Mijn Geliefde Profeet

DE BELEGERING

Het begin van de belegering

Het zevende jaar van de bi’tha… De afgodendienaren spanden zich onophoudelijk in om te verhinderen dat de islam in de harten doordrong en zich verspreidde. Toch werden de moslims met de dag talrijker. De martelingen en het onrecht die de moslims werden aangedaan, brachten hen niet van hun weg af; integendeel, zij zorgden ervoor dat zij zich nog meer aan elkaar vastklampten en nog hechter aaneensloten. Geen van hen keerde zich af van zijn religie, en zij aarzelden niet hun leven te geven voor onze Meester Rasûlullah. De stammen buiten Mekka die dit hoorden, werden steeds nieuwsgieriger, en het licht van de islam bereikte steeds verder gelegen streken. Toen de afgodendienaren vernamen dat de mannen die zij naar Abessinië hadden gestuurd hun doel niet hadden bereikt, en zelfs dat de Negus Ashama moslim was geworden, de moslims beschermde en hen goed behandelde, werden zij razend. Om hiervoor ruimschoots wraak te nemen en de islam met wortel en tak uit te roeien, kwamen zij bijeen en namen zij dit vreselijke besluit: “Waar hij ook is, waar hij ook gezien wordt, Muhammad moet hoe dan ook gedood worden!…”

De ongelovigen zwoeren hierover eed op eed.

Toen Abû Tâlib dit besluit van de afgodendienaren vernam, was hij zeer bedroefd. Hij werd bezorgd om het leven van zijn gezegende neef, zijn eigen vlees en bloed. Hij riep zijn stam bijeen en beval hun de Sultan van het universum te beschermen tegen de afgodendienaren van de Quraysh. De zonen van Hâshim sloten zich uit verwantschapsijver aaneen om dit bevel uit te voeren. Daartoe nodigden zij onze Meester de Profeet en al zijn Metgezellen die in hem geloofden uit naar de Shi’b Abî Tâlib, dat wil zeggen de wijk van Abû Tâlib, die aan de noordkant van Mekka op een heuvel lag, ongeveer drie kilometer van de Baytullah. Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) riep zijn Metgezellen bijeen en ging in de Shi’b wonen. Van de zonen van Hâshim verzette alleen Abû Lahab zich tegen het besluit onze Meester de Profeet te beschermen; hij ging niet naar de Shi’b. De afgodendienaren, hem inbegrepen, sloegen de handen ineen en begonnen op een gelegenheid te loeren om onze Profeet te doden.1

Toen de afgodendienaren zagen dat onze Meester de Profeet en zijn Metgezellen zich in de wijk van Abû Tâlib hadden verzameld, kwamen zij opnieuw bijeen en namen dit besluit: “Totdat Muhammad ’alayhis-salâm aan de Quraysh is uitgeleverd om gedood te worden, wordt er geen meisje van de zonen van Hâshim ten huwelijk genomen!… Aan hen wordt geen meisje ten huwelijk gegeven!… Aan hen wordt niets verkocht!… Van hen wordt niets gekocht!… Met hen wordt niet samengekomen, niet gesproken en geen omgang gehouden!… Hun huizen en hun wijken worden niet betreden!… Een verzoek om vrede van hun kant wordt nooit aanvaard!… Nooit zal men medelijden met hen hebben!…”

Zij verzegelden dit besluit, dat een afgodendienaar met de naam Mansûr ibn ’Ikrima op een blad had geschreven, en hingen het aan de muur van de Ka’ba al-Mu’azzama, opdat iedereen het zou zien en zich eraan zou houden.

Toen dit bericht onze geliefde Profeet bereikte, werd hij zeer bedroefd en deed hij een smeekbede. Zijn smeekbede werd onmiddellijk verhoord: in een oogwenk verdorden de handen van de ellendeling Mansûr. De afgodendienaren stonden versteld en zeiden: “Kijk! Als vergelding voor het onrecht dat wij de zonen van Hâshim hebben aangedaan, zijn de handen van Mansûr verdord en is er een ramp over hem gekomen.” In plaats van tot bezinning te komen, werden zij nog razender. Zij plaatsten wachters waar de wegen naar de Shi’b begonnen, en verhinderden dat er voedsel en kleding werd binnengebracht. Tegen de kooplieden die naar Mekka kwamen, zeiden zij dat zij de Shi’b niet mochten binnengaan en hun waren daar niet heen mochten brengen; zo nodig zouden zij die zelf voor een hoge prijs kopen. Zo meenden zij dat zij de mensen in de Shi’b van honger zouden laten omkomen, of dat de zonen van Hâshim spijt zouden krijgen en onze Meester de Profeet aan hen zouden uitleveren. Deze toestand duurde ieder jaar voort tot de tijd van het bezoek aan de Ka’ba.

“O Mijn Profeet! Allah en de gelovigen die in jouw voetspoor gaan, zijn genoeg voor jou!” Anfâl: 64

Volgens de gewoonten werd er in die tijd geen bloed vergoten. Daarom gingen de zonen van Hâshim vrij naar Mekka en probeerden zij door inkopen te doen in hun behoeften voor een heel jaar te voorzien. Wanneer een van hen bij een koopman kwam om waren te kopen, kwamen vooraanstaande afgodendienaren zoals Abû Lahab en Abû Jahl er onmiddellijk bij en zeiden tegen de kooplieden: “O kooplieden! Verhoog jullie prijzen flink voor de Metgezellen van Muhammad, zodat niemand iets kan kopen omdat het te duur is! Als jullie waren daardoor niet verkocht worden en jullie ermee blijven zitten, zijn wij bereid alles te kopen.” Dan noemden zij een hoge prijs voor hun waren, en de moslims keerden terug zonder iets te hebben gekocht…

Hiervoor besteedden onze geliefde Profeet, onze moeder Khadîja en Abû Bakr as-Siddîq al hun bezittingen; zij probeerden het gejammer van de kinderen, dat van honger ten hemel steeg, te stillen. Zij gaven hun boomschors, graswortels en zelfs stukken gedroogd leer te eten. Moeders en vaders waren van radeloosheid vel over been geworden. Met onze Meester de Profeet voorop bonden ook de andere Metgezellen van de honger een steen op hun gezegende buik. Als een van de afgodendienaren medelijden kreeg en heimelijk iets bracht, sloegen de anderen hem en beledigden hem zwaar. Kortom, alle aanvoer was afgesneden en de gelovigen waren in grote nood geraakt.

De afgodendienaren bleven wachten tot de zonen van Hâshim door dit harde onrecht tot inkeer zouden komen en Abû Tâlib onze Meester de Profeet aan hen zou uitleveren. Maar de moslims in de wijk van Abû Tâlib beschermden, precies tegen hun verwachting in, onze Meester de Profeet en namen iedere maatregel opdat hem geen kwaad zou overkomen. Om een mogelijke aanslag te voorkomen, zette Abû Tâlib bij de plaats waar onze Meester Rasûlullah sliep beurtelings wachters neer en zorgde hij ervoor dat hij rustig in zijn huis kon slapen. Onze Meester de Profeet van zijn kant verspilde, zonder enige vrees, geen seconde om het bevel van Allâhu ta’âlâ uit te voeren en de islam te verspreiden: hij riep de mensen op tot de religie en spande zich in om zo de oorzaak te worden van hun redding uit de Hel, en daarbij ging hij geduldig door met zijn vermaningen. Opdat ook de afgodendienaren van de Quraysh, die hem voor leugenaar uitmaakten, zouden begrijpen wat honger betekent, deed onze Meester Rasûlullah op een dag deze smeekbede: “O Allah! Help mij tegen hen door ook hun zeven jaren van hongersnood te geven, zoals de zeven jaren van hongersnood in de tijd van Yûsuf (’alayhis-salâm).” In de dagen daarna viel er geen druppel regen uit de hemel. De aarde verschroeide van droogte. Op de grond was geen groene plant meer te vinden. De afgodendienaren van de Quraysh wisten niet wat hun overkwam. Zij probeerden aan de dood te ontkomen door de kadavers van dieren die van honger waren gestorven en stinkende hondenhuiden te eten.

Ook hun kinderen begonnen van honger te jammeren en te weeklagen. Velen van hen stierven van honger. Wanneer zij van honger naar de hemel keken, zagen zij alles als met rook bedekt. Zij leken tot bezinning te komen en de omvang van het onrecht dat zij hadden begaan te beseffen. Zij stuurden Abû Sufyân, een van hen, naar onze Meester de Profeet. Abû Sufyân kwam en zei onder ede: “O Muhammad! Jij zegt dat je als barmhartigheid voor de werelden bent gezonden, en je beveelt ons in Allah te geloven en de rechten van verwantschap in acht te nemen. Maar jouw volk gaat aan droogte en honger te gronde. Doe eens een smeekbede tot je Heer opdat deze ramp van ons wordt weggenomen; Allah aanvaardt de smeekbede die jij doet. Als je zo’n smeekbede doet, zullen wij allemaal geloven!…”

Zo hadden zij het onrecht en de martelingen die zij hadden begaan terzijde geschoven; in het nauw gebracht, begonnen zij onze Meester Rasûlullah te smeken. Onze Meester de Profeet verweet hun niet wat zij hadden gedaan; op hun woorden “Wij zullen geloven” hief hij zijn gezegende handen op en deed hij een smeekbede tot Janâb-i Haqq. Allâhu ta’âlâ aanvaardde de smeekbede van Zijn Habîb en zond overvloedig regen over Mekka; de aarde dronk zich verzadigd en de planten begonnen te groenen. Hoewel de afgodendienaren van de droogte en de hongersnood waren verlost, vergaten zij het woord dat zij hadden gegeven en volhardden zij in het ongeloof (kufr)…

In de edele verzen die Allâhu ta’âlâ als antwoord aan hen openbaarde, zei Hij in betekenis: “Maar zij (geloven niet in Allâhu ta’âlâ en in Muhammad ’alayhis-salâm; over de Qur’ân al-karîm, het hiernamaals en de wederopstanding…) verkeren in twijfel en houden zich bezig met spel. Wacht dan (o Mijn Habîb!) op de dag waarop de hemel een duidelijke rook zal brengen. Die rook bedekt alle mensen volledig. Dit is een zeer zware bestraffing! (De mensen) zullen zeggen: ‘O onze Heer! Neem deze bestraffing van ons weg, dan zullen wij geloven.’ Hoe zouden zij nog nadenken en lering trekken, terwijl er een profeet tot hen is gekomen die hun de waarheden uitlegt? Daarna keerden zij zich van hem af en zeiden: ‘Hij is een bezetene, door anderen onderwezen.’ Wanneer Wij deze bestraffing een weinig opheffen, keren jullie weer terug tot jullie vroegere toestand. Op de dag waarop zij met grote hevigheid gegrepen worden (de dag van Badr), zullen Wij voorzeker wraak (op hen) nemen. Bij Mijn majesteit, voorzeker hebben Wij vóór hen (de afgodendienaren van de Quraysh) ook het volk van Fir’awn op de proef gesteld. Er kwam tot hen van Onze kant een eervolle profeet (dat is Mûsâ ’alayhis-salâm). Hij zei tegen hen: ’Geef mij de dienaren van Allah (de Kinderen van Israël). (Laat hen met mij meegaan. Laat hen vrij en kwel hen niet.) Voorzeker, ik ben een betrouwbare profeet, die door Allâhu ta’âlâ met openbaring naar jullie is gezonden. Wees niet hoogmoedig tegenover Allâhu ta’âlâ, want ik ben tot jullie gekomen met een bewijs dat de waarheid van mijn zaak duidelijk maakt, met een duidelijk wonder. Weet dat ik mijn toevlucht zoek bij Allâhu ta’âlâ, mijn Heer en jullie Heer, ertegen dat jullie mij stenigen en doden; Hij beschermt mij. Als jullie mij niet geloven en niet in mij geloven, laat mij dan met rust. (Ik zie af van het goede dat van jullie zou komen; moge jullie kwaad mij dan tenminste niet raken.)’ (Omdat zij niet geloofden, hem voor leugenaar uitmaakten en hem zelfs allerlei kwellingen en ellende begonnen aan te doen,) deed Mûsâ (’alayhis-salâm) een smeekbede tot Allâhu ta’âlâ en zei: ‘O mijn Heer! Dit is een volk dat volhardt in ongeloof.’ Allâhu ta’âlâ openbaarde aan Mûsâ (’alayhis-salâm) en zei: ’Vertrek ’s nachts (uit Egypte) met Mijn dienaren (de Kinderen van Israël)! Fir’awn en zijn trawanten zullen, wanneer zij horen dat jullie vertrokken zijn, jullie zeker achtervolgen. Laat de zee, nadat je met je volk erdoor bent getrokken, zoals ze is (sla niet opnieuw met je staf om de geopende wegen te sluiten; laat ze open). Want Fir’awn en zijn leger zullen die wegen ingaan en verzwolgen worden; zij zullen verdrinken.’”2

Het einde van de belegering

De afgodendienaren kwamen terug op hun woorden “Wij zullen geloven” en begonnen opnieuw met hun onrecht. Op een dag maakte Allâhu ta’âlâ aan onze Meester de Profeet door openbaring bekend “dat Hij een houtworm (mot) had afgestuurd op de oorkonde die in de Ka’ba hing, en dat dat wormpje alle geschriften behalve de naam van Allâhu ta’âlâ had opgegeten…” Onze Meester de Profeet zei tegen Abû Tâlib: “O oom! Allâhu ta’âlâ, Die mijn Heer is, heeft een houtworm afgestuurd op de oorkonde van de Quraysh. Behalve de naam van Allâhu ta’âlâ heeft hij niets overgelaten van wat erin stond – het onrecht, het verbreken van de banden met de verwanten, de laster… –; hij heeft alles vernietigd.”

“O Allah! Help mij tegen hen door ook hun zeven jaren van hongersnood te geven, zoals de zeven jaren van hongersnood in de tijd van Yûsuf (’alayhis-salâm)!” Hadîth sharîf

Toen Abû Tâlib vroeg: “Heeft jouw Heer je dit bekendgemaakt?”, antwoordde onze Meester de Profeet: “Ja.” Toen zei Abû Tâlib: “Ik getuig dat jij alleen de waarheid spreekt.” Hij kleedde zich meteen aan en ging naar de Ka’ba. Daar zaten de vooraanstaanden van de afgodendienaren. Toen zij Abû Tâlib zagen aankomen, zeiden zij: “Hij komt vast om Muhammad aan ons uit te leveren!..” Toen Abû Tâlib bij hen was, zei hij: “O volk van Quraysh! De zoon van mijn broer, die al-Amîn is en nooit heeft gelogen, heeft mij laten weten dat een houtworm op het blad dat jullie hebben geschreven alle geschriften behalve de naam van Allâhu ta’âlâ heeft opgegeten. Kom, haal het papier dat jullie tegen ons hebben geschreven, dan zullen we het zien!.. Als dit woord waar is, zweer ik dat wij hem allemaal tot onze dood zullen blijven beschermen. Dan moeten ook jullie ophouden met dit onrecht en dit kwalijke gedrag…” De afgodendienaren haalden opgewonden het blad van de muur van de Ka’ba en brachten het. Toen Abû Tâlib zei: “Lees!”, opende een van hen het blad om het voor te lezen en zag dat alle geschriften waren uitgewist, behalve “Bismika Allâhumma”.3 De afgodendienaren wisten niet meer wat zij moesten zeggen of doen. Omdat sommigen van hen zelfs van de overeenkomst afzagen, hieven zij deze harde belegering op, die drie jaar had geduurd, onvergetelijke pijn had gebracht en diepe wonden in de harten had geslagen. Maar van hun vijandschap zagen zij geenszins af; integendeel, zij traden nog harder op. Zij probeerden alle wegen om de verspreiding van de islam te verhinderen. Ondanks al hun inspanningen verspreidde de islam zich snel. Onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm spande zich in om de mensen te redden die stikten in de duisternis (zulmat) van de Jâhiliyya, en bracht hen tot het ware geluk. Wie dat geluk bereikte, dankte voor de grote gunst die hem ten deel was gevallen en liet zich door de beledigingen en martelingen van de afgodendienaren geenszins ontmoedigen. Hoeveel harten werden niet verlicht door de nûr van de islam, toen zij de wonderen van Muhammad ’alayhis-salâm en de standvastigheid van de moslims in hun religie zagen!

Het splijten van de maan

Een van de grote wonderen van onze Meester de Profeet is het splijten van de maan in tweeën. Een groep afgodendienaren, onder wie ook Abû Jahl en Walîd ibn Mughîra waren, zei tegen Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “Als jij werkelijk profeet bent, splijt dan de maan in tweeën, zodat de ene helft boven de berg Qu’ayqi’ân en de andere helft boven de berg Abû Qubays te zien is!..” Onze Meester Rasûlullah zei: “Als ik dat doe, zullen jullie dan geloven?” Zij zeiden: “Ja, dan zullen wij geloven.” Onze Meester Rasûlullah deed een smeekbede tot Allâhu ta’âlâ opdat de maan in tweeën zou splijten. Jibrîl ’alayhis-salâm kwam onmiddellijk naar onze geliefde Profeet en zei: “O Muhammad! Laat de Mekkanen weten dat zij vannacht naar het wonder moeten kijken.” Onze Meester de Profeet maakte bekend dat de maan op de veertiende van de maand, in de nacht waarin zij helemaal vol (badr) was, dat wil zeggen volkomen rond en op haar helderst, in tweeën zou splijten, en dat wie lering wilde trekken ernaar moest kijken. Toen onze geliefde Profeet die nacht met zijn gezegende vinger wees, spleet de maan in tweeën. Het ene deel werd boven de berg Abû Qubays gezien en het andere boven de berg Qu’ayqi’ân. Daarna kwamen beide delen aan de hemel weer samen.

Rasûlullah zei: “O Abû Salama ibn ’Abdulasad, o Arqam ibn Abi’l-Arqam! Wees getuigen!”, en daarna zei hij ook tegen de andere Metgezellen die bij hem waren: “Wees getuigen!” De afgodendienaren zagen met eigen ogen opnieuw een duidelijk wonder. Maar zij hielden hun woord niet en geloofden niet, en om ook anderen te beletten te geloven, zeiden zij: “Dit is niets anders dan tovenarij die Muhammad op ons heeft losgelaten! Maar alle mensen kan hij toch niet betoveren!.. Laten we het ook vragen aan de mensen die uit andere streken komen. Laten we zien of ook zij getuige zijn geweest van dezelfde gebeurtenis. Als zij het gezien hebben, is de aanspraak van Muhammad op het profeetschap waar. Zo niet, dan is dit tovenarij.” Zij vroegen het aan wie er aankwamen en stuurden zelfs mensen naar andere plaatsen om het te laten navragen. Van iedereen hoorden zij hetzelfde: “Ja, die nacht hebben wij gezien dat de maan in tweeën spleet!” Toch loochenden zij het opnieuw. Aan het hoofd van de loochenaars stond Abû Jahl. Opdat de mensen de gunst van het geloof niet zouden bereiken, bedierf hij de harten door te zeggen: “De tovenarij van de wees van Abû Tâlib heeft zelfs de hemel bereikt!..”4 Naar aanleiding van zijn loochening openbaarde Allâhu ta’âlâ edele verzen. In betekenis:

“Het Uur (de Opstanding) is nabij gekomen en de maan is gespleten (in tweeën gedeeld). Wanneer zij (de ongelovigen van de Quraysh) een wonder zien (dat op het profeetschap van Muhammad ’alayhis-salâm wijst), wenden zij zich af (zonder erover na te denken en zonder te geloven) en zeggen: ’Het is voortdurende (onafgebroken, alomvattende, krachtige) tovenarij.’ En zij loochenden (de Profeet of het wonder), maakten hem voor leugenaar uit en volgden hun eigen begeerten (de wensen en verlangens van hun nafs). Maar iedere zaak bereikt (het einde waarop zij gericht is) en vindt haar plaats. Voorwaar, er zijn tot hen (de afgodendienaren van Mekka) vele belangrijke berichten (geboden, verboden) gekomen die hen (van het kwaad) hadden kunnen afhouden. (Deze geboden en deze kennis zijn) een volmaakte wijsheid. Maar de rasûls, de waarschuwingen en de bedreigingen baten (hun) niets. Wend jij je dan ook van hen af (o Mijn Habîb, als zij volharden in hun loochening). Op de dag waarop de roeper (Isrâfîl ’alayhis-salâm) roept tot iets wat nooit gezien en onbekend is (de plaats van de Verzameling, de afrekening), zullen zij met vernederde en neergeslagen blikken (van angst en ontzetting niet wetend waarheen) als uitgezwermde sprinkhanen uit hun graven komen. De ongelovigen zullen, terwijl zij (met gebogen hals) naar die roeper snellen, zeggen: ‘Wat een zware en harde dag is dit voor ons!’”5

Moge mijn Heer ook jullie hidâya schenken

Nadat de blokkade van drie jaar die de afgodendienaren de moslims hadden opgelegd ten einde was gekomen, kwam er een groep uit Najrân naar onze Meester Rasûlullah. Het waren er ongeveer twintig; zij hadden van de Metgezellen die naar Abessinië waren geëmigreerd over de islam gehoord en waren naar Mekka gekomen om de islam te leren kennen en het geluk te verwerven onze Meester de Profeet te zien. Bij de Ka’ba al-Mu’azzama ontmoetten zij onze Meester Rasûlullah. Zij stelden heel veel vragen en kregen antwoorden die nog mooier en volmaakter waren dan zij hadden gewenst. De afgodendienaren van de Quraysh sloegen hen ondertussen van alle kanten gade. Onze geliefde Profeet, die als barmhartigheid voor de werelden is gezonden, reciteerde voor hen enkele edele verzen uit de Qur’ân al-karîm. Zij waren daar diep door geroerd; zij konden hun tranen niet bedwingen en huilden. Op de uitnodiging van onze Meester waren zij daarna buitengewoon verheugd: met grote vreugde spraken zij de kalima-i shahâda uit en werden zij vereerd met de islam. Toen zij toestemming vroegen om naar hun land terug te keren, kwam Abû Jahl naar hen toe en uitte deze beledigende woorden: “Zulke dwazen als jullie hebben wij nog nooit gezien!.. Door één keer bij hem te zitten, hebben jullie je religie verlaten en alles wat hij zei voor waar aangenomen!..” Deze mensen, die nog maar net de eer hadden gekregen Metgezellen te zijn, antwoordden: “Wij wensen dat Allâhu ta’âlâ ook jullie hidâya schenkt. De belediging en de onwetendheid die jullie ons aandoen, zullen wij jullie niet aandoen. Wij hebben immers geen enkel recht van jullie geschonden. Maar weet dit goed: door de woorden van een paar onwetenden willen wij deze grote gunst die wij hebben verworven nooit verliezen; van deze ware religie keren wij ons niet af.”6

“O oom! Allâhu ta’âlâ, Die mijn Heer is, heeft een houtworm afgestuurd op de oorkonde van de Quraysh. Behalve de naam van Allâhu ta’âlâ heeft hij niets overgelaten van wat erin stond – het onrecht, het verbreken van de banden met de verwanten, de laster… –; hij heeft alles vernietigd” Hadîth sharîf

In de edele verzen die Allâhu ta’âlâ naar aanleiding van deze gebeurtenis openbaarde, zei Hij in betekenis: “Er zijn velen aan wie Wij vóór dit (de Qur’ân al-karîm) het Boek hebben gegeven, die hierin (in de Qur’ân al-karîm) geloven. Wanneer (de Qur’ân al-karîm) aan hen wordt voorgereciteerd, zeggen zij: ’Wij geloven erin. Zonder twijfel is dit de waarheid (die) van onze Heer (komt). Voorwaar, ook vóór dit waren wij mensen die de islam hadden aanvaard.’ Aan hen zal hun beloning tweemaal worden gegeven, omdat zij geduld (en standvastigheid) toonden. Zij weren het kwade af met het goede, en van wat Wij hun als levensonderhoud hebben geschonken, geven zij (aan het goede) uit. Wanneer zij lelijke woorden horen, wenden zij zich daarvan af en zeggen: ’Onze daden zijn voor ons, jullie daden zijn voor jullie. Vrede zij met jullie (van ons hebben jullie niets te vrezen). Wij zoeken de onwetenden niet op (en verlangen ook niet naar hun vriendschap).’”7

DE QASÎDA VAN HET WATER8
O oog, giet je tranen niet op het vuur in mijn hart – geef het geen water,
Want voor vlammen die zo hevig laaien, is geen redmiddel het water.
Ik weet niet of de kleur van het draaiende gewelf de kleur is van water,
Of dat het draaiende gewelf door mijn tranen werd overspoeld met water.
Geen wonder dat mijn hart door het genot van uw zwaard aan flarden is gereten,
Want waar het voorbijstroomt, slaat bressen in de muur het water.
Het gewonde hart spreekt vol vrees over de punt van uw pijl9;
Wie een wonde draagt, drinkt altijd behoedzaam zijn water.
Laat de tuinman zijn rozentuin aan het water overlaten en zich niet aftobben:
Geen roos bloeit als uw gezicht, al gaf hij duizend rozentuinen water.
Geen schrijver kan zijn schrift doen lijken op het dons van uw wangen;
Al staart hij als de pen, in zijn ogen daalt slechts zwart water.
Wat geeft het, als bij de gedachte aan uw wang mijn wimpers vochtig worden?
Het is niet verloren, in de hoop op een roos, de doorn te geven water.
Onthoud op de dag van verdriet het zieke hart het zwaard van uw blik niet:
Een goede daad is het, in donkere nacht, de zieke te reiken water.
O hart, vraag om zijn pijlpunt en stil zo mijn verlangen in de scheiding;
Ik heb dorst; in deze woestijn moet ik zoeken naar water.
Ik smacht naar uw lippen, zoals de asceten naar de Kawthar,
Zoals de dronkaard van wijn geniet, geniet de nuchtere van water.
Naar de gaard van uw straat stroomt het, zonder ooit te rusten;
Verliefd is vast op die cipres met de sierlijke gang het water.
Tot stof geworden in die straat, moet ik zijn weg versperren,
Want het is mijn rivaal: naar die straat laat ik niet gaan het water.
O vrienden, als ik sterf in het verlangen zijn hand te kussen,
Maak van mijn stof een kruik en reik daarmee de Geliefde water.

“Er zijn velen aan wie Wij vóór dit het Boek hebben gegeven, die hierin geloven. Wanneer (de Qur’ân al-karîm) aan hen wordt voorgereciteerd, zeggen zij: ‘Wij geloven erin. Zonder twijfel is dit de waarheid (die) van onze Heer (komt). Voorwaar, ook vóór dit waren wij mensen die de islam hadden aanvaard’” Qasas: 52–53

Jannat al-Mu’allâ

De begraafplaats met de mausolea van vele Metgezellen, voorop dat van onze moeder Khadîja (radiyallâhu ’anhâ). Vandaag is het niet meer mogelijk deze mausolea te zien. Helaas zijn al deze prachtige historische monumenten afgebroken.