ZIJN BI’THA1 EN ZIJN OPROEP
Toen de Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zevenendertig jaar oud was, hoorde hij stemmen uit het onzichtbare die hem riepen: “O Muhammad!” Toen hij achtendertig werd, begon hij bepaalde nûrs te zien. Wat hij beleefde, vertelde hij alleen aan onze moeder Khadîja. Toen de tijd naderde waarop Muhammad ’alayhis-salâm het profeetschap zou worden bekendgemaakt (ongeveer tien jaar daarvoor), had Quss ibn Sâ’ida, een van de beroemde letterkundigen van die tijd, zijn komst als blijde boodschap aangekondigd in een preek (khutba) die hij op de jaarmarkt van ’Ukâz, op een kameel gezeten, voor een grote menigte hield. Ook onze geliefde Profeet was onder hen die naar deze preek luisterden. In een deel van deze beroemde preek zei Quss ibn Sâ’ida:
“O mensen! Kom, luister, wacht af en trek er lering uit! Wie leeft, sterft; wie sterft, vergaat; en wat gebeuren moet, gebeurt!… Leen het oor, luister goed! In de hemel is er nieuws, op de aarde zijn er dingen om lering uit te trekken!… Bij Allah is er een religie!… En Allah heeft een profeet die zal komen. Zijn komst is zeer nabij. Zijn schaduw is al over jullie hoofden gevallen. Hoe gezegend zijn zij die naar hem luisteren en in hem geloven! Wee de rampzalige die tegen hem in opstand komt en zich tegen hem verzet! Wee de umma’s wier leven in achteloosheid voorbijgaat!…”
In die tijd waren de mensen in Arabië ver afgedwaald van de goddelijke maatstaven en verdeeld in klassen als rijk en arm, sterk en zwak, meester en slaaf. De eersten verpletterden de laatsten onder hun overheersing en telden hen niet eens als mensen mee. De bezittingen van de zwakken werden hun met geweld afgenomen, en er was geen gezag dat dit kon verhinderen. Verstoken van de schaamte en de vrees die het geloof in Allâhu ta’âlâ geeft, waren zij ver van de deugd afgeraakt. Iedere vorm van zedeloosheid en laaghartige daden, zoals het vertrappen van waardigheid en eer, werd vrijelijk bedreven; gokken, drank en braspartijen vond niemand vreemd. Eindeloze moorden, ontucht en overvallen verwoestten alles, en het gekerm en de jammerkreten van onschuldige mensen deden de ’Arsh weerklinken. In zedelijk opzicht heerste een volledig verval, en de mensen verdronken in een zee van onwetendheid. De vrouw werd als een eenvoudige koopwaar gekocht en verkocht, en meisjes werden meedogenloos levend begraven. Het ergste van alles was dat deze hardvochtige, koppige en van barmhartigheid verstoken mensen het een grote eer vonden afgoden te aanbidden die zij met eigen handen hadden gemaakt en die nut noch schade konden brengen.
Sinds Âdam ’alayhis-salâm was er in de wereld nooit zo’n wreedheid, dwaling, zedeloosheid, geloofloosheid en losbandigheid gezien. De mensen waren als het ware wilde beesten geworden. Iedereen was elkaars vijand, en de samenleving stond ieder ogenblik op ontploffen. Opdat de mensen rust zouden vinden, moest in deze duisternis een zon van geluk opgaan. Wanneer die opging, zou het geloof de plaats innemen van de geloofloosheid, de gerechtigheid die van het onrecht en de kennis die van de onwetendheid, en zouden de mensen het eeuwige geluk bereiken.
Ten slotte kreeg onze geliefde Profeet eerst ware dromen te zien. In een hadîth sharîf wordt meegedeeld dat de openbaring begon met de ware droom. Wat hij in zijn dromen zag, kwam precies zo uit. Deze toestand duurde zes maanden. Toen de komst van de openbaring naderde, namen de stemmen die “O Muhammad!” riepen toe. Daarna kreeg hij de eenzaamheid lief; hij hield zich ver van de mensen en verzonk in overpeinzing in een grot op de berg Hirâ. Soms kwam hij naar Mekka, verrichtte de tawâf om de Ka’ba en ging naar zijn gezegende huis. Hij bleef daar een tijd en keerde dan met wat voedsel terug naar de grot op de berg Hirâ, waar hij zich bezighield met overpeinzing en aanbidding. Soms bleef hij er dagenlang. Dan stuurde Khadîja hem voedsel of bracht het zelf.2
Muhammad ’alayhis-salâm legde de Hajar al-Aswad op zijn gezegende mantel en zei: “Laat van iedere stam één man een punt vasthouden” Onze geliefde Profeet Muhammad al-Amîn (sallallâhu ’alayhi wa sallam)
De eerste openbaring
Toen onze Meester de Profeet veertig jaar oud was, had hij zich in de maand Ramadân weer teruggetrokken in de grot op de berg Hirâ en was hij in overpeinzing verzonken. In de nacht van zondag op maandag, de 17e van de Ramadân, na middernacht, hoorde hij een stem die hem bij zijn naam riep. Toen hij zijn hoofd ophief en om zich heen keek, hoorde hij dezelfde stem een tweede keer en zag hij dat plotseling een nûr alles bedekte. Daarna verscheen Jibrîl3 ’alayhis-salâm voor hem en zei: “Lees!” Onze Meester antwoordde hem: “Ik heb niet leren lezen!” Toen greep de engel hem vast, drukte hem tegen zich aan tot zijn krachten hem begaven, en zei: “Lees!” Weer antwoordde hij: “Ik heb niet leren lezen!” De engel drukte hem nog eens tegen zich aan en zei: “Lees!” Toen hij zei: “Ik heb niet leren lezen!”, drukte de engel hem voor de derde keer tegen zich aan. Daarna liet hij hem los en bracht de eerste vijf edele verzen van soera al-’Alaq, met de betekenis: “(O Muhammad ’alayhis-salâm!) Lees in de naam van jouw Heer, Allah, Die alles heeft geschapen! Hij heeft de mens geschapen uit gestold bloed (’alaq)! Lees, en Allah is de Bezitter van grote edelmoedigheid! Hij onderwijst door de pen, Hij onderwijst wat zij niet wisten.”4 Muhammad ’alayhis-salâm las met hem mee. Zo kwam de eerste openbaring, en zo ging de zon van de islam op, die de hele wereld verlichtte.5
Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) kwam met grote huivering en ontroering uit de grot op de berg Hirâ en begon af te dalen. Toen hij halverwege de berg was, hoorde hij een stem. Jibrîl ’alayhis-salâm zei: “O Muhammad! U bent de Rasûl van Allâhu ta’âlâ, en ik ben Jibrîl,” en hij sloeg met zijn hiel op de grond. Op de plek waar hij sloeg, kwam water tevoorschijn, en hij begon de rituele wassing (wudû) te verrichten. Onze Meester de Profeet sloeg hem aandachtig gade. Toen Jibrîl ’alayhis-salâm zijn wudû had beëindigd, zei hij tegen onze Meester de Profeet dat hij de wudû moest verrichten zoals hij had gezien. Nadat onze geliefde Profeet zijn wudû had beëindigd, werd Jibrîl ’alayhis-salâm imam6, en zij verrichtten een gebed (salât) van twee rak’a’s.
Daarna zei Jibrîl ’alayhis-salâm: “O Muhammad! Uw Heer zendt u Zijn groet (salâm)!”, en vervolgens deelde hij mee dat Hij had gezegd: “Jij bent Mijn Rasûl voor de jinn en de mensen. Roep hen dus op tot de tawhîd.” Daarna verliet hij hem en steeg op naar de hemel. Zo had onze geliefde Profeet Jibrîl ’alayhis-salâm zowel gezien als met hem gesproken.
De groet van de stenen en de bomen
Tot hij bij zijn gezegende huis aankwam, hoorde onze Meester de Profeet iedere steen en iedere boom waar hij langs kwam zeggen: “As-salâmu ’alayka yâ Rasûlallah!” Thuisgekomen zei hij: “Bedek mij! Bedek mij!”, en hij rustte tot zijn huivering voorbij was. Daarna vertelde hij onze moeder Khadîja wat hij had gezien en zei: “Jibrîl (’alayhis-salâm) verdween uit mijn ogen. Maar zijn ontzag, zijn kracht en de vrees die hij inboezemt, zijn niet van mij geweken. Ik vreesde dat zij mij bezeten zouden noemen en mij met hun tong zouden belasteren.” Khadîja, die op deze toestanden en deze dagen had gewacht en erop voorbereid was, zei: “Moge Allâhu ta’âlâ u beschermen. Haqq ta’âlâ schenkt u het goede en wil voor u niets anders dan het goede. Bij Allâhu ta’âlâ, ik geloof dat u de profeet van deze umma zult zijn. Want u houdt van de gast. U spreekt de waarheid en u bent betrouwbaar. U helpt de zwakken, beschermt de wezen en staat de vreemdelingen bij. U hebt een goed karakter; wie deze eigenschappen bezit, hoeft niet te vrezen.”7
Daarna gingen zij naar Waraqa ibn Nawfal om hem naar deze toestand te vragen. Nadat Waraqa had geluisterd naar wat onze Meester Rasûlullah vertelde, zei hij: “Verheug u, o Muhammad ’alayhis-salâm! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ dat u de laatste profeet bent die Îsâ heeft aangekondigd. De engel die aan u verscheen, is Jibrîl ’alayhis-salâm, die vóór u tot Mûsâ ’alayhis-salâm kwam. Ach, was ik maar jong! Mocht ik de tijd maar beleven waarin zij u uit Mekka verdrijven, dan zou ik u te hulp snellen! Zeer binnenkort zal u bevolen worden de religie te verkondigen en de jihâd te voeren.” En hij kuste de gezegende hand van onze Meester de Profeet. Niet lang daarna overleed hij.8
Het bevel tot verkondiging komt
Zo was de eerste openbaring tot onze geliefde Profeet gekomen, waarin hem het profeetschap werd bekendgemaakt. Daarna werd zij onderbroken en kwam zij drie jaar niet. In die tijd kwam een engel die Isrâfîl ’alayhis-salâm heet, en leerde hem enkele dingen. Dat was geen openbaring. In deze periode leed onze Meester Rasûlullah soms zwaar. Telkens wanneer onze Meester bedroefd was, verscheen Jibrîl ’alayhis-salâm en zei: “O Habîbullah! U bent de profeet van Allâhu ta’âlâ,” en hij bracht zijn verdriet tot bedaren. Onze Meester de Profeet zei: “Het was in de tijd dat de openbaring was onderbroken. Toen ik van de berg Hirâ afdaalde, hoorde ik plotseling een stem van de kant van de hemel. Ik keek omhoog en zag Jibrîl (’alayhis-salâm). Hij zat op een zetel (kursî) tussen de aarde en de hemel. Vrees overviel mij. Ik kwam thuis en zei: ‘Bedek mij met iets.’ Toen zond Haqq ta’âlâ de eerste verzen van soera al-Muddaththir neer, met de betekenis: ’O jij die je in je mantel hebt gehuld, Muhammad ’alayhis-salâm! Sta op en waarschuw (de ongelovigen met de bestraffing van Allâhu ta’âlâ)! Verkondig de grootheid van jouw Heer en verheerlijk Hem! Houd je kleren rein!’9 Daarna hield de openbaring niet meer op.”
De Trots van het universum (’alayhi afdalus-salawât) begon de mensen op te roepen tot de islam en de geboden en verboden van Allâhu ta’âlâ te verkondigen. Wanneer Jibrîl ’alayhis-salâm de openbaring bracht, nam hij soms een menselijke gedaante aan en kwam hij in de gestalte van Dihya Kalbî, een van de Metgezellen. Soms legde hij de openbaring in het hart van onze Meester de Profeet; dan zag onze Meester Rasûlullah hem niet. Soms kwam de openbaring in een droom, en soms met een angstaanjagend gegons.
Dit was de vorm van openbaring die onze Meester de Profeet het zwaarst en het moeilijkst viel. In die toestanden droop zelfs op de koudste dag het zweet van het gezegende voorhoofd van Rasûlullah, en als hij op een kameel zat, zakte de kameel door het gewicht van de openbaring door de knieën. Ook de Metgezellen die bij hem waren, voelden het gewicht van de openbaring. Jibrîl ’alayhis-salâm kwam ook enkele keren in zijn eigen gedaante en gestalte.
“O jij die je in je mantel hebt gehuld, Muhammad! Sta op en waarschuw (de ongelovigen met de bestraffing van Allâhu ta’âlâ)! Verkondig de grootheid van jouw Heer en verheerlijk Hem!” Muddaththir: 1–3
Allâhu ta’âlâ heeft onze Meester de Profeet ook zonder engel en zonder sluier, dat wil zeggen zonder enige tussenpersoon, openbaring gegeven. Dat gebeurde in de nacht van de Mi’râj. De verkondiging van de islam door Muhammad Mustafâ (sallallâhu ’alayhi wa sallam), die met de komst van de eerste openbaring aan zijn profetische taak begon, duurde drieëntwintig jaar. Dertien jaar daarvan bracht hij door in Mekka en tien jaar in Medina. De Qur’ân al-karîm werd geopenbaard en voltooid in een tijd van 22 jaar, 2 maanden en 22 dagen.
Muhammad ’alayhis-salâm was ummî, dat wil zeggen: hij had geen boeken gelezen, niet geschreven en van niemand les gekregen. Hij was in Mekka geboren en opgegroeid, en hij was opgevoed te midden van bekende mensen. Toch deelde hij kennis en gebeurtenissen mee die in de Tawrât, de Injîl en de boeken uit de Griekse en Romeinse tijd te vinden zijn. Om de islam bekend te maken zond hij aan het eind van het zesde en het begin van het zevende jaar van de Hijra brieven aan de vorsten van Byzantium, Perzië en Abessinië en aan andere Arabische koningen. Meer dan zestig buitenlandse gezanten kwamen bij hem. Dit wordt in de Qur’ân al-karîm in betekenis als volgt meegedeeld: “Voordat deze Qur’ân al-karîm kwam, las jij geen boek. Jij schreef ook niet. Als je had kunnen lezen en schrijven, hadden zij kunnen zeggen: ‘Jij hebt het van anderen geleerd.’”10
Ook in een hadîth sharîf werd gezegd: “Ik ben Muhammad, de ummî Profeet… Na mij is er geen profeet.”11 En in de Qur’ân al-karîm wordt gezegd: “Hij (Muhammad ’alayhis-salâm) spreekt niet uit zichzelf. Zijn woorden worden hem door openbaring meegedeeld en onderwezen.”12
De eerste moslims (Sâbiqûn al-Islâm)
Nadat de eerste openbaring tot onze Meester de Profeet was gekomen, was onze moeder Khadîja de eerste die geloofde.13 Zonder enige aarzeling aanvaardde zij meteen de islam en verwierf zij de eer de eerste moslim te zijn.
Onze Meester de Profeet leerde onze moeder Khadîja de wudû te verrichten zoals Jibrîl ’alayhis-salâm het hem had geleerd. Daarna werd onze Meester de Profeet imam, en samen verrichtten zij een gebed van twee rak’a’s. Onze moeder Khadîja gehoorzaamde ieder woord en ieder bevel van onze geliefde Profeet op de volmaaktste wijze. Zo bereikte zij bij Allâhu ta’âlâ zeer hoge rangen. Wanneer onze Meester Rasûlullah bedroefd was of leed onder de spot van hen die hem loochenden, troostte zij hem en verdreef zij zijn verdriet. Zij zei: “Yâ Rasûlallah! Wees niet bedroefd en maak u geen zorgen. Uiteindelijk zal onze religie sterk worden en zullen de afgodendienaren vergaan. Uw volk zal u gehoorzamen…” Vanwege deze steun van onze moeder Khadîja kwam Jibrîl ’alayhis-salâm op een dag en zei: “Yâ Rasûlallah! Breng Khadîja de groet (salâm) van Allâhu ta’âlâ over.” Onze Meester de Profeet zei: “O Khadîja! Jibrîl (’alayhis-salâm) brengt je de groet van Allâhu ta’âlâ over.”14
Een andere keer zei onze Meester de Profeet: “Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen Khadîja de blijde boodschap te brengen van een huis van parel in het Paradijs. Daar is geen ziekte, geen verdriet en geen hoofdpijn.”
Na Khadîja was Abû Bakr, een van de goede vrienden van onze Meester Rasûlullah, de eerste volwassene die moslim werd. Twintig jaar eerder had Abû Bakr een droom gezien: “De volle maan was uit de hemel neergedaald en naar de Ka’ba al-Mu’azzama gekomen; zij was in stukken uiteengevallen, en ieder stuk was op een van de huizen van Mekka terechtgekomen; daarna waren deze stukken samengekomen en naar de hemel opgestegen. Maar het stuk dat op het huis van Abû Bakr was gevallen, steeg niet op naar de hemel. Abû Bakr, die dit zag, had meteen de deur van het huis gesloten, alsof hij wilde verhinderen dat dit stuk maan wegging.”
Abû Bakr was opgewonden uit zijn droom ontwaakt, en zodra het ochtend was, was hij meteen naar een van de joodse geleerden gesneld en had hem zijn droom verteld. Die geleerde had geantwoord: “Dit is een van die verwarde dromen; daarom wordt hij niet uitgelegd.” Maar de droom bleef Abû Bakr bezighouden, en het antwoord van de jood stelde hem niet tevreden. Toen hij eens voor de handel op reis was, kwam hij in het land van de monnik Bahîra. Toen hij Bahîra om de uitleg van zijn droom vroeg, zei Bahîra: “Waar kom jij vandaan?” Toen Abû Bakr antwoordde: “Van de Quraysh,” zei Bahîra: “Daar zal een profeet opstaan, en de nûr van de rechte leiding (hidâya) zal tot in ieder deel van Mekka doordringen. Jij zult tijdens zijn leven zijn vizier zijn en na zijn overlijden zijn kalief.” Abû Bakr was zeer verwonderd over dit antwoord. Deze droom en de uitleg ervan vertelde hij aan niemand, totdat onze Meester de Profeet zijn profeetschap bekendmaakte. Toen onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm zijn profeetschap bekendmaakte, snelde Abû Bakr meteen naar onze Meester de Profeet en vroeg: “De profeten hebben bewijzen voor hun profeetschap; wat is uw bewijs?” Onze Meester de Profeet antwoordde: “Het bewijs van mijn profeetschap is die droom waarvan je een joodse geleerde om de uitleg vroeg. Die geleerde zei: ‘Het is een van de verwarde dromen; hij wordt niet uitgelegd.’ Daarna legde de monnik Bahîra hem juist uit,” en zich tot Abû Bakr richtend zei hij: “O Abû Bakr! Ik roep je op tot Allah en Zijn Rasûl.”
Daarop zei Abû Bakr: “Ik getuig dat u de Rasûl van Allâhu ta’âlâ bent; uw profeetschap is waar en het is een nûr die de wereld verlicht,” en hij werd moslim.
Volgens een andere overlevering was Abû Bakr, nog voordat het profeetschap tot onze Meester de Profeet kwam, voor de handel naar Jemen gegaan. Op die reis ontmoette hij in Jemen een oude man van de stam Azd, die veel boeken had gelezen. Deze oude man keek naar Abû Bakr en zei: “Ik denk dat jij van de bewoners van Mekka bent.” Abû Bakr zei: “Ja, dat klopt,” en tussen hen vond het volgende gesprek plaats:
“Ben jij van de Quraysh?”
“Ja!”
“Van de Banû Tamîm?”
“Ja!”
“Er blijft nog één teken over.” “Welk?”
“Ontbloot je buik, opdat ik het zie.”
“Zeg mij: wat is daarvan de bedoeling?”
“Ik heb in de boeken gelezen dat er in Mekka een profeet zal komen. Twee mensen zullen hem helpen. De een is jong, de ander oud. De jonge zal vele moeilijkheden in gemak veranderen en vele rampen afwenden. En de oude heeft een blanke huid en een smalle taille, en op zijn buik zit een zwarte moedervlek. Ik denk dat jij die persoon bent. Ontbloot je buik, opdat ik het zie.”
“Hij (Muhammad ’alayhis-salâm) spreekt niet uit zichzelf. Zijn woorden worden hem door openbaring meegedeeld en onderwezen” Najm: 3–4
Daarop ontblootte Abû Bakr zijn gezegende buik; toen de oude man de zwarte moedervlek boven zijn navel zag, zei hij: “Bij Allah, jij bent die persoon,” en hij gaf Abû Bakr veel aanbevelingen. Toen Abû Bakr zijn zaken had afgehandeld, ging hij afscheid nemen van de oude man en vroeg hem enkele dichtregels over onze Meester de Profeet op te zeggen. Daarop droeg de oude man twaalf dichtregels voor, en Abû Bakr leerde ze uit het hoofd.
Toen Abû Bakr van de reis naar Makka al-Mukarrama terugkeerde, kwamen vooraanstaanden van de Quraysh, zoals ’Uqba ibn Abî Mu’ayt, Shayba, Abû Jahl en Abu’l-Bakhtarî, hem thuis bezoeken. Abû Bakr vroeg hun: “Is er bij jullie iets gebeurd?” Zij antwoordden: “Kan er iets vreemders gebeuren dan dit? De wees van Abû Tâlib beweert profeet te zijn en zegt dat jullie, jullie vaders en jullie grootvaders een valse religie aanhangen. Was het niet uit achting voor jou, wij hadden hem tot nu toe niet in leven gelaten. Jij bent zijn goede vriend; regel jij deze zaak.”
Abû Bakr wimpelde hen af en vernam dat onze Meester de Profeet in het huis van Khadîja was. Hij ging erheen en klopte op de deur. Toen onze Meester de Profeet hem ontving, vroeg Abû Bakr: “O Muhammad! Wat is het dat men over u zegt?” Onze Meester de Profeet zei: “Ik ben de profeet van Haqq ta’âlâ. Ik ben gezonden tot jou en tot alle kinderen van Âdam. Geloof, opdat je het welbehagen van Haqq ta’âlâ bereikt en je ziel tegen de Hel beschermt.”
Toen Abû Bakr vroeg: “Wat is daarvan het bewijs?”, zei Rasûl-i akram: “Het bewijs is het verhaal van de oude man die je in Jemen hebt gezien.” Abû Bakr zei: “In Jemen heb ik heel veel oude en jonge mensen gezien.” Onze Meester de Profeet antwoordde: “De oude man die je twaalf dichtregels toevertrouwde en ze naar mij zond,” en hij zei al die dichtregels op. Toen Abû Bakr vroeg: “Wie heeft u dat meegedeeld?”, antwoordde hij: “De engel die tot de profeten vóór mij kwam, heeft het mij meegedeeld.” Zodra hij dat hoorde, zei Abû Bakr: “Geef mij uw hand,” greep zijn gezegende hand en werd moslim met de woorden: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh, wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh.”15 Met een verheven vreugde die hij voor het eerst in zijn leven voelde, keerde Abû Bakr als moslim naar huis terug. Zo werd ook in een hadîth sharîf gezegd: “Iedereen aan wie ik het geloof voorlegde, trok een bedenkelijk gezicht en keek aarzelend. Alleen Abû Bakr as-Siddîq aarzelde en talmde geen ogenblik om het geloof te aanvaarden.”
Op een dag, toen onze Meester de Profeet met onze moeder Khadîja het gebed verrichtte, zag ’Alî hen. Hij was toen tien of twaalf jaar oud. Na het gebed vroeg hij: “Wat is dit?” Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Dit is de religie van Allâhu ta’âlâ. Ik roep je op tot deze religie. Allâhu ta’âlâ is één; Hij heeft geen deelgenoot. Ik roep je op te geloven in Allah, Die één is en geen gelijke en geen deelgenoot heeft…” ’Alî zei: “Eerst wil ik mijn vader raadplegen.” Rasûlullah zei tegen hem: “Als je niet tot de islam komt, vertel dit geheim dan aan niemand!” De volgende ochtend kwam ’Alî bij Rasûlullah en zei: “Yâ Rasûlallah! Leer mij de islam,” en hij werd moslim.16
’Alî was de derde van hen die moslim werden. De zelfopoffering die hij op de weg van Rasûl-i akram toonde, en het feit dat hij hem boven zichzelf verkoos, gaan alle lof te boven.
Zayd ibn Hâritha behoorde tot de eersten die geloofden. Na Khadîja, Abû Bakr en ’Alî was hij de vierde, en onder de vrijgelaten slaven kreeg hij de eer de eerste moslim te zijn. Samen met hem werd ook zijn vrouw, Umm Ayman, moslim.17
Toen Abû Bakr moslim was geworden, ging hij meteen naar zijn vrienden van wie hij veel hield. Hij overtuigde ook hen om moslim te worden. De voornaamsten van hen, die tot de vooraanstaanden onder de Metgezellen behoren, zijn ‘Uthmân ibn ‘Affân, Talha ibn ‘Ubaydullah, Zubayr ibn ‘Awwâm, ‘Abdurrahmân ibn ‘Awf en Sa’d ibn Abî Waqqâs, verheven persoonlijkheden en vooraanstaanden van hun volk.18 Deze acht mensen die na onze moeder Khadîja moslim werden, worden Sâbiqûn al-Islâm genoemd, dat wil zeggen de eerste moslims. ‘Uthmân vertelt hoe hij moslim werd: “Ik had een tante van moederszijde die zich met waarzeggerij bezighield. Op een dag ging ik haar bezoeken. Zij zei tegen mij: ‘Er is jou een vrouw beschoren. Maar noch jij zult vóór haar een vrouw hebben gezien, noch zij vóór jou een man. Zij zal een dame zijn met een mooi gezicht, die zich van de wereld afkeert, en de dochter van een grote profeet.’
Ik verwonderde mij over deze woorden van mijn tante. Zij zei verder tegen mij: ‘Er is een profeet gekomen. Uit de hemel is de openbaring tot hem neergedaald.’ Ik zei: ‘O tante! Van zo’n geheim heeft men in de stad nooit gehoord. Zeg het dan duidelijk.’ Toen zei mijn tante: ‘Het profeetschap is tot Muhammad ibn ‘Abdullah gekomen. Hij roept het volk op tot de religie. In korte tijd zal de wereld door zijn religie vol nûr worden, en de hoofden van wie zich tegen hem verzetten, zullen worden afgehakt.’
Deze woorden van mijn tante maakten grote indruk op mij. Ik raakte ongerust. Tussen Abû Bakr en mij bestond een grote vriendschap; wij waren nooit van elkaar gescheiden. Twee dagen later ging ik naar Abû Bakr om over deze zaak te spreken. Toen ik hem vertelde wat mijn tante had gezegd, zei hij tegen mij: ‘O ‘Uthmân! Jij bent een verstandig man. Hoe kunnen een paar stenen die niet zien en niet horen, en die geen enkel ding nut of schade kunnen brengen, de goddelijkheid waardig zijn?’ Ik zei: ‘Je hebt gelijk; het woord van mijn tante is waar.’”
Nadat Abû Bakr ’Uthmân de islam had uitgelegd, bracht hij hem bij onze Meester, de Rasûl ath-Thaqalayn, dat wil zeggen de Profeet van de mensen en de jinn. Onze geliefde Profeet zei tegen ’Uthmân: “O ’Uthmân! Haqq ta’âlâ nodigt je uit als gast in het Paradijs. Geef ook jij gehoor aan deze uitnodiging (aanvaard haar). Ik ben tot alle mensen gezonden als gids op de rechte weg (hidâya).” Overweldigd door de verheven toestand van Rasûlullah en de woorden die hij met een opgewekt gelaat sprak, raakte ’Uthmân buiten zichzelf, en met groot vuur en volledige overgave zei hij: “Ash-hadu an lâ ilâha illallâh, wa ash-hadu anna Muhammadan ’abduhû wa rasûluh,” en hij werd moslim.
In de eerste drie jaar van zijn profeetschap riep onze Meester Rasûlullah de mensen in het geheim op tot de islam. De mensen werden langzaamaan, een voor een en twee aan twee, moslim. In die tijd bereikte het aantal moslims nauwelijks dertig. Zij verrichtten hun aanbidding thuis, en de edele verzen van de Qur’ân al-karîm die werden geopenbaard, lazen zij in het geheim en leerden zij uit het hoofd.
“De Sâbiqûn al-Islâm, dat wil zeggen de eerste moslims: Abû Bakr as-Siddîq, ’Alî ibn Abî Tâlib, Zayd ibn Hâritha, ’Uthmân ibn ’Affân, ’Abdurrahmân ibn ’Awf, Sa’d ibn Abî Waqqâs, Zubayr ibn ’Awwâm en Talha ibn ’Ubaydullah” (radiyallâhu ’anhum ajma’în)
De uitnodiging van de naaste verwanten
Met de openbaring van soera al-Muddaththir was onze Meester Rasûlullah begonnen de mensen op te roepen tot de religie van de islam. Die oproep deed hij in het geheim. Enige tijd later werd het edele vers geopenbaard met de betekenis: “Waarschuw je naaste verwanten met de bestraffing van Allâhu ta’âlâ en roep hen op tot de ware religie.”19 Daarop stuurde onze Meester de Profeet Muhammad ’alayhis-salâm ’Alî om zijn verwanten tot de religie op te roepen, en hij nodigde hen allen uit in het huis van Abû Tâlib. Hij zette hun een bord eten voor dat genoeg was voor één persoon en een kom melk; eerst begon hij zelf, met de basmala, en tegen de verwanten die gekomen waren zei hij: “Tast toe.” Er waren veertig mensen gekomen. Maar het eten dat werd voorgezet, verzadigde hen allen en nam in het geheel niet af. De aanwezigen stonden versteld van dit wonder. Na de maaltijd stond onze Meester de Profeet op het punt het woord te nemen om zijn verwanten tot de islam op te roepen. Toen zei zijn oom Abû Lahab vijandig: “Zo’n tovenarij als vandaag hebben wij nog nooit gezien. Jullie verwant heeft jullie betoverd. O zoon van mijn broer! Ik heb nog nooit iemand gezien die zoveel kwaad en slechtheid bracht als jij,” en hij ging door met beledigende woorden.
Onze Profeet zei tegen Abû Lahab: “Jij hebt mij een kwaad aangedaan dat de Quraysh en alle Arabische stammen samen niet hadden kunnen doen!” Zij gingen uiteen zonder dat een van hen moslim werd. Korte tijd na deze gebeurtenis nodigde hij zijn verwanten opnieuw uit. ’Alî riep hen allen weer bijeen.
Net als de vorige keer werd hun eten voorgezet. Na de maaltijd stond onze Meester de Profeet op en zei: “Lof komt alleen Allâhu ta’âlâ toe. Alleen van Hem vraag ik hulp. In Hem geloof ik, op Hem vertrouw ik. Ik weet met zekerheid en maak bekend dat er geen god is dan Allâhu ta’âlâ; Hij is één. Hij heeft geen gelijke en geen deelgenoot.” Daarna vervolgde hij: “Ik lieg nooit tegen jullie; ik maak jullie de waarheid bekend… Ik roep jullie op te geloven in Allâhu ta’âlâ, Die één is en buiten Wie er geen god is. Ik ben de profeet die Hij tot jullie en tot de hele mensheid heeft gezonden. Bij Allah, zoals jullie in slaap vallen, zo zullen jullie sterven, en zoals jullie uit de slaap ontwaken, zo zullen jullie weer tot leven worden gewekt; jullie zullen rekenschap moeten afleggen van alles wat jullie hebben gedaan, en voor jullie goede daden zullen jullie beloning ontvangen en voor jullie slechte daden bestraffing. En dat is óf eeuwig in het Paradijs blijven, óf eeuwig in de Hel blijven. Jullie zijn de eersten onder de mensen die ik met de bestraffing van het hiernamaals waarschuw.”
Nadat Abû Tâlib deze woorden had gehoord, zei hij: “O mijn geachte neef! Ik ken niets kostbaarders dan jou te helpen. Wij hebben je raad aangenomen en aanvaard, en wij erkennen je woorden van harte als waar. Zij die hier nu bijeen zijn, zijn de kinderen van je grootvader ’Abdulmuttalib. Ongetwijfeld ben ook ik een van hen. Ik zal onder ons de eerste zijn die toesnelt naar wat jij wilt. Ik beloof je dat ik geen ogenblik zal ophouden je te omringen en te beschermen. Ga door met wat je is bevolen. Maar wat het verlaten van mijn oude religie betreft: ik heb mijn nafs niet bereid gevonden zich daarin te schikken.”
Behalve Abû Lahab spraken de verwanten en ooms die daar waren op zachte toon. Maar Abû Lahab sprak brutale woorden en uitte dreigementen: “O zonen van ’Abdulmuttalib! Houd hem tegen, voordat anderen hem bij de hand grijpen en tegenhouden. Als jullie vandaag aanvaarden wat hij zegt, zullen jullie vernedering en smaad ondergaan. Als jullie hem gaan beschermen, zullen jullie allemaal gedood worden…” Als antwoord aan Abû Lahab zei de tante van onze Meester de Profeet: “O mijn broer! Past het jou de zoon van onze broer en zijn religie zonder hulp te laten? Bij Allah, de geleerden die vandaag leven, maken bekend dat er uit het geslacht van ’Abdulmuttalib een profeet zal komen. Dit is die profeet.”
Ondanks deze woorden ging Abû Lahab door met zijn lelijke praat. Boos op Abû Lahab zei Abû Tâlib: “O lafaard! Bij Allah, zolang wij leven, zijn wij zijn helpers en beschermers.” En zich tot Muhammad ’alayhis-salâm wendend zei hij: “O zoon van mijn broer! Laat ons weten wanneer je de mensen wilt oproepen te geloven in jouw Heer; dan zullen wij ons wapenen en met je uittrekken.” Toen nam de Trots van het universum opnieuw het woord en zei: “O zonen van ’Abdulmuttalib! Bij Allah, er is onder de Arabieren niemand die zijn volk iets verhevens en beters heeft gebracht dan wat ik jullie heb gebracht, dat goed is voor jullie wereld en jullie hiernamaals (dat wil zeggen deze religie). Ik roep jullie op twee woorden uit te spreken die licht zijn op de tong en zwaar wegen in de weegschaal: dat jullie getuigen dat er geen god is dan Allah en dat ik Zijn dienaar en Zijn Rasûl ben. Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen jullie hiertoe op te roepen. Wie van jullie zal dan deze oproep van mij aanvaarden en mijn helper op deze weg zijn?” Niemand zei een woord. Allen bogen het hoofd. Onze Meester de Profeet herhaalde deze woorden drie keer. Iedere keer dat hij ze uitsprak, stond ’Alî op. De derde keer zei ’Alî: “Yâ Rasûlallah! Al ben ik in leeftijd de jongste van hen, ik zal uw helper zijn.” Daarop nam onze Meester Rasûlullah ’Alî bij de hand.
De anderen gingen verbaasd uiteen. De Habîb van Allâhu ta’âlâ (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was zeer bedroefd over deze houding van zijn verwanten.
Maar zonder de moed te verliezen ging hij door met zijn oproep, opdat zij van de Hel gered zouden worden en het geluk zouden bereiken.
In het vierde jaar van de bi’tha werd vers 94 van soera al-Hijr geopenbaard. Toen het goddelijke bevel kwam, met de betekenis: “(O Mijn Habîb!) Maak openlijk bekend wat jou bevolen is (de geboden en de verboden). Wend je af van de afgodendienaren! Schenk geen aandacht aan hun woorden!”, begon onze geliefde Profeet de Mekkanen openlijk tot de islam op te roepen. Op een dag beklom hij de heuvel Safâ en zei: “O volk van de Quraysh! Verzamel jullie hier en luister naar mijn woorden!” Nadat de stammen bijeengekomen waren, vroeg hij: “O mijn volk! Hebben jullie ooit een leugen uit mijn mond gehoord?” Allen tegelijk zeiden zij: “Nee, nooit.” Hij zei: “Allâhu ta’âlâ heeft mij het profeetschap geschonken en mij als profeet tot jullie gezonden.” Daarna reciteerde hij vers 158 van soera al-A’râf, met de betekenis: “(O Mijn Habîb!) Zeg tegen hen: ’O mensen! Ik ben de Rasûl van Allâhu ta’âlâ, de Eigenaar van de aarde en de hemelen, tot jullie allen gezonden. Hij is het Die ieder levend wezen doet sterven en tot leven brengt. Er is geen god (die aanbidding waardig is) dan Hij.’” Zijn oom Abû Lahab, die onder de toehoorders was, schreeuwde, boos en volhardend in het ongeloof (kufr): “De zoon van mijn broer is gek geworden! Luister niet naar het woord van iemand die onze afgoden niet aanbidt en onze religie verlaat!” De aanwezigen gingen uiteen, en niemand kwam tot geloof. Hoewel zij wisten dat onze Meester de Profeet waarheidlievend was en een verheven karakter had, keerden zij zich van hem af en werden zijn vijanden.
“Waarschuw je naaste verwanten met de bestraffing van Allah en roep hen op tot de ware religie” Shu’arâ: 214
Op een andere dag gaf hij gehoor aan het bevel van Allâhu ta’âlâ: “Maak openlijk bekend wat jou bevolen is (de geboden en de verboden)”, en beklom hij opnieuw de heuvel Safâ. Met luide en krachtige stem riep hij het volk: “Yâ sabâhâh! Kom hierheen, verzamel jullie; ik heb belangrijk nieuws voor jullie!”20 Op deze oproep kwamen de stammen aangesneld en verzamelden zich. Vol verbazing en nieuwsgierigheid begonnen zij te wachten. Wie niet kwamen, stuurden hun mannen om te weten te komen waarom men bijeenkwam. Een groep van hen die gekomen waren, begon te vragen: “O Muhammad al-Amîn! Waarom heb je ons hier bijeengebracht? Welk nieuws ga je ons meedelen?” Hij begon te spreken met de aanspreking: “O stammen van de Quraysh!” Allen luisterden met grote aandacht. Hij vervolgde: “Het is met mij en met jullie gesteld als met een man die de vijand ziet en naar zijn familie rent om haar te waarschuwen, en die, uit vrees dat de vijand vóór hem bij zijn familie aankomt en haar kwaad doet, uitroept: ‘Yâ sabâhâh!’ (Wij zijn door de vijand omsingeld en ingesloten! De ochtend is aangebroken! Maak je snel gereed voor de strijd!) O mensen van de Quraysh! Als ik jullie zou zeggen dat er achter deze berg een vijandelijk leger is dat op het punt staat jullie aan te vallen, zouden jullie mij dan geloven?” Zij zeiden: “Ja, wij zouden je geloven. Want tot nu toe hebben wij bij jou niets anders dan oprechtheid gezien. Wij hebben jou nooit zien liegen!…”
Daarop noemde hij alle stammen van de Quraysh bij naam: “O zonen van Hâshim! O zonen van ’Abdu Manâf! O zonen van ’Abdulmuttalib!”, en hij vervolgde: “Ik ben voor jullie de waarschuwer voor een zware bestraffing die zeker zal komen. Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen mijn naaste verwanten te waarschuwen met de bestraffing van het hiernamaals. Ik roep jullie op te geloven door te zeggen: Lâ ilâha illallâhu wahdahû lâ sharîka lah (Allah is één, er is geen god dan Hij). En ik ben Zijn dienaar en Zijn Rasûl. Als jullie hierin geloven, zullen jullie het Paradijs binnengaan. Zolang jullie niet ‘Lâ ilâha illallâh’ zeggen, kan ik jullie in deze wereld geen enkel nut en in het hiernamaals geen enkel aandeel bezorgen.” Uit de menigte die luisterde, zei Abû Lahab: “Heb je ons hiervoor bijeengeroepen?”, en hij wierp een steen die hij van de grond had opgeraapt naar onze geliefde Profeet. Van de anderen kwam zo’n verzet niet; zij gingen pratend met elkaar uiteen.21
Al zouden zij de zon in mijn rechterhand leggen!
Na deze oproepen legde onze geliefde Profeet, waar hij ook een persoon of een groep zag, hun de islam uit. Hij maakte bekend dat ware redding alleen mogelijk is door zich ver te houden van het volgen van de nafs, van onderdrukking, onrecht en allerlei slechte daden, en door te geloven in Allâhu ta’âlâ. Zij die de wensen en begeerten van hun nafs volgden, die de zwakken vertrapten en die in hun overmoed te ver gingen, verzetten zich hier heftig tegen. Toen zij zagen dat aan al hun verdorven praktijken een einde zou worden gemaakt, loochenden zij wat Muhammad ’alayhis-salâm bekendmaakte. Zij werden vijanden van hem en van hen die geloofden. Eerst dreven de afgodendienaren de spot met hen. Daarna besloten zij de druk en de folteringen op te voeren. Zij wilden de gelovigen intimideren en de zaak van de islam in de kiem smoren. Aan hun spits stonden Abû Jahl, ’Utba, Shayba, Abû Lahab, ’Uqba ibn Abî Mu’ayt, ’Âs ibn Wâ’il, Aswad ibn Muttalib, Aswad ibn ’Abdu Yaghûth, Walîd ibn Mughîra…
Op een dag zeiden ’Utba, Shayba en Abû Jahl tegen Abû Tâlib: “U bent onze oudste. Wij hebben u altijd geëerd en geacht. Maar nu heeft de zoon van uw broer een nieuwe religie gesticht. Hij beschimpt onze afgoden en beschuldigt ons van ongeloof (kufr). Geef hem raad. Breng hem hiervan af. Als hij er niet van afziet, weten wij wel hoe wij met hem moeten afrekenen…”
Abû Tâlib kalmeerde hen en stuurde hen terug; opdat onze Profeet niet bedroefd zou worden, hield hij de zaak voor hem verborgen. Na enige tijd kwamen de afgodendienaren opnieuw bijeen en gingen naar Abû Tâlib. Zij zeiden: “Wij zijn al eerder bij u gekomen en hebben u de toestand uitgelegd. U hebt geen acht geslagen op onze woorden. Hij blijft nog altijd onze afgoden zwartmaken. Wij kunnen het niet langer verdragen. Wij zullen met jullie beiden strijden tot de laatste druppel van ons bloed. In Mekka gaat óf hij ten onder, óf wij.” Abû Tâlib probeerde hen te kalmeren, maar zij bleven koppig volharden.22
Zoals Abû Tâlib onze Meester Rasûlullah niet wilde kwetsen, zo wilde hij evenmin dat er tussen hem en zijn volk vijandschap ontstond. Hij ging naar onze Profeet en zei: “O Muhammad! Het hele volk heeft zich in vijandschap tegen jou verenigd, en zij zijn bij mij komen klagen. Vijandschap tussen verwanten is niet goed. Zij willen dat je hen niet langer kâfirs noemt en dat je hen niet meer zwartmaakt door te zeggen dat zij op een verdorven weg zijn.” Daarop zei Habîb-i akram:
“O oom! Weet dat ik, al legden zij de zon in mijn rechterhand en de maan in mijn linkerhand (wat zij ook beloven), nooit zal afzien van deze religie, noch van het verkondigen en bekendmaken ervan aan de mensen. Óf Allâhu ta’âlâ verspreidt deze religie over de hele wereld en mijn taak is volbracht, óf ik geef op deze weg mijn leven.” En hij stond op. Zijn gezegende ogen waren vol tranen.
Toen Abû Tâlib zag dat onze Meester Rasûlullah bedroefd was, kreeg hij spijt van wat hij had gezegd. Hij sloeg zijn armen om zijn hals en zei: “O zoon van mijn broer! Vervolg je weg, doe wat je wilt. Zolang ik leef, zal ik je beschermen en verdedigen.”23
Toen tien van de vooraanstaanden van de afgodendienaren begrepen dat Abû Tâlib Muhammad beschermde, namen zij ’Umâra ibn Walîd met zich mee en gingen naar Abû Tâlib. Zij deden hem een voorstel dat onmogelijk aanvaard kon worden: “O Abû Tâlib! U weet dat deze ’Umâra de knapste, de sterkste en de deugdzaamste is van de jongemannen van Mekka. Bovendien is hij dichter. Wij geven hem aan u; gebruik hem voor uw eigen zaken. Geef ons in ruil voor ’Umâra Muhammad, zodat wij hem doden. Een man voor een man! Wat wilt u nog meer?” Abû Tâlib werd hierover uiterst toornig en zei: “Geef mij eerst jullie eigen zonen. Laat ik hen doden. Daarna zal ik jullie mijn neef geven.” Toen begrepen de afgodendienaren de ernst van de zaak en zeiden: “Maar onze kinderen doen niet wat hij doet…” Abû Tâlib zei: “Ik zweer dat mijn neef beter is dan al jullie kinderen bij elkaar. Jullie willen mij dus jullie zoon geven om hem te voeden, en mijn eigen vlees en bloed meenemen om hem te doden!… Zelfs een kameelmerrie verlangt alleen naar haar eigen jong en ontfermt zich over geen ander. Dit staat ver af van verstand en rede. De zaak is nu volledig uit de hand gelopen. Wie de vijand is van Muhammad (’alayhis-salâm), mijn eigen vlees en bloed, van hem ben ik de vijand. Weet dat goed en doe wat jullie kunnen!”24 Woedend stonden de afgodendienaren op en vertrokken. Abû Tâlib riep onmiddellijk de zonen van Hâshim en de zonen van ’Abdulmuttalib bijeen. Hij legde hun de toestand uit en overtuigde hen onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) te helpen. De armen die zich zouden heffen om Rasûlullah te doden, zouden gebroken worden. Hierin verenigden zij zich tegen de afgodendienaren. Alleen Abû Lahab deed niet mee. Abû Tâlib zei tegen hen: “O dappere mannen! Gord morgen ieder je zwaard om en volg mij!”
“O oom! Weet dat ik, al legden zij de zon in mijn rechterhand en de maan in mijn linkerhand (wat zij ook beloven), nooit zal afzien van deze religie, noch van het verkondigen en bekendmaken ervan aan de mensen. Óf Allâhu ta’âlâ verspreidt deze religie over de hele wereld en mijn taak is volbracht, óf ik geef op deze weg mijn leven” Onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm
De volgende dag ging Abû Tâlib naar het huis van onze Meester de Profeet, en samen liepen zij naar de Haram ash-Sharîf. De dappere mannen van de zonen van Hâshim volgden hen. Zij kwamen bij de Ka’ba aan en gingen tegenover de afgodendienaren staan. Abû Tâlib zei tegen de afgodendienaren: “O Quraysh! Ik heb gehoord dat jullie hebben besloten de zoon van mijn broer te doden. Weten jullie dat deze jongemannen achter mij, met de hand aan het zwaard, ongeduldig op een teken van mij wachten? Ik zweer dat ik, als jullie Muhammad doden, niemand van jullie in leven laat!…” Daarna begon hij gedichten voor te dragen waarin hij onze geliefde Profeet prees. De afgodendienaren die daar waren, met Abû Jahl voorop, gingen uiteen.
