ENKELE SUNNA’S ZAWÂ’ID VAN ONZE MEESTER DE PROFEET
De dingen die onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) deed, worden in drie soorten verdeeld. De eerste zijn de dingen die ook de moslims moeten doen. Deze worden “sunna” genoemd. De tweede zijn de dingen die aan onze Profeet (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) eigen zijn. Deze worden “khasâ’is” genoemd. Het is anderen niet toegestaan ze te doen. De derde zijn de dingen die aan de gewoonte verbonden zijn. Iedere moslim moet ze doen volgens de gewoonte van de plaats waar hij zich bevindt. Worden ze in strijd met de gewoonte gedaan, dan ontstaat er onrust (fitna). En onrust wekken is harâm.1
Als onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) het niet afkeurde, dat wil zeggen er niet ontstemd over was, wanneer iemand de dingen naliet die hij zelf als aanbidding deed, dan worden deze daden van aanbidding “sunnat-i hudâ” genoemd. Als hij ze voortdurend deed, worden ze “sunnat-i mu’akkada” genoemd. De dingen die Rasûlullah uit gewoonte deed, worden “sunnat-i zâ’ida” of “mustahabb” genoemd.2 Daartoe behoren bijvoorbeeld het beginnen van goede daden aan de rechterkant en het verrichten ervan met de rechterhand, en de dingen die hij deed en gebruikte bij het bouwen, het eten, het drinken, het zitten, het opstaan (het slapengaan), in de kleding en bij gebruiksvoorwerpen. De dingen die later zijn ontstaan, worden “bid’a” genoemd. Dingen doen die “bid’a in de gewoonte” zijn, zoals het gebruik van een meelzeef en een lepel, dat wil zeggen gewoonten die later zijn ontstaan, is geen dwaling (dalâla). Het is geen zonde. Hieruit blijkt dat aan tafel eten, een vork en een lepel gebruiken, in een bed slapen, op conferenties en op scholen in de lessen moraal en natuurwetenschappen radio, televisie en bandrecorder gebruiken, met allerlei vervoermiddelen reizen en gebruikmaken van technische hulpmiddelen zoals een bril en een rekenmachine, toegestaan is, want dit zijn bid’a’s in de gewoonte. De bid’a’s en vernieuwingen in de gewoonte gebruiken om iets harâms te doen, is harâm. Over het gebruik van radio, luidspreker en bandrecorder bij het gebed, de adhân en de preek en khutba in de moskee staat uitvoerige informatie in de boeken “Se’âdet-i Ebediyye” en “İslâm Ahlâkı”. Een bid’a in de aanbidding invoeren, al is het maar een kleine verandering, is een zeer grote zonde.3 Jihâd, dat wil zeggen het strijden van de regering en het leger tegen de vijanden, is aanbidding. Maar het gebruik van allerlei technische middelen in de oorlog is geen bid’a; integendeel, het levert veel beloning op, want het is bevolen allerlei technische middelen in de oorlog te gebruiken. Bij de daden van aanbidding moet men de vernieuwingen invoeren die helpen bij het doen van wat bevolen is. Vernieuwingen en veranderingen invoeren die helpen bij het doen van wat verboden is, is bid’a. Om de adhân te laten klinken, moet men bijvoorbeeld de minaret beklimmen, want het is bevolen hem op een hoge plaats te laten klinken. Maar de adhân met een luidspreker laten klinken is bid’a, want het is niet bevolen hem met een apparaat te laten klinken; bevolen is dat de mens hem laat klinken. Bovendien heeft Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) het gebruik van muziekinstrumenten, zoals het luiden van klokken en het blazen op hoorns, verboden om de gebedstijden bekend te maken of om andere daden van aanbidding te verrichten.4
“Rasûlullah ook volgen in de dingen die aan de gewoonte verbonden zijn, doet de mens in deze wereld en in het hiernamaals veel winnen en opent de weg naar velerlei geluk” Maktûbât-i Rabbânî, II, brief 5
Het nalaten van wat “sunnat-i hudâ” heet, is makrûh. Het nalaten van wat “sunnat-i zâ’ida” heet, is niet makrûh.5
Het belang dat onze Meester de Profeet hechtte aan reinheid, orde en regelmaat
Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) hechtte veel belang aan reinheid, orde en regelmaat. Hij begon graag alles aan de rechterkant en deed het graag met de rechterhand.6 Alleen de reiniging na de behoefte deed hij met de linkerhand.
Zoveel mogelijk deed hij alles in een oneven aantal. Hij zei: “Wie haar heeft, moet het goed verzorgen!”
Toen onze Profeet in de moskee was, kwam er iemand binnen met verward haar en een verwarde baard. Onze geliefde Meester de Profeet zei: “Is er voor deze man niet eens rozenolie om zijn haar glad te strijken?”, en daarna gaf hij hem met zijn hand een teken dat hij meteen naar buiten moest gaan om zijn haar en zijn baard in orde te brengen. Toen de man dat had gedaan en terugkwam, zei onze Profeet: “Is het beter dat een van jullie zo komt, of dat hij komt met haar en baard zo verward als een shaytân?”
Zelfs op reis nam hij olie in een flesje mee. Wanneer hij olie aanbracht, legde hij eerst een dunne doek op zijn hoofd en zette zijn muts boven op de doek. Zo was van buiten niet te zien dat hij olie had aangebracht. Onze Profeet kamde zijn baard twee keer per dag.
Anas ibn Mâlik zegt: “Rasûl ’alayhis-salâm bracht vaak rozenolie aan op zijn gezegende haar en kamde zijn gezegende baard nadat hij die met water had bevochtigd.”7 Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) haalde wat af van de lengte en de zijkanten van zijn gezegende baard. Voordat hij naar het vrijdaggebed ging, kortte hij zijn gezegende snor in en knipte hij wat van zijn gezegende nagels was gegroeid. Ook de moslims beval hij hun snor kort te houden.
Telkens wanneer onze Profeet in de spiegel keek, loofde hij Allâhu ta’âlâ en deed hij deze smeekbede: “O Allah! Zoals U mijn gestalte mooi hebt geschapen, maak zo ook mijn karakter mooi!”
Elke nacht, voordat hij ging slapen, bracht onze Profeet driemaal kohl aan op zijn gezegende ogen. Hij bracht de kohl driemaal aan op zijn gezegende rechteroog en tweemaal op zijn gezegende linkeroog. Hij zei: “Breng kohl aan! Want het doet het oog glanzen en laat het haar (de wimpers) groeien.”8
De geleerden van de islam hebben meegedeeld dat het een man is toegestaan kohl als geneesmiddel aan te brengen, maar niet als versiering. De woorden jamâl en zîna mag men niet met elkaar verwarren.
Jamâl betekent: lelijkheid wegnemen, waardigheid bezitten en de gunst tonen om er dankbaar voor te zijn. Die gunst tonen om op te vallen en om te pochen is geen jamâl, maar hoogmoed. Onze Meester Rasûlullah hechtte veel belang aan het gebruik van de miswâk. Hij liet hem nooit van zijn zijde. Hij zei: “Gebruik de miswâk van een tak van de arakboom!” De miswâk geeft de mond een aangename geur. Ook zei hij: “Hij is mijn sunna en die van de profeten vóór mij!”
Onze Meester de Profeet zei: “Als ik mijn umma geen last had willen bezorgen, zou ik hun hebben bevolen bij elk gebed de miswâk te gebruiken!”9 “Ik raad jullie met nadruk aan de miswâk te gebruiken!”
“De miswâk is reinheid van de mond en het welbehagen van mijn Heer!” Wanneer onze geliefde Profeet zijn huis binnenkwam, was het eerste wat hij deed zijn gezegende tanden met de miswâk reinigen. Hij ging niet slapen zonder een miswâk bij zich te hebben, en wanneer hij wakker werd, begon hij met het reinigen van zijn gezegende tanden met de miswâk. Ook wanneer hij ’s nachts opstond voor het tahajjud-gebed, reinigde hij zijn gezegende tanden met de miswâk.10 Onze moeder ’Âisha (radiyallâhu ’anhâ) zei: “Er was geen nacht en geen dag waarin de Profeet ’alayhis-salâm sliep zonder bij het ontwaken vóór de wudû de miswâk te gebruiken!” Ibrâhîm, de zoon van onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam), was overleden. Bij de begrafenis lag een van de leemstenen die op het graf waren gelegd scheef. Hij greep in en legde hem recht. Hij legde uit dat de scheve steen de overledene geen nut of schade bracht, maar dat hij zich stoorde aan wat niet ordelijk en geregeld was.
Het Huis van Gelukzaligheid van onze Meester de Profeet
Toen onze geliefde Profeet in Medina zijn moskee liet bouwen, liet hij ernaast twee kamers van leemsteen maken en die met stammen en takken van dadelpalmen overdekken. Toen de gezegende moskee werd gebouwd, werd er voor ’Âisha en voor Sawda (radiyallâhu ’anhumâ) elk een kamer gemaakt. De deur van de kamer van onze moeder ’Âisha lag aan de weg die naar de moskee leidde. De deur van de kamer die voor onze moeder Sawda was gemaakt, lag tegenover de derde poort van de moskee, de poort van Âl-i ’Uthmân. Toen onze Profeet andere echtgenotes nam, nam het aantal kamers later toe en werden het er negen. Ook deze werden gebouwd tussen de kamer van onze moeder ’Âisha en de qibla. Sommige kamers waren van leemsteen, andere van steen. Sommige waren van dadelpalmtakken gemaakt (in Bagdadse stijl) en aan de buitenkant met leemmortel bepleisterd, en ook het plafond was van dadelpalmtakken gemaakt. Hasan ibn Abi’l-Hasan (radiyallâhu ’anh) zegt: “Toen ik een jongeman was, ging ik de huizen van Rasûlullah binnen en kon ik met mijn hand tot het plafond reiken. Het dak van de kamer van Rasûlullah bestond uit niets anders dan een geweven doek van haar, gespannen over een stam van cipres of jeneverbes.”
Volgens wat imam Bukhârî meedeelt, “had de deur van het huis van Rasûlullah geen klopper, en werd erop geklopt met het uiteinde van een boog”. Muhammad ibn Hilâl en ‘Atâ’ al-Khurâsânî hebben de kamers van de echtgenotes van onze Profeet gezien en meegedeeld dat zij van dadelpalmtakken waren gemaakt en dat zij in plaats van deuren gordijnen van grof zwart haardoek hadden. Volgens de verklaring van Dâwûd ibn Qays, die ze met eigen ogen had gezien, was de breedte van elke kamer, van de deur tot de zijmuren, ongeveer 6–7 dhirâ’11 (3–3,5 m), en de diepte van binnen naar schatting tien dhirâ’ (4,8 m). (Een dhirâ’ is 48 cm.)
“De miswâk is reinheid van de mond en het welbehagen van mijn Heer!” Hadîth sharîf
Op de dag dat in Medina de brief van de kalief ’Abdulmalik over de onteigening van de kamers van de echtgenotes van onze Meester de Profeet om ze bij de moskee te voegen, aankwam en werd voorgelezen, konden velen hun tranen niet bedwingen, en de inwoners van Medina weenden als op de dag waarop onze Profeet overleed.12
Ook Sa’îd ibn Musayyab gaf uiting aan zijn verdriet hierover met de woorden: “Bij Allah! Wat had ik graag gewild dat ze waren gelaten zoals ze waren! Dan zouden de jongeren van Medina die opgroeien en zij die van buiten naar Medina komen, zien waarmee Rasûl ’alayhis-salâm zich tijdens zijn leven tevredenstelde, en zouden de mensen niet hunkeren naar veel bezit en er niet mee pronken.”
Het leven van onze Meester de Profeet binnenshuis
Husayn vertelt: “Ik vroeg mijn vader hoe onze Meester de Profeet zijn tijd binnenshuis doorbracht. Mijn vader vertelde het als volgt: Vanaf het ogenblik dat hij zijn huis binnenging, verdeelde onze Meester de Profeet zijn tijd in drieën: voor de aanbidding van Allah, voor de zaken van zijn huisgenoten en voor zijn persoonlijke zaken. De tijd die hij voor zichzelf had bestemd, verdeelde hij weer tussen zichzelf en de mensen. In die tijd kwamen alleen de uitgelezen Metgezellen bij hem binnen. Via hen bracht hij de religieuze zaken aan het volk over, en niets wat het volk aanging, hield hij bij zich of spaarde hij op. Het was de gewoonte van onze Meester de Profeet de tijd die aan zijn umma toebehoorde te verdelen over de mensen van deugd, naar hun rang van verhevenheid in de religie, en hen dienovereenkomstig bij zich te roepen. Van hen had de een één behoefte, de ander twee, en weer een ander nog meer. Onze Meester de Profeet hield zich met hun religieuze behoeften bezig, gaf op hun vragen de antwoorden die nodig waren en zei daarna: ‘Laat wie hier aanwezig is, dit overbrengen aan wie hier niet is! Brengen jullie mij de behoefte van wie niet zelf bij mij kan komen om zijn behoefte voor te leggen. Want voorwaar, wie de behoefte voorlegt van iemand die zijn behoefte niet kan voorleggen, diens voeten zal Allah op de Dag des Oordeels op de Sirât standvastig maken!’
Bij onze Meester de Profeet werd over niets anders gesproken en niets anders ter sprake gebracht. Ook nam hij zelf van niemand iets anders aan. Wie bij onze Meester de Profeet binnenkwam, kwam binnen als zoeker naar kennis en ging naar buiten als de grootste geleerde, nadat hij de smaak van de kennis had geproefd, en als gids voor anderen!”
Het leven van onze Meester de Profeet buitenshuis
Husayn vroeg zijn vader ’Alî naar het leven van onze Meester de Profeet buitenshuis. Ook dit vertelde hij als volgt:
De Meester van het universum sprak buitenshuis niet, tenzij zijn woorden de moslims tot nut zouden zijn, hen nader tot elkaar zouden brengen en de verdeeldheid en de koelheid tussen hen zouden wegnemen. Hij eerde de man met de edelste eigenschappen van elk volk en stelde hem aan als gouverneur over zijn volk.13 Hij beschermde het volk tegen slechte mensen en tegen het kwaad, en hij wachtte zich er zelf voor in zulke toestanden te vervallen. Niemand onthield hij zijn glimlachende gezicht en zijn goede karakter.
Als hij zijn Metgezellen niet zag, zocht hij hen op en vroeg hij de Metgezellen wat er tussen hen voorviel. Het goede prees en versterkte hij; het slechte laakte en verzwakte hij. Alles wat hij deed, was gematigd en zonder tegenstrijdigheid. Uit vrees dat zij in achteloosheid zouden vervallen, liet hij niet na de moslims te waarschuwen. Al zijn toestanden waren bestendig. Onze Meester Rasûlullah bezat een volkomen aanleg voor aanbidding en gehoorzaamheid. Hij overschreed het recht niet en schoot ook niet tekort in het vervullen ervan. Zij die hem na stonden, waren de besten van de mensen.
Bij hem was de verhevenste van de Metgezellen degene wiens raad het meest omvattend was, en de hoogste in rang degene die de behoeftigen het best hielp en goed deed. De Meester van het universum ging niet zitten en stond niet op zonder Allah te gedenken.
In een bijeenkomst bestemde hij geen plaats voor zichzelf, en hij verbood anderen dat te doen. Waar hij ook was, wanneer hij bij een gezelschap kwam dat zat, ging hij niet naar de ereplaats, maar ging hij aan het einde van de bijeenkomst zitten, en hij beval de moslims hetzelfde te doen.
Ieder die bij hem zat, gaf hij zijn deel en eerde hij zo dat iedereen dacht dat er bij Rasûlullah niemand waardevoller was dan hij. Met wie bij hem zat of kwam om hem zijn behoefte voor te leggen, had hij in alles geduld, tot die opstond en wegging.14
Wanneer iemand hem om iets vroeg, wees hij hem niet af: hij gaf het, of hij stuurde hem met zachte, vriendelijke woorden terug. Zijn goede karakter was zo ruim dat het alle mensen omvatte. Voor hen was hij een liefdevolle vader geworden. Wat het recht betrof, was bij hem iedereen gelijk. De bijeenkomst van onze Meester de Profeet was een bijeenkomst van kennis, schaamte, geduld en betrouwbaarheid.
In zijn bijeenkomst werden geen stemmen verheven, werd niemand beschuldigd en werden begane fouten en vergissingen niet openbaar gemaakt. Zij die in de bijeenkomst van de Meester van het universum waren, waren elkaars gelijken; hun voorrang op elkaar lag alleen in de taqwâ. Allen waren zij nederig. Zij eerden de ouderen, toonden tederheid en mededogen jegens de jongeren, gaven de behoeftigen voorrang boven anderen en spanden zich in om in hun behoeften te voorzien, en zij beschermden en verzorgden de vreemdelingen en hen die van buiten kwamen. Onze Meester de Profeet had altijd een glimlachend gezicht en een zachtmoedig karakter. Zijn mildheid en zijn vergevingsgezindheid waren overvloedig. Hij was niet hardvochtig. Met niemand twistte hij. Nooit schreeuwde hij en nooit sprak hij lelijke woorden. Niemand berispte hij. Hij was niet gierig. Bij wat hem niet beviel, deed hij alsof hij het niet zag. Wie op iets hoopte, bracht hij niet tot wanhoop, en zijn ongenoegen over iets liet hij niet openlijk blijken.
Onze Meester Rasûlullah hield zich ver van drie dingen:
- van twisten met de mensen,
- van veel praten,
“Ik eet niet terwijl ik ergens tegenaan leun” Hadîth sharîf
- van zich bezighouden met nutteloze, ijdele dingen.
En in drie dingen liet hij de mensen met rust:
- niemand laakte of berispte hij, noch in zijn gezicht, noch achter zijn rug,
- naar niemands gebreken en fouten zocht hij,
- tegen niemand sprak hij een woord dat hem geen beloning en geen goed bracht.
Wanneer onze Meester de Profeet sprak, zaten zij die bij hem waren stil en onbeweeglijk, alsof er een vogel op hun hoofd was neergestreken; wanneer hij zijn woorden had beëindigd en zweeg, zeiden zij wat zij te zeggen hadden, maar in zijn bijzijn redetwistten en twistten zij nooit. Wanneer iemand bij onze Meester de Profeet sprak, zwegen de anderen tot hij was uitgesproken. Bij onze Meester de Profeet was het woord van de laatste niet anders dan het woord van de eerste. Als zij die in zijn bijeenkomst waren om iets lachten, lachte hij met hen mee; als zij zich over iets verbaasden, verbaasde hij zich met hen mee. De ruwheid en de grofheid in de woorden en vragen van de vreemdelingen en buitenstaanders die bij hem kwamen, verdroeg hij, opdat zijn Metgezellen zich zouden gedragen zoals hij. Onze Meester de Profeet zei: “Wanneer jullie iemand in nood zien die vraagt om wat hij nodig heeft, help hem dan het te verkrijgen!”
Onze Meester de Profeet aanvaardde geen lof die niet met de waarheid overeenkwam. Hij onderbrak niemands woorden, tenzij die het recht overschreed. Wanneer die het recht overschreed, onderbrak hij hem en verbood het hem, of hij stond op en verliet de bijeenkomst. Het zwijgen van de Meester van het universum berustte op vier dingen: hilm (zachtmoedigheid), hadhar (behoedzaamheid), taqdîr (afweging) en tafakkur (overpeinzing). Zijn afweging bleek meteen daaruit dat hij alle mensen gelijkelijk aankeek en naar allen luisterde. Zijn overpeinzing bleek uit zijn nadenken over de zaken van deze wereld en van het hiernamaals.
Zachtmoedigheid en geduld had hij in zich verenigd. Niets wat tot de wereld behoorde, maakte hem boos. Wat behoedzaamheid betreft: door deze eigenschap waren vier deugden in hem verenigd:
- het beste nam hij, opdat het gevolgd zou worden,
- de lelijke dingen liet hij, opdat men zich ervan zou onthouden,
- zijn oordeel wendde hij aan voor de dingen die zijn umma tot nut waren,
- al zijn streven richtte hij op de dingen die het geluk van zijn umma in deze wereld en in het hiernamaals zouden verzekeren.
Het gebeurde nooit dat de Meester van het universum op iets “Nee!” zei. Wanneer hem iets werd gevraagd wat hij wilde doen, zei hij: “Goed!”; wanneer hem iets werd gevraagd wat hij niet wilde doen, zweeg hij, en uit dat zwijgen begreep men dat hij het niet wilde doen. Hij spande zich in voor het geluk van iedereen in deze wereld en in het hiernamaals. Toen hem op een veldtocht werd gevraagd een smeekbede te doen opdat de ongelovigen zouden worden vernietigd, zei hij:
“Ik ben niet gezonden om te vervloeken, opdat de mensen gekweld zouden worden. Ik ben gezonden om iedereen goed te doen, opdat de mensen rust zouden vinden.”
In de betekenis van het honderdzevende vers van soera al-Anbiyâ werd gezegd: “Wij hebben jou alleen gezonden als barmhartigheid en weldaad voor de werelden.” Daarom spande hij zich altijd in voor het welzijn van iedereen. Volgens wat Anas ibn Mâlik meedeelt, gaf onze Meester de Profeet, wanneer hij iemand ontmoette, hem de hand (musâfaha)15; zolang die persoon zijn hand niet terugtrok, trok ook onze Meester de Profeet zijn hand niet terug, en zolang die persoon zijn gezicht niet afwendde, wendde ook onze Meester de Profeet zijn gezicht niet van hem af.
Ook vertelt Anas ibn Mâlik: “Wij vroegen onze Meester: ‘Yâ Rasûlallah! Moeten wij voor elkaar buigen?’ Hij zei: ‘Nee!’ Wij vroegen: ‘Moeten wij elkaar omhelzen?’ Hij zei: ‘Nee! Maar geef elkaar de hand (musâfaha)!’”16
Barâ’ ibn ’Âzib vertelde dat onze Meester de Profeet zei: “Wanneer twee moslims elkaar ontmoeten en elkaar de hand geven, wordt hun vergeven nog voordat zij van elkaar scheiden!”
De Meester van het universum was altijd in gedachten verzonken. Zijn zwijgen duurde langer dan zijn spreken. Rasûlullah sprak niet zonder noodzaak. Bij het begin en bij het einde van zijn woorden noemde hij de naam van Allah.
Hij sprak met korte, veelzeggende woorden. De woorden van Rasûlullah waren altijd waar en op hun plaats. Wanneer Rasûlullah sprak, gebruikte hij geen woord te veel en geen woord te weinig. Niemand kwetste hij in zijn hart en niemand keek hij met minachting aan.
Onze Meester Rasûlullah werd niet boos om de wereld of om wereldse zaken. Maar wanneer iemand een recht wilde schenden, kon niets zijn toorn tegenhouden tot dat recht was hersteld.
Om zijn eigen persoon werd hij nooit boos en nam hij nooit wraak. Wanneer hij naar iets wees, wees hij niet met zijn vinger, maar met zijn hele hand. Wanneer hij zich verbaasde, draaide hij de stand van zijn hand om: was de handpalm naar de hemel gekeerd, dan keerde hij die naar de aarde, en was die naar de aarde gekeerd, dan keerde hij die naar de hemel. Wanneer hij sprak, maakte hij handgebaren en sloeg hij met de palm van zijn gezegende rechterhand tegen de binnenkant van de duim van zijn linkerhand. Wanneer hij boos werd, liet hij zijn boosheid meteen varen en liet hij haar niet blijken. Wanneer hij blij en opgewekt was, sloot hij zijn gezegende ogen. Zijn hevigste lachen was glimlachen. Wanneer hij glimlachte, leken de gezegende tanden in zijn gezegende mond op parels.17
Hij gaf graag bij goede daden de rechterkant voorrang;
Bij de wudû en bij het aankleden haastte zich die bron van edelmoedigheid.
Hij lag op zijn rechterzij, met zijn gezicht naar de qibla;
Bij elke ademtocht schouwde het onzichtbare die bron van edelmoedigheid.
“Wanneer twee moslims elkaar ontmoeten, elkaar groeten en elkaar de hand geven, wordt hun vergeven nog voordat zij van elkaar scheiden!” Hadîth sharîf
Zijn bed was van leer, zijn kussen gevuld met palmvezel;
’s Nachts sliep hij weinig, altijd waakzaam, die bron van edelmoedigheid.
Zijn ogen sliepen, maar zijn hart sliep niet, het was bij de Vriend;
Van eeuwigheid af was verrukt van Zijn schoonheid die bron van edelmoedigheid.
Het slapengaan en de slaap van onze Meester de Profeet
Wanneer onze Meester de Profeet op zijn bed wilde slapen, ging hij op zijn gezegende rechterzij liggen, legde zijn gezegende rechterhand onder zijn gezegende rechterwang en deed daarna deze smeekbede: “O Allah! Ik heb mij aan U overgegeven. Ik heb mijn gezicht naar U gewend. Mijn zaak heb ik aan U toevertrouwd. Op U steun ik. Ik vrees Uw straf en hoop op Uw barmhartigheid. Er is geen toevlucht dan Uw barmhartigheid, en er is niets om zich voor te behoeden dan Uw straf.
Alleen bij Uw barmhartigheid wordt toevlucht gezocht, en alleen door Uw barmhartigheid wordt men gered. Ik geloof in het Boek dat U hebt neergezonden en in de Profeet die U hebt gezonden.
O mijn Heer! Met Uw naam heb ik mijn zij op de grond gelegd. Als U mijn ziel vasthoudt en behoudt, behandel haar dan met Uw barmhartigheid! Als U haar loslaat, bescherm haar dan zoals U Uw deugdzame dienaren beschermt!
O Allah! Met Uw naam sterf ik en met Uw naam leef ik weer op. O Allah, Die ons te eten en te drinken geeft, Die in al onze behoeften voorziet en ze vervult, Die ons onderdak en toevlucht geeft! Ik loof U ontelbare malen. Hoevelen zijn er niet die niemand hebben om in hun behoeften te voorzien en niemand die hun onderdak geeft! O Allah! Bescherm mij tegen Uw straf op de dag waarop U Uw dienaren in Uw tegenwoordigheid verzamelt! O Allah! De Eerste (Awwal) bent U! Er is niets dat vóór U is! De Laatste (Âkhir) bent U! Er is niets dat na U is! De Openbare (Zâhir) bent U! Er is niets buiten U!”
Wanneer hij uit de slaap ontwaakte, deed hij deze smeekbede: “Er is geen god dan U! Ik verheerlijk U en verklaar U vrij van elk gebrek. O Allah! Ik vraag U om de vergeving van mijn zonden en om Uw barmhartigheid.
Alle lof zij Allah, Die ons na de dood weer tot leven heeft gebracht. En op de Dag des Oordeels zal onze terugkeer tot Hem zijn.”18 Daarna deed hij deze smeekbede: “O Allah! Vermeerder mijn kennis! Laat mijn hart niet afdwalen nadat U mij de rechte weg hebt getoond! Schenk mij uit Uw verheven tegenwoordigheid barmhartigheid! Want U bent het Wiens vergeving het grootst is!” Barâ’ ibn ’Âzib vertelt: De Meester van het universum zei tegen mij:
“Wanneer je naar je slaapplaats gaat, verricht dan de wudû zoals je die voor het gebed verricht! Ga daarna op je rechterzij liggen en zeg: ‘O Allah! Ik heb mij aan U overgegeven. Ik heb mijn gezicht naar U gewend. Op U steun ik. Ik vrees Uw straf en hoop op Uw barmhartigheid. Er is geen toevlucht bij U dan Uw barmhartigheid, en geen bescherming tegen Uw straf! Alleen bij Uw barmhartigheid wordt toevlucht gezocht, en alleen door Uw barmhartigheid wordt men gered. Ik geloof in het Boek dat U hebt neergezonden en in de Profeet die U hebt gezonden!’ Als je in die nacht sterft, sterf je in de fitra van de islam. Wie dit zegt en in die nacht sterft, sterft in de fitra van de islam!”
Onze Meester de Profeet zei: “Wanneer een van jullie ’s nachts van zijn bed opstaat en daarna terugkeert om weer te gaan liggen, laat hij het dan driemaal uitschudden, want hij weet niet wat er na hem is gebeurd en wat er op het bed is komen liggen.” ’Abdullah ibn Tikhfa (radiyallâhu ’anh), een van de Ashâb-i Suffa, vertelt: “Ik lag bij het aanbreken van de dag in de moskee op mijn buik, dat wil zeggen op mijn gezicht, te slapen, toen iemand mij met zijn voet aanraakte.
– ‘Wie is dit?’ vroeg hij.
– ‘Ik ben ‘Abdullah ibn Tikhfa,’ zei ik.
En wat zag ik? Het was de Meester van het universum! Onmiddellijk richtte ik mij op.
– ‘Dit is een manier van liggen waar Allah de Verhevene het minst van houdt!’ zei hij.”19 Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zette geen voet op de grond zonder wudû.
Nooit is gezien dat onze Meester Rasûlullah naar het toilet ging en daarna geen wudû verrichtte.
De gang van onze Meester de Profeet
Hind ibn Abî Hâla vertelt: “Wanneer de Meester van het universum liep, tilde hij zijn voeten krachtig van de grond, slingerde hij niet naar beide kanten, zette hij grote stappen en boog hij iets naar voren, alsof hij van een hoge plaats afdaalde, en liep hij waardig, rustig en ongedwongen.
Wanneer hij naar een kant wilde kijken, draaide hij zich helemaal om en keek dan. Hij keek niet zomaar om zich heen.
Zijn blik naar de aarde duurde langer dan zijn blik naar de hemel.
En naar de aarde keek hij vanuit zijn ooghoeken. Onderweg liep hij achter zijn Metgezellen.
Wanneer hij iemand ontmoette, groette hij als eerste.”
Abû Hurayra vertelt: “Ik heb niemand gezien die sneller liep dan de Meester van het universum. Wanneer hij liep, was het alsof de aarde zich onder zijn voeten oprolde! Wij spanden ons tot het uiterste in om hem bij te houden, terwijl de Meester van het universum zich bij het lopen helemaal niet inspande.”20
De zithouding van onze Meester de Profeet
Meestal zat hij geknield. Men heeft hem ook gezien in de houding van qurfusâ, dat wil zeggen met opgetrokken knieën en zijn armen eromheen geslagen.21 Nooit strekte hij zijn voeten uit in de richting van hen die in zijn bijeenkomst waren. Meestal zat hij met zijn gezicht naar de qibla. Voor de gasten die bij hem kwamen, spreidde hij vaak de mantel (’abâ) die hij om zijn schouders droeg uit en liet hen daarop zitten. Soms gaf hij zijn gasten zelfs zijn eigen kussen. Hanzala ibn Hidhyam vertelde: “Toen ik naar onze Meester de Profeet ging, zag ik hem in kleermakerszit zitten.” Ook Jâbir ibn Samura heeft meegedeeld dat onze Meester de Profeet, nadat hij het ochtendgebed had verricht, tot zonsopgang op zijn gebedsplaats in kleermakerszit bleef zitten.
“Sier je met het karakter van Allâhu ta’âlâ!” Hadîth sharîf
Sharîd ibn Suwayd zegt: “Onze Meester de Profeet kwam langs mij. Ik zat op dat moment met mijn linkerhand achter mijn rug, steunend op de helft van mijn handpalm. De Meester van het universum zei: ’Zit je op de manier van hen die de toorn over zich hebben afgeroepen (de joden)?’” Abû Juhayfa vertelt: “Onze Meester de Profeet zei: ‘Ik eet niet terwijl ik ergens tegenaan leun.’”22
Hij zat met gekruiste benen, of geknield, of met een knie opgetrokken;
Vol welgemanierdheid, openlijk en in het verborgene, was die bron van edelmoedigheid.
Hij at met drie vingers en likte ze met smaak af;
In drie teugen dronk het lessende water die bron van edelmoedigheid.
Hij hield van honing en halva, van pompoen, azijn en tharîd, maar
Nooit at zich aan gerstebrood verzadigd die bron van edelmoedigheid.
Soms bond hij van honger een steen op zijn gezegende buik;
“Laat mijn hart niet beven,” zei die bron van edelmoedigheid.
In het Huis van Gelukzaligheid brandde maandenlang geen vuur;
Tevreden at dadels en granaatappels die bron van edelmoedigheid.
Het eten en drinken van onze Meester de Profeet
Onze Meester de Profeet zei:
“De zegen van het eten ligt in het verrichten van de wudû vóór het eten en in het wassen van de handen na het eten!”23
“Wie gaat slapen zonder de geur en het vuil van vlees en vet van zijn hand te wassen, en wie dan iets overkomt, die mag niemand anders de schuld geven dan zichzelf!” “De zegen van het eten ligt in het midden ervan! Wanneer een van jullie eet, laat hij dan van de rand van het bord eten en niet van het midden, want de zegen daalt neer in het midden!” Onze moeder ’Âisha deelt mee: “De Meester van het universum zei: ‘Wanneer een van jullie gaat eten, laat hij dan Bismillâhir-rahmânir-rahîm zeggen en de naam van Allah de Verhevene noemen. Vergeet hij dat te zeggen voordat hij begint te eten, laat hij dan zeggen: Bismillâhir-rahmânir-rahîm voor het begin en het einde van het eten!’”24
Volgens wat Umayya ibn Makhshî meedeelt, at een man zonder de basmala uit te spreken.
Onze Meester de Profeet begreep dat hij de basmala niet had uitgesproken en zei tegen hem: “Zeg Bismillâhir-rahmânir-rahîm voor het begin en het einde van het eten!” Toen die man “Bismillâhir-rahmânir-rahîm” zei, glimlachte onze Meester de Profeet en zei: “De shaytân at steeds met je mee. Toen je de naam van Allah de Verhevene noemde, braakte de shaytân alles uit wat in zijn buik was, zonder iets over te laten!”
Volgens wat ’Abdullah ibn ’Umar meedeelt, zei onze Meester de Profeet: “Wanneer een van jullie eet, laat hij dan met zijn rechterhand eten. En wanneer hij iets drinkt, laat hij dan ook met zijn rechterhand drinken. Want de shaytân eet met zijn linkerhand en drinkt met zijn linkerhand!”25
Salama ibn Akwa’ vertelde wat hij van zijn vader had gehoord: Toen onze Meester de Profeet zag dat een man van de stam Ashja’, bekend als Busr ibn Râ’î al-’Îr, naast hem met zijn linkerhand at, zei hij tegen hem: “Eet met je rechterhand!” De man loog en zei: “Daartoe heb ik de kracht niet, ik kan niet met mijn rechterhand eten!” Onze Meester de Profeet zei: “Moge je de kracht er niet toe hebben! Niets anders dan hoogmoed en trots weerhoudt hem ervan met zijn rechterhand te eten!” Sindsdien kon de man zijn hand nooit meer naar zijn mond brengen!26 Onze Meester de Profeet zei altijd: “Allâhu ta’âlâ, Die ’Azîz en Jalîl is, is voorzeker tevreden met de dienaar die iets eet of iets drinkt en Hem daarvoor lof brengt!”
Onze Meester de Profeet zat op de grond en at zijn maaltijd ook op de grond. Hij zei: “Ik zit zoals een dienaar zit en ik eet zoals een dienaar eet. Ik ben slechts een dienaar! Wie zich van mijn sunna afwendt, hoort niet bij mij!”27
’Umar ibn Abî Salama vertelt: “Ik was een kind dat onder de hoede van de Meester van het universum werd opgevoed. Terwijl ik at, dwaalde mijn hand door de hele schaal. De Meester van het universum zei tegen mij: ‘Mijn zoon! Spreek de basmala uit. Eet met je rechterhand! Eet van wat vóór je ligt!’28 Sindsdien ben ik altijd zo blijven eten.” Onze Meester de Profeet heeft nooit enig voedsel geminacht of afgekeurd. Hij prees geen gunst omdat die hem beviel en keurde er geen af omdat die hem niet beviel. Als hij zin had in een gerecht, at hij het; had hij er geen zin in, dan liet hij het staan en zweeg. Zelfs voor de kleinste gunst toonde hij eerbied, en geen enkele gunst keurde hij af. Onze Meester Rasûlullah zei niet: “Maak dit, maak dat.” Hij at wat er was. Onze moeder ’Âisha vertelt: Onze Meester de Profeet kwam bij mij en vroeg: “Heb je iets te eten?” Ik zei: “Nee!” Toen zei hij: “Dan vast ik!”29 Onze moeder ’Âisha vertelt: “Vanaf de komst van onze Meester de Profeet naar Medina tot aan zijn overlijden hebben zijn huisgenoten nooit drie nachten achter elkaar hun buik met tarwebrood gevuld.30 Meestal bestond wat zij aten uit gerstebrood en dadels, en ook daarvan was er niet veel. In de maag van onze Meester de Profeet kwamen op één dag nooit twee soorten voedsel samen: wanneer hij zijn gezegende buik met dadels vulde, vulde hij hem niet met brood, en wanneer hij hem met brood vulde, vulde hij hem niet met dadels. Dat is wat mij doet huilen.”31
Onze Meester de Profeet hield van halva en honing, van tharîd van brood en tharîd van dadels, en van groentegerechten. Wanneer men onze Meester melk bracht en aanbood, zei hij: “In melk zijn twee zegeningen.”32
“Wanneer een van jullie eet, laat hij dan met zijn rechterhand eten. En wanneer hij iets drinkt, laat hij dan ook met zijn rechterhand drinken, want de shaytân eet met zijn linkerhand en drinkt met zijn linkerhand!” Hadîth sharîf
’Abdullah ibn ’Abbâs vertelt: Ik, Khâlid ibn Walîd en de Meester van het universum gingen samen naar het huis van mijn tante van moederszijde, Maymûna bint Hârith. Mijn tante vroeg: “Zal ik jullie melk aanbieden?”
De Meester van het universum zei: “Goed!” Mijn tante ging en bracht melk in een kom. De Meester van het universum nam die aan en dronk ervan. Ik zat rechts van de Meester van het universum, en Khâlid ibn Walîd links van hem. Onze Meester Rasûlullah gaf mij wat er van de melk over was en zei: “Drink jij. Als je wilt, kun je het bij voorkeur aan Khâlid aanbieden.”
Ik zei: “Wanneer het gaat om het drinken van wat u hebt overgelaten, zal ik nooit iemand boven mijzelf verkiezen!” Daarop zei onze Meester Rasûlullah:
“Laat degene die Allâhu ta’âlâ iets te eten geeft, zeggen: Allâhumma bârik lanâ fîhi wa at’imnâ khayran minhu (O Allah! Schenk ons zegen in dit voedsel en geef ons iets te eten dat nog beter is dan dit)!
En laat degene die Allâhu ta’âlâ melk te drinken geeft, zeggen: Allâhumma bârik lanâ fîhi wa zidnâ minhu (O Allah! Schenk ons zegen in deze melk en vermeerder Uw gave ervan aan ons)! Want niets anders dan melk neemt de plaats in van eten en drinken.”33
Wanneer de moslims van Medina de eerste, vroege dadels van hun palmen zagen, brachten zij die naar onze Meester de Profeet. Onze Meester Rasûlullah nam ze in zijn hand, deed de smeekbede om zegen en riep daarna het kleinste van de kinderen die hij zag, en gaf ze aan hem. Hij zei: “In een huis waar geen dadels zijn, lijden de bewoners honger.” Onze Meester de Profeet at graag wat er onder in de schaal was overgebleven. Hij zei: “Wie na het eten een bord of een schaal schoonschraapt, voor hem vraagt die schaal vergeving (doet zij istighfâr)!” Er wordt ook overgeleverd dat onze Meester de Profeet zei: “O Abû Dharr! Wanneer je vlees kookt, doe er dan meer water bij, denk aan je buren en deel er ook met hen van.”34
“Wie zijn buik vult terwijl zijn buurman honger lijdt, is geen volmaakte gelovige!”
“Aanbid Allah! Geef te eten! Verspreid de groet (salâm), opdat jullie de Paradijzen binnengaan!”35
“Het eten van één persoon is genoeg voor twee. Het eten van drie is genoeg voor vier. Het eten van vier is genoeg voor acht!”36
Asmâ bint Abî Bakr vertelde: Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) raadde aan gekookt eten afgedekt te houden tot het koken en de damp voorbij waren, en hij zei: “Dat is de grootste zegen!” Bij de Verovering van Mekka ging onze Meester Rasûlullah naar het huis van Umm Hânî, de dochter van zijn oom Abû Tâlib. Hij vroeg haar: “Hebben jullie iets te eten?” Umm Hânî zei: “Nee! Er zijn alleen kruimels van droog brood en azijn! Maar ik schaam mij die aan u voor te zetten!” Onze Meester de Profeet zei: “Breng ze. Brokkel ze in het water. Breng ook zout!” Nadat hij de azijn eroverheen had gegoten en ervan had gegeten, dankte hij Allah de Verhevene en zei: “O Umm Hânî! Wat is azijn een goede toespijs! Een huis waar azijn is, wordt niet beschouwd als verstoken van toespijs!”37 Hij at het brood zonder iets erbij, of met dadels, met azijn, met fruit, met soep, of gedoopt in olijfolie. Hij at ook kip, haas, kameel, gazelle, vis en gedroogd vlees, en ook kaas. Van het vlees hield hij van het voorpootstuk. Hij hield het met zijn handen vast en at het door erin te bijten. (Het is ook toegestaan het met een mes te snijden en te eten.) Meestal at hij melk of dadels. Van de spijzen hield hij van schapenvlees, vleesbouillon, pompoen, zoetigheden, honing, dadels, melk, room, watermeloen, meloen, druiven en komkommer.38 Water dronk hij langzaam, in drie teugen, en hij begon met de basmala; aan het eind zei hij “Alhamdulillâh” en deed hij een smeekbede. Onze Meester de Profeet dronk van het zoete water dat uit Buyût as-Suqyâ werd gebracht. Het water van Buyût as-Suqyâ lag op twee dagreizen van Medina.39 Toen hem werd gevraagd: “Welke drank is het lekkerst?”, zei onze Meester de Profeet: “Zoet en koel water!”40
Onze Meester de Profeet zei: “Wanneer een van jullie iets drinkt, laat hij dan niet in de beker ademen.” Zoals hij verbood in eten en drinken te ademen, zo verbood hij ook te eten en te drinken uit gouden en zilveren vaatwerk. Wanneer onze Meester de Profeet water dronk, haalde hij bij één beker water twee of drie keer adem en zei: “Zo is het heilzamer en lest het de dorst beter.” Ook zei hij: “Wanneer een van jullie iets drinkt, laat hij het dan niet in één teug drinken.” En: “Drink niet in één teug, zoals de kamelen! Drink in twee of drie teugen! Zeg wanneer jullie gaan drinken ‘Bismillâh!’, en wanneer jullie je mond van de beker halen ‘Alhamdulillâh!’”41
Nawfal ibn Mu’âwiya vertelt: “Wanneer de Meester van het universum iets dronk, haalde hij drie keer adem. In het begin noemde hij de naam van Allah de Verhevene door ‘Bismillâhir-rahmânir-rahîm’ te zeggen, en aan het eind bracht hij Hem lof door ‘Alhamdulillâh’ te zeggen.”42
Volgens de overlevering van Abû Umâma al-Bâhilî zei onze Meester de Profeet: “Toen mijn Heer, Die ‘Azîz en Jalîl is, mij aanbood de vallei van Mekka in goud te veranderen, zei ik: ‘Nee! O mijn Heer! Laat mij de ene dag verzadigd zijn en de andere dag hongerig. Wanneer ik honger heb, zal ik U smeken en U gedenken. Wanneer ik verzadigd ben, zal ik U lof brengen en U danken!’”43
Het leren van de kennis over eten en drinken gaat vóór het leren van de kennis over de aanbidding. Vóór en na de maaltijd de handen wassen, met de rechterhand eten en met de rechterhand drinken was de gewoonte van Rasûlullah. Bij het handenwassen vóór de maaltijd wassen eerst de jongeren; na de maaltijd eerst de ouderen.44 Van de rand van het bord eten, eten van wat vóór je ligt, en zitten op de linkervoet met de rechtervoet opgezet, is de sunna van Rasûlullah. Wat erg heet is, mag men niet eten, en men mag er ook niet aan ruiken.
“Wie zijn buik vult terwijl zijn buurman honger lijdt, is geen volmaakte gelovige!” Hadîth sharîf
Onze Meester de Profeet vond het niet gepast te eten zonder een woord te spreken. Dat is de gewoonte van de vuuraanbidders. Men moet opgewekt met elkaar praten.
De maaltijd met zout beginnen en met zout besluiten is de sunna van Rasûlullah, en het is genezing. Een van de eerste bid’a’s die in de islam ontstonden, is eten tot men verzadigd is. Elke dag vlees eten bezwaart het hart. De engelen houden er niet van. Heel weinig vlees eten daarentegen bederft het karakter. Eten op de sufra, dat wil zeggen op een uitgespreid kleed, en dat op de grond uitspreiden, is goed. De sufra was vroeger van leer. Plantaardig voedsel is zeer goed. Een sufra zonder plantaardig voedsel wordt vergeleken met een oude man zonder verstand.
Imam Ja’far Sâdiq zei: “Wie veel bezit en veel kinderen wil hebben, moet veel plantaardig voedsel eten!” Eerst moet men aan de sufra gaan zitten, en pas daarna moet het eten worden gebracht.
Onze Profeet zei: “Ik ben een dienaar. Zoals de dienaren zit ik op de grond en eet ik.”45
Men moet niet eten zonder honger te hebben, men moet opstaan voordat men verzadigd is [men moet niet veel eten], en men moet niet lachen zonder dat er iets is om zich over te verwonderen. Onze Meester de Profeet zei: “Het begin van alle goedheid is honger. Het begin van alle kwaad is verzadiging.” De smaak van het eten neemt toe naarmate de honger groter is. Verzadiging maakt vergeetachtig. Zij verblindt het hart en bederft het bloed, zoals alcoholische dranken. Honger zuivert het verstand en doet het hart stralen. Met fâsiqs en slechte mensen moet men niet eten en drinken. Kokend heet eten moet men afgedekt laten afkoelen.
Onze Meester Rasûlullah zei: “Eet met de rechterhand. Drink met de rechterhand.” Met drie vingers eten is sunna. Onze Meester de Profeet zei: “O ’Alî! Eet het voedsel met drie vingers, want de shaytân eet met twee vingers.” Onze Profeet nam het brood met zijn rechterhand en at dan de watermeloen met zijn linkerhand. Brood moet men niet met één hand breken, maar met twee handen.46 De hap moet klein zijn en goed gekauwd worden. Men moet niet naar rechts, naar links of omhoog kijken, maar naar zijn hap en naar wat vóór zich ligt. Men moet zijn mond niet te ver opendoen. Aan de sufra moet men zijn handen niet aan zijn kleren of aan zijn hoofd afvegen. Wanneer men moet hoesten of niezen, moet men het hoofd naar achteren draaien. Aan een sufra waarvoor men niet is uitgenodigd, moet men niet gaan zitten. Aan de sufra moet men niet meer eten dan alle anderen. Wanneer men verzadigd is, moet men een smeekbede doen om die verzadiging niet te gebruiken voor het begaan van zonden. Men moet denken aan de rekenschap die men er op de Dag des Oordeels over zal moeten afleggen. Men moet eten met de intentie kracht op te doen voor de aanbidding. Ook wanneer men honger heeft, moet men langzaam eten. De ouderen moeten eerst beginnen. Men moet niemand lastigvallen door meer dan drie keer “Eet!” te zeggen. Onze Meester Rasûlullah at weinig en hechtte er veel belang aan niet veel te eten. Hij zei: “Het hart van de mens is als het gewas op de akker. Het voedsel is als de regen. Zoals te veel water het gewas doet verdorren, zo doodt te veel voedsel het hart. Allâhu ta’âlâ houdt niet van wie veel eet en veel drinkt.”
Rasûlullah raadde aan een derde van de maag te bestemmen voor het eten en een derde voor het drinken. Dat het overige derde voor de lucht is, dat wil zeggen leeg blijft, is de laagste graad. De beste graad is weinig eten en weinig slapen. Veel eten is het begin van de ziekten, weinig eten het begin van de geneesmiddelen. De gast moet van de gastheer niets anders verwachten dan brood en zout. De gastheer moet de gast hapjes aanreiken. Hij moet water over zijn handen gieten. Hij moet hem geven waar hij van houdt. Wat de gast op een schone plek laat vallen, moet hij oprapen en aan hem teruggeven. Is het vuil geworden, dan moet hij het voor de kat en andere dieren laten liggen. De zegen van zo’n huis neemt toe. Hij reikt zelfs tot de kleinkinderen. Als wat op de grond valt niet wordt opgeraapt, eet de shaytân het op.
Wat in de schaal is achtergebleven, schoonschrapen en opeten is sunna. Bij het restje van iets als compote of ayran water doen, het omschudden en opdrinken levert veel beloning op. Het is toegestaan een restje op het bord of in het glas te laten. Rasûlullah at graag wat een gelovige had overgelaten.
Na de maaltijd de tanden reinigen met de miswâk en met een tandenstoker is de sunna van Rasûlullah. Het is reinheid. Reinheid versterkt het geloof. Na de maaltijd wordt voor de gastheer een smeekbede gedaan om zegen, barmhartigheid en vergeving. Daarna vraagt men toestemming om te vertrekken. En men nodigt de gastheer uit voor een maaltijd.
Tijdens de maaltijd moet men geen angstaanjagende of weerzinwekkende dingen vertellen. Men moet niet over de dood of over ziekte spreken. Men moet niet staren naar de gerechten die aan de sufra worden gebracht. Men moet geen tweede hap in de hand nemen voordat men de eerste heeft doorgeslikt. Midden in de maaltijd moet men voor niets van de sufra opstaan, zelfs niet voor het gebed (salât). Het gebed moet men eerder verrichten. Als de bereide gerechten koud zouden worden of zouden bederven, en de tijd van het gebed het toelaat het na de maaltijd te verrichten, moet men vóór het gebed eten. Men moet van de sufra opstaan nadat het eten is weggehaald. Men moet niet op straat, staande of al lopende eten. Men moet niet gaan slapen terwijl men de geur van vlees of eten aan zijn mond of handen heeft. Ook de handen van de kinderen moet men wassen. Men moet niet met een volle maag gaan slapen. Levensmiddelen moet men kopen naar de mate van de behoefte, niet zonder maat en in overvloed. Anders is het verspilling. Eet- en drinkgerei moet een deksel hebben. Men moet niet uit een rivier of een bassin drinken door zich voorover te buigen en met de mond te drinken. Men moet ook niet uit de tuit van een waterkan of uit de hals van een kruik drinken. Men moet niet drinken van de gebarsten kant van een kopje of een glas. In de zomer moet men iets koels drinken. Rasûlullah dronk graag koele sorbet. Zamzamwater mag staande worden gedronken. Er is gezegd dat de reiziger elk water staande mag drinken. Men moet geen water drinken op een lege maag. Water moet men langzaam, met kleine slokjes drinken. Onze Meester Rasûlullah hield van het gerecht keşkek. Het was Jibrîl ’alayhis-salâm die onze Meester de Profeet leerde harîsa, dat wil zeggen keşkek, te koken. Harîsa geeft de mens veel kracht. Alle profeten hebben gerstebrood gegeten. Rasûlullah hield van pompoendessert en linzensoep, van wild en van schapenvlees. Van het schaap hield hij van het voorpootstuk, de borst en het schouderstuk. Van het schouderstuk van een jonge geit hield hij heel veel. Het vlees van een jonge geit is licht verteerbaar. Het is voor iedereen geschikt.47
“Het begin van alle goedheid is honger. Het begin van alle kwaad is verzadiging” Hadîth sharîf
Het vlees van een mannelijk dier is lichter verteerbaar dan dat van een vrouwelijk dier, en donker vlees lichter dan wit vlees. Wat lichte verteerbaarheid en smaak betreft, zijn schapenvlees en koemelk het best.
Van het wild is hertenvlees het beste. Hazenvlees is halâl. Onze Profeet heeft het gegeten. Het is urinedrijvend; te veel ervan veroorzaakt slapeloosheid. Het is voor iedereen geschikt. Het vlees van vogels en kuikens is goed voor iedereen. Van het pluimvee heeft de kip het beste vlees.
Onze Profeet zei: “Wat is azijn een goed voedsel!” Azijn is het nuttigste voedsel. Ook de dadel is voedsel, dat wil zeggen: hij wordt met brood gegeten. De druif is zowel voedsel als fruit. Druiven met brood eten is sunna. Dadels in oneven aantal eten is sunna. Rozijnen, walnoten en amandelen eten is sunna. In honing is genezing. Zeventig profeten hebben een smeekbede gedaan om zegen voor de honing. Onze Meester Rasûlullah hield heel veel van dadels. Hij at dadels samen met meloen en watermeloen. Meloen en watermeloen reinigen de nieren en nemen hoofdpijn weg. Zij drijven wormen uit. Zij geven de ogen kracht. Bij het eten van pilav moet men salawât sharîfa reciteren. Onze Meester de Profeet prees het eten van tuinbonen met de peul. Hij zei: “Habbat as-sawdâ, dat wil zeggen zwarte komijn, is een geneesmiddel voor de kwalen.” Walnoten met kaas eten is genezing. Elk van beide alleen eten is schadelijk. Men moet ze samen met iets anders eten. Onze Meester nam de druiventros in zijn linkerhand en at de druiven met zijn rechterhand.48 De kweepeer neemt de beklemming van het hart weg. In elke meloen, elke watermeloen en elke granaatappel zit een druppel water van het Paradijs. Een granaatappel moet men alleen opeten, zodat er geen druppel verloren gaat. De granaatappel is goed tegen hartkloppingen. Hij versterkt de maag. Als men hem samen met het vruchtvlees uitperst en drinkt, drijft hij de gal af en verhelpt hij verstopping. De vijg geeft het hart verlichting. Hij neemt pijn in rug en schouders en krampen in de spijsverteringsorganen weg.
Groene komkommer met zout eten, en walnoten met dadels en honing eten is de sunna van Rasûlullah.49 Onze Profeet prees de aubergine en zei: “Bereid hem met olijfolie.”
Ook de postelein prees hij. Selderij verdrijft vergeetachtigheid. Hij is urinedrijvend. Hij maakt bloed en melk aan. Hij reinigt de lever. De harshaf, dat wil zeggen de artisjok, lost galstenen op, reinigt het bloed en is goed tegen aderverkalking. Hij neemt ook zweetlucht weg. Voor wie in een land aankomt, is het goed voor de gezondheid eerst wat rauwe ui te eten. Ui vergroot de weerstand tegen microben. Als men na de ui selderij eet, neemt die de nare geur weg. Er is gezegd dat de geur ook verdwijnt door wijnruit te eten. In het laatste gerecht dat Rasûlullah at, zat ui. Hij zei: “Eet ui en knoflook gekookt.” Hun geur hindert de engelen. Radijs is urinedrijvend. Hij vergemakkelijkt de spijsvertering.
De gezegende baard en haren van onze Meester de Profeet
Het gezegende haar en de baardharen van onze Meester de Profeet waren niet erg kroes en ook niet erg sluik; van nature waren ze golvend. Zijn gezegende haar was lang. Aanvankelijk droeg hij een pony; later begon hij het in tweeën te scheiden. Zijn gezegende haar liet hij soms groeien, soms knipte hij het en maakte hij het korter.
Over de beschrijving van het gezegende haar van onze Meester Rasûlullah werd aan Anas ibn Mâlik gevraagd: “Hoe was het gezegende haar van onze Meester Rasûlullah?” Hij antwoordde: “Het was niet erg kroes en ook niet erg sluik. Het lag tussen beide in en was van een middelmatige soort. Wat de lengte betreft, kwam het tot halverwege tussen de oren en de bovenkant van de schouders.”50 Ibn ’Abbâs zei: “De Trots der wereld liet zijn gezegende haar over zijn voorhoofd vallen. Later begon hij het te scheiden.”51 De geleerden zeiden: “Het haar naar beide kanten scheiden is de sunna van de Trots van het universum, want later is hij het zo gaan doen. Het over het voorhoofd laten vallen is toegestaan, en het naar beide kanten scheiden is ook toegestaan. Maar scheiden is verhevener.”
Onze moeder ’Âisha as-Siddîqa zei: “Het gezegende haar van onze Meester de Profeet kwam boven de jumma en onder de wafra.”52 Haar dat tot de bovenkant van de schouders reikt, noemt men “jumma”, en haar dat tot de oorlel reikt “wafra”. Kortom, volgens de overlevering van onze moeder ’Âisha was het gezegende haar van onze Meester Rasûlullah zo lang dat het tot onder zijn gezegende oorlellen kwam, maar zijn schouders niet bereikte; het lag tussen beide in.
Qâdî ’Iyâd zei: “Deze overleveringen worden als volgt met elkaar verenigd: het haar aan de kant van zijn gezegende oren kwam tot zijn gezegende oorlellen; het haar aan de achterkant reikte tot zijn gezegende schouders.” Ook zeiden zij: “Dat in de ene overlevering staat dat het tot zijn oor kwam en in een andere dat het tot zijn gezegende schouder kwam, betekent dat het in de ene tijd zo was en in een andere tijd anders. De overleveringen zijn alle juist. Onze Meester de Profeet liet zijn gezegende haar soms groeien, en dan kwam het tot de bovenkant van zijn schouders. Soms knipte hij het, en dan kwam het tot zijn gezegende oorlellen of tot halverwege zijn oren.” Voor mannen is het sunna het hoofd kaal te scheren, of het haar te laten groeien, te kammen en in tweeën te scheiden. Men moet handelen naar de situatie, de gewoonte en de tijd. Het haar draaien of vlechten is makrûh. Het gezicht glad en glanzend maken als dat van een vrouw, de baard afscheren om op vrouwen te lijken, of de kin scheren en de baard op de wangen laten groeien, is harâm.
Over de gezegende baard van onze Meester Rasûlullah vertelt Anas het volgende: “In de gezegende baard van onze Meester de Profeet was zeer weinig wit. Op zijn gezegende hoofd en in zijn gezegende baard waren er niet meer dan zeventien of achttien witte haren.”
Toen Abû Bakr as-Siddîq op een dag zei: “U bent grijs geworden, yâ Rasûlallah,” zei hij: “Mij hebben de soera’s Hûd, al-Wâqi’a, al-Mursalât, an-Naba’ (’Amma yatasâ’alûn) en at-Takwîr (Idhash-shamsu kuwwirat) grijs gemaakt.”53
Dat wil zeggen: in deze soera’s wordt veel gesproken over de toestanden van het Paradijs en de Hel. “Met zorg en verdriet over de vraag hoe het mijn umma zal vergaan, werden mijn haar en mijn baard grijs,” zei hij. ’Amr ibn Shu’ayb zei: “Onze Meester Rasûlullah knipte van zijn gezegende baard in de breedte en in de lengte.” In de hadîth sharîf die Tirmidhî overleverde, zei onze Meester de Profeet: “Wie zijn snor niet kort knipt, hoort niet bij ons.”54 En in een andere hadîth sharîf werd gezegd: “Laat jullie baard groeien en knip jullie snor goed kort.”55 Ibn ’Abdulhakîm zei: “Men moet de snor goed kort knippen en de baard niet knippen. Met het goed kort knippen van de snor wordt niet het afscheren ervan bedoeld.” Imam Nawawî zei: “Wat bij het knippen van de snor passend is, is dat men hem knipt tot de rand van de lip zichtbaar wordt; men moet hem niet tot aan de wortel afknippen, maar inkorten.”
“Eet ui en knoflook gekookt” Hadîth sharîf
De geleerden vonden het makrûh de bovenkant van de snor te knippen en de punten aan beide kanten te laten hangen. Ibn ’Umar vertelt: “Men vertelde onze Meester Rasûlullah over de gemeenschap van de Majûs (vuuraanbidders). Daarop zei onze Meester Rasûlullah: ‘Zij laten de punten van hun snor groeien en scheren hun baard af. Doe daarom het tegenovergestelde van hen.’”56
Toen Abû Umâma zei: “Yâ Rasûlallah! De mensen van het Boek knippen hun baard en laten hun snor groeien,” zei onze Meester Rasûlullah: “Knippen jullie de punten van jullie snor en laat jullie baard groeien.”
Volgens wat de geleerden hebben bekendgemaakt, is het sunna de snor te knippen en tot de dikte van de wenkbrauwen in te korten. Het is sunna de baard een handvol lang te laten groeien en wat langer is dan een handvol af te knippen. Ook de baard korter dan een handvol laten is niet in overeenstemming met de sunna. Met de intentie de sunna te volgen een korte baard laten staan, is bid’a. Het is harâm. Een baard laten staan is sunnat-i zawâ’id. Om amr bi’l-ma’rûf te verrichten, om in het levensonderhoud te voorzien of om te voorkomen dat er fitna ontstaat, is het toegestaan en zelfs noodzakelijk de baard helemaal af te scheren. Dit zijn verontschuldigingen om de sunna na te laten. Maar het zijn geen verontschuldigingen om door een korte baard te laten staan een bid’a te begaan.
De kleding die onze Meester de Profeet droeg
Van wat toegestaan is om te dragen, droeg hij alles wat hij vond. Hij bedekte zich met ongenaaide stukken dikke stof, zoals bij de ihrâm, sloeg een lendendoek om en droeg ook een hemd en een mantel (jubba). Deze waren geweven van katoen, wol of haar. Meestal droeg hij wit, soms groen. Het kwam ook voor dat hij genaaide kleding droeg. Op vrijdagen en feestdagen, wanneer buitenlandse gezanten kwamen en in tijden van strijd droeg hij kostbare hemden en mantels. De kleur van zijn kleding was meestal wit. Soms was ze groen, rood of zwart. Hij bedekte zijn armen tot aan de polsen en zijn gezegende benen tot halverwege de kuit. Imam Tirmidhî (rahimahullâhu ta’âlâ) zegt in zijn boek “Shamâ’il-i Sharîf”: “Rasûlullah droeg graag de qamîs, dat wil zeggen het hemd. De mouwen van zijn hemd reikten tot aan de polsen. Aan de mouwen en aan de kraag van zijn hemd zaten geen knopen. Zijn schoeisel was van leer en had één riem en twee qibâls. De qibâl is een leren riempje waarvan het ene eind aan de riem en het andere aan de voorpunt van het schoeisel is genaaid. Het loopt tussen twee tenen door. In het dragen van kleding en schoeisel volgt men de gewoonte. Van de gewoonte afwijken baart opzien. Men moet ervoor waken opzien te baren. Toen hij Mekka binnenging, had hij een zwarte tulband om zijn gezegende hoofd gewonden.” Meestal wond hij een witte, soms een zwarte mousseline als tulband om zijn hoofd, en liet hij het uiteinde ongeveer een span lang tussen zijn beide schouders afhangen. Zijn tulband was niet erg groot en ook niet erg klein; hij was ongeveer drieënhalve meter lang. Hij wond zijn tulband zonder kalotje om, en soms droeg hij een gestikt kalotje zonder tulband. Onze Meester de Profeet had een kledingstuk, Hibara genoemd, van gestreepte Jemenitische stof, geweven van katoen- en linnendraad. Hij droeg dit kledingstuk heel graag. Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had ook een wit kledingstuk. Onze Meester zei: “Draag van jullie kleding de witte! Laten jullie levenden witte kleding dragen. En wikkel ook jullie doden in een wit lijkkleed! Want dat is de beste en de mooiste van jullie kleding!”57
“Van wie uit opzien en vertoon een kledingstuk draagt, wendt Allah Zich af tot hij het uittrekt! Op de Dag des Oordeels zal Hij hem het kleed van de vernedering aantrekken!” Hadîth sharîf
Onze Profeet is ook in groene kleding gezien. Abû Rimtha vertelt dat hij onze Profeet heeft gezien terwijl hij een groen kledingstuk van twee delen droeg, een onder- en een bovendeel.58 Onze Profeet droeg ook de gestreepte hulla. Barâ’ ibn ’Âzib zei: “Onder hen die het kledingstuk dragen dat rode (gestreepte) hulla heet en wier haar tot de oorlellen reikt, heb ik niemand gezien die mooier was dan Rasûlullah ’alayhis-salâm!”59 Onze Profeet had een rode mantel (jubba) die hij op vrijdagen en feestdagen droeg. Ook had onze Profeet een mantel die in Jemen was gemaakt. Op reis droeg onze Profeet een in Damascus gemaakte mantel met nauwe mouwen. In de veldslagen, wanneer hij de vijand tegemoet trad, droeg onze Profeet ook een mantel van de stof taylasân die de sjahs van Perzië droegen, met een stuk satijn aan de kraag en met een omboordsel van satijn aan de twee open zijden van de zoom, voor en achter, en aan de mouwen.
Deze mantel bleef tot haar overlijden bij ’Âisha; daarna nam Asmâ bint Abî Bakr hem. Met het water waarin deze mantel die onze Profeet had gedragen werd gewassen, wies men de zieken, en zij genazen.60 Onder de buit die bij de veldtocht naar Dûmat al-Jandal werd genomen, viel bij de verdeling een mantel aan onze geliefde Profeet toe. De inslag en de schering waren van zijde geweven, de stof was satijn, en in het borduurwerk waren met gouddraad dadelpalmbladeren gewerkt. Onze Meester de Profeet trok deze mantel aan, besteeg de minbar, ging zitten en daalde van de minbar af zonder een woord te zeggen. De Metgezellen streken er met hun handen over, bekeken hem en waren vol bewondering voor zijn schoonheid. Onze Meester de Profeet vroeg: “Verwonderen jullie je over de schoonheid hiervan? Bevalt hij jullie zo goed?” Zij zeiden: “Wij hebben nooit een mooier kledingstuk gezien dan dit!” Onze Profeet zei: “Ik zweer bij Allah, in Wiens almachtige hand mijn bestaan is, dat de zakdoeken van Sa’d ibn Mu’âdh in het Paradijs mooier en aangenamer zijn dan wat jullie zien!”
Onze Meester de Profeet zei: “Van wie uit opzien en vertoon een kledingstuk draagt, wendt Allah Zich af tot hij het uittrekt! Op de Dag des Oordeels zal Hij hem het kleed van de vernedering aantrekken!”
En verder zei hij: “Wie uit opzien en vertoon een kledingstuk draagt, hem zal Allah op de Dag des Oordeels een gelijk kledingstuk aantrekken. Daarna zal Hij het met vuur in vlammen zetten!”
Sahl ibn Sa’d zegt: “Een vrouw bracht Rasûlullah ‘alayhis-salâm een omzoomde burda61 die zij zelf had geweven, en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Dit heb ik met mijn eigen hand geweven. Ik heb het u als geschenk gebracht.’ Onze Meester Rasûlullah aanvaardde het geschenk. Hij kwam naar ons toe, in deze burda gewikkeld. Een van de aanwezigen streek er met zijn hand over en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Er kan niets mooiers bestaan dan deze burda! Wilt u hem aan mij geven?’ Onze Meester Rasûlullah zei: ‘Goed!’ Nadat hij in de moskee met ons had gesproken en ons raad had gegeven, keerde hij naar huis terug, liet de burda inpakken en stuurde hem naar die man. De aanwezigen verweten hem: ‘Je hebt helemaal niet goed gedaan! Je hebt Rasûlullah om iets gevraagd wat hij droeg en wat hij nodig had! Jij weet ook dat Rasûlullah ‘alayhis-salâm niemand die iets vraagt afwijst of met lege handen wegstuurt!’ De man zei: ‘Bij Allah, ik heb er niet om gevraagd om hem te dragen. Ik heb erom gevraagd opdat hij mijn lijkkleed zou zijn op de dag dat ik sterf!’ En werkelijk werd die burda op de dag dat hij stierf zijn lijkkleed.”62 Het kwam ook voor dat onze Profeet zwarte wollen kleding droeg. Onze moeder ’Âisha zei: “Voor Rasûlullah ’alayhis-salâm was een kledingstuk van zwarte wol gemaakt. Toen hij het aantrok en ging transpireren, rook hij de geur van de wol. Meteen trok hij het uit en legde het weg. Want hij hield alleen van een goede geur.” Onze Meester de Profeet stond toe dat de zoom van de kaftan die men als bovenkleed draagt slechts tot halverwege het onderbeen reikte, of iets lager, tot aan de enkels, en hij verbood hem lager dan de enkels te laten komen, dat wil zeggen zo lang dat hij over de grond sleepte. Hij zei dat Allah de Verhevene op de Dag des Oordeels de mannen die uit hoogmoed hun kaftan over de grond laten slepen, niet met de blik van barmhartigheid zal aanzien.
Op een dag zei onze Meester de Profeet tegen Jâbir ibn Sulaym: “Laat de zoom van je kaftan tot halverwege je onderbeen reiken! Als je dat niet kunt, laat hem dan tot je enkels reiken! Wacht je ervoor hem zo lang te laten worden dat hij over de grond sleept! Want dat is een teken van hoogmoed. En Allâhu ta’âlâ houdt niet van hoogmoed!” Daarom droeg ’Abdullah ibn ’Umar (radiyallâhu ’anhumâ) zijn kaftan tot halverwege zijn onderbenen.63
“Ik voel uit de richting van Jemen de wind van barmhartigheid waaien” Hadîth sharîf
Onze Meester de Profeet had een hemd dat gemaakt was van stof die van enkelvoudig katoengaren was geweven. Onze moeder ’Âisha vertelt: Abû Jahm had onze Meester de Profeet een bedrukt gebedskleed geschonken. Toen onze Meester de Profeet op een dag op dit gebedskleed het gebed verrichtte, bleven zijn gezegende ogen aan het motief hangen. Toen hij de salâm had gegeven, zei hij: “Breng dit naar Abû Jahm. Zojuist heeft het mij in mijn gebed afgeleid. Laat hij mij een effen kleed zonder motief brengen.”
Omdat de grond van Medina vochtig en zilthoudend is, werd dit gebedskleed bij het overlijden van onze Meester de Profeet op de bodem van zijn gezegende graf uitgespreid.
De Khirqa-i Sharîf die naar Uways Qaranî werd gestuurd
Uways ibn ’Âmir Qaranî (radiyallâhu ’anh) behoort tot de groten van de Tâbi’ûn. Hij komt uit het dorp Qaran in Jemen. Nadat hij moslim was geworden, brandde hij heel zijn leven van liefde voor onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam), en geen ogenblik vergat hij zijn Heer. In zijn dienaarschap bereikte hij zo’n graad dat elke toestand, elke beweging en elk woord van hem voor de mensen een les en een raad werd. Hij voelde zich door niemand gekwetst en kwetste niemand. Zijn belangrijkste eigenschappen zijn zijn liefde voor onze Meester de Profeet, zijn volharding in de aanbidding met hart en ziel, en zijn eerbied voor zijn moeder. Hij diende zijn moeder veel en ontving haar smeekbede om zegen. Deze liefde voor onze geliefde Profeet en deze trouw aan de islam werden de reden dat onze Meester hem prees. Onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wendde van tijd tot tijd zijn gezegende gezicht naar de kant van Jemen en zei: “Ik voel uit de richting van Jemen de wind van barmhartigheid waaien.” En verder zei hij: “Op de Dag des Oordeels zal Allâhu ta’âlâ zeventigduizend engelen in de gedaante van Uways scheppen, en zij zullen Uways in hun midden naar de ’Arasât brengen. Hij zal het Paradijs binnengaan, en geen schepsel zal weten wie van hen Uways is, behalve wie Allâhu ta’âlâ wil (aan wie Hij het bekendmaakt).” “Er is iemand uit mijn umma die op de Dag des Oordeels voorspraak zal doen voor zoveel mensen als er haren zijn aan de schapen van de stammen Rabî’a en Mudar.” De Metgezellen vroegen: “Yâ Rasûlallah, wie is hij?” Hij zei: “Een van de dienaren van Allah.” Zij zeiden: “Wij zijn allen dienaren; wat is zijn naam?” Hij zei: “Uways.” Zij vroegen: “Waar komt hij vandaan?” Hij zei: “Uit Qaran.” Toen zij vroegen: “Heeft hij u gezien?”, antwoordde hij: “Met de ogen van zijn hoofd heeft hij mij niet gezien.”
Zij zeiden: “Wat vreemd! Hij heeft u zo lief, en toch komt hij niet toegesneld om u te dienen en bij u te zijn!” Hij zei: “Om twee redenen. De eerste is dat hij door zijn geestelijke toestanden wordt overmeesterd. De tweede is zijn trouw aan mijn religie. Hij heeft een oude moeder die tot het geloof is gekomen. Haar ogen zien niet, en haar handen en voeten bewegen niet. Uways is overdag kamelenhoeder en besteedt het loon dat hij krijgt aan zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn moeder.” Zij vroegen: “Zullen wij hem zien?” Tegen Abû Bakr zei hij: “Jij zult hem in jouw tijd niet zien.” En tegen ’Umar en ’Alî zei hij: “Jullie zullen hem zien. Zijn lichaam is behaard. Op zijn linkerzij en in zijn handpalm heeft hij een witte plek ter grootte van een zilverstuk. Het is niet het wit van de ziekte baras. Wanneer jullie hem vinden, breng hem dan mijn groet over en vraag hem een smeekbede te doen voor mijn umma.”
Na het overlijden van zijn moeder verliet Uways Qaranî het dorp Qaran en ging naar de stad Koefa. Toen het overlijden van onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) naderde, vroeg men hem: “Aan wie zullen wij uw khirqa geven?” Hij zei: “Geef hem aan Uways Qaranî.” Toen ’Umar en ’Alî na het overlijden van Rasûlullah in Koefa kwamen, zei ’Umar: “O mensen van Najd, is er onder jullie iemand uit Qaran?” Zij zeiden: “Ja.” Hij vroeg hun naar Uways. Zij zeiden: “Wij kennen hem. Hij is iemand die ver beneden degene staat die jullie zoeken. Hij is half gek, zonder verstand, en hij heeft de gewoonte de mensen te ontvluchten.”
“O mijn Heer! Omwille van deze Khirqa-i Sharîf, omwille van onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam), vergeef de hele umma van Muhammad” Uways (radiyallâhu ’anh)
Khirqa-i Sharîf
De gezegende khirqa die onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) aan Uways Qaranî (rahmatullâhi ’alayh) schonk, kan in de gezegende maand Ramadân in Istanbul, in de wijk Fatih, in de Khirqa-i Sharîf-moskee worden bezocht.
’Umar (radiyallâhu ’anh) zei: “Hem zoek ik; waar is hij?” Zij zeiden: “Hij hoedt onze kamelen in de vallei van ’Arna, en wij geven hem daarvoor het avondeten. Zijn haar en baard zijn verward, hij komt niet naar de steden, hij praat met niemand en eet niet wat de mensen eten. Verdriet noch vreugde kent hij: wanneer de mensen lachen, huilt hij; wanneer de mensen huilen, lacht hij.” ’Umar zei: “Juist hem zoek ik.” Zij beschreven de plaats waar hij was. ’Umar en ’Alî gingen naar die plaats. Zij vonden hem terwijl hij het gebed verrichtte. Allâhu ta’âlâ had een engel opgedragen zijn kamelen te hoeden. Toen Uways het gebed had beëindigd en de salâm had gegeven, stond ’Umar op en groette hem. Hij beantwoordde de groet. ’Umar vroeg: “Wat is je naam?” Hij zei: “’Abdullah, dat wil zeggen dienaar van Allah.” Toen ’Umar vroeg: “Wij zijn allen dienaren van Allah; wat is je eigenlijke naam?”, zei hij: “Uways.” ’Umar zei: “Laat mij je rechterhand zien.” Toen hij die liet zien, zei ’Umar:
“Onze Meester de Profeet laat je groeten. Hij heeft je zijn gezegende khirqa gestuurd en als laatste wil gegeven: ‘Laat hij hem aannemen en dragen, en laat hij een smeekbede doen voor mijn umma.’”
Uways zei: “O ’Umar! Ik ben een zwakke, machteloze en zondige dienaar.
Let goed op: zou deze laatste wil niet voor iemand anders zijn?” ’Umar antwoordde: “Nee, o Uways, degene die wij zoeken ben jij. Onze Meester de Profeet heeft jouw gestalte en jouw kenmerken duidelijk beschreven.”
Daarop nam Uways de Khirqa-i Sharîf met eerbied aan, kuste hem, rook eraan en streek ermee over zijn gezicht en zijn ogen. Hij huilde veel en verliet hen met de woorden “Wachten jullie hier”. Een eindje verder wierp hij zich neer in sajda. Met tranen in de ogen begon hij Allâhu ta’âlâ te smeken en een smeekbede te doen om vergeving voor de umma van Muhammad. Snikkend en smekend deed hij deze smeekbede: “O mijn Heer! Onze geliefde Meester de Profeet heeft, hoewel ik het niet waardig ben, deze arme en machteloze dienaar van U via ’Umar en ’Alî zijn Khirqa-i Sharîf gestuurd. Hij heeft gezegd dat ik een smeekbede moet doen voor zijn zondige umma. O mijn Heer! Omwille van deze Khirqa-i Sharîf, omwille van onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam), vergeef de hele umma van Muhammad… Vergeef, o Allah, vergeef… O Allah…” Toen hem werd bekendgemaakt dat veel zondige moslims vergeving hadden gekregen, trok hij de Khirqa-i Sharîf met eerbied aan.
Deze Khirqa-i Sharîf, die aan Uways Qaranî werd geschonken, kwam terecht bij de beys van Irisân in de omgeving van Van, en werd in het jaar 1618 gebracht en geschonken aan sultan Osman Khan II, een van de Ottomaanse vorsten. Sultan ’Abdulmajîd Khan liet voor deze Khirqa-i Sharîf in Fatih de moskee bouwen die “Khirqa-i Sharîf-moskee” heet. Deze gezegende Khirqa-i Sharîf, crèmekleurig als honingschuim, die nog altijd met dezelfde frisheid de rozengeur van de gezegende huid van onze geliefde en eervolle Meester de Profeet draagt, wordt elk jaar in de gezegende maand Ramadân achter glas door het volk bezocht.
De Khirqa-i Sa’âdat die aan Ka’b ibn Zuhayr werd gegeven
Ka’b ibn Zuhayr (radiyallâhu ’anh), de zoon van een dichtersfamilie, was ook zelf dichter. Vroeger droeg hij gedichten voor tegen onze Meester de Profeet en tegen de islam. Men berichtte dit aan onze Meester, en hij beval dat hij gedood moest worden waar men hem ook zag.
“Ik getuig dat er geen god is die het waard is aanbeden te worden dan Allah. Muhammad ’alayhis-salâm is Zijn dienaar en Zijn Rasûl” Ka’b ibn Zuhayr (radiyallâhu ’anh)
Zijn broer Bujayr (radiyallâhu ’anh), die al eerder moslim was geworden, deelde hem dit besluit per brief mee en schreef hem dat onze geliefde Profeet, de oceaan van barmhartigheid, hem zou vergeven als hij moslim werd. Toen Ka’b de brief had gelezen, verzonk hij in diep nadenken. Hij begon de zinloosheid van de afgodenaanbidding, de verhevenheid van de islam en de grootheid van onze Meester de Profeet te begrijpen, en zijn hart begon verlicht te worden. Ten slotte besloot hij moslim te worden en sloeg hij de weg in naar het stralende Medina. Hij schreef een lang gedicht waarin hij onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) prees en bekendmaakte dat hij berouw had getoond en moslim was geworden. In Medina aangekomen, verscheen hij met een vriend van de stam Juhayna voor onze Meester de Profeet. Onze Meester was met zijn Metgezellen in gesprek. Voordat Ka’b zich bekendmaakte, zei hij: “Yâ Rasûlallah! Ka’b ibn Zuhayr heeft berouw over wat hij heeft gedaan en is als moslim gekomen om genade te smeken. Als ik hem bij u breng, zult u hem dan genade schenken en aanvaarden dat hij moslim wordt?” Onze Meester de Profeet zei: “Ja.” Daarop zei Ka’b: “Ik getuig dat er geen god is die het waard is aanbeden te worden dan Allah. Muhammad ’alayhis-salâm is Zijn dienaar en Zijn Rasûl.” Onze Meester de Profeet vroeg: “Wie ben jij?” Hij zei: “Ik ben Ka’b ibn Zuhayr, yâ Rasûlallah.” Toen een van de Ansâr zei: “Yâ Rasûlallah, sta mij toe deze man, die tegen u was, het hoofd af te slaan,” zei onze Meester: “Laat hem. Hij is gekomen met berouw over de toestand waarin hij verkeerde, en hij heeft zich tot de Haqq gewend.” Daarop droeg Ka’b ibn Zuhayr (radiyallâhu ’anh) zijn beroemde qasîda voor, waarin hij vertelde dat hij moslim was geworden en de grootheid en de waarde van onze geliefde Profeet en van de Metgezellen beschreef. Deze qasîda, die begon met de woorden “Bânat Su’âd / De geliefde is weggegaan” en als volgt verderging, beviel onze Meester de Profeet zeer:
Ieder mens wordt eens, dat is zeker, op de baar gedragen…
Ik kom mij verontschuldigen, yâ Rasûlallah, in uw verheven tegenwoordigheid…
Zijn vergeving is wat het meest wordt gehoopt…
In zijn tegenwoordigheid wordt verontschuldiging aanvaard…
Heb medelijden met mij, yâ Rasûlallah…
Vergeef mij, yâ Rasûlallah…
Voorwaar, Rasûlullah is, van de scherpe zwaarden van Haqq ta’âlâ
Die het kwaad vernietigen, een getrokken zwaard…
Hij is een nûr die hidâya verspreidt, die de rechte weg wijst…
Hij vergaf hem. En toen Ka’b bij dit vers kwam:
Innar-Rasûla la-nûrun yustadâ’u bihî,
Muhammadun min suyûfillâhi maslûlu.
Rasûlullah is een nûr; door hem wordt het volk verlicht,
Hij is een van de getrokken zwaarden van Haqq ta’âlâ,
nam de Vorst der beide werelden, de Trots der wereld, Muhammad Mustafâ (sallallâhu ’alayhi wa sallam), zijn khirqa, “Khirqa-i Sa’âdat” genoemd, van zijn gezegende schouders en legde hem op de schouders van Ka’b ibn Zuhayr.64
Tijdens zijn kalifaat liet Mu’âwiya Ka’b ibn Zuhayr weten: “Verkoop ons de khirqa van Rasûlullah!” Hij stuurde hem tienduizend dirham. Ka’b ibn Zuhayr wees het verzoek van Mu’âwiya af met de woorden: “Wat het dragen van de khirqa van Rasûlullah betreft, kan ik niemand boven mijzelf verkiezen!” Toen Ka’b ibn Zuhayr overleed, kocht Mu’âwiya hem voor twintigduizend dirham van de zonen van Ka’b. Deze gezegende khirqa, die onze Profeet aan Ka’b ibn Zuhayr had gegeven, ging als erfstuk over van kalief op kalief.
Na de val van de heerschappij van de Omajjaden werd hij voor driehonderd dinar gekocht door de eerste Abbasidische kalief, Abu’l-’Abbâs Saffâh ibn ’Abdullah ibn Muhammad. Op de feestdagen werd hij door de kaliefen gedragen. Toen de Abbasiden naar Egypte kwamen, brachten zij hem mee. Toen Yavuz Sultan Selîm Khan Egypte innam en kalief werd, werd deze gezegende khirqa samen met de andere “Heilige Relikwieën” die in Egypte waren, naar Istanbul gebracht. In Istanbul kan iedereen hem bezoeken in de “Afdeling van de Khirqa-i Sa’âdat” van het Topkapı-paleis.
Deze gezegende khirqa is 124 centimeter lang, heeft wijde mouwen en is gemaakt van zwarte wollen stof. De binnenkant van de khirqa is bekleed met crèmekleurige wollen stof. In een aantal doeken gewikkeld, ligt hij in een gouden kist met een deksel dat aan de bovenkant opengaat, die sultan Murâd III heeft laten maken. Deze kist van de Khirqa-i Sa’âdat is in artistiek opzicht buitengewoon en bovendien met smaragden versierd. Op de kist staat geschreven:
“Lâ ilâha illallâh, wa mâ arsalnâka illâ rahmatan lil-’âlamîn. Lâ ilâha illallâhul-Malikul-Haqqul-Mubîn, Muhammadur-Rasûlullah, as-Sâdiqul-wa’dil-amîn.”
Het bed van onze Meester de Profeet
De bovenkant van de matras (het bed) waarop onze Meester de Profeet lag en sliep, was van leer. Van binnen was hij gevuld met dadelpalmvezels. Hijzelf en ook zijn vrouw sliepen erop. Ook het kussen dat onze Profeet onder zijn gezegende hoofd legde, had een overtrek van leer en was gevuld met dadelpalmvezels. Onze Meester de Profeet hechtte geen belang aan de wereld en aan de dingen van de wereld.
’Abdullah ibn Mas’ûd vertelt: De Meester van het universum had op een mat gelegen en geslapen, en de mat had afdrukken op zijn gezegende zij achtergelaten. Toen hij wakker werd, wreef ik over zijn gezegende zij en zei: “Mogen mijn vader en mijn moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Had u het ons toch laten weten, dan hadden wij voor u iets op de mat uitgespreid om u ertegen te beschermen!” Daarna zei ik: “Zullen wij een zachte matras voor u nemen?”
De Meester van het universum zei: “Wat heb ik te maken met de dingen van de wereld? Mijn verhouding tot de wereld, mijn toestand, is als die van een ruiter die even uitrust in de schaduw van een boom en daarna die boom achterlaat en zijn weg vervolgt!”65 Onze moeder ’Âisha vertelt: Er kwam een vrouw van de Ansâr bij mij. Toen zij het bed van Rasûl ’alayhis-salâm zag, ging zij weg en stuurde een matras die met wol gevuld was.
Rasûl ’alayhis-salâm kwam bij mij en vroeg: “Wat is dit?” Ik zei: “Yâ Rasûlallah! Die en die vrouw van de Ansâr was bij mij op bezoek. Toen zij uw bed zag, ging zij weg en stuurde u dit.” Hij zei: “Stuur het haar meteen terug!” Maar ik stuurde het niet terug. Ik vond het prettig dat het in mijn huis was. Rasûl ’alayhis-salâm herhaalde deze woorden drie keer. Ten slotte zei hij: “Bij Allah, o ’Âisha! Als ik het had gewild, zou Allah bergen van goud en zilver met mij mee laten gaan!”66 Ook de matras van de Profeet ’alayhis-salâm bestond uit twee ’abâ’s.
“Rasûlullah liet gouden en ijzeren ringen afdoen en verzette zich niet tegen zilveren ringen” ’Amr ibn Shu’ayb (radiyallâhu ’anh)
Toen hij op een nacht bij mij kwam, had ik deze ’abâ dubbelgevouwen en smaller gemaakt. Hij sliep erop. Daarna vroeg hij: “O ’Âisha! Waarom was mijn bed vannacht niet zoals altijd?” Ik zei: “Yâ Rasûlallah! Ik heb haar voor u dubbelgevouwen en smaller gemaakt.” Hij zei: “Leg haar weer zoals ze eerst was!”67
Verder vertelt ’Âisha: “Voor de Quraysh in Mekka was er niets aangenamers dan slapen op een ledikant (sarîr). Toen Rasûl ‘alayhis-salâm naar Medina kwam en zijn intrek nam in het huis van Abû Ayyûb, vroeg hij hem: ‘O Abû Ayyûb! Hebben jullie geen ledikant?’ Abû Ayyûb zei: ‘Bij Allah, nee.’ Toen Sa’d ibn Zurâra (radiyallâhu ’anh) van de Ansâr dit hoorde, stuurde hij Rasûlullah een ledikant waarvan de stijlen van teakhout waren gemaakt en dat bedekt was met een mat die van vlasvezel was geweven. Rasûlullah sliep erop tot hij naar zijn eigen huis verhuisde, en ook tot aan zijn overlijden sliep hij erop. Toen Rasûlullah ’alayhis-salâm was gewassen en in het lijkkleed was gewikkeld, werd hij op dit ledikant gelegd, en ook het lijkgebed (janâza) werd verricht terwijl hij op dit ledikant lag. De mensen vroegen het ons om er hun doden op te dragen, en zij zochten er zegen in. Ook de lichamen van Abû Bakr en ’Umar zijn erop gedragen.”
’Âisha zegt: “Rasûl ’alayhis-salâm had een mat waarop hij ’s nachts het gebed verrichtte; overdag spreidde hij haar uit en zat hij erop met de mensen.”68
De ringen van onze Meester de Profeet
Onze Profeet heeft bekendgemaakt dat voor mannen alleen een zilveren ring halâl is, en dat het dragen van een ring van goud, ijzer of geelkoper harâm is. Hijzelf droeg tot aan zijn overlijden alleen een zilveren ring.
Onze Meester Rasûlullah droeg zijn ring aan zijn gezegende rechterhand. Hij is ook gezien terwijl hij hem aan zijn linkerhand droeg. Hem zowel aan de rechter- als aan de linkerhand dragen is toegestaan. Men draagt hem aan de pink of aan de vinger daarnaast. Op de feestdagen is het mustahabb dat iedereen er een draagt. Hem dragen om te pronken en op te scheppen is harâm.
Onder de geschenken die de Negus van Abessinië, Ashama, aan onze Profeet stuurde, bevond zich ook een gouden ring met een zetting van Abessijnse steen. Onze geliefde Profeet riep Umâma, de dochter van Abu’l-’Âs en zijn kleindochter, bij zich en zei: “Mijn dochter! Draag jij hem!”69
Op een dag kwam Nu’mân ibn Bashîr bij onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam), met een gouden ring aan zijn vinger. Hij vroeg hem: “Waarom draag je een sieraad van het Paradijs voordat je het Paradijs bent binnengegaan?” Nu’mân begon een ijzeren ring te dragen. Toen hij dit zag, zei hij: “Waarom draag je een voorwerp van de Hel?” Nu’mân deed ook die af en deed een bronzen ring om. Toen hij dit zag, zei hij: “Waarom ruik ik bij jou de geur van afgoden?” Nu’mân vroeg: “Yâ Rasûlallah! Wat voor ring moet ik dan dragen?” Hij zei: “Je mag een zilveren ring dragen. Laat het gewicht ervan niet meer zijn dan één mithqâl (4,8 g), en draag hem aan je rechterhand!”
’Amr ibn Shu’ayb zegt: “Rasûlullah liet gouden en ijzeren ringen afdoen en verzette zich niet tegen zilveren ringen.”
Toen onze geliefde Profeet brieven wilde laten schrijven aan de sjah van Perzië, de Byzantijnse keizer en de Negus van Abessinië, werd tegen hem gezegd: “Yâ Rasûlallah! Zij lezen geen brief die niet verzegeld is!” Daarop liet onze Profeet een zilveren ring maken, in de steen waarvan in drie regels “Muhammadur-Rasûlullah” was gegraveerd.
De inscriptie van de zegelring stond in drie regels, van boven naar beneden: “Allah” op één regel, “Rasûl” op één regel en “Muhammad” op één regel. De steen van de zilveren ring van onze Meester de Profeet was een Abessijnse steen.70 Er wordt ook overgeleverd dat de steen van deze zilveren ring van zilver was.
’Amr ibn Sa’îd was bij onze Profeet gekomen. Toen onze geliefde Profeet de ring aan zijn vinger zag, vroeg hij: “Wat is dat voor een ring aan je hand?” ’Amr ibn Sa’îd zei: “Yâ Rasûlallah! Het is maar een ring. Ik heb hem zelf gemaakt.” Onze Profeet vroeg: “Wat is de gravering ervan?” ’Amr ibn Sa’îd (radiyallâhu ’anh) zei: “Muhammadur-Rasûlullah.” Onze Meester de Profeet zei: “Laat mij hem eens zien.” Hij nam hem en gebruikte hem als zijn persoonlijk zegel, en hij verbood anderen de woorden “Muhammadur-Rasûlullah” in hun ringen te graveren.71 Onze geliefde Profeet overleed met deze zegelring aan zijn gezegende vinger.
Onze Profeet draaide de kant van zijn ring met de steen naar de binnenkant van zijn gezegende handpalm. Wanneer onze Profeet het toilet zou binnengaan, deed hij de ring van zijn gezegende vinger. Na het overlijden van onze geliefde Profeet droeg Abû Bakr zijn zegelring, na hem ’Umar en na ’Umar ’Uthmân. Toen ’Uthmân kalief was, liet hij hem op een dag, terwijl hij aan de rand van de put van Arîs zat, in de put vallen. Hoewel al het water uit de put werd gehaald en er drie dagen lang heen en weer werd gezocht, werd deze gezegende ring niet gevonden.72 Het schrijven van een tekst op de steen van de ring ging ook na onze Profeet door.
Op de ring van Abû Bakr stond “Ni’mal-Qâdirullâh” (Hoe goed volstaat de macht van Allâhu ta’âlâ over alle dingen), en op die van ’Umar “Kafâ bil-mawti wâ’izan yâ ’Umar” (De dood volstaat als vermaning).
Op de ring van ’Uthmân stond “La-nasbiranna” (Wij zullen voorzeker geduld hebben), en op die van ’Alî “Al-mulku lillâh” (Het koninkrijk behoort alleen aan Allâhu ta’âlâ).
“Verricht het gebed met jullie sandalen aan, opdat jullie niet op de joden lijken” Hadîth sharîf
Op de ring van Hasan stond “Al-’izzatu lillâh” (Majesteit en grootheid behoren aan Allâhu ta’âlâ).
Op de ring van Mu’âwiya stond “Rabbighfir lî” (Mijn Heer, vergeef mij), en op die van Ibn Abî Laylâ “Ad-dunyâ ghurûr” (De wereld is bedrieglijk, leugenachtig).
Op de ring van imam-i a’zam Abû Hanîfa stond “Qulil-khayra wa illâ fasqut” (Spreek het goede, of zwijg!).
Op de ring van imam Abû Yûsuf stond “Man ’amila bi-ra’yihî nadima” (Wie naar zijn eigen mening handelt, krijgt spijt), en op die van imam Muhammad Shaybânî “Man sabara zafira” (Wie geduld heeft, behaalt de overwinning).
Op de ring van imam Shâfi’î stond “Al-barakatu fil-qanâ’a” (De zegen ligt in de tevredenheid). Zij gebruikten hun ringen als zegel.
De gezegende voetafdrukken (Naqsh-i Qadam-i Sharîf) van onze Meester de Profeet
De Naqsh-i Qadam-i Sharîf zijn de gezegende voetafdrukken van onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm. Een van de wonderen van onze Meester de Profeet was dat zijn voetafdrukken niet zichtbaar bleven wanneer hij op zachte stoffen trad, zoals zand, maar dat de afdrukken verschenen wanneer hij op steen en harde stoffen trad. Sommige stenen en marmerblokken waarop zijn gezegende voet trad en een afdruk achterliet, zijn eeuwenlang als aandenken bewaard, als een toevertrouwd goed van hand tot hand doorgegeven, en men heeft er zegen in gezocht.
Vooral de staatslieden en de vorsten van de moslims hebben deze kostbare aandenkens op belangrijke plaatsen onder bijzondere bescherming gesteld, ze bewaard, bezocht en laten bezoeken. Van de bekende en bewaarde Naqsh-i Qadam-i Sharîf zijn de beroemdste de volgende: 1. De Naqsh-i Qadam-i Sharîf in het mausoleum van Fath Khan, de zoon van Fîrûz Shâh Tughluq, in India. 2. De twee gezegende voetafdrukken in het mausoleum van Qâytbây in Caïro. 3. De twee gezegende voetafdrukken in de moskee Âthâr an-Nabî in Caïro. 4. De gezegende afdruk van de rechtervoet in het mausoleum van Khâlid ibn Zayd Abû Ayyûb Ansârî (Eyyûb Sultan) in Istanbul. Deze Naqsh-i Qadam-i Peygamberî werd in 1734 op bevel van Mahmûd Khan I uit het paleis naar het mausoleum overgebracht.
5. De twee voetafdrukken die in het mausoleum van ’Abdulhamîd Khan I in een kast in de muur aan de kant van de Nieuwe Moskee (Yeni Câmi) worden bewaard.
6. De twee gezegende voetafdrukken op een steen, die in het mausoleum van sultan Mustafâ Khan III in Laleli in een speciaal in de muur gemaakte kast worden bewaard. 7. De voetafdrukken in de Afdeling van de Heilige Relikwieën van het Topkapı-paleis in Istanbul. In de Afdeling van de Khirqa-i Sa’âdat van het Topkapı-paleis bevinden zich zes Naqsh-i Qadam-i Sharîf, vier van steen en twee van baksteen. Een daarvan is de gezegende voetafdruk die achterbleef op de rots waarop onze Meester de Profeet trad toen hij opsteeg voor de Mi’râj; hij wordt in een kast in de zaal van de Khirqa-i Sa’âdat bewaard. Boven deze gezegende rots, waarop onze Meester Rasûlullah trad toen hij opsteeg voor de Mi’râj, is het gebouw opgetrokken dat bekendstaat onder de naam Qubbat as-Sakhra. De Naqsh-i Qadam-i Sharîf zijn, voordat zij naar hun huidige plaatsen werden overgebracht, eeuwenlang op verschillende plaatsen bewaard. Ten slotte werden zij op hun huidige plaatsen gezet. De echte Naqsh-i Qadam-i Sharîf worden bezocht om zegen te verkrijgen.
De Qadam-i Sharîf en sultan Ahmad Khan I
De Ottomaanse vorst sultan Ahmad I, die op dertienjarige leeftijd de troon besteeg en op achtentwintigjarige leeftijd overleed, was met heel zijn hart verbonden met de islam en met onze Meester Rasûlullah. Sultan Ahmad I, die onder de dichtersnamen Bahtî en Ahmedî ook gedichten schreef, liet een met edelstenen ingelegde tulbandpluim maken in de vorm van een Naqsh-i Qadam-i Sharîf, en liet in het midden ervan, in goud op blauw email, deze dichtregels van hemzelf aanbrengen:
Wat zou het zijn als ik altijd als mijn kroon op mijn hoofd droeg
De reine voetafdruk van die edele koning der Rasûls?
De roos uit de rozentuin van het profeetschap is de eigenaar van die voet;
O Ahmad, talm niet: wrijf je gezicht over de voet van die Roos.
Sultan I. Ahmed (Bahtî)
Sultan Ahmad I droeg deze pluim op vrijdagen en feestdagen en ook op andere gezegende dagen op zijn hoofd. Mehmed Münîb Efendi uit Ayıntab schreef een werk met de titel Âsâr-ul-Hikem fî Nakş-il Kadem, dat vertelt hoe de Naqsh-i Qadam-i Sharîf in het mausoleum van sultan ’Abdulhamîd I werd gevonden en daar werd geplaatst. Sultan Ahmad Khan schreef dit kwatrijn in zijn eigen handschrift en stuurde het naar zijn shaykh, Aziz Mahmûd Hüdâyî Efendi. Bovendien liet sultan Ahmad dit gedicht op een houten paneel schilderen en het voor de troon van het sultanaat ophangen. Dit paneel met het gedicht hangt nog altijd in de Sultan Ahmad-moskee.
De Na’layn-i Sharîf van onze Meester de Profeet
De sandalen die in de tijd van onze Meester de Profeet werden gedragen, waren anders dan die van nu. Ze hadden de vorm van schoeisel met een leren zool, open aan de bovenkant en met riemen vastgemaakt. Rasûlullah en de Metgezellen verrichtten het gebed met de sandalen die zij op straat droegen. Hun sandalen waren schoon, en de vloer van de Masjid an-Nabawî was met zand bedekt. Met vuile sandalen ging men er niet binnen.
In een hadîth sharîf werd gezegd: “Verricht het gebed met jullie sandalen aan, opdat jullie niet op de joden lijken.”
Omdat men geloofde dat zelfs de afbeelding van de Na’layn-i Sa’âdat een oorzaak van zegen zou zijn, hing men haar op in huizen en werkplaatsen. In de Afdeling van de Khirqa-i Sa’âdat worden samen met de Na’layn-i Sa’âdat ook modellen ervan van metaal en hout bewaard.
De zeven dingen die onze Meester de Profeet bij zich droeg
Onze geliefde Profeet ging op reis met een kam, een spiegel, een miswâk, rozenolie, kohl en een schaar bij zich, en op reis en thuis liet hij deze dingen nooit van zijn zijde. ’Âisha zei: “Voor de veldtochten maakte ik de rozenolie van Rasûl ’alayhis-salâm gereed, zijn kam, zijn spiegel, zijn twee scharen, zijn kohldoosje en zijn miswâk.” En verder zei onze moeder ’Âisha: “Op reis en thuis nam Rasûl ’alayhis-salâm zeven dingen mee:
1. het flesje rozenolie, 2. de kam, 3. de spiegel, 4. het kohldoosje, 5. de miswâk, 6. twee scharen, 7. het been om het haar te scheiden.”73
De staf en de stokken van onze Meester de Profeet
Op vrijdagen, wanneer onze Meester de Profeet de khutba hield, leunde hij op een staf of op een boog; op reis leunde hij op een boog. Onze geliefde Profeet zei dat het leunen op een staf tot het karakter van de profeten behoort; hijzelf leunde op een staf en raadde aan erop te leunen. Tijdens het kalifaat van Mu’âwiya ibn Abî Sufyân (radiyallâhu ’anhumâ) was de staf van onze Meester de Profeet bij Sa’d al-Qaraz. Mu’âwiya ibn Abî Sufyân was in het vijftigste jaar van de Hijra voor de hajj gekomen. Hij wilde de minbar in de moskee van onze geliefde Profeet laten afbreken en naar Damascus laten overbrengen. Ook liet hij om de staf vragen die bij Sa’d al-Qaraz was. Jâbir ibn ’Abdullah en Abû Hurayra gingen naar hem toe en zeiden: “O Bevelhebber der gelovigen! Het is niet juist de minbar van Rasûl ’alayhis-salâm van de plaats waar hij is neergezet af te breken en weg te voeren, en ook niet zijn staf naar Damascus over te brengen!” Daarop zag Mu’âwiya ervan af en bood hij zijn verontschuldigingen aan.
Onze Profeet nam ’Abdullah ibn Unays mee van de moskee naar zijn huis, gaf hem een staf en zei: “Bewaar deze staf bij je, o ’Abdullah ibn Unays!” Toen ’Abdullah ibn Unays (radiyallâhu ’anh) met de staf naar de mensen ging, vroegen zij hem: “Wat is dit voor een staf?” Hij zei: “Rasûl ’alayhis-salâm heeft mij die gegeven en mij bevolen hem bij mij te bewaren.” Zij zeiden tegen ’Abdullah ibn Unays: “Waarom ga je niet terug naar Rasûl ’alayhis-salâm om hem te vragen waarom hij je die gegeven heeft?”
Afbeelding van de Na’layn-i Sharîf van onze Meester de Profeet
Na’layn-i Sharîf
De sandalen van Rasûlullah verheffen zich tot de hemelen,
En alle schepselen staan in hun schaduw.
Terwijl op de Tûr tot Mûsâ werd gezegd: “Trek je sandalen uit”,
Wordt boven de ’Arsh tot hem gezegd: “Trek jij ze niet uit.”
Dit is de vorm van de sandalen van de eervolste Rasûl,
Zelfs de sterren willen de aarde zijn waarop hij trad.
Naar hem verlangen de bewoners van de zeven hemelen,
De kronen van de sultans benijden haar.
Niets evenaart de sandalen van Mustafâ,
Licht voor de ogen, rust voor het hart – alles komt van hen.
Houd de afbeelding van de sandalen in de hoogste ere,
Alle hoofden wensen voor haar een voet te zijn.
Wanneer rampen en beproevingen mij van alle kanten omringen,
Worden de Na’layn-i Sharîf voor mij een veilige burcht.
Ik ben in veiligheid in deze sterke burcht,
Wanneer ik schuil bij hun mooie vorm, beschermt die mij.
Het hart wil, door de vorm van de edele sandalen te dienen,
In beide werelden in hun schaduw leven.
Ibn Mas’ûd werd gelukkig door de sandalen te dienen,
En mijn geluk komt mij toe door hun afbeelding.
Yûsuf Nabhânî
Daarop ging ‘Abdullah ibn Unays terug naar onze Profeet en vroeg: “Yâ Rasûlallah! Waarom hebt u mij deze staf gegeven?” Onze geliefde Profeet zei: “Hij is een teken tussen ons op de Dag des Oordeels! In die tijd zullen er in het Paradijs maar heel weinig mensen zijn die op een staf leunen! Jij zult er in het Paradijs op leunen!” ‘Abdullah ibn Unays droeg hem samen met zijn zwaard bij zich en liet hem nooit van zijn zijde. Toen hij op zijn sterfbed lag, liet hij aan zijn huisgenoten als laatste wil na dat zij hem in zijn lijkkleed zouden leggen en samen met hem zouden begraven. Hij werd tussen zijn lichaam en zijn lijkkleed gelegd, en zijn laatste wil werd uitgevoerd. Onze Meester de Profeet had een mihjan die een el (68 cm) lang was of iets langer. Mihjan heet een stok met een gebogen uiteinde. Daarmee deed onze Profeet de istilâm van de Hajar al-Aswad door er van ver naar te wijzen. Wanneer onze Profeet op een kameel reed, hing hij hem vóór zich op. Onze Meester had ook een mikhsara, ‘Urjûn genoemd (van een droge tak van een dadelpalm). Een stok die van een boomtak is gemaakt, heet mikhsara. Wanneer onze Profeet naar Baqî’ al-Gharqad ging, had hij die bij zich, leunde erop, en als hij zat, draaide hij hem in zijn hand rond. Soms hield onze Profeet ook de khutba met deze mikhsara in de hand. Onze Profeet had ook een qadîb (dunne stok) die van bergbomen was gesneden en Mamshûq werd genoemd. Terwijl ’Uthmân met de qadîb van onze Meester de Profeet in zijn hand op de minbar de khutba hield, kwam Jahjâh ibn Sa’îd, of Jahjâh ibn Qays, op hem af, nam de qadîb uit de hand van ’Uthmân, boog hem tegen zijn knie en brak hem. Het volk schreeuwde tegen Jahjâh. Dit wekte de goddelijke naijver, en Allâhu ta’âlâ gaf Jahjâh aan zijn hand of aan zijn knie de ziekte âkila (jeuk). Nog geen jaar na het martelaarschap van ’Uthmân stierf Jahjâh, terwijl hij zich openkrabde.
“Niets evenaart de sandalen van Mustafâ; licht voor de ogen, rust voor het hart – alles komt van hen” Yûsuf Nabhânî (rahmatullâhi ’alayh)
De zwaarden van onze Meester de Profeet
Onze Meester de Profeet had negen zwaarden.
Het zwaard dat hij van zijn vader had geërfd en dat Ma’thûr werd genoemd, had onze Profeet bij zich toen hij naar Medina emigreerde.74 ’Abd: dit zwaard had Sa’d ibn ’Ubâda aan onze Meester de Profeet geschonken, en hij nam het mee toen hij naar de Slag bij Badr trok.
Dhu’l-Fiqâr: dit was het zwaard van Munabbih ibn Hajjâj, of van ’Âs ibn Munabbih, van de afgodendienaren van de Quraysh, en het bleef bij de Slag bij Badr als buit achter. Onze Meester de Profeet schonk Dhu’l-Fiqâr aan ’Alî. De knop van het gevest en de ringen en kettingen van de draagriem waren van zilver.75
Toen ’Abbâs na het overlijden van onze Profeet bij Abû Bakr aanklopte om Dhu’l-Fiqâr van ’Alî op te eisen, zei Abû Bakr: “Ik heb dit zwaard altijd in zijn hand gezien. Ik vind het niet goed het hem af te nemen!” En ook ’Abbâs liet het bij ’Alî.
De speren van onze Meester de Profeet
Van de joden van de Banû Qaynuqâ’ waren drie speren als buit aan onze Meester de Profeet toegevallen. Een van de speren van onze Profeet heette Muthwî, een andere Muthnâ. Onze Profeet had ook een grote harba, Baydâ genoemd, en een harba die kleiner was dan een speer, ’Anaza genoemd. De Negus van Abessinië, Ashama, had onze geliefde Profeet drie ’anaza’s (speren), Nab’a genoemd, en een harba gestuurd. Onze Profeet hield er een voor zichzelf, gaf de tweede aan ’Alî en de derde aan ’Umar.
Op het Ramadânfeest en het Offerfeest droeg Bilâl Habashî (radiyallâhu ’anh) de speer van onze Profeet tot aan de gebedsplaats voor onze Profeet uit en plantte hem daar vóór onze Meester de Profeet in de grond. En onze geliefde Profeet leidde het feestgebed met het gezicht naar die speer gekeerd. Na het overlijden van onze Meester de Profeet droeg Bilâl Habashî deze speer op de feestdagen voor Abû Bakr uit en plantte hem op de gebedsplaats vóór hem in de grond. Na Abû Bakr werd deze taak in de tijd van ’Umar, en na hem in die van ’Uthmân, op dezelfde wijze vervuld door de muezzin Sa’d al-Qaraz. Ook in de tijd van de gouverneurs van Medina werd dit gebruik voortgezet.
De bogen van onze Meester de Profeet
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) had zes bogen. Drie daarvan, Rawhâ, Baydâ en Safrâ genoemd, waren als buit van de joden van de Banû Qaynuqâ’ toegevallen. De boog Safrâ was van het hout van de nab’-boom gemaakt.76 Ook de boog Katûm was van nab’-hout gemaakt; hij brak in de Slag bij Uhud. Qatâda ibn Nu’mân nam de gebroken boog als aandenken. Verder had hij de bogen Sadad en Zawrâ.77
“Er is geen jongeman zoals ’Alî, en geen zwaard zoals Dhu’l-Fiqâr!” Hadîth sharîf
De schilden van onze Meester de Profeet
Onze Profeet had drie schilden. Op het schild dat Zalûq heette, stond de afbeelding van een ramskop. Dit schild was onze Profeet geschonken. Maar omdat er een afbeelding op stond, beviel het onze Profeet niet. Toen hij de volgende ochtend opstond, had Allah die afbeelding van het schild weggenomen en uitgewist.78
De maliënkolders van onze Meester de Profeet
Onze Meester Rasûlullah had zeven maliënkolders. Deze maliënkolders waren:
Dhât al-Fudûl: deze schonk Sa’d ibn ’Ubâda aan onze Profeet toen hij naar de Slag bij Badr vertrok.79
Sa’diyya en Fidda: ook deze twee maliënkolders waren onze Profeet als buit van de joden van de Banû Qaynuqâ’ toegevallen. De maliënkolder Sa’diyya was de historische maliënkolder die Dâwûd ‘alayhis-salâm had gedragen om tegen Jâlût te strijden. In de Slag bij Uhud droeg onze Profeet de Fudûl en de Fidda over elkaar.80 Toen onze Profeet overleed, stond de maliënkolder Dhât al-Fudûl in pand bij een jood van de Banû Zafar, Abu’sh-Shahm genaamd, voor dertig sâ’ gerst die voor de behoeften van zijn huisgenoten was gekocht.81
Zijn andere maliënkolders waren Dhât al-Wishâh, Dhât al-Hawâshî, Batrâ en Khirniq.82
In de Slag bij Hunayn droeg onze Profeet de Dhât al-Fudûl en de Sa’diyya.83
De helmen van onze Meester de Profeet
De eerste van de helmen van Rasûlullah is de Muwashshah. Deze helm was als buit van de joden van de Banû Qaynuqâ’ toegevallen. De helm Dhu’s-Subugh, of Dhu’s-Susub, of Mashbû’ genoemd, was de helm die onze Profeet in de Slag bij Uhud op zijn hoofd droeg. Hij werd door de zwaardslagen van de afgodendienaren en de geworpen stenen gebroken, en twee van zijn ringen drongen in de gezegende wangen van onze geliefde Profeet.
Ook toen hij Mekka binnentrok om het te veroveren, droeg onze Profeet een helm.
Het leger steeg te paard, met vaandels en standaarden geheven,
Men speelde de mehter84, de pauken en de tamboerijnen.
De vlaggen en vaandels van onze Meester de Profeet
Op de veldtochten gebruikte onze Meester de Profeet twee soorten vlaggen (vaandels). Zijn râya was zwart; zijn liwâ was kleiner en wit. Yûnus ibn ’Ubayd, de vrijgelaten slaaf van Muhammad ibn Qâsim, vertelt: “Muhammad ibn Qâsim stuurde mij naar Barâ’ ibn ‘Âzib om te vragen naar de vlag van Rasûlullah ‘alayhis-salâm. Barâ’ ibn ‘Âzib zei: ‘Zij was zwart, vierkant, van namira (wollen stof met zwart-witte strepen).’” Deze vlag was een lendendoek van ’Âisha, van wol geweven en versierd met motieven van kameelzadels; zij was zwart. Men noemde haar ’Uqâb. De vlag van onze geliefde Profeet bevond zich bij ’Alî. Bij de Verovering van Khaybar zei onze Profeet: “Ik zal de vlag geven aan een man die Allah en Zijn Rasûl liefheeft, en die door Allah en Zijn Rasûl wordt liefgehad!”, riep ’Alî en gaf hem de vlag.85 Allâhu ta’âlâ schonk ’Alî de Verovering van Khaybar.
Op het vaandel (de vlag) van Rasûlullah dat Liwâ al-Hamd heette, stond geschreven: “Lâ ilâha illallâh Muhammadur-Rasûlullah”. Bij de sariyya van Kharrâr bond onze Profeet een wit vaandel (vlag, liwâ) voor Sa’d ibn Abî Waqqâs. Toen hij ’Alî naar Jemen stuurde, bond hij een tulband aan de punt van een lans en zei: “Zo is de liwâ!” Alleen de bevelhebber van het leger hield de liwâ vast en droeg hem. Het witte vaandel van onze Profeet werd gedragen door Hamza bij de veldtocht naar Abwâ (Waddân), door Sa’d ibn Abî Waqqâs bij de veldtocht naar Buwât, door ’Alî bij de achtervolging van Kurz ibn Jâbir Fihrî en door Hamza bij de veldtocht naar Dhu’l-’Ushayra.
Toen onze Profeet naar de Slag bij Badr vertrok, gaf hij zijn witte vaandel (liwâ) aan Mus’ab ibn ‘Umayr, en ‘Alî droeg zijn zwarte vaandel (râya), de ‘Uqâb, voor onze Profeet uit.86 Het witte vaandel (liwâ) van onze Profeet werd gedragen door Hamza bij de veldtocht tegen de Banû Qaynuqâ’; door ’Alî bij de veldtocht naar Qarqarat al-Kudr, bij de Slag bij Uhud en bij de veldtocht naar Badr al-Maw’id; en door Zayd ibn Hâritha bij de Slag bij de Gracht. Onze Profeet veroverde ook Mekka met zijn witte vaandel. Bij de veldtocht naar Tabûk liet onze Meester de Profeet zijn grote vaandel door Abû Bakr dragen en het kleine door Zubayr ibn ’Awwâm.
De paarden van onze Meester de Profeet
Het eerste paard van onze geliefde Profeet is het paard dat hij in Medina van een bedoeïen van de Banû Fazâra kocht voor tien ûqiyya’s87 zilver; de woestijnbewoners noemden het Daris, en onze Profeet gaf het de naam Sakb. In de Slag bij Uhud reed hij erop.88 Sakb had een witte vlek op de lip. Drie benen hadden witte sokken; het vierde, een rechterbeen, niet. Sakb was zeer snel, dat wil zeggen: in galop stroomde hij als water. Het paard dat Murtajiz heette, kocht onze Profeet van een bedoeïen van de Banû Murra. Murtajiz was mooi en welgevormd, en hij hinnikte alsof hij een gedicht voordroeg.89 Het paard dat Lizâz heette, werd onze Profeet geschonken door Muqawqis, de koning van Alexandrië. Lizâz liep zeer snel.90
Het paard dat Zarib heette, werd onze Profeet geschonken door Farwa ibn ’Umayr al-Judhâmî. Zarib was een zeer sterk en uithoudend paard.
Lahîf (of Luhayf). Dit paard werd onze Profeet geschonken door Rabî’a ibn Abî Barâ’ Kalbî. Lahîf had een lange staart; zijn staart veegde over de grond. Ya’sûb was het beste van de paarden van onze Profeet.
“Ik zal de vlag geven aan een man die Allah en Zijn Rasûl liefheeft, en die door Allah en Zijn Rasûl wordt liefgehad!” Hadîth sharîf
Murâwih was een renpaard; ’Ubayd ibn Yâsir schonk het onze Profeet in Tabûk. Murâwih liep zo snel als de wind.
Het paard dat Mirwâh heette, werd onze Profeet geschonken door de afgevaardigden van de Banû Rahâ’, die in het tiende jaar van de Hijra naar Medina kwamen. Toen zij erop reden en het voor onze Profeet lieten lopen, beviel het onze Profeet zeer. Ward: dit paard werd onze Profeet geschonken door Tamîm Dârî. Ward was voskleurig. Onze Profeet schonk het aan ’Umar. En ’Umar streed op Ward op de weg van Allâhu ta’âlâ en joeg het van veldtocht naar veldtocht. Onze Profeet liet drie van zijn paarden aan wedrennen deelnemen. De ruiter van Zarib was Sahl ibn Sa’d, die van Lizâz Abû Usayd Sâ’idî. Lizâz liep voorop, Zarib achter hem en Sakb achter Zarib.
De ezel en de muildieren van onze Meester de Profeet
Onze Meester Rasûlullah had ook een ezel en een muildier. Muqawqis, de koning van Alexandrië, schonk onze Profeet een grijs muildier en een grijze ezel. Het muildier heette Duldul, en de ezel Ya’fûr of ’Ufayr.91 Het eerste witte muildier dat in de islam werd gezien, was Duldul. Bij de Verovering van Khaybar reed onze Profeet op dit grijze muildier; bij de Slag bij Hunayn was het het andere grijze muildier. Onze Profeet gaf zijn muildier de sporen, omdat hij op de stam Hawâzin wilde afgaan; ’Abbâs, die de teugels van het muildier vasthield, en Abû Sufyân ibn Hârith, die de stijgbeugel vasthield, probeerden zijn vaart in te tomen en te voorkomen dat onze Profeet zich midden tussen de vijanden zou storten. Er wordt overgeleverd dat men bij de Verovering van Khaybar Ya’fûr een pakzadel oplegde en hem een halster van touw van dadelpalmvezel om de kop deed, en dat onze Profeet ook op hem reed. Toen onze Profeet van de Afscheidsbedevaart terugkeerde, was Ya’fûr gestorven; en Duldul bleef na het overlijden van onze Profeet bij ’Alî. ’Alî reed erop tot zijn martelaarschap, daarna Hasan, daarna Husayn en later Muhammad ibn Hanafiyya. Duldul leefde tot de tijd van Mu’âwiya.
De kamelen van onze Meester de Profeet
Qaswâ: deze kameel van onze Meester de Profeet, die ook Jad’â en ’Adbâ werd genoemd, behoorde tot de dieren van de Banû Qushayr ibn Ka’b ibn Rabî’a ibn ‘Âmir, of van de Huraysh ibn Ka’b; Abû Bakr kocht haar voor vierhonderd dirham en droeg haar voor dezelfde prijs over aan onze geliefde Profeet. Onze Profeet emigreerde op Qaswâ naar Medina. Op haar ging hij naar de ‘umra van Hudaybiya. En ook Mekka veroverde hij op haar. Onze Meester de Profeet liet Qaswâ aan wedrennen deelnemen, en geen kameel kon haar inhalen. Maar een bedoeïen deed met een tweejarige kameel mee aan een wedren en haalde haar in. Tijdens de Afscheidsbedevaart hield hij op Qaswâ de preek van ‘Arafât. In de tijd van het kalifaat van Abû Bakr werd Qaswâ op de begraafplaats Jannat al-Baqî’ vrijgelaten. Daar graasde zij ongestoord tot zij stierf.92
“O Allah! Zoals U mijn gestalte mooi hebt geschapen, maak ook mijn karakter mooi” Hadîth sharîf
De kameel die als buit op Abû Jahl werd veroverd: in de Slag bij Badr viel de beroemde kameel van Abû Jahl als buit toe aan onze geliefde Profeet. Tot de ’umra van Hudaybiya trok hij ook op deze kameel ten strijde. Hij merkte hem als offerdier voor de ’umra. De afgodendienaren wilden hem in ruil voor honderd kamelen hebben. Onze Profeet zei: “Als wij hem niet als offerdier hadden afgezonderd en gemerkt, hadden wij jullie wens vervuld.” De melkkamelen: onze Profeet had zeven melkkamelen die op de weiden van Dhu’l-Jadr en Jamma graasden en Hannâ, Samrâ, ’Urays, Sa’diyya, Baghûm, Yasîra en Dabbâ heetten; de huisgenoten van onze Profeet leefden van hun melk, twee waterzakken vol die hun elke avond werden gebracht.93 Maar toen onze Profeet overleed, was er geen enkele meer over.
De bezittingen die onze Meester de Profeet als waqf vestigde
De eerste waqf in de islam waren de zeven tuinen en moestuinen met de volgende namen, die Mukhayrîq, die bij Uhud als martelaar sneuvelde, bij testament aan onze Profeet had laten overdragen en die onze Profeet in ontvangst nam en als waqf vestigde: 1. Mithab, 2. Sâfiya, 3. Dalâl, 4. Husnâ, 5. Burqa’, 6. A’wâf, 7. Mashraba.94 Mukhayrîq, die vóór hij moslim werd tot de geleerden en de rijken van de joden behoorde, stelde zich in de Slag bij Uhud tegenover zijn stamgenoten op met de woorden: “Jullie weten zelf heel goed dat Muhammad de Profeet van de eindtijd is. In de Tawrât staan zijn kenmerken duidelijk beschreven. Wat ons nu past, is hem te volgen en in zijn moeilijke dagen aan zijn zijde te staan.” De joden zeiden: “Je hebt gelijk, maar vandaag is het zaterdag. Dan houdt men zich niet met werk bezig!” Toen hij zag dat aandringen geen zin had, gordde hij zijn zwaard om en maakte bekend dat hij moslim was geworden. Aan zijn verwanten liet hij deze laatste wil na: “Als ik word gedood, zijn al mijn bezittingen van Muhammad. Hij is vrij ze te gebruiken zoals hij wil.” Hij ging en sloot zich aan bij het leger van de islam. En hij dronk de sorbet van het martelaarschap, radiyallâhu ’anh.
Ten slotte was de strijd voorbij en waren de wonden verbonden. De verwanten van Mukhayrîq bleven trouw aan de laatste wil en lieten zijn bezittingen aan Habîbullah. En onze Meester de Profeet vestigde deze landerijen met koel water en overvloedige vruchten als waqf en stelde ze open tot nut van de armen en behoeftigen. Zo begon de traditie van de waqf in de islamitische beschaving. Onze Meester prees hem met de woorden: “Mukhayrîq is een goed man uit het volk van de joden.”
De waqfs van onze Profeet in Medina waren over het algemeen afkomstig van de bezittingen van Mukhayrîq.
Ibn Humayd zegt: “De kalief ‘Umar ibn ‘Abdul’azîz wilde dat er dadels werden gebracht uit de waqf-palmgaarden van Mukhayrîq. Ze werden op een schaal gebracht. Toen ‘Umar ibn ‘Abdul’azîz zei: ‘Abû Bakr ibn Hazm heeft mij geschreven dat deze dadels van een dadelpalm zijn die nog uit de tijd van Rasûl ‘alayhis-salâm stamt, en dat Rasûl ‘alayhis-salâm ervan at’, zei ik: ‘O Bevelhebber der gelovigen! Verdeel ze onder ons!’ Hij verdeelde ze. Ieder van ons kreeg negen dadels.”
’Umar ibn ’Abdul’azîz zei: “Toen ik als gouverneur van Medina die palmgaard binnenging, heb ik van de dadels van die dadelpalm gegeten, en nooit heb ik zo’n fijne en zoete dadel gezien als die!”
’Amr ibn Muhâjir zegt: “De bezittingen van Rasûl ‘alayhis-salâm bevonden zich in een kamer bij ‘Umar ibn ‘Abdul’azîz, en hij keek er elke dag naar. Ook de Quraysh die bij hem kwamen en zich om hem heen verzamelden, liet hij in deze kamer binnen, en dan wendde hij zich tot deze bezittingen en zei: ‘Dit is de nalatenschap van hem met wie Allah jullie heeft geëerd!’” Het waren: 1. een ledikant dat met dadelpalmbladeren was gevlochten,
2. een kussen met een leren overtrek, gevuld met dadelpalmvezels, 3. een vrij grote schaal, 4. een waterbeker,
5. een kledingstuk, 6. een handmolen,
7. een pijlkoker, 8. een fluwelen deken.
(Deze deken rook, door de goede geuren die er van het gezegende lichaam van onze Meester Rasûlullah in waren getrokken, lekkerder dan muskus. Wanneer ’Umar ibn ’Abdul’azîz (radiyallâhu ’anh) ziek werd, waste hij zich met het water waarin die deken was gewassen, en hij genas.)
Toen de zee van de liefde in golven opsteeg,
Verscheen die enige parel (Durr-i Yatîm),
En de reine Schepper zei over hem:
“Lawlâka lamâ khalaqtul-aflâk.”
Toen hij geboren werd, vulde de glans van die Zon
Het hele universum;
Wie hem in zijn voetspoor volgt,
Vindt het goede in al zijn werk.
Hoewel hele rijken onder zijn bevel stonden,
Bezat hij nog geen drie hemden.
Er was in zijn huis niet veel bezit,
Bij zijn dood zag men: zijn maliënkolder stond in pand.
Naast de dingen die hij meestal aanschouwde,
Wat is deze wereld dan waard?
Zijn gaven waren overvloedig voor iedereen,
“Er is niets” zeggen, dat kende hij niet.
Soms gaf hij zoveel,
Dat zijn vijanden zich allen bogen.
Voor elke wees was hij een liefdevolle vader,
Zijn tederheid was overvloedig, zelfs voor de laaghartige.
In elk werk van hem lag veel wijsheid,
Nooit hield hij iemand zijn weldaad voor.
Hij bezocht de zieke,
En gaf de bedroefde genezing.
“Yâ Rasûlallah! Ik heb de kracht niet u te prijzen; wij allen zijn omwille van u geschapen. Kortom, o Koning van het rijk der trouw, voor u offer ik mijn ziel, offer ik alles!” Hüseyin Hilmi bin Sa’îd (rahmatullâhi ’alayh)
Het tahajjud-gebed liet hij nooit na,
Uit vrees voor Allah ging hij niet liggen.
De Profeet beschouwde iedereen altijd
Als gelijk aan zichzelf.
Hij was er trots op dienaar te zijn,
Hij was gesierd met het goddelijke karakter.
Wie naar deze weg verlangt,
Wordt met mooie eigenschappen getooid.
Hij bezocht trouw een school
Waar Allah zijn leermeester was.
Om hem te beschrijven, gaf de Rahmân
In de Qur’ân een mooie uiteenzetting.
Tot de Dag der Verzameling: voor de Koning der profeten
Salawât zonder einde!
Voor zijn familie en zijn Metgezellen
Salât en salâm, in nederigheid!
De Gouden Goot / Ka’ba
Buitenaanzicht van de Masjid an-Nabawî / Madîna al-Munawwara
HILYA-I SA’ÂDAT Nadat hij zijn Metgezellen raad had gegeven, Zei de Trots der wereld: na mij, Wie mijn reine hilya ziet, Is als iemand die mijn gezicht heeft gezien; Als bij het zien de liefde in hem ontstaat, Dat wil zeggen, als hij verliefd wordt op mijn schoonheid, Als hij ernaar verlangt mij te zien, Als zijn hart vol liefde voor mij is, Dan wordt de Hel voor hem harâm, Dan schenkt mijn Heer hem het Paradijs. De Haqq zal hem niet naakt doen herrijzen, Hij zal de vergeving van de Haqq deelachtig worden. Er is gezegd: als iemands hand Met liefde de hilya van de Rasûl schrijft, Dan behoedt de Haqq hem voor angst, Al raakt het aardoppervlak vol rampen. Zijn lichaam zal in deze wereld geen ziekte kennen, Zijn hele lijf zal nooit pijn lijden. Ook al heeft deze man gezondigd, Voor zijn lichaam wordt de Hel harâm. In het hiernamaals wordt hij van de bestraffing gered, In deze wereld wordt al zijn werk hem licht. En de Heer, verheven is Hij, zal hem doen herrijzen Met hen die de Rasûl in deze wereld zagen. Hoewel het moeilijk is de hilya van de Profeet te beschrijven, Beginnen wij eraan, voor zover het mogelijk is. Wij zoeken onze toevlucht bij de Bezitter van de Majesteit En beschrijven haar in nederigheid. Hierover waren de volkeren het eens: De Trots der wereld was blank met een blos. Zijn gezegende gezicht was zuiver wit, Rozig als een roos. Het zweet op zijn gezicht, als parels, Maakte dat mooie juweel nog bekoorlijker.
Wanneer hij zweette, hij, die bron van vreugde,
Was het alsof een zee van nûr golfde.
Zijn ogen leken altijd met kohl omrand,
Zijn mooie ogen trokken de harten aan.
Het wit van zijn ogen was uiterst wit,
Zijn Heer prees hem met een vers.
Het zwart van zijn ogen was niet klein,
Voor hem waren nabij en ver één.
Zijn ogen waren groot, mooi en fijn,
Zijn gezegende gezicht verspreidde altijd nûr.
De kracht van het gezichtsvermogen van Mustafâ
Was ’s nachts even sterk als overdag.
Wilde hij ergens naartoe kijken,
Dan draaide ook zijn reine lichaam mee.
Hij liet zijn lichaam zijn hoofd volgen,
En dat heeft hij nooit nagelaten.
Rasûl-i akram had wel een lichaam,
Maar het past hem dat ik hem een belichaamde ziel noem.
Mooi en beminnelijk was de Rasûl,
Zeer geliefd bij de Haqq was de Rasûl.
Mâlik en Abû Hâla zeiden:
Zijn wenkbrauwen stonden vrij uiteen, als de nieuwe maan.
De ruimte tussen zijn beide wenkbrauwen
Was altijd helder als zilver te zien.
Zijn gezegende gezicht was een weinig rond,
Zijn huid was helder en glanzend.
De mihrâb van zijn zwarte wenkbrauwen
Was de qibla van de hele wereld.
Van opzij gezien leek zijn gezegende neus
In het midden iets verheven.
Hij was heel mooi, smal en fijn,
Wie hem zag, kon hem niet volledig beschrijven.
Zijn tanden stonden wat uiteen,
Ze glansden als een parelsnoer.
Telkens wanneer zijn voortanden zichtbaar werden,
Bedekte een nûr alle kanten.
Wanneer de Vorst der beide werelden lachte,
De Profeet van al wat leeft en niet leeft,
Werden zijn voortanden zichtbaar, zeer zuiver,
Fijn als hagelkorrels.
Ibn ’Abbâs zegt: de Habîb van Allah
Schroomde te lachen.
Uit schroom heeft hij, de steunpilaar van de religie,
Naar men zegt, nooit luidkeels gelachen.
Fijngevoelig en schroomvol was de verheven Rasûl,
Altijd schroomde hij iemand aan te staren.
Zijn gezicht leek op de volle maan,
Zijn persoon was een spiegel van de verheven Mawlâ.
Dat mooie gezicht was altijd stralend,
Door zijn glans kon men er niet naar kijken.
Die mooie Profeet won de harten,
Honderdduizend Metgezellen werden verliefd op hem.
Zij die hem één keer in een droom zagen,
Zeiden: zo’n genot bestaat er niet op aarde.
En laat men weten: zijn mooie wangen
Waren niet al te vol, zo zegt men.
De Schepper heeft, uit liefde voor hem,
Zijn gezicht wit en zijn voorhoofd open gemaakt.
De nûr van zijn hals
Schitterde elk ogenblik tussen zijn haren.
Van zijn gezegende baard, weet het goed,
Waren slechts zeventien haren wit geworden.
Hij was niet kroes en ook niet lang,
Hij was evenredig zoals elk van zijn ledematen.
De reine hals van de Rasûl van de horizonten
Was uiterst wit en uiterst helder.
Velen met goede manieren onder de Metgezellen
Zeiden allen: zijn buik en zijn borst waren gelijk.
Als zijn gezegende borst geopend werd,
Zou de schat van de kennis faiz95 verspreiden.
Waar de liefde haar eervolle verblijf nam,
Kan die edele borst dan anders zijn?
Zijn gezegende borst was breed,
De ladunnî-kennis was erop neergedaald.
Wit en helder was die grote borst,
Wie hem zag, meende de stralende volle maan te zien.
Het vuur van de liefde voor het eeuwige Wezen
Had die schone in vlammen gezet.
Dit weten zeker oud en jong:
De Trots der wereld had brede schouderbladen.
Het midden van zijn rug was ook vlezig,
Hij was de bezitter van de edelmoedigheid, de gelukzalige.
In zijn zilveren huid lag fijnheid,
Er was een vrij groot zegel van het profeetschap.
Het zegel van het profeetschap zat op zijn rug,
Dicht bij de rechterkant, voorzeker.
Zij die hem beschreven, hebben ons meegedeeld:
Het edele zegel was een grote vlek.
Zijn kleur was donker, naar geel neigend,
Het had de grootte van een duivenei.
Eromheen, als getrokken lijnen,
Fijne haartjes, dicht tegen elkaar.
Zij die die man van verheven afkomst beschreven,
Zeiden: de Profeet had een forse beenderbouw.
Elk bot was fors en mannelijk,
Zijn gestalte en zijn karakter waren vorstelijk.
Elk van zijn gezegende ledematen
Was evenredig en sterk geschapen.
Elk lid van de Profeet was zo mooi
Als de verzen van de Qur’ân.
De handpalmen van die sultan
En ook zijn voetzolen
Waren breed, rein, fijn en aangenaam,
Zacht en geliefd als een verse roos.
Zeer welgevormd, zeggen de scherpzinnigen,
Waren die gezegende handen, vol karâma.
Als de Profeet iemand groette,
Glimlachte hij altijd.
Al gingen er een of twee dagen voorbij,
Ja, zelfs al duurde het langer dan een maand,
Toch herkende men aan de goede geur
Die persoon te midden van de mensen.
Zijn onbehaarde lichaam was als kristal,
Hoe zal ik die zijde prijzen!
Om de Vriend te aanschouwen, was die edele
Met heel zijn fijne lichaam oog geworden.
Zijn fijne huid was volmaakt,
De Schepper had daarin Zijn wijsheid getoond.
Op zijn borst en zijn buik was er
Geen enkel haar – als een zilveren plaat.
Alleen van het midden van zijn borst naar beneden
Liep, kaarsrecht, een rij haren.
Deze zwarte lijn op dit gezegende lichaam
Was mooi als de halo rond de maan.
Heel zijn leven bleven zo
Zijn gezegende ledematen als in zijn jeugd.
Naarmate de Profeet ouder werd,
Werd hij steeds frisser, als een rozenknop.
En denk ook niet dat de Sultan van het universum
Erg zwaarlijvig was.
Hij was niet mager en ook niet erg vlezig,
Hij was evenwichtig en zeer sterk.
De mensen van het hart zeiden over hem:
Zijn ledematen waren niet groter of kleiner dan elkaar.
De Meesterbouwer heeft het paleis van zijn lichaam
Op de grondvesten van rechtvaardigheid en evenwicht gebouwd.
Zijn reine lichaam was evenwichtig gebouwd,
Heel zijn lichaam was in nûr gedompeld.
Van middelmatige lengte was hij wiens verblijf de Sidra is,
Door hem vond de wereld haar orde.
Zij die het wonder van zijn gestalte aanschouwden,
Zeiden allen, terwijl zij hem prezen:
Zo’n schone met een rozengezicht hebben wij niet gezien,
Mooi van gestalte, van karakter en van gelaat.
Hoewel de Profeet van middelmatige lengte was,
Als hij met iemand liep die lang was,
Hoe lang die man ook was,
Leek de Profeet toch langer.
Die parel was langer dan de lange man,
Een handpalm breed.
Als hij met waardigheid een weg ging,
Liep hij zeer snel.
Verder zeggen wij over zijn edele eigenschappen:
Bij het lopen boog hij naar voren.
Dat wil zeggen, als iemand die een helling afdaalt,
Boog hij altijd een weinig naar voren.
Roemrijk en eervol was die verhevene,
Op hem was de ziel van de Khalîl trots.
De persoon die Allah verkiest,
Van hem is voorzeker elk lid het verhevenste.
Als iemand, terwijl hij over de weg liep,
Plotseling Rasûlullah zag,
Dan viel er vrees in zijn hart
Door de verhevenheid van Rasûlullah.
En als iemand met de Profeet voortdurend
In gesprek was en met hem sprak,
Dan werd hij door de zoetheid van zijn woorden
Zijn dienaar, als de Rasûl hem aanvaardde.
De eeuwige Schepper had hem getooid
Met een mooi karakter, zonder weerga of gelijke.
Yâ Rasûlallah! Ik heb de kracht niet u te prijzen,
Wij allen zijn omwille van u geschapen.
Kortom, o Koning van het rijk der trouw,
Voor u offer ik mijn ziel, offer ik alles!
Hüseyin Hilmi Işık
(qaddasallâhu ta’âlâ sirrahul-’azîz)
Een oude afbeelding van Makka al-Mukarrama
QASÎDA VAN DE AHL AS-SUNNA
Het geloof van de Ahl as-Sunna is wat jij als eerste nodig hebt,
Er zijn drieënzeventig groepen, maar de overige zijn voor de Hel.
De moslims zijn allen sunniet; het hoofd van hen allen is Nu’mân.
Het blijde nieuws van het Paradijs kreeg wie hen in het geloof volgt.
Maak je geloof hecht; houd je daarna vast aan de islam!
Vervul de vijf voorwaarden van de islam; wacht je meteen voor het harâm!
Als je een zonde begaat, toon dan berouw, laat de tijd niet verstrijken!
Wie de islam niet volgt, zal op een dag zeker spijt hebben.
Laat je niet misleiden door wie geen religie heeft: ook jij gaat te gronde, pas op!
Als je zoete woorden gelooft, wordt je toestand later slecht!
De huichelaars zijn talrijk geworden: van buiten een engel, van binnen een slang,
Om je in de val te lokken, doen zij zich voor als vriend, en dan nog van harte.
Iedereen meent dat hij gelijk heeft: “Slecht,” zegt hij, “is wie mij niet volgt.”
De islam is de weegschaal; hij is het die scheidt wie gelijk heeft!
Weet dat wie de islam niet volgt, een mens is die van de rechte weg is afgedwaald;
Dit woord gelooft zeker wie de geschiedenis goed begrijpt.
Waarom haast zich naar de dokter wie ergens pijn heeft?
Omdat niemand van sterven houdt; zoeter dan alles is het leven.
“Het verlangen eeuwig te leven heb ik niet” – is er iemand die dat zegt?
Sterven is niet ophouden te bestaan; geloof in het leven in het graf!
Het Paradijs is eeuwig, en ook de Hel; dit heeft de Qur’ân bekendgemaakt,
Voor eeuwige pijn moet men zich hoeden, ook al was het maar een vermoeden.
Er zijn er ook die dit niet geloven; de vleermuis vlucht voor het licht.
De kraai vindt smaak in de vuilnishoop; de nachtegaal is het die de roos zoekt.
Wie aan zijn nafs en zijn genoegen verslaafd is, kan de islam zeker niet liefhebben.
Kunnen deze twee één zijn? Het goede staat los van het slechte!
De moslims erkennen het recht en doen ieder schepsel goed,
Wie geen îmân heeft, is als een slang; hij vindt genot in het pijn doen.
Genade, o mijn Heer, genade! Hoe zwaar is de eindtijd,
De kennis van de religie is vergeten; nog maar weinigen verrichten het gebed.
