grote ontzetting gegrepen. Hij liet hem roepen en vroeg: “Je bent moslim geworden, zeggen ze, en je buigt je neer in sajda voor de Heer van Muhammad. Is dat zo?” Bilâl zei: “Ja. Ik buig mij neer in sajda voor Allâhu ta’âlâ, de Grote en Verhevene.” Toen Umayya dit antwoord kreeg, dat hem niet beviel, begon hij hem onmiddellijk te kwellen en te martelen. ’s Middags, wanneer de zon op haar hoogste punt stond, kleedde hij hem uit en brandde hem door stenen die door de hitte geblakerd waren op zijn naakte lichaam te leggen. Nadat hij een deel van die stenen, die als vuur brandden, op zijn rug en een ander deel op zijn buik had opgestapeld, zei hij: “Keer je af van de religie van de islam!… Geloof in de afgoden Lât en ’Uzzâ!” En Bilâl getuigde van zijn geloof met de woorden: “Allâhu ta’âlâ is Eén! Allâhu ta’âlâ is Eén!”
Telkens wanneer Umayya ibn Khalaf dit geduld van hem zag, werd hij razend; hij sleepte hem over doornen, verwondde zijn lichaam en martelde hem. Zonder acht te slaan op het bloed dat in stromen uit zijn lichaam vloeide, zei Bilâl: “O Allah! Ik ben tevreden met wat van U komt. O Allah! Ik ben tevreden met wat van U komt,” en hij bleef standvastig in zijn geloof. Bilâl heeft zijn toestand als volgt verteld:
“Die verdorven Umayya bond mij in de hitte van de dag vast en kwelde mij ’s nachts. Het was een hete dag. Zoals altijd begon hij mij weer te martelen. Telkens wanneer hij, om mij van de islam af te brengen, zei: ‘Aanbid onze afgoden! Verloochen de Allah van Muhammad, verloochen Hem, verloochen Hem!’, zei ik: ‘Allah is Eén! Allah is Eén!’ Om zijn wrok te koelen legde hij die dag een enorm rotsblok op mijn borst. Op dat moment verloor ik het bewustzijn. Toen ik bijkwam, zag ik dat het rotsblok van mij was weggenomen en dat de zon achter een wolk was verdwenen. Ik dankte Allâhu ta’âlâ en zei bij mijzelf: ‘O Bilâl! Alles wat van Janâb-i Haqq komt, is goed en aangenaam.’”
Op een andere dag had Umayya ibn Khalaf Bilâl Habashî naar buiten gebracht om hem te martelen. Hij trok hem zijn kleren uit tot op een onderbroek, legde hem in de verzengende hitte op het gloeiend hete zand en stapelde stenen op hem. De afgodendienaren kwamen bijeen, martelden hem zwaar en zeiden: “Als je je niet van je religie afkeert, doden wij je.” Onder deze ondraaglijke martelingen zei Bilâl Habashî: “Allah is Eén! Allah is Eén!” Op dat moment kwam onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) daar langs. Toen hij Bilâl Habashî in die toestand zag, werd hij zeer bedroefd en zei: “Het uitspreken van de naam van Allâhu ta’âlâ zal je redden.”
Kort nadat hij naar huis was teruggekeerd, kwam Abû Bakr bij hem. Hij vertelde Abû Bakr as-Siddîq over de marteling die Bilâl Habashî onderging en zei: “Ik ben er zeer bedroefd over.” Abû Bakr ging er onmiddellijk heen. Hij zei tegen de afgodendienaren: “Wat winnen jullie ermee dat jullie Bilâl zo behandelen? Verkoop hem aan mij.” Zij zeiden: “Al gaf je ons een wereld vol goud, wij zouden hem niet verkopen. Maar wij willen hem wel ruilen voor jouw slaaf ’Âmir.” ’Âmir, de slaaf van Abû Bakr, deed zijn handelszaken en verdiende veel geld. Behalve zijn persoonlijke bezit had hij tienduizend goudstukken bij zich. Hij was de helper van Abû Bakr en regelde al zijn zaken. Maar hij was een kâfir en volhardde in zijn kufr. Abû Bakr zei: “Ik geef jullie ’Âmir, met al zijn bezit en al zijn geld, in ruil voor Bilâl.” Umayya ibn Khalaf en de andere afgodendienaren waren zeer verheugd en zeiden: “Wij hebben Abû Bakr bedrogen.”
“(O Mijn Rasûl!) Waarlijk, ook met de profeten die vóór jou werden gezonden, is de spot gedreven. Hen die met hen (de profeten) de spot dreven en hen hoonden, omsingelden de ramp en de bestraffing van alle kanten, als vergelding voor hun spot” An’âm: 10
Abû Bakr wierp onmiddellijk de zware stenen van Bilâl Habashî af en hielp hem overeind. Door de zware martelingen was Bilâl Habashî zeer verzwakt. Abû Bakr nam hem bij de hand, bracht hem rechtstreeks bij onze geliefde Profeet en zei: “Yâ Rasûlallah! Vandaag heb ik Bilâl vrijgelaten omwille van het welbehagen van Allah.” Onze Meester Rasûlullah was hierover zeer verheugd en deed veel smeekbeden voor Abû Bakr. Op dat moment bracht Jibrîl ’alayhis-salâm het zeventiende en het achttiende vers van soera al-Layl, die de blijde boodschap brengen dat Abû Bakr ver van de Hel is. In deze edele verzen werd in betekenis gezegd: “Wie (zoals Abû Bakr) zeer godvrezend is (en zich hoedt voor shirk en zonden), en zijn bezit op de weg van het goede besteedt om rein te worden bij Allâhu ta’âlâ (en de goddelijke belofte te verwerven), die wordt ervan (van de Hel) ver gehouden.”
Een ongehoorde marteling
Ook Khabbâb ibn Aratt behoorde tot hen die werden onderdrukt om hen van hun religie af te brengen. Ook Khabbâb had niemand; hij was de slaaf van een afgodendienares die Umm Anmâr heette.
Omdat hij geen verwant had die hem kon beschermen, kwamen de afgodendienaren bijeen, trokken hem de kleren van zijn gezegende lichaam en reten zijn huid open met doornen. Soms trokken zij hem een ijzeren hemd aan over zijn naakte lichaam en lieten hem in de zon staan. Stenen die zij in de zon of in het vuur hadden verhit, drukten zij tegen zijn naakte lichaam en zeiden: “Keer je af van je religie! Aanbid Lât en ’Uzzâ!” Maar Khabbâb hield vast aan zijn geloof en bood hun weerstand met de woorden: “Lâ ilâha illallâh, Muhammadun Rasûlullah.”
Op een dag kwamen de afgodendienaren bijeen en staken op een plein een vuur aan. Zij bonden Khabbâb vast en brachten hem daarheen. Zij kleedden hem uit en legden hem op het vuur. Óf zij zouden hem van zijn religie afbrengen, óf zij zouden hem in het vuur verbranden. Khabbâb, die op zijn rug midden in het vuur was gelegd, deed deze smeekbede: “O Allah! U ziet mijn toestand en U kent mijn lot. Maak het geloof in mijn hart standvastig en schenk mij een groot geduld!” Een van de afgodendienaren zette zijn voet op de borst van Khabbâb. Maar zij wisten niet dat Allâhu ta’âlâ hen die geloven beschermt.
Toen men Khabbâb jaren later naar deze gebeurtenis vroeg, ontblootte hij zijn rug, liet de brandlittekens zien en zei: “Zij staken voor mij een vuur aan en sleepten mij er daarna in. Dat vuur werd alleen door mijn eigen vlees gedoofd.”
Terwijl zij Khabbâb buiten zo martelden, verhitte zijn meesteres Umm Anmâr, om hem van zijn religie af te brengen, een ijzer in het vuur en drukte het tegen zijn hoofd om hem te brandmerken. Hij verdroeg al deze pijnen omwille van zijn religie, deed niet wat zij hem voorstelden en keerde zich niet af van zijn geloof.
Op een dag kwam Khabbâb bij onze geliefde Profeet en zei: “Yâ Rasûlallah! Buiten verbranden de afgodendienaren mij in het vuur waar zij mij maar zien. Thuis brandt mijn meesteres Umm Anmâr mijn hoofd met een gloeiend ijzer. Ik vraag u nederig om uw smeekbede!” Daarna liet hij de brandwonden op zijn rug en op zijn hoofd zien. Onze Profeet had diep medelijden met zijn toestand. Hij kon het lijden dat Khabbâb doorstond om zich niet van zijn religie af te keren, en het onrecht dat hem werd aangedaan, niet verdragen, en deed een smeekbede met de woorden: “O mijn Heer! Help Khabbâb!” Janâb-i Haqq aanvaardde ogenblikkelijk de smeekbede van Zijn Rasûl en gaf Umm Anmâr een hevige hoofdpijn. Umm Anmâr kreunde van hoofdpijn tot de ochtend aanbrak. Als remedie zeiden zij haar dat haar hoofd met een in het vuur gloeiend gemaakt ijzer moest worden gebrand. Ten slotte riep zij Khabbâb en beval hem de ijzeren staaf in het vuur te verhitten en haar hoofd te branden… En zo brandde Khabbâb met het ijzer haar hoofd…
In de eerste dagen van de islam schonken de afgodendienaren niet veel aandacht aan Khabbâb ibn Aratt. Maar met iedere dag die voorbijging, nam het aantal gelovigen toe. Ten slotte waren zij, of zij wilden of niet, gedwongen de zaak ernstig te nemen. Toen voerden zij de martelingen van Khabbâb op: zij sloegen hem mateloos, ranselden hem af, verwondden hem en stapelden marteling op marteling…
Ondanks dit alles gaf Khabbâb geen deeltje van zijn geloof prijs. Maar de kwellingen en martelingen waren ondraaglijk geworden. Hij legde de Meester van het universum alles voor wat er gebeurd was en zei: “Yâ Rasûlallah! Wilt u geen smeekbede doen opdat wij verlost worden van de martelingen die wij ondergaan?”
Daarop zei onze Meester Rasûlullah: “Onder de umma’s vóór jullie waren er mensen van wie de huid en het vlees met ijzeren kammen werden afgestroopt en afgeschraapt, en zelfs die marteling bracht hen niet van hun religie af. Zij werden van hun kruin af met een zaag in tweeën gezaagd, en zelfs die martelingen deden hen niet van hun religie terugkeren. Allâhu ta’âlâ zal deze zaak (de islam) zeker voltooien. Hij zal haar verheffen boven alle religies, zozeer dat iemand die op zijn rijdier stapt en helemaal alleen van San’â naar Hadramawt reist, niemand zal vrezen dan Allâhu ta’âlâ, en voor zijn schapen geen andere zorg zal hebben dan een aanval van de wolf. Maar jullie hebben haast.” Daarna deed hij een smeekbede voor Khabbâb en streelde zijn rug. Deze vriendelijke woorden van Rasûlullah, die voedsel en genezing zijn voor de zielen, verzachtten de pijnen van Khabbâb.
’Âs ibn Wâ’il, een uitzonderlijk losbandige afgodendienaar, was Khabbâb een aanzienlijk bedrag schuldig. Khabbâb ging naar hem toe om het op te eisen. ’Âs ibn Wâ’il zei tegen Khabbâb: “Zolang je Muhammad niet verloochent, geef ik je niet wat ik je schuldig ben.” Khabbâb antwoordde: “Bij Allah, zoals ik het in mijn leven niet doe, zo zal ik ook na mijn dood, wanneer ik uit mijn graf opsta, mijn Profeet nooit afwijzen en verloochenen. Van alles zie ik af, maar deze verloochening kan ik niet begaan.” Daarop zei ’Âs ibn Wâ’il: “Zullen wij na de dood weer tot leven worden gewekt? Als zoiets bestaat, zal ik dan ook bezit en kinderen hebben. Op die dag betaal ik je mijn schuld.”
Op deze woorden van ’Âs ibn Wâ’il zei Allâhu ta’âlâ in de Qur’ân al-karîm, in het zevenenzeventigste tot en met het negenenzeventigste vers van soera Maryam, in betekenis: “(O Mijn Habîb!) Heb jij hem gezien die Onze verzen verloochent en zegt: ’Mij zullen zeker (op de Dag des Oordeels) bezit en kinderen worden gegeven’ (’Âs ibn Wâ’il)? Heeft hij inzage gekregen in het verborgene, of heeft hij bij de Rahmân een toezegging verkregen? Nee, zo is het niet! Wij zullen opschrijven wat hij zegt (op de Dag des Oordeels zullen Wij hem daarvoor ter verantwoording roepen) en zijn bestraffing steeds verder vergroten.”
Gemarteld tot bewusteloosheid
Bij het martelen maakten de afgodendienaren geen onderscheid tussen vrouwen en mannen. Ook Zinnîra Khâtûn, een van de eerste moslims, die niemand had, was een slavin. Toen de afgodendienaren vernamen dat zij moslim was geworden, schrokken zij er geenszins voor terug ook haar te martelen. Zinnîra Khâtûn werd gedwongen de afgoden Lât en ’Uzzâ te aanbidden; men kneep haar keel dicht en martelde haar tot zij geen adem meer kon halen en het bewustzijn verloor. Toch keerde zij zich nooit van haar religie af en deed zij niet wat zij zeiden. Vooral Abû Jahl martelde haar zeer veel. Daardoor konden de ogen van Zinnîra niet meer zien. Toen Abû Jahl eens zei: “Zie je wel? Lât en ’Uzzâ hebben je blind gemaakt!”, zei Zinnîra Khâtûn als uiting van haar geloof: “O Abû Jahl! Bij Allah, het is niet zoals jij zegt. De afgoden die jij Lât en ’Uzzâ noemt, zijn tot niets nut; zij weten niet wie hen aanbidt en wie niet. Mijn Heer is zeker bij machte mij het licht van mijn ogen terug te geven en mij in mijn vroegere toestand te herstellen.”
“(O Bilâl!) Het uitspreken van de naam van Allâhu ta’âlâ zal je redden” Hadîth sharîf
Abû Jahl stond verbijsterd tegenover het onwankelbare geloof van Zinnîra. Allâhu ta’âlâ aanvaardde de smeekbede van Zinnîra, en haar ogen zagen nog beter dan vroeger. Hoewel Abû Jahl en de afgodendienaren van de Quraysh dit zagen, bleven zij koppig en geloofden niet. Bovendien zeiden zij: “Ook dit is tovenarij van hun profeet! Verbazen jullie je niet over die dwazen die de weg van Muhammad gaan? Als de weg die zij gaan goed en waar was, zouden wij hem vóór hen zijn gevolgd. Zou een slavin de waarheid dan eerder hebben gevonden dan wij?”
Daarop zond Allâhu ta’âlâ het elfde vers van soera al-Ahqâf neer. In betekenis: “Die kâfirs zeiden over hen die geloven: ’Als daarin (in de islam) iets goeds was, zouden zij (de armen, de hulpelozen) ons daarin niet vóór zijn geweest en zouden zij er niet eerder dan wij naartoe zijn gesneld.’ En omdat zij daardoor (door de Qur’ân al-karîm, zoals de gelovigen) niet tot de rechte leiding zijn gekomen, zullen zij (om de Qur’ân al-karîm te verloochenen) zeggen: ’Deze Qur’ân al-karîm (die Muhammad heeft verzonnen) is een oude leugen.’”
Dâr al-Arqam
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was zeer bedroefd over het onrecht en de martelingen die de afgodendienaren zijn Metgezellen aandeden. Er was een veilige plaats nodig voor de verspreiding en het onderricht van de islam. Onze Meester koos voor deze heilige taak het huis van Arqam.6 Dit huis lag ten oosten van de heuvel Safâ, in een smalle steeg, op een wat hogere plek. Van daaruit was de Ka’ba al-Mu’azzama goed te zien. De ingang en de uitgang van het huis waren zeer geschikt om in het oog te houden wie er kwam en ging. Bovendien was Arqam een van de vooraanstaanden van Mekka, een man van groot aanzien. Habîb-i akram legde in dit huis zijn Metgezellen de islam uit. Wie op het punt stond moslim te worden, kwam hierheen, werd met de islam vereerd en ontving zegen door te luisteren naar de gezegende woorden van onze Meester Rasûlullah, die een medicijn zijn voor de harten. Zij luisterden naar onze Meester de Profeet zonder adem te halen, alsof er een vogel op hun hoofd zat die zou wegvliegen zodra zij spraken. Zijn gezegende woorden leerden zij uit het hoofd zonder één woord te missen, alsof zij ze indronken. Onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) bracht zijn dagen door in het huis van Arqam en was van de ochtend tot de avond bezig met het vormen van zijn Metgezellen. Deze plaats was het eerste hoofdkwartier van de moslims, de “Dâr al-Islâm”. De eerste moslims kwamen hier bijeen en waren zo beschermd tegen ieder kwaad van de afgodendienaren.
Gemarteld tot de dood
’Ammâr ibn Yâsir vertelt: “Ik wilde naar Dâr al-Arqam gaan, Rasûlullah zien en moslim worden. Bij de deur kwam ik Suhayb tegen. Toen ik vroeg: ‘Wat doe jij hier?’, stelde hij mij dezelfde vraag. Ik zei: ‘Ik wil bij Muhammad binnengaan, naar zijn woorden luisteren en moslim worden.’ Hij zei: ‘Daarvoor ben ik ook gekomen.’ Samen traden wij binnen in zijn verheven en eervolle tegenwoordigheid. Hij legde ons de islam voor, en met liefde werden wij moslim.”7
’Ammâr was een van de mujâhids die er niet voor terugschrokken hun islam openlijk te belijden. Om zich niet van zijn religie af te keren, verdroeg hij de zwaarste martelingen. Wanneer de afgodendienaren hem alleen aantroffen, brachten zij hem naar de rotsen van Mekka, naar een plaats die Ramdâ heette, trokken hem zijn kleren uit en deden hem een ijzeren hemd aan.
Zo lieten zij hem in de brandende zon staan en martelden hem. Soms brandden zij zijn rug met vuur, en hij onderging eindeloze martelingen. Iedere keer zeiden zij: “Verloochen!… Verloochen!… Aanbid Lât en ’Uzzâ en red jezelf!…” ’Ammâr verdroeg deze ondraaglijke martelingen met groot geduld en antwoordde: “Mijn Heer is Allah, mijn Profeet is Muhammad ’alayhis-salâm.” De afgodendienaren werden hierdoor nog woedender; zij legden rotsblokken die in de hitte gloeiend waren geworden op zijn borst, en soms wierpen zij hem in een put en probeerden hem in het water te verdrinken. Op een dag, toen ’Ammâr ibn Yâsir de eer had bij onze geliefde Profeet te zijn, zei hij: “Yâ Rasûlallah! De martelingen die de afgodendienaren ons aandoen, hebben hun uiterste grens bereikt.” Onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had medelijden met de toestand van ’Ammâr en zei: “Heb geduld, o Abu’l-Yaqzân!” Daarna deed hij deze smeekbede: “O mijn Heer! Laat niemand van de familie van ’Ammâr de bestraffing van de Hel proeven!”
De eerste martelaar, het eerste bloed
De vader van ’Ammâr, Yâsir, zijn moeder Sumayya en zijn broer ’Abdullah waren met het hele gezin moslim geworden. De afgodendienaren deden de moeder, de vader en de broer van ’Ammâr nog zwaardere martelingen aan dan hemzelf. Tijdens de marteling wilden zij hen woorden van kufr laten uitspreken, maar zij antwoordden: “Al stropen jullie onze huid af en snijden jullie ons vlees in plakken, wij luisteren niet naar jullie,” en zij zeiden: “Lâ ilâha illallâh, Muhammadun Rasûlullah.” Op een keer, toen de familie van Yâsir op een plaats die Bathâ heette gezamenlijk werd gemarteld, kwam onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) daar langs. Toen hij de ondraaglijke martelingen van zijn Metgezellen zag, werd hij zeer bedroefd. Toen Yâsir vroeg: “Yâ Rasûlallah! Zal ons leven altijd zo, onder marteling, voorbijgaan?”, zei onze Meester: “Heb geduld, o familie van Yâsir! Verheug je, o familie van ’Ammâr! Zonder enige twijfel is het Paradijs de plaats van jullie beloning.” Op een andere dag kwelden en martelden de afgodendienaren van Mekka ’Ammâr met vuur. Onze Meester Rasûlullah kwam daar en zei: “O vuur! Wees koel en ongevaarlijk voor ’Ammâr, zoals je voor Ibrâhîm (’alayhis-salâm) was!” Later, wanneer ’Ammâr zijn rug ontblootte, was het spoor van het vuur te zien. Dat spoor dateerde van vóór de smeekbede van Rasûlullah. Toen zij de familie van Yâsir weer eens martelden, doodden zij Yâsir en zijn zoon ’Abdullah met pijlen, en zij werden martelaar. Abû Jahl liet de gezegende voeten van Sumayya met touwen vastbinden. Aan de uiteinden van de touwen liet hij twee kamelen binden en die in tegengestelde richtingen voortdrijven; zo liet hij Sumayya uiteenrijten, en zij werd martelaar. Toen onze Meester de Profeet en de Metgezellen (’alayhimur-ridwân) het bericht hoorden dat de meedogenloze, wrede en onrechtvaardige Abû Jahl en de andere afgodendienaren de familie van Yâsir onder martelingen tot martelaars hadden gemaakt, waren zij diep bedroefd. Deze gebeurtenis bracht de Metgezellen ertoe zich nog hechter aan elkaar te verbinden en de rijen te sluiten.8 Wanneer de Metgezellen het gebed wilden verrichten, gingen zij naar plaatsen waar niemand was en verrichtten daar in het geheim hun aanbidding. Op zo’n dag verrichtten Sa’d ibn Abî Waqqâs, Sa’îd ibn Zayd, ’Abdullah ibn Mas’ûd, ’Ammâr ibn Yâsir en Khabbâb ibn Aratt het gebed op een plaats die Abû Dubb heette, in een van de dalen van Mekka. Op dat moment kwamen Akhnas ibn Sharîq en enkele afgodendienaren, die hen waren gevolgd, naar hen toe en begonnen hun aanbidding te bespotten en zwart te maken. Sa’d ibn Abî Waqqâs en zijn vrienden konden dit niet verdragen en gingen op de afgodendienaren af. Sa’d sloeg met een kamelenbot dat hem in handen kwam het hoofd van een van de kâfirs open. De afgodendienaren vluchtten angstig weg. Zo vergoten de moslims voor het eerst het bloed van een kâfir.
“O Abû Jahl! Bij Allah, het is niet zoals jij zegt. De afgoden die jij Lât en ’Uzzâ noemt, zijn tot niets nut; zij weten niet wie hen aanbidt en wie niet. Mijn Heer is zeker bij machte mij het licht van mijn ogen terug te geven en mij in mijn vroegere toestand te herstellen” Zinnîra Khâtûn (radiyallâhu ’anhâ)
Hoe Abû Dharr Ghifârî moslim werd
Een voor een kwamen de mensen tot de rechte leiding, en de nûr van de islam verspreidde zich ook buiten Mekka en begon de wereld te verlichten. Tegenover het bericht van de opkomst en de verspreiding van de islam grepen de afgodendienaren naar ieder middel om die te verhinderen. Ten slotte bereikte dit bericht ook de stam Banû Ghifâr. Zodra Abû Dharr Ghifârî het bericht hoorde, stuurde hij zijn broer Unays naar Mekka en vroeg hem de zaak te onderzoeken. Unays ging naar Mekka en woonde een bijeenkomst van onze Meester de Profeet bij. Vol bewondering keerde hij terug. Toen zijn broer Abû Dharr vroeg: “Wat voor nieuws breng je?”, zei hij: “Mijn broer! Bij Allah, ik heb een zeer verheven man gezien, die altijd het goede en de weldaad gebiedt en van het kwade weerhoudt.” Toen Abû Dharr Ghifârî vroeg: “En wat zeggen de mensen over hem?”, antwoordde zijn broer Unays, een van de beroemde dichters van zijn tijd: “Zij zeggen dat hij een dichter, een waarzegger, een tovenaar is. Maar zijn woorden lijken niet op de woorden van waarzeggers en tovenaars. Ook heb ik wat hij zegt vergeleken met allerlei gedichten van de dichters. Ook daarop lijkt het niet. Deze woorden, die hun weerga niet kennen, kunnen met niemands woorden worden gemeten. Bij Allah, deze man maakt de waarheid bekend en spreekt wat juist is. Wie niet in hem gelooft, is een leugenaar en verkeert in dwaling.” Op dit bericht besloot Abû Dharr Ghifârî naar Mekka te gaan, onze Meester de Profeet te zien en moslim te worden. Hij nam een stok en wat proviand in de hand en sloeg vol vuur de weg naar Mekka in. Toen hij in Mekka aankwam, vertelde hij niemand van zijn voornemen, want de afgodendienaren toonden een hevige vijandschap tegen onze Meester de Profeet en tegen hen die pas moslim waren geworden, en zij voerden hun kwellingen steeds verder op. Vooral moslims die niemand hadden en vreemdelingen martelden zij zeer zwaar. Abû Dharr kende in Mekka niemand. Hij was een vreemdeling, een onbekende. Daarom vroeg hij niemand iets. Bij de Ka’ba wachtte hij op een gelegenheid om Rasûlullah te zien en zocht hij een aanwijzing om te weten waar hij was. Tegen de avond trok hij zich terug in een hoek van een straat. ’Alî zag Abû Dharr. Hij begreep dat hij een vreemdeling was en nam hem mee naar huis. Omdat ’Alî hem niet naar zijn omstandigheden vroeg, maakte Abû Dharr zijn geheim niet bekend. Toen het ochtend werd, ging hij weer naar de Ka’ba. Hoewel hij tot de avond rondliep, bereikte hij niet wat hij wilde. Hij ging op zijn vorige plaats zitten. Ook die avond kwam ’Alî daar weer langs. “Deze arme man heeft zijn huis nog altijd niet gevonden,” zei hij, en hij nam hem opnieuw mee. ’s Morgens ging Abû Dharr weer naar de Baytullah en trok zich terug in zijn hoek. ’Alî nodigde hem opnieuw bij zich thuis uit. Ditmaal vroeg hij hem waar hij vandaan kwam en waarvoor. Abû Dharr zei: “Als je mij vast belooft dat je mij juiste inlichtingen geeft, zal ik het zeggen.” Toen ’Alî zei: “Zeg het; ik zal aan niemand onthullen wat er met je is,” zei Abû Dharr Ghifârî: “Ik heb gehoord dat hier een profeet is opgestaan. Ik ben gekomen om met hem te spreken en hem te ontmoeten.” ’Alî zei: “Je hebt het juiste gevonden en verstandig gehandeld. Ik ga nu naar deze man toe. Volg mij en ga ook jij het huis binnen dat ik binnenga. Als ik onderweg merk dat iemand je kwaad wil doen, doe ik alsof ik mijn schoen recht zet. Loop dan door zonder op mij te wachten.” Abû Dharr Ghifârî volgde ’Alî. Ten slotte had hij de eer het gezegende gezicht van onze Meester de Profeet te zien, en hij groette hem met de woorden: “As-salâmu ’alaykum.”
“Heb geduld, o familie van Yâsir! Verheug je, o familie van ’Ammâr! Zonder enige twijfel is het Paradijs de plaats van jullie beloning” Hadîth sharîf
Deze groet was de eerste salâm-groet die in de islam werd gegeven, en Abû Dharr Ghifârî was de eerste die zo groette. Onze Meester de Profeet beantwoordde zijn groet en zei: “Moge de barmhartigheid van Allâhu ta’âlâ over jou zijn.” Daarna vroeg onze Meester de Profeet: “Wie ben jij?” Hij zei: “Ik ben van de stam Ghifâr.” “Sinds wanneer ben je hier?” vroeg hij. “Ik ben hier al drie dagen en drie nachten.” “Wie heeft je te eten gegeven?” “Ik heb niets anders te eten of te drinken gevonden dan Zamzam. Telkens wanneer ik van Zamzam dronk, voelde ik geen honger en geen dorst.” Onze Profeet zei: “Zamzam is gezegend. Het verzadigt wie honger heeft.” Daarna zei Abû Dharr Ghifârî tegen onze Meester de Profeet: “Maak mij de islam bekend.” Onze Profeet sprak hem de kalima-i shahâda voor; hij sprak haar na, werd met de islam vereerd en voegde zich bij de eerste moslims.9 Nadat hij moslim was geworden, zei Abû Dharr Ghifârî tegen onze Profeet: “Yâ Rasûlallah! Ik zweer bij Janâb-i Haqq, Die u als ware profeet heeft gezonden, dat ik dit openlijk onder de afgodendienaren zal verkondigen.” Hij ging naar de Ka’ba en zei met luide stem: “O Quraysh! Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh – Ik getuig dat er geen god is dan Allâhu ta’âlâ, en dat Muhammad ’alayhis-salâm Zijn dienaar en Zijn rasûl is.” Toen de afgodendienaren dat hoorden, stortten zij zich onmiddellijk op hem. Zij sloegen hem met stenen, stokken en stukken bot en lieten hem in zijn bloed liggen. Toen ’Abbâs dit zag, zei hij: “Laat deze man met rust, jullie zullen hem doden! Hij is van een stam die woont aan de weg waarlangs jullie handelskaravaan trekt. Hoe willen jullie daar nog langskomen?” Zo redde hij Abû Dharr uit de handen van de afgodendienaren. Van vreugde dat hij met de islam was vereerd, kon Abû Dharr niet stilzitten. De volgende dag sprak hij bij de Ka’ba opnieuw met luide stem, schreeuwend, de kalima-i shahâda uit. Ook ditmaal sloegen de afgodendienaren hem, en hij viel ter aarde. Weer kwam ’Abbâs te hulp en redde hem uit hun handen. Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) beval Abû Dharr Ghifârî naar zijn eigen land terug te keren en daar de islam te verspreiden. Op dit bevel keerde hij terug naar zijn stam en vertelde hun over de eenheid van Allâhu ta’âlâ en dat Muhammad ’alayhis-salâm Zijn rasûl is. Hij zei dat wat hij bekendmaakte waar en juist was, en dat de afgoden die zij aanbaden vals, leeg en zinloos waren. Een deel van de menigte die naar hem luisterde, begon bezwaar te maken. Op dat moment legde het hoofd van de stam, Haffâf, de schreeuwers het zwijgen op en zei: “Stil, laten we eens horen wat hij te vertellen heeft.” Daarop ging Abû Dharr als volgt verder: “Voordat ik moslim werd, ging ik op een dag naar de afgod Nuhm en zette melk voor hem neer. Ik zag hoe een hond naderbij kwam, de melk opdronk en de afgod bevuilde. Toen begreep ik met zekerheid dat de afgod niet de kracht had om dat te verhinderen. Hoe kan het jullie bevallen een afgod te aanbidden die zelfs door een hond wordt onteerd? Is dit geen waanzin? Dat is het wat jullie aanbidden.” Iedereen stond met gebogen hoofd. Toen een van hen vroeg: “En wat maakt die profeet over wie je spreekt bekend? Hoe heb je begrepen dat hij de waarheid spreekt?”, zei Abû Dharr met luide stem: “Hij maakt bekend dat Allâhu ta’âlâ Eén is, dat er geen god is dan Hij, en dat Hij de Schepper van alle dingen en de Bezitter en Eigenaar van alle dingen is… Hij roept de mensen op in Hem te geloven… Hij nodigt uit tot het goede, tot een goed karakter en tot wederzijdse hulp. Hij maakt bekend hoe verwerpelijk het is meisjes levend te begraven, en alle andere slechte daden, het onrecht en de onderdrukking die jullie begaan, en dat men zich daarvoor moet hoeden.” En hij legde de islam uitvoerig uit. Een voor een somde hij de dwalingen op waarin zijn stam verkeerde. Daarna zette hij hun schade en hun verwerpelijkheid uiteen.
Van hen die naar hem luisterden, werden zeer velen moslim, met voorop het hoofd van de stam, Haffâf, en zijn eigen broer Unays.10
De openlijke recitatie van de Qur’ân al-karîm bij de Ka’ba
Op een dag waren de Metgezellen op een afgelegen plaats bijeengekomen en spraken met elkaar. Zij zeiden: “Bij Allah, behalve Rasûlullah is er nog niemand geweest die deze afgodendienaren van de Quraysh de Qur’ân al-karîm openlijk heeft laten horen. Is er iemand die hun de Qur’ân al-karîm openlijk voordraagt en laat horen?” Ook ’Abdullah ibn Mas’ûd was daar. Hij zei: “Ik zal hem hun laten horen.” Toen enkele Metgezellen zeiden: “O ’Abdullah! Wij vrezen dat de afgodendienaren je kwaad zullen doen. Wij willen iemand die een volk en een stam heeft die hem zo nodig tegen de afgodendienaren kunnen beschermen,” hield hij aan: “Geven jullie mij toestemming, laat mij gaan. Janâb-i Haqq zal mij beschermen.” De volgende dag ging hij in de voormiddag (duhâ) naar de Maqâm Ibrâhîm. De afgodendienaren waren daar bijeen. Ibn Mas’ûd sprak staande de gezegende basmala uit en begon soera ar-Rahmân te reciteren. De afgodendienaren zeiden tegen elkaar: “Wat zegt de zoon van Umm ’Abd? Hij reciteert zeker wat Muhammad heeft gebracht,” en zij gingen op hem af. Met vuistslagen, schoppen en klappen sloegen zij zijn gezicht en zijn ogen bont en blauw, tot hij onherkenbaar was. Maar onder de klappen en de vuistslagen ging hij door met reciteren. Met zijn gezicht en ogen onder de wonden en de blauwe plekken keerde hij terug naar de Metgezellen. De Metgezellen waren hierover zeer bedroefd en zeiden: “Wij waren al bang dat je dit zou overkomen. Ten slotte is je overkomen wat wij vreesden.” Maar ’Abdullah ibn Mas’ûd was helemaal niet bedroefd. Hij zei: “Nooit heb ik de vijanden van Allâhu ta’âlâ zo zwak gezien als vandaag. Als jullie willen, kan ik hun morgenochtend nog eens zoveel laten horen.” De Metgezellen zeiden: “Nee, dit is genoeg voor jou. Je hebt die verbeten kâfirs laten horen waar zij een afkeer van hebben.”11
Hoe Tufayl ibn ’Amr moslim werd
In de jaren waarin onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de islam in Mekka openlijk begon te verspreiden, gaf hij de mensen dag en nacht raad en nodigde hij hen uit tot de religie van de islam. De afgodendienaren van Mekka spanden zich in om deze inspanningen van onze Meester Rasûlullah te verijdelen. Tegenover hen die aanvaardden wat hij vertelde en geloofden, achtten zij iedere leugen, laster en marteling geoorloofd. Zagen zij iemand die onze Meester de Profeet had ontmoet of met hem had gesproken, dan gingen zij onmiddellijk naar hem toe en grepen naar iedere list en leugen opdat hij niet naar hem zou luisteren en niet zou geloven wat hij vertelde. Om te voorkomen dat zij die van buiten naar Mekka kwamen hem ontmoetten, deden zij alles wat in hun macht lag. In een tijd waarin de moslims in nood verkeerden en kwellingen van de kâfirs ondergingen, kwam Tufayl ibn ’Amr Dawsî naar Mekka. Toen de leiders van de afgodendienaren dit zagen, gingen zij naar hem toe en zeiden: “O Tufayl! Je bent naar ons land gekomen. De wees van ’Abdulmuttalib, die onder ons is opgestaan, heeft veel verbazingwekkende eigenschappen. De woorden die hij spreekt, zijn als tovenarij. Hij scheidt de zoon van zijn vader, de broer van zijn broer, de man van zijn vrouw! Met de ideeën die hij verkondigt, brengt hij alles in verwarring. De zoon die zijn woord hoort, kijkt niet meer naar zijn vader, maar volgt hem. Niemand luistert nog naar een ander, en zij worden moslim. Wij vrezen dat deze ramp van verdeeldheid die ons heeft getroffen, ook jou en je volk zal treffen. Laat dit onze raad aan jou zijn: spreek in geen geval met hem! Zeg hem geen woord en luister niet naar zijn woord. Schenk geen aandacht aan wat hij vertelt! Wees zeer voorzichtig. Blijf hier ook niet lang. Ga meteen weer weg!” Wat daarna gebeurde, vertelt Tufayl ibn ’Amr als volgt:
“Bij Allah, deze man maakt de waarheid bekend en spreekt wat juist is. Wie niet in hem gelooft, is een leugenaar en verkeert in dwaling” Unays Ghifârî (radiyallâhu ’anh)
“Ik zweer het: zij zeiden dit zo vaak dat ik ten slotte besloot niet met hem te spreken en in geen geval naar zijn woorden te luisteren. Ja, toen ik de Ka’ba binnenging, had ik voor alle zekerheid, uit vrees dat ik zijn woorden misschien zou horen, zelfs watten in mijn oren gestopt. De volgende ochtend ging ik naar de Ka’ba. Ik zag de Rasûl ‘alayhis-salâm daar het gebed verrichten. Ik bleef op een plek dicht bij hem staan. Naar de wijsheid van Janâb-i Haqq drong iets van wat hij reciteerde tot mijn oren door. Hoe mooi waren de woorden die ik hoorde! Ik zei bij mijzelf: ‘Ik ben geen man die goed en kwaad niet kan onderscheiden. Bovendien ben ik dichter. Waarom zou ik niet luisteren naar wat deze man zegt? Vind ik zijn woorden mooi, dan aanvaard ik ze; bevallen ze mij niet, dan laat ik ze.’ Ik verborg mij ergens en wachtte daar tot Rasûlullah zijn gebed had beëindigd en naar huis ging. Daarna ging ik hem achterna. Toen hij zijn huis binnenging, ging ik ook naar binnen en zei: ‘O Muhammad ‘alayhis-salâm! Toen ik in deze streek aankwam, zei uw volk mij dit en dat… Zij wilden dat ik mij van u verre hield. Uit angst stopte ik watten in mijn oren om uw woord niet te horen. Maar Allâhu ta’âlâ liet mij iets horen van wat u reciteerde. Ik vond het zeer mooi. Maak mij nu bekend wat u te zeggen hebt! Ik ben bereid het te aanvaarden.’ Onze Meester Rasûlullah legde mij de islam uit en reciteerde mij een gedeelte uit de Qur’ân al-karîm. Ik zweer dat ik in mijn leven nooit een mooier woord had gehoord. Onmiddellijk sprak ik de kalima-i shahâda uit en werd moslim. Toen zei ik: ‘Yâ Rasûlallah! Ik ben een man van aanzien, naar wiens woord in mijn volk wordt geluisterd. Niemand van hen gaat tegen mijn woord in. Laat mij gaan en ook hen tot de religie van de islam uitnodigen. Doet u een smeekbede dat Allâhu ta’âlâ mij een teken, een karâma schenkt! Moge dat teken mij tot gemak en tot hulp zijn wanneer ik mijn volk tot de islam uitnodig!’ Op dit verzoek van mij deed onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) een smeekbede: ‘O Allah! Schenk hem een teken, een bewijs!’ Daarna keerde ik terug naar mijn land. Toen ik in een donkere nacht de heuvel bereikte die uitkijkt over de bron waar mijn volk woonde, verscheen er op mijn voorhoofd een nûr als een lamp, die licht begon te geven. Toen deed ik een smeekbede: ‘O Allah! Breng deze nûr van mijn voorhoofd over naar een andere plaats! Laat de onwetenden van de stam Daws niet denken, wanneer zij hem zien, dat Allah dit als goddelijke straf op zijn voorhoofd heeft doen verschijnen omdat hij zich van zijn religie heeft afgekeerd!’ Die nûr ging onmiddellijk over naar het uiteinde van de zweep in mijn hand en hing daar als een lamp. Toen ik de woonplaats van mijn stam naderde en de helling begon af te dalen, wezen de mensen die daar waren elkaar op de nûr die als een lamp aan de punt van mijn zweep straalde. Zo daalde ik de helling af en kwam thuis. Als eerste kwam mijn vader naar mij toe en zag mij in deze toestand. Uit liefde voor mij sloeg hij zijn armen om mijn hals. Mijn vader was zeer oud. Ik zei tegen hem: ‘O mijn lieve vader! Als u in uw vroegere toestand blijft, hoor ik niet meer bij u en hoort u niet meer bij mij!’ Toen mijn vader deze woorden van mij hoorde, schrok hij en vroeg: ‘Wat is de reden, mijn zoon?’ Ik antwoordde hem: ‘Ik ben nu tot de religie van Muhammad ‘alayhis-salâm toegetreden en moslim geworden.’ Daarop zei mijn vader: ‘Mijn zoon, ook ik treed toe tot de religie waartoe jij bent toegetreden. Laat jouw religie ook mijn religie zijn!’ Hij sprak onmiddellijk de kalima-i shahâda uit en werd moslim. Daarna leerde ik hem wat ik van de religie van de islam wist. Vervolgens waste hij zich en trok schone kleren aan. Later kwam mijn vrouw naar mij toe. Ook haar zei ik hetzelfde. Ook zij aanvaardde het en werd moslim. Toen het ochtend werd, ging ik naar de stam Daws. Ik legde hun de islam uit en nodigde hen allen uit tot de islam. Maar zij aanvaardden het slechts traag. Lange tijd verzetten zij zich. Zij hielden niet op met hun zondige en slechte daden. Zij gingen nog verder en dreven de spot met mij met knipogen en grimassen; omdat zij verslaafd waren aan woeker en gokken, luisterden zij niet naar mijn woorden. Zij vermeden het de islam te volgen. Zij kwamen in opstand tegen Allah en Zijn Profeet.
Na enige tijd kwam ik naar Mekka, beklaagde mij bij Rasûlullah over mijn volk en zei: ‘Yâ Rasûlallah! De stam Daws is in opstand gekomen tegen Allâhu ta’âlâ. Zij hebben mijn uitnodiging om tot de islam toe te treden niet aanvaard. Doet u een smeekbede voor hen!’ Onze geliefde Profeet, wiens tederheid en barmhartigheid voor iedereen groot waren, opende zijn handen, wendde zich naar de qibla en deed deze smeekbede: ‘O mijn Heer! Wijs het volk van Daws de rechte weg en breng hen tot de religie van de islam!’ En tegen mij zei hij: ‘Keer terug naar je volk. Blijf hen met een glimlach en met zachte woorden tot de islam uitnodigen! Wees mild voor hen!’ Onmiddellijk ging ik terug naar mijn land, en geen ogenblik hield ik op het volk van Daws tot de islam uit te nodigen.”12
De uitnodiging op de jaarmarkten
Ieder jaar kwamen er op vaste dagen mensen uit verschillende steden naar Mekka om de Ka’ba al-Mu’azzama te bezoeken. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) ging hun die aankwamen tegemoet en legde iedere groep de islam uit. Hij maakte hun bekend “dat Allâhu ta’âlâ Eén is, dat hij de ware Profeet is en dat de redding daarin ligt”. Op een dag riep Walîd ibn Mughîra de afgodendienaren bijeen en zei: “O Quraysh! Het seizoen van het bezoek aan de Ka’ba is weer aangebroken. De stem van Muhammad heeft zich over de wereld verspreid. De Arabische stammen komen naar hem toe, voelen zich aangetrokken tot zijn zoete woorden en treden toe tot zijn religie. Wij moeten hier een maatregel tegen bedenken. Laten we het allemaal eens worden, zodat wij niet ieder iets anders over hem zeggen en elkaar zo tot leugenaars maken.” De Quraysh zeiden: “O vader van ’Abdu Shams! Jij bent degene onder ons met de verste blik. Wat jij zegt dat wij moeten zeggen, dat zullen wij zeggen.” Toen Walîd zei: “Nee, zeggen jullie het maar, dan luister ik,” zeiden zij: “Laten we zeggen dat hij een waarzegger is.” Walîd maakte onmiddellijk bezwaar: “Nee! Ik zweer dat hij geen waarzegger is. Wij hebben veel waarzeggers gezien. Zij spreken waarheid en leugen zonder enige schroom. Wat Muhammad reciteert, lijkt helemaal niet op wat de waarzeggers verzinnen. Bovendien hebben wij van Muhammad tot nu toe nog nooit een leugen gehoord. Als wij dat zeggen, gelooft niemand het.” Ditmaal zeiden zij: “Laten we zeggen dat hij bezeten is, dat hij gek is.” Walîd maakte opnieuw bezwaar: “Nee! Ik zweer dat hij niet bezeten is en ook niet gek. Wij kennen gekken en bezetenen, en wij begrijpen de tekenen van waanzin. Hij heeft geen benauwdheden, geen stuiptrekkingen of beven, en ook geen waanvoorstellingen. Als wij dat zeggen, zullen zij ons tegenspreken en tot leugenaars verklaren.” De Quraysh zeiden: “Laten we zeggen dat hij een dichter is…” Walîd maakte weer bezwaar: “Hij is ook geen dichter! Wij kennen iedere soort poëzie zeer goed. Wat hij reciteert, lijkt helemaal niet op poëzie.” Ditmaal zeiden zij: “Laten we zeggen dat hij een tovenaar is.” Walîd zei: “Hij is geen tovenaar. Wij hebben tovenaars en hun tovenarij gezien, en wij kennen ze ook. In zijn woorden is geen spoor van tovenarij. Het woord van Muhammad overwint de hele wereld. Hij is ook geen onbekende. Wij kunnen de mensen niet van hem scheiden en verhinderen dat zij met hem spreken. Bovendien overtreft hij zijn leeftijdgenoten in zuiverheid van taal en welsprekendheid, in mooi en zinrijk spreken. Kortom, wat wij ook over hem zeggen, de mensen zullen begrijpen dat onze woorden leugens zijn.” Toen de Quraysh niets meer wisten te zeggen, zeiden zij: “Jij bent de oudste en meest ervarene onder ons; wat jij zegt, daarmee stemmen wij in.”
“Onze Profeet deed deze smeekbede: ‘O mijn Heer! Wijs het volk van Daws de rechte weg en breng hen tot de religie van de islam!’ En tegen mij zei hij: ‘Keer terug naar je volk! Blijf hen met een glimlach en met zachte woorden tot de islam uitnodigen! Wees mild voor hen!’” Tufayl ibn ’Amr (radiyallâhu ’anh)
Daarop dacht Walîd ibn Mughîra een tijd na en bracht toen degenen om hem heen op het verkeerde pad met de woorden: “Toch is het beste van alles dat wij hem een tovenaar, een magiër noemen; dat klinkt het meest aannemelijk. Want met zijn woorden scheidt hij de mensen van hun volk en hun verwanten. Hij vervreemdt de broer van zijn broer en twee vrienden van elkaar.” De Quraysh gingen onmiddellijk uiteen en zeiden tegen de mensen die zij in Mekka om zich heen hadden verzameld: “Muhammad is een tovenaar!…”, en zij verspreidden dit onder het volk. Toen de stammen begonnen te komen om de Ka’ba te bezoeken, gingen zij hun tegemoet en lieten niemand gaan zonder hem te waarschuwen geen contact te hebben met onze Meester de Profeet. Door deze handelwijze van de afgodendienaren begon men in alle Arabische landen nieuwsgierig te worden naar de islam, en in de gedachten begonnen twijfels en vragen over de afgoden te rijzen. Allâhu ta’âlâ zond edele verzen neer waarin Hij bekendmaakte dat Hij de kâfir Walîd ibn Mughîra bittere bestraffingen zou laten proeven. Zo werd in het elfde tot en met het negenentwintigste vers van soera al-Muddaththir in betekenis gezegd: “(O Mijn Rasûl!) Laat (de bestraffing van) hem die Ik alleen heb geschapen (beroofd van rijkdom) (een kâfir als Walîd ibn Mughîra) aan Mij over! (Ik zal die kâfir de straf geven die hij verdient.) Ik gaf hem overvloedig bezit (die ondankbare, die niets bezat, schonk Ik vele wijngaarden, moestuinen en bezittingen, en later liet Ik hem vele gunsten verwerven). Ik gaf hem zonen die altijd bij hem aanwezig zijn (sterke, krachtige zonen die over hem waken en klaarstaan om iedere aanval op hem onmiddellijk af te weren). Ik maakte hem alles gemakkelijk en schonk hem zeer grote mogelijkheden (Ik stelde hem in staat alles gemakkelijk te verwerven en baande hem de weg. In Mekka bereikte hij een hoge leidende positie. Men gaf hem de bijnaam ‘Rayhânat al-‘Arab’. Hij gaf zich bij zijn volk uit voor een zeer uitgelezen persoon). Daarna wenst hij (die hebzuchtige, ondankbare man) na al deze mogelijkheden dat Wij hem nog meer geven (bezit en zonen) (hij verlangt het met hebzucht; hij kent de waarde niet van de gunsten die hij heeft ontvangen en doet geen moeite ervoor te danken). Nee! Zijn wensen zullen nooit worden vervuld! (De wens van die loochenaar, van die hebzuchtige, zal niet worden vervuld; zijn bezit en zijn zonen zullen niet worden vermeerderd.) Want hij is uiterst koppig geworden tegenover Onze verzen. Ik zal hem in de Hel met geweld een gladde rots op drijven waarop geen voet houvast vindt (Ik zal hem in de hevige en pijnlijke kwelling van de Hel de straf geven die hij verdient); Ik zal hem in benauwdheid en zware nood brengen! (Toen onze Meester de Profeet op een dag bij de Ka’ba met luide stem de Qur’ân al-karîm reciteerde, liet de uitwerking van de edele verzen een diepe indruk op hem na. Hij ging naar de Quraysh en zei tegen hen: ‘Ik heb een woord gehoord dat Muhammad reciteerde. Dat kan niet het woord van een mens of van een jinn zijn. Dit woord is geen poëzie en ook niet het woord van een waarzegger. Deze man liegt ook niet. Ik ben iemand die heel wat kernachtige woorden heeft gehoord. Ik kon het met niets vergelijken. Hebben jullie hem ooit zien liegen?’ De Quraysh raakten in grote ongerustheid en zeiden: ‘Wee ons! Ook deze verstandige, rijke en invloedrijke man zijn wij kwijtgeraakt! De woorden van Muhammad (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) hebben ook op hem uitwerking gehad.’ Onmiddellijk stuurden zij Abû Jahl naar hem toe. Abû Jahl kwam en zei: ‘Wat is er toch, dat ik je zo bedroefd en terneergeslagen zie? Heeft de tovenarij van Muhammad ook op jou uitwerking gehad, of is er iets van zijn overgebleven bezit en rijkdom aan jou toegevallen? Wij hebben onder elkaar besloten: als je naar bezit en rijkdom haakt, geven wij je zoveel als je wilt. Raak niet op zulke dwaalwegen.’ Walîd ibn Mughîra zei: ‘De rijkste van de Quraysh ben ik. Hoe kunnen jullie mij zoiets voorstellen?’ Abû Jahl zei: ‘Goed dan! Waarom heb je dan woorden vol lof gesproken over de Qur’ân die hij reciteert?’) (Daarop) bedacht (die loochenaar, om de Qur’ân al-karîm die hij van Rasûlullah had gehoord te beschimpen,) iets in zijn geest (hij dacht na en overwoog) en velde daarna een oordeel (hij maakte de uitkomst van zijn overwegingen bekend). Moge hij vergaan! Hoe heeft hij geoordeeld! (Hij kwam met een onsamenhangend, verward oordeel, dat in strijd was met wat hij eerder had gezegd, een oordeel dat nergens op sloeg. Deze man voelde de noodzaak de woorden die hij had gesproken uit te leggen en dacht: ‘Hoe kan ik hun deze woorden die ik heb gezegd verklaren?’)
“Nee, ik ga opnieuw reciteren. Voor het eerst heb ik de afgodendienaren in zo’n erbarmelijke toestand gezien. Hun onmacht verheugt mij zeer. Ik voel geen pijn van de martelingen die mij zijn aangedaan” ’Abdullah ibn Mas’ûd (radiyallâhu ’anh)
Nogmaals: moge hij vergaan! Hoe heeft hij geoordeeld (op zo’n verschrikkelijke wijze)! Toen keek hij (hij richtte zijn aandacht op de zaak, bekeek die opnieuw met een doordringende blik en overdacht haar nogmaals om haar geheel in zijn macht te krijgen). Toen fronste hij zijn wenkbrauwen en verstrakte zijn gezicht. Toen keerde hij de waarheid de rug toe en werd hoogmoedig. En hij zei: ’Dit is niets anders dan tovenarij die van mensen is overgeleverd (die voortdurend van de een op de ander overgaat). Dit is slechts het woord van een mens!’” (Terwijl die man eerder onder zijn volk had erkend dat de Qur’ân al-karîm een wonderbaarlijk woord is dat niet lijkt op de woorden van mensen en jinn. Daarna veranderde die loochenaar, om zijn volk tevreden te stellen, zijn woorden en uitte hij over de Qur’ân al-karîm lasterpraat die er in geen enkel opzicht op van toepassing is. Zo maakte hij zichzelf de goddelijke bestraffing waardig. Allâhu ta’âlâ zei:) “Ik zal hem de Hel binnen laten gaan (in Saqar, in een hevig vuur). Weet jij wat Saqar is? (Wat weet jij wat dat hevige vuur is? Heb je kennis van zijn eigenschappen?) Het laat niets over en laat niets met rust! (Het laat niet voortbestaan en het vernietigt niet; dat wil zeggen: het doodt de mens niet en het laat hem ook niet leven. Wie erin binnengaat, laat het niet meer uit, en het houdt niet op met de bestraffing.) Het stroopt de hele huid van de mens af (het verbrandt, verschroeit en verkoolt haar) en legt zijn beenderen bloot.”
De afgodendienaren luisteren naar de Qur’ân al-karîm
De vooraanstaanden van de afgodendienaren verhinderden met allerlei listen en met onderdrukking dat de mensen tot het geloof kwamen. Zij verboden het volk van Mekka te luisteren naar de edele verzen die Muhammad ’alayhis-salâm reciteerde. Zelf kwamen zij echter ’s nachts in het geheim naar het huis waar onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm verbleef, verborgen zich in een hoek en luisterden. Wanneer het ochtend werd en het licht begon te worden, zagen de vooraanstaanden van de afgodendienaren dat ieder van hen, zonder dat de anderen het wisten, ’s nachts was gekomen om naar de Qur’ân al-karîm te luisteren; dan verweten zij het elkaar en zeiden: “Laten we dit niet meer doen.” Maar de volgende nacht gingen zij opnieuw, zonder dat de anderen het wisten, zich in een hoek verbergen en luisterden weer. En ’s morgens zagen zij elkaar en stonden versteld. Zij zwoeren dit niet meer te doen en gingen uiteen, maar zij konden er niet mee ophouden. Toch kwamen zij niet tot het geloof, omdat zij hun nafs volgden, zich verheven waanden, bang waren dat de andere afgodendienaren het hun zouden verwijten, en zich door nog vele andere ijdele gedachten lieten meeslepen. Ook anderen hielden zij ervan af. Bovendien riepen zij op straat: “Muhammad is een tovenaar.” Op een avond kwamen de afgodendienaren rond de Ka’ba bijeen en zeiden: “Laten we Muhammad laten roepen en deze zaak met hem bespreken! Dan kan men ons achteraf niets verwijten en zal men ons verontschuldigd achten.” En zij stuurden bericht naar onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam). Op deze uitnodiging kwam onze Meester de Profeet naar de Ka’ba en ging tegenover de afgodendienaren zitten. De afgodendienaren zeiden: “O Muhammad! Wij hebben je laten roepen om met je tot overeenstemming te komen. Wij zweren dat er onder de Arabieren nog nooit iemand is gezien die zijn volk zo in de problemen heeft gebracht als jij! Je hebt onze religie gehekeld! Je hebt onze goden beschimpt! Je hebt ons verstand geminacht! Je hebt onze eenheid verdeeld en ons tegen elkaar opgezet! Er is geen kwaad dat je ons niet hebt aangedaan! Als je met deze daden en woorden van je rijk wilt worden, zullen wij meer bezit voor je bijeenbrengen dan je wenst. Als je roem en eer wilt verwerven, zullen wij je als heer aan ons hoofd aanvaarden. Als je koning wilt worden, zullen wij je tot koning uitroepen en ons om je heen scharen. Als er iets is waarvan je onder invloed staat, zullen wij je daarvan bevrijden. Als het een ziekte is die van de jinn komt, zullen wij al ons bezit opofferen om de genezing ervan te zoeken!…” De Meester der werelden luisterde geduldig naar hen en gaf daarna dit grootse antwoord: “O Quraysh! Niets van wat jullie zeggen is in mij. Ik ben met wat ik jullie heb gebracht niet gekomen om jullie bezittingen te vragen, noch om onder jullie grote eer en roem te verwerven, noch om koning over jullie te worden. Maar Allâhu ta’âlâ heeft mij als profeet naar jullie gezonden en mij ook een Boek geopenbaard. Hij heeft mij bevolen een brenger van blijde tijding te zijn (met het Paradijs, voor wie van jullie aanvaardt) en een waarschuwer (met de Hel, voor wie van jullie niet aanvaardt).
Ik heb jullie dit bevel van mijn Heer overgebracht en jullie raad gegeven. Als jullie aanvaarden wat ik heb gebracht, zal het voor jullie in deze wereld en in het hiernamaals een deel en een proviand zijn. Als jullie het niet aanvaarden maar afwijzen, dan is het mijn taak, totdat Allâhu ta’âlâ tussen mij en jullie oordeelt, iedere moeilijkheid het hoofd te bieden en te verdragen om het bevel van Janâb-i Haqq uit te voeren…” Abû Jahl, Umayya ibn Khalaf en de andere afgodendienaren zeiden: “O Muhammad! Je weet dat er niemand is die wat het levensonderhoud betreft in zwaardere omstandigheden leeft dan wij. Aangezien je profeet bent, vraag dan je Heer dat Hij deze bergen, die ons benauwen en ons het levensonderhoud zwaar maken, wegneemt en verwijdert! Dat Hij ons land verwijdt en er rivieren door laat stromen zoals de rivieren van Damascus en Irak! En dat Hij enkele van onze voorvaderen weer tot leven wekt, met voorop Qusayy ibn Kilâb! Qusayy ibn Kilâb was immers een waarheidlievend en eerbiedwaardig man. Laten wij hem vragen of wat jij zegt waarheid is of leugen! Als hij jou bevestigt en als jij doet wat wij vragen, zullen wij jou geloven. Zo komen wij ook te weten welke rang je bij je Heer hebt. Als je dit niet voor ons doet, vraag dan je Heer iets voor jezelf. Vraag Hem een engel te zenden die bevestigt wat je zegt en die ons van jou afhoudt! En laat je Heer je ook tuinen, paleizen en schatten geven, zodat je van de zorg om je levensonderhoud verlost bent! Want ook jij loopt net als wij over de markten en zwoegt voor je levensonderhoud!…” De Trots der wereld zei tegen hen: “Ik ben niet met deze dingen naar jullie gezonden. Ik heb jullie van Janâb-i Haqq alleen gebracht waarmee Allâhu ta’âlâ mij heeft gezonden. Ik heb het jullie overgebracht. Ik ben geen man die mijn Heer om iets vraagt (opdat Hij mij bezit en rijkdom geeft)… Allâhu ta’âlâ heeft mij gezonden als brenger van blijde tijding (met het Paradijs, voor wie van jullie aanvaardt wat ik heb gebracht) en als waarschuwer (met de Hel, voor wie van jullie het niet aanvaardt en afwijst).” Ditmaal zeiden de afgodendienaren: “Aangezien je Heer zeker alles doet wat Hij wil, vraag Hem dan deze hemel in stukken te breken en op ons te laten vallen!… Zolang je dat niet doet, geloven wij je niet!” Onze Meester de Profeet zei: “Dat is aan Allâhu ta’âlâ. Als Hij jullie dat wil aandoen, zal Hij het zeker doen.” Daarop gingen de afgodendienaren nog verder en zeiden: “O Muhammad! Wist je Heer dan niet dat wij met jou zouden zitten, wat wij je zouden vragen en wat wij van je zouden verlangen, zodat Hij je dat vooraf had kunnen meedelen en leren? Waarom heeft Hij je niet bekendgemaakt wat Hij met ons zal doen als wij niet aanvaarden wat je ons overbrengt?… Zolang je ons de engelen niet als getuigen van de waarheid van je woorden brengt, geloven wij je niet… Wij hebben geen enkele verantwoordelijkheid meer tegenover jou. Wij zweren dat wij je voortaan niet meer met rust laten! Óf wij vernietigen jou, óf jij ons…” Toen onze geliefde Profeet zag dat zij, in plaats van tot hem te naderen, zich zo volkomen van hem verwijderden, ging hij bij hen weg.13 Toen de afgodendienaren van Mekka de Sultan van het universum afwezen, zond Allâhu ta’âlâ door middel van Jibrîl ’alayhis-salâm de openbaring en antwoordde hun met edele verzen. Hij maakte de bittere bestraffingen bekend die hun zouden treffen. In het vierde tot en met het elfde vers van soera al-An’âm werd in betekenis gezegd: “Er komt geen enkel vers van de verzen van hun Heer tot hen (geen vers van de Qur’ân al-karîm, geen bewijs van de bewijzen, geen wonder van de wonderen) of zij wenden zich ervan af.
“De ruwe onwetenden met harde harten geloven niet in jou. De meesten van hen zijn huichelaars” Tawba: 97
Zo hebben zij de Waarheid (de Qur’ân al-karîm) geloochend en afgewezen toen die tot hen kwam. Maar spoedig zal het bericht (de bestraffing) tot hen komen van datgene waarmee zij spotten en de draak staken. Hebben zij (het volk van Mekka) niet gezien hoeveel geslachten Wij vóór hen hebben vernietigd? Hebben zij het niet met zekerheid geweten? Wij hadden hun alle mogelijkheden gegeven die Wij jullie niet hebben gegeven. Wij zonden hun uit de hemel overvloedige regen. Wij lieten onder hen (hun boomgaarden, hun tuinen en hun paleizen) rivieren stromen. Daarna vernietigden Wij hen om hun zonden (en omdat zij voor deze gunsten niet dankten). En na hen brachten Wij andere geslachten voort. Als Wij jou een boek hadden neergezonden, op papier geschreven, en zij het met hun eigen handen hadden aangeraakt, dan nog zouden die kâfirs uit koppigheid zeggen: ‘Dit is niets anders dan duidelijke tovenarij.’ En zij zeiden ook: ’Was er maar een engel tot hem (tot Muhammad ‘alayhis-salâm) neergezonden (die ook wij konden zien) (en die ons zei dat hij profeet is)!’ Als Wij een engel hadden neergezonden (en zij dan nog niet hadden geloofd), dan was de zaak beslist (dan was over hen allen de vernietiging uitgesproken). En dan zou hun zelfs geen oogwenk uitstel worden gegeven, en zou er niet meer naar hen worden omgezien. Als Wij hem (de Profeet) een engel hadden gemaakt, dan hadden Wij hem zeker toch in de gestalte van een man getoond, en hadden Wij hen opnieuw in de twijfel gestort waarin zij al verkeerden. Waarlijk, ook met de profeten vóór jou werd de spot gedreven, en de ramp en de bestraffing, die de vergelding waren voor hun spot, omsingelden hen van alle kanten. Zeg: ‘Trek rond over de aarde en zie dan hoe het einde is geweest van hen die de profeten loochenden!’” In het zevende tot en met het tiende vers van soera al-Furqân werd eveneens in betekenis gezegd: “De kâfirs zeiden: ‘Wat is dit voor een profeet? Hij eet en drinkt zoals wij en loopt over straat. Als hij profeet was, zou er een engel tot hem komen. Hij zou helpers hebben, en ook zij zouden ons berichten brengen en ons met de Hel waarschuwen. Of zijn Heer zou hem schatten van geld zenden, of hij zou boomgaarden en akkers hebben en eten wat hij wil.’ Die onrechtplegers zeiden tegen elkaar: ‘Als jullie hem volgen, volgen jullie een betoverde man.’ (O Mijn Habîb!) Zie welke slechte vergelijkingen zij over jou hebben gemaakt; zij zijn van de ware weg afgeweken en in dwaling geraakt. Zij kunnen niet meer uit de dwaling komen en de rechte weg vinden. Hoe verheven is de majesteit van Allâhu ta’âlâ! Als Hij wil, geeft Hij jou (in deze wereld) betere dingen dan dat: boomgaarden en tuinen waaronder rivieren stromen, en Hij bouwt paleizen voor jou!” In het eenentwintigste vers werd eveneens in betekenis gezegd: “Zij die niet hopen Ons te ontmoeten, zeiden: ‘Waren er maar engelen tot ons neergezonden (die ons bekendmaakten dat Muhammad de waarheid spreekt), of zagen wij onze Heer maar!’ Waarlijk, zij hebben zichzelf groot gewaand en zijn in grote overmoed buiten alle perken gegaan…” In het negende vers van soera Saba’ werd in betekenis gezegd: “Als Wij wilden, zouden Wij hen in de aarde laten wegzinken (zoals Qârûn, omdat zij Onze duidelijke verzen hebben geloochend nadat zij ze hadden gezien), of stukken van de hemel op hen laten vallen (zoals Wij met het volk van Ayka hebben gedaan).” En in het zevenennegentigste vers van soera al-Isrâ werd in betekenis gezegd: “…Wij zullen hen op de Dag des Oordeels verzamelen, op hun gezicht, blind, stom en doof! Hun verblijfplaats is de Hel; telkens wanneer haar vuur afneemt, zullen Wij haar vlammen voor hen laten oplaaien!” Na de edele verzen die over hen werden neergezonden, werd de vijandschap van de afgodendienaren nog groter.
Vooral Ubayy ibn Khalaf en zijn broer Umayya deden onze Meester Rasûlullah veel verdriet. De ellendige Ubayy kwam met een vergaan bot bij onze Profeet. Hij zei: “O Muhammad! Jouw Allah zal dit bot dus, nadat het vergaan is, weer tot leven wekken, is het niet? Jij denkt dus dat je Heer dit, nadat het vergaan is, weer tot leven zal wekken, nietwaar?” En hij verbrijzelde het bot. Daarna blies hij het stof in de richting van onze geliefde Profeet. En hij vervolgde: “O Muhammad! Wie kan dit, zo vergaan als het is, weer tot leven wekken?” Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Ja. Allâhu ta’âlâ zal jou en dit bot doen sterven… Daarna zal Hij jou weer tot leven wekken en je de Hel binnen laten gaan.” Naar aanleiding van deze gebeurtenis zond Janâb-i Haqq de volgende edele verzen neer. In betekenis: “Heeft die mens (die loochenaar) niet gezien, weet hij niet met zekerheid dat Wij hem uit een druppel zaad hebben geschapen? En zie, hij is een openlijke twistzoeker geworden. Zijn eigen schepping vergetend, gaf hij Ons een voorbeeld en zei: ‘Wie zal deze beenderen leven geven, nu zij vergaan en verbrokkeld zijn?’ (O Mijn Rasûl!) Zeg: ’Hij zal hun leven geven Die hen de eerste keer heeft geschapen (toen zij niet bestonden), en Hij (Allâhu ta’âlâ) kent iedere schepping volkomen. Hij (Allâhu ta’âlâ) is het Die voor jullie uit de groene boom vuur laat voortkomen, en zie, daarmee steken jullie vuur aan. Zou Hij Die de hemelen en de aarde heeft geschapen, niet bij machte zijn hun gelijken te scheppen? Zeker is Hij dat. Hij is de Schepper van alle dingen, de Kenner van alle dingen…’”14
Het geloof van Khâlid ibn Sa’îd
In de eerste tijd van de uitnodiging tot de islam had Khâlid ibn Sa’îd een droom. In de droom stond hij aan de rand van de Hel, en zijn vader wilde hem erin duwen. Juist op dat moment zag hij hoe onze Profeet hem bij zijn middel vastgreep en hem ervoor behoedde in de Hel te vallen. Schreeuwend werd hij wakker en zei: “Bij Allah, deze droom is waar.” Toen hij naar buiten ging, kwam hij Abû Bakr tegen en vertelde hem zijn droom. Abû Bakr zei tegen hem: “Je droom is waar; die man is de profeet van Allâhu ta’âlâ. Ga meteen en volg hem! Jij zult hem volgen, toetreden tot de religie die hij heeft gebracht en bij hem zijn. En hij zal je behoeden in de Hel te vallen, zoals je in je droom hebt gezien. Maar je vader zal in de Hel blijven!”
Khâlid ibn Sa’îd stond onder de indruk van zijn droom. Zonder tijd te verliezen ging hij onmiddellijk naar een plaats die Ajyâd heette, naar Muhammad ’alayhis-salâm, en vroeg: “O Muhammad! Waartoe nodigt u de mensen uit?”
Onze Meester de Profeet antwoordde hem: “Ik nodig de mens uit te geloven in Allah, de Ene, Die geen gelijke en geen weerga heeft, en dat Muhammad (’alayhis-salâm) Zijn dienaar en Zijn profeet is; en op te houden met het aanbidden van stukken steen die niet horen en niet zien, die geen schade en geen nut brengen, en die niet weten wie hen aanbidt en wie niet.”
Daarop zei Khâlid ibn Sa’îd onmiddellijk: “Ook ik getuig dat er geen god is die aanbidding waardig is dan Allâhu ta’âlâ, en ik getuig dat u de profeet van Allâhu ta’âlâ bent!”, en hij werd moslim. Zijn bekering verheugde onze Profeet zeer. Na hem verwierf ook zijn vrouw Umayya de eer moslim te worden. Khâlid ibn Sa’îd wilde dat ook zijn broers moslim werden en spande zich daarvoor in. Van hen was ’Umar ibn Sa’îd ook al moslim geworden.
“Wij zullen hen op de Dag des Oordeels verzamelen, op hun gezicht, blind, stom en doof! Hun verblijfplaats is de Hel; telkens wanneer haar vuur afneemt, zullen Wij haar vlammen voor hen laten oplaaien!” Isrâ: 97
Toen zijn vader Abû Uhayha, een verbeten vijand van de islam, vernam dat Khâlid en ’Umar moslim waren geworden en op een afgelegen plaats van Mekka het gebed verrichtten, stuurde hij zijn zonen die geen moslim waren eropuit en liet hen bij zich brengen. Daarna beval hij hun de religie waartoe zij pas waren toegetreden te verlaten. Hij begon hen uit te schelden en te slaan.
Daarna zei hij tegen Khâlid ibn Sa’îd: “Jij bent Muhammad dus gevolgd? Terwijl je toch ziet dat hij tegen zijn volk ingaat en met wat hij heeft gebracht onze afgoden en onze voorvaderen beledigt!”
Toen Khâlid ibn Sa’îd zei: “Ik zweer bij Allah dat Muhammad ’alayhis-salâm de waarheid spreekt. Ik ben hem gevolgd. Ik sterf liever dan dat ik mij van mijn religie afkeer!”, werd de woede van zijn vader nog groter. Hij sloeg hem met een stok tot die brak en zei: “O ontaarde zoon! Ga waarheen je wilt. Ik zweer dat ik je geen brood meer geef!” Khâlid zei: “Als u mij het levensonderhoud ontzegt, zal Allâhu ta’âlâ mij zeker mijn levensonderhoud schenken.”
De vader dreigde zijn andere kinderen: “Als een van jullie met hem spreekt, doe ik jullie aan wat ik hem nog niet heb aangedaan.” En hij liet Khâlid in de kelder van het huis opsluiten en liet hem drie dagen zonder eten en drinken in de hitte van Mekka.
Khâlid ibn Sa’îd vond een uitweg en ontsnapte uit de handen van zijn vader. Zijn vader werd door een zware ziekte getroffen. Terwijl hij ziek te bed lag, zei Abû Uhayha uit vijandschap tegen de islam:
“Als ik van deze ziekte genees en weer op de been kom, zal iedereen in Mekka onze afgoden aanbidden. Niemand zal iets anders dan hen kunnen aanbidden!..” Opdat de vijandschap van zijn vader tegen de ware religie zou ophouden en hij zijn moslimbroeders geen kwaad zou doen, hief Khâlid zijn handen op en deed deze smeekbede: “O Allah, Die de werelden hebt geschapen! Laat mijn vader niet van deze ziekte opstaan!” Janâb-i Haqq aanvaardde zijn smeekbede: Abû Uhayha kon niet meer van zijn ziekbed opstaan en stierf.
Hoe Mus’ab ibn ’Umayr moslim werd
Mus’ab ibn ’Umayr (radiyallâhu ’anh) behoorde tot een voorname en rijke familie van de Quraysh. Toen hij de gezegende woorden van onze Profeet hoorde, ontstond er in zijn hart een grote liefde. Hij brandde van verlangen bij hem te komen. Ten slotte ging hij naar Dâr al-Arqam en werd moslim. Toen zijn moeder en vader dit hoorden, ontnamen zij hem alles en begonnen hem te martelen. Om hem van zijn religie af te brengen, sloten zij hem op in de kelder van hun huis en lieten hem dagenlang zonder eten en drinken. Onder de brandende zon van Arabië deden zij hem zware en moeilijk te verdragen martelingen aan. Maar Mus’ab ibn ’Umayr verdroeg deze zware en meedogenloze martelingen met geduld en keerde zich niet af van de islam.
Voordat hij moslim werd, was Mus’ab door de rijkdom van zijn familie in weelde en overvloed opgegroeid. Iedereen benijdde hem. Toen hij moslim werd, ontnam zijn familie hem alles en onderwierp hem aan martelingen. Mus’ab ibn ’Umayr, die iedere ontbering verdroeg omwille van zijn religie, ging op een dag naar onze Meester Rasûlullah. ’Alî heeft zijn komst als volgt verteld: “Wij zaten bij Rasûlullah. Op dat moment kwam Mus’ab ibn ’Umayr. Hij droeg een gelapt kleed en was er erbarmelijk aan toe. Toen Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) hem in die toestand zag, vulden zijn gezegende ogen zich met tranen. Omdat Mus’ab zich ondanks de martelingen en de armoede die hij doorstond niet van zijn religie had afgekeerd, zei hij: ‘Kijk naar deze man, wiens hart Allâhu ta’âlâ met nûr heeft verlicht. Ik heb gezien hoe zijn moeder en vader hem met het beste eten en drinken voedden. De liefde voor Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl heeft hem gebracht in de toestand waarin jullie hem zien.’”
“O Allah! Vergeef hun hun zonden! Want zij weten niet wat zij doen” Hadîth sharîf
Gedenk de Haqq, van liefde gloeiend,
Dan valt je gunst op gunst ten deel,
Dan gaat voor jou iedere deur open,
En Jamâlullah wordt je onthuld.
Shams-i Tabrîz weet dit maar al te goed:
De wereld blijft niet, zij zal vergaan,
Al wat geschapen is, gaat teniet,
Alleen Allah blijft eeuwig bestaan.
Salâtullâh, salâmullâh,
’Alayka yâ Rasûlallah.
De Hijra naar Abessinië
