Mijn Geliefde Profeet

DE VELDTOCHT NAAR TABÛK

Tabûk is een bekende plaats halverwege tussen Madîna al-Munawwara en de stad Damascus. Sommigen zeiden dat het de naam van een bron is. Omdat deze krijgstocht de laatste krijgstocht van onze Meester de Profeet was, noemde men hem “de veldtocht (ghazwa) naar Tabûk”. Hij wordt ook “Fâdiha” genoemd, omdat de huichelaars bij deze strijd te schande werden gemaakt. Hij wordt ook “Jaysh al-’Usra” genoemd. Op deze krijgstocht leden de moslims veel ontberingen. Bovendien was de afstand groot en was het zeer heet. De vijandelijke soldaten waren talrijk en sterk. Het was een tijd van schaarste. Tien man moesten samen één kameel berijden. De meeste soldaten aten een maand lang niets anders dan dadels. Soms aten zij geroosterde gerst. Soms vonden zij zelfs dat niet. Men vertrok op de krijgstocht naar Tabûk in het negende jaar van de Hijra, in de maand Rajab, op een donderdag.

In dit negende jaar, waarin de islam zich snel over het Arabisch Schiereiland verbreidde, schreven de christelijke Arabieren een brief aan de Byzantijnse keizer Heraclius, die jaloers was op de “islamitische staat” en de groei ervan wilde tegenhouden: “De man die met de aanspraak op het profeetschap naar voren is getreden, is gestorven. De moslims verkeren nu in hongersnood en gebrek. Als je hen tot jouw religie wilt bekeren, is dit precies het juiste moment.” Naar aanleiding van deze brief zette Heraclius een leger van veertigduizend man onder bevel van Qubâd in beweging om tegen de moslims te strijden. Toen de Trots van het universum dit vernam, verzamelde hij zijn Metgezellen en beval hun zich op de strijd voor te bereiden. Omdat het dat jaar droog was, verkeerden de Metgezellen in grote materiële nood. Alleen zij die handel dreven, hadden het iets beter. Het leger van de islam was zeer talrijk. Voedsel en oorlogsmaterieel waren schaars. Er zou ontbering geleden worden. Onze Meester de Profeet wenste ook dat zijn Metgezellen geldelijk zouden bijdragen aan de uitrusting van de soldaten die aan de strijd zouden deelnemen. Deze wens van onze Meester (sallallâhu ’alayhi wa sallam) bracht de Metgezellen in beweging. Iedereen bracht wat hij maar had en probeerde zich met zijn bezit en zijn leven op de jihâd voor te bereiden.

Abû Bakr, de metgezel van onze Meester de Profeet in de grot, bracht al zijn bezittingen. Toen Rasûl-i akram vroeg: “Wat heb je voor je gezin achtergelaten, o Abû Bakr?”, antwoordde hij: “Ik heb Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl achtergelaten.” ’Umar bracht de helft van zijn bezittingen als bijdrage. Onze Meester de Profeet vroeg ook hem: “Wat heb je voor je gezin achtergelaten, o ’Umar?” Hij antwoordde: “Evenveel als ik heb gebracht.” Onze Meester de Profeet zei: “Het verschil tussen jullie beiden is als het verschil tussen jullie woorden.” Daarop zei ’Umar, vol waardering voor hem: “Mogen mijn vader en moeder voor jou geofferd worden, o Abû Bakr! In iedere wedloop op de weg van het goede ga jij mij voorbij. Nu heb ik goed begrepen dat ik jou in niets meer zal kunnen voorbijstreven.”1 De Metgezellen probeerden te helpen zoveel zij konden. Maar de huichelaars bespotten de Metgezellen en zeiden: “Jullie geven om ermee te pronken.” Onze Meester de Profeet zei: “Wie vandaag een aalmoes (sadaqa) geeft, voor hem zal zijn aalmoes op de Dag des Oordeels bij Allâhu ta’âlâ getuigenis afleggen.” Op deze gezegende woorden van onze Meester de Profeet begonnen de gelovigen nog meer te helpen. ’Uthmân ibn ’Affân rustte de helft van het leger uit.2 ’Uthmân Dhu’n-Nûrayn (radiyallâhu ’anh) gaf dit leger negenhonderdvijftig kamelen met hun tuig en vijftig paarden, droeg de kosten van de uitrusting van hun berijders en stuurde bovendien nog tienduizend dinar, of zevenhonderd ruqya goud.3 Zo werd hij degene onder de moslims die het meest bijdroeg. ’Uthmân voorzag zo volledig in de behoeften van het leger dat hij zelfs niet vergat de grote naald mee te geven waarmee zij de waterzakken zouden herstellen. Naar aanleiding van deze hulp van hem zei Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam): “Vanaf vandaag wordt voor ’Uthmân geen zonde meer opgeschreven.”4 En een van de Metgezellen, die in zeer armoedige omstandigheden leefde, had die nacht tot de ochtend in een dadelboomgaard water geput om de beloning van het bijdragen aan de jihâd te verkrijgen; hij bracht de dadels die hij had verdiend naar onze Meester de Profeet en zei: “Yâ Rasûlallah! Om het welbehagen van mijn Heer te verkrijgen heb ik gebracht wat ik had. Wees zo goed het aan te nemen.”

“O ’Umar! Het verschil tussen jullie beiden (jou en Abû Bakr) is als het verschil tussen jullie woorden” Hadîth sharîf

Terwijl de moslimmannen naar vermogen hielpen, deden ook de vrouwen op deze weg naar behoren wat hun te doen stond. Toen de moslims zich op de krijgstocht naar Tabûk voorbereidden, maakten zij een zeer moeilijke tijd door. De schaarste was zo hevig dat zeer velen van de Metgezellen, die niets meer bezaten, bij onze Meester Rasûlullah kwamen en zeiden: “Yâ Rasûlallah! Wij hebben geen rijdier! Wij hebben ook niets te eten! Wij willen bij deze veldtocht niet van u gescheiden zijn, en wij willen de beloning van de jihâd verkrijgen.” Onze geliefde Profeet liet hun bedroefd weten dat hij geen rijdier meer had om hun te geven. Op een keer kwamen Sâlim ibn ‘Umayr, ‘Abdullah ibn Mughaffal, Abû Laylâ Mâzinî, ‘Ulba ibn Zayd, ‘Amr ibn Humâm, Haramî ibn ‘Abdullah en ‘Irbâd ibn Sâriya met hetzelfde verzoek bij onze geliefde Profeet. Toen onze Meester in grote droefheid tegen hen zei: “Ik vind niets waarop ik jullie kan laten rijden,” begonnen zij te huilen, uit verdriet dat zij van onze Meester de Profeet gescheiden zouden blijven en niet aan de jihâd konden deelnemen. Daarop zond Allâhu ta’âlâ het volgende edele vers neer, waarin in betekenis werd gezegd: “(O Mijn Rasûl!) Toen zij (om aan de jihâd deel te nemen) naar jou kwamen, had je tegen hen gezegd: ‘Ik heb niets om jullie een rijdier te verschaffen.’ Omdat zij niets hadden om op deze weg te besteden (en niet aan de strijd konden deelnemen), keerden zij terug, tranen van verdriet vergietend. Op hen rust geen verantwoordelijkheid (zonde).”5 Ten slotte rustten ook ‘Abbâs en ‘Uthmân hen voor de veldtocht uit. Toen de voorbereidingen voltooid waren, verzamelde onze Meester de Profeet het leger bij Thaniyyat al-Wadâ’. Zij die niet aan de veldtocht deelnamen, waren zo weinig dat men kon zeggen dat er niemand achterbleef. Toen Rasûl-i akram het leger had verzameld en tot het vertrek besloot, liet hij Muhammad ibn Maslama als zijn plaatsvervanger in Medina achter.6 Toen de krijgstocht zou beginnen, zei onze Meester de Profeet: “Neem extra schoeisel mee. Zolang jullie reserveschoeisel hebben, zullen jullie geen ontbering lijden.”

Toen het leger zich in beweging zette, zei het hoofd van de huichelaars, ‘Abdullah ibn Ubayy, dingen die nooit zouden gebeuren, om de moslims bang te maken. Hij zei zelfs: “Ik zweer dat het is alsof ik hem en zijn Metgezellen twee aan twee met touwen gebonden zie…” Maar de Metgezellen schonken geen enkele aandacht aan deze woorden, en hun vurige verlangen om aan de jihâd deel te nemen werd steeds groter. Toen de huichelaars dit zagen, vergingen zij van ergernis. Toen onze Meester Rasûlullah van Thaniyyat al-Wadâ’ naar Tabûk zou vertrekken, liet hij de vlaggen van het leger (de banieren en vaandels) ontrollen. De grote banier gaf hij aan Abû Bakr, een andere banier aan Zubayr ibn ’Awwâm. De banier van de stam Aws gaf hij aan Usayd ibn Hudayr, de banier van de stam Khazraj aan Abû Dujâna.7 Het aantal Metgezellen onder bevel van onze Meester de Profeet bedroeg dertigduizend, van wie tienduizend ruiters. Talha ibn ’Ubaydullah werd aangesteld als bevelhebber van de rechtervleugel en ’Abdurrahmân ibn ’Awf als bevelhebber van de linkervleugel.8 De roemrijke Metgezellen zetten zich bij zeer heet weer en onder bevel van hun Profeet in beweging. Nu zij de Habîb van Allâhu ta’âlâ aan hun hoofd hadden, kon het gebrek aan eten en drinken hen niet van hun weg afbrengen, en konden de lengte van de weg die zij moesten afleggen en de grote aantallen vijandelijke soldaten hun geen angst aanjagen. In zo’n gesteldheid gaat men overal heen. Onze geliefde Profeet en de heldhaftige Metgezellen rustten op iedere pleisterplaats een tijdje uit en zetten daarna hun weg voort. Hun achtste pleisterplaats was Hijr, waar het volk van Sâlih ’alayhis-salâm was vernietigd. Omdat zij niet naar het bevel van hun profeet hadden geluisterd, had Allâhu ta’âlâ hen met een verschrikkelijke kreet (sayha), dat wil zeggen een geluid, vernietigd. De Sultan van het universum zei tegen zijn Metgezellen: “Vannacht zal er een sterke storm uit de tegengestelde richting waaien. Laat niemand opstaan zonder dat er een makker bij hem is. Laat ieder de knie van zijn kameel vastbinden. Dit is een plaats waar een bestraffing is neergedaald. Laat niemand van dit water drinken of er de wudû mee verrichten!..” Iedereen gehoorzaamde dit bevel. In de nacht stak een hevige storm op, die alles overhoop begon te halen. Op dat moment stond iemand die verzuimd had zijn kameel vast te binden, in zijn eentje op om hem te zoeken; hij werd door de storm gegrepen, meegesleurd en aan de voet van de berg Tayy neergeworpen. Een ander had hoge nood. Op de plaats waar hij heenging om zijn behoefte te doen, werd hij getroffen door de ziekte die khunâq (verstikking) heet. Door de smeekbede van onze Meester de Profeet herwon hij zijn gezondheid.

Die ochtend was er in de waterzakken geen water meer over. Iedereen dreigde van dorst om te komen. De huichelaars grepen dit aan en probeerden onrust te zaaien met de woorden: “Als Muhammad werkelijk een profeet was, zou hij een smeekbede doen en het laten regenen.”

Toen de toestand aan de Meester der werelden werd voorgelegd, hief hij zijn gezegende handen op en smeekte Allâhu ta’âlâ om regen te schenken. Bij heet en onbewolkt weer verschenen onmiddellijk regenwolken. Een hevige regen begon te vallen. Iedereen vulde zijn waterzakken, verrichtte de wudû en gaf de dieren te drinken. Toen de regen ophield en de wolken uiteendreven, zag men dat de regen alleen op het leger was gevallen.

“Wie vandaag een aalmoes (sadaqa) geeft, voor hem zal zijn aalmoes op de Dag des Oordeels bij Allâhu ta’âlâ getuigenis afleggen” Hadîth sharîf

De veldtocht naar Tabûk

Onze geliefde Profeet en de Metgezellen spraken de takbîr uit. Zij loofden Allâhu ta’âlâ. En tegen de huichelaars zeiden zij: “Nu hebben jullie geen enkel excuus meer. Geloof in Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl en word rechtschapen moslims!…” Maar de schaamteloze huichelaars antwoordden: “Wat is er nu helemaal gebeurd?… Er trok een wolk voorbij, die regende en verdween!…” Ook de honger had zijn uiterste grens bereikt, zodat twee man één dadel moesten delen. Ondanks de hevige hitte en de honger en dorst die zij leden, naderde men Tabûk. Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Morgen zullen jullie, inshâ’allâh, in de voormiddag bij de bron van Tabûk aankomen. Steek jullie hand niet uit naar dat water voordat ik er ben.” De volgende dag kwamen zij daar aan. Er was maar weinig water in de bron. Onze geliefde Profeet liet een deel van dat water in een kom doen, stak zijn gezegende hand erin en deed een smeekbede. Daarna goot men het weer in de bron. In één ogenblik zwol het water aan en vermeerderde het. Het leger van de islam, dertigduizend man sterk, dronk ervan, en toch werd het in het geheel niet minder. Later werd de hele omgeving bevloeid met dit water, dat een wonder van de Trots van het universum was. Die streek werd een groene vlakte, overvloeiend van zegen. Toen Rasûl-i akram met zijn roemrijke Metgezellen in Tabûk aankwam, troffen zij de Byzantijnse legers (Rûm), samengesteld uit Byzantijnen en uit gekerstende Arabische stammen zoals ’Âmila, Lakhm en Judhâm, niet tegenover zich aan. Bij Mûta was een Byzantijns leger van honderdduizend man tegenover drieduizend mujâhids verslagen. Nu stonden er echter dertigduizend mujâhids tegenover hen, en hun bevelhebber was de Meester van het universum. Toen de Byzantijnen hoorden dat onze geliefde Profeet zijn heldhaftige Metgezellen had verzameld en in aantocht was, zocht ieder van hen een plek om naartoe te vluchten.

Onze Meester Rasûlullah ging, na overleg met zijn Metgezellen, niet verder dan Tabûk. In die tijd hadden enkele stammen en staten die in die streek woonden, gehoord dat het leger van de islam was gekomen. Uit angst stuurden zij elk een delegatie naar onze Meester de Profeet en vroegen om veiligheid (amân), op voorwaarde dat zij jizya zouden betalen. Uit barmhartigheid aanvaardde onze Meester de Profeet hun voorstellen; met ieder van hen werden afzonderlijk de artikelen van een verdrag opgesteld, en hun werd gezegd dat zij veilig waren.

De Vorst van het universum (’alayhi afdalus-salawât) wachtte bijna twintig dagen op de vijand. In Tabûk hield hij vele gesprekken met zijn Metgezellen en waste hun harten met de oceaan van nûr. De geestelijke gaven (fayd) en de zegen die uit zijn gezegende hart opwelden, liet hij in hun harten stromen. In een van deze gesprekken, die hun weerga niet hadden, zei hij: “Zal ik jullie vertellen wie de beste en de eervolste van de mensen is?” De Metgezellen zeiden: “Vertel het ons, yâ Rasûlallah!”

Daarop zei hij: “De beste van de mensen is hij die op de rug van zijn paard of zijn kameel, of op zijn eigen twee voeten, tot zijn laatste adem op de weg van Allâhu ta’âlâ werkt. En de slechtste van de mensen is de losbandige die het Boek van Allâhu ta’âlâ leest en er geen enkel nut uit trekt.”

En tegen iemand die naar het martelaarschap vroeg, zei hij: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die mijn bestaan in Zijn machtige hand houdt, dat de martelaren op de Dag des Oordeels zullen komen met hun zwaarden om hun hals gehangen. Zij zullen op kansels van nûr zitten.”9

Bij deze veldtocht werden vele wonderen van onze Meester de Profeet gezien. Zo legden de Metgezellen, toen men zich voorbereidde om van Tabûk naar Medina terug te keren, hun toestand aan onze Meester de Profeet voor, omdat zij het van honger niet meer uithielden. Onze Meester Rasûlullah liet hun overgebleven voedsel op een leren kleed bijeenbrengen. Het vulde met moeite een klein pannetje. De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) vernieuwde zijn wudû en verrichtte een gebed van twee rak’a’s. Hij hief zijn gezegende handen op en deed een smeekbede opdat het voedsel gezegend zou worden. Daarna beval hij zijn Metgezellen hun schalen te brengen. In het hele grote leger werden alle schalen gevuld, zodat er geen enkele leeg bleef. Bovendien zag men dat het voedsel op het kleed in het geheel niet minder werd, hoewel alle mujâhids aten tot zij verzadigd waren.

“Morgen zullen jullie, inshâ’allâh, in de voormiddag bij de bron van Tabûk aankomen. Steek jullie hand niet uit naar dat water voordat ik er ben” Hadîth sharîf

De sariyya (expeditie) van Khâlid ibn Walîd naar Dûmat al-Jandal

Toen Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) in Tabûk was, stuurde hij Khâlid ibn Walîd (radiyallâhu ’anh) naar Dûmat al-Jandal. De koning daar, Ukaydir ibn ’Abdulmalik, was christen. De soldaten van de islam naderden de omgeving van de vesting en legden zich in een hinderlaag. Op dat moment hoorde Ukaydir dat er een wilde stier bij de poort van de vesting was gekomen; hij sprong op zijn paard en ging erachteraan om hem te jagen. Terwijl Ukaydir, zijn broer Hassân en hun gevolg op jacht waren, omsingelden de mujâhids hen. Toen Hassân naar zijn zwaard greep, werd hij gedood. Ukaydir werd gevangengenomen. De anderen vluchtten en zochten hun toevlucht in de vesting. Khâlid zei tegen Ukaydir: “Ik geef je veiligheid en breng je bij Rasûlullah. Maar op deze voorwaarde: je gaat de vesting in en levert tweeduizend kamelen, achthonderd paarden, achthonderd schilden en vierhonderd speren in. Het koningschap blijft bij jou.” Ukaydir stemde toe. Zij gingen de vesting binnen, namen de buit en kwamen naar Medina. Ukaydir en zijn broer Hasâr werden in de verheven aanwezigheid ontvangen, kwamen tot het geloof en werden moslim.

De valstrik

De mujâhids hadden Tabûk verlaten en waren op weg naar Medina. De huichelaars spraken onder elkaar af onze geliefde Profeet in een valstrik te lokken en te doden. Op een nacht legden zij zich in een hinderlaag in een nauwe bergpas op de weg waarlangs het leger van de islam oprukte, en begonnen te wachten. ’Ammâr ibn Yâsir leidde de kameel van onze Meester de Profeet aan de teugel, en achter hem kwam Hudhayfa ibn Yamân. Jibrîl ’alayhis-salâm maakte bekend dat de huichelaars het onderling eens waren geworden en een aanslag hadden beraamd. Toen onze Meester de Profeet de bergpas naderde, zei hij tegen het leger: “Gaan jullie door het dal; dat is voor jullie zowel gemakkelijker als ruimer.” Terwijl hij zelf naar de nauwe pas ging, trok het leger door het dal. Toen Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de pas naderde, gingen deze huichelaars met gemaskerde gezichten tot de aanval over. Hudhayfa riep: “O vijanden van Allâhu ta’âlâ!” en begon met de stok in zijn hand op de huichelaars en hun dieren in te slaan. Geschrokken van dit geschreeuw mengden de twaalf huichelaars zich onmiddellijk onder de soldaten. Onze Meester Rasûlullah maakte hun namen aan Hudhayfa bekend en drukte hem op het hart ze aan niemand anders te zeggen.

Usayd ibn Hudayr, die van het voorval had gehoord, kwam bij onze Meester de Profeet en smeekte hem dringend: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Maak hen aan mij bekend, dan breng ik u hun hoofden!” Maar Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) stond het niet toe.10

Masjid ad-Dirâr

Ten slotte naderden onze geliefde Profeet en zijn heldhaftige Metgezellen het stralende Medina, nadat zij de Byzantijnen schrik hadden aangejaagd en hun weerstand hadden gebroken. De Sultan van het universum beval zijn Metgezellen halt te houden op de plaats Dhû Awân, zeer dicht bij Medina. Terwijl de Metgezellen uitrustten, kwamen enkele huichelaars naar onze geliefde Profeet en vroegen hem de Masjid ad-Dirâr met zijn komst te vereren. De Masjid ad-Dirâr lag in Qubâ. Zij was door de huichelaars gebouwd tegenover de eerste moskee die onze Meester Rasûlullah tijdens zijn Hijra naar Medina in Qubâ had laten bouwen. Toen onze geliefde Profeet met zijn Metgezellen naar Tabûk ging, waren de huichelaars bij hem gekomen en hadden hem uitgenodigd met de woorden: “Yâ Rasûlallah! Wij hebben een nieuwe moskee gebouwd; wilt u ons niet met uw komst vereren en daar het gebed met ons leiden?” Maar de Meester der werelden, die op krijgstocht was, had gezegd dat hij, als het hem gegeven werd, op de terugweg van Tabûk zou kunnen langskomen.

Het doel van de huichelaars was de gemeenschap van de moslims te verdelen, haar tot werktuig van hun eigen plannen te maken en door onrust te zaaien de moslims tegen elkaar op te zetten. Zij zouden zelfs de Byzantijnse soldaten naar Medina uitnodigen en hen helpen met de wapens die zij in deze moskee hadden opgeslagen. Als zij het voor elkaar kregen dat onze Meester de Profeet daar het gebed verrichtte, zou de indruk ontstaan dat de Masjid ad-Dirâr een heilige plaats was. Zo zouden de moslims met elkaar wedijveren om daar het gebed te verrichten, en – zo meenden zij – in het net van de huichelaars lopen!… De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had deze uitnodiging van de huichelaars aanvaard en besloten erheen te gaan. Allâhu ta’âlâ zond de edele verzen 107 en 108 van soera at-Tawba neer en maakte zo de ware toedracht bekend. Daarop zei de Meester der werelden tegen Mâlik ibn Dukhshum en ’Âsim ibn ’Adiyy: “Ga die moskee binnen, waarvan de mensen onrechtvaardig zijn. Breek haar af en steek haar in brand!” Zij gingen tussen het avondgebed en het nachtgebed erheen en staken het gebouw in brand. Daarna braken zij het af en maakten het met de grond gelijk. Van de huichelaars kwam geen enkel geluid.11 Toen de inwoners van Medina hoorden dat onze Meester de Profeet en zijn roemrijke Metgezellen in aantocht waren, maakten zij zich onmiddellijk gereed en gingen hen met grote ontroering tegemoet…

De dood van ’Abdullah ibn Ubayy

Twee maanden nadat onze geliefde Profeet van de krijgstocht naar Tabûk was teruggekeerd, in de maand Shawwâl, stierf het hoofd van de huichelaars, ’Abdullah ibn Ubayy. Daarna vielen de groepen van de huichelaars uiteen en verspreidden zij zich.12 Zo werden in Arabië niet alleen de huichelaars, maar ook de afgodendienaren en de joden de kop ingedrukt, en werd er een einde gemaakt aan hun pogingen zich tegen de islam te verzetten en hem te hinderen.

Andere gebeurtenissen in het negende jaar van de Hijra

Toen Rasûlullah in Tabûk aankwam, kwamen eerst de heersers van Ayla en daarna die van Jarbâ en betaalden kharâj. Rasûlullah liet een verdragsoorkonde opstellen en gaf die hun in handen. Bij deze veldtocht stuurde hij een brief aan Heraclius en nodigde hem opnieuw uit tot de islam. Maar de rechte leiding (hidâya) viel hem niet ten deel.

“Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die mijn bestaan in Zijn machtige hand houdt, dat de martelaren op de Dag des Oordeels zullen komen met hun zwaarden om hun hals gehangen. Zij zullen op kansels van nûr zitten” Hadîth sharîf

In dat jaar overleed Umm Kulthûm, de dochter van Rasûlullah. Rasûlullah leidde zelf haar lijkgebed, en terwijl zij begraven werd, vloeiden er bij haar graf tranen uit zijn gezegende ogen.

Sanat al-Wufûd (het Jaar van de Gezantschappen)

Nadat de Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) van de krijgstocht naar Tabûk was teruggekeerd, stuurde hij gezanten naar verschillende staten en nodigde hen uit tot de islam. De bevolking van Oman en Bahrein kreeg de eer moslim te worden.

De islam verbreidde zich nu met grote snelheid. Naar de stammen en staten in de omgeving werden leraren gestuurd om hun de grondslagen van de religie te onderwijzen, en gouverneurs om hen te besturen. In het negende jaar van de Hijra stroomden ook de delegaties van hen die moslim werden naar Medina toe. De delegaties die van verschillende stammen kwamen, maakten bekend dat zij de Meester der werelden volgden, en vonden het geluk. Omdat er zovelen kwamen, werd dit jaar Sanat al-Wufûd (het Jaar van de Gezantschappen) genoemd. Telkens wanneer er een gezant kwam, trok Rasûlullah kostbare kleren aan. Ook de Metgezellen liet hij mooie kleren aantrekken. Hij ontving de bezoekers op een schone en mooie plaats. Hij bood hun een maaltijd aan en liet hen met veel geschenken vertrekken. En zij keerden tevreden terug, terwijl zij hem prezen en loofden. Een van de stammen die gezanten stuurden, was de stam Banû Murra. Zij stuurden dertien man als gezanten. Dezen maakten bekend dat hun stam moslim was geworden. Zij vertelden dat het in hun land helemaal niet regende, dat er geen gras groeide en dat zij een zware hongersnood leden. Om van deze nood verlost te worden, vroegen zij Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) om een smeekbede. Hij deed deze smeekbede: “O mijn Heer! Verzadig hen met water door de regen.” Toen de gezanten van de stam Banû Murra in hun land terugkwamen, zagen zij dat hun volk volkomen opgelucht was. Want op de dag dat Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) een smeekbede voor hen had gedaan, was daar overvloedige regen gevallen. Dit viel precies samen met het tijdstip waarop de smeekbede was gedaan.

Tien man van de stam Banû Asad kwamen en stelden het voor als een gunst dat zij moslim waren geworden. Zij zeiden: “Wij zijn in een jaar van hongersnood van ver gekomen. Wij zijn uit eigen wil moslim geworden, voordat er een leger tegen ons optrok.” Over hen werd het zeventiende vers van soera al-Hujurât geopenbaard. Mu’âwiya ibn Thawr ibn ‘Ubâda ibn Bikâr, die aan het hoofd stond van de delegatie van de Banû Bikâr, was ongeveer honderd jaar oud. Bij hem waren zijn zoon Bushayr, Majma’ ibn ‘Abdullah en ‘Abdu ‘Amr ibn Asam. Hij vroeg Rasûlullah zijn gezegende hand over de ledematen van zijn zoon te strijken, en zei: “Want hij heeft mij veel eerbied betoond en mij veel goed gedaan.” Rasûlullah streek met zijn gezegende hand over het gezicht van Bushayr en schonk hun vele geiten. Ook veranderde hij de naam van ‘Abdu ‘Amr in ‘Abdurrahmân. De delegatie van de Banû Najîb bestond uit tien man. Zij hadden ook de zakât van hun bezittingen en hun dieren meegebracht. Rasûlullah was zeer verheugd over hun komst. Hij beval hen op een goede verblijfplaats onder te brengen. De gezant van Najîb stelde zoveel vragen over fard en sunna dat de genegenheid van Rasûlullah voor hem nog groter werd. Hij betoonde hem nog meer eer en gastvrijheid. Hij behandelde hem anders dan de andere gezanten. Hij liet ook de jongeman roepen die bij de bagage was achtergebleven, en toen hij zag dat deze zich van alles behalve Allâhu ta’âlâ had afgewend, deed hij ook voor hem een smeekbede om het goede. Net als de anderen schonk hij ook hem geschenken. Die groep keerde, nu hun wens vervuld was, vol vreugde naar hun stam terug. Een groep van de Banû Kinâna kwam en werd moslim. Hun leider was Wâthila ibn Asqa’. Toen hij kwam, maakte Rasûlullah zich gereed voor de krijgstocht naar Tabûk. Hij legde de eed van trouw af en ging naar zijn stam. Zijn vader kwam niet tot het geloof. Zijn zuster wel. Van daar ging hij naar Medina en trok het leger van Tabûk achterna. Hij haalde Rasûlullah in. Hij werd met Khâlid naar de strijd tegen Ukaydir gestuurd. Hem viel een groot aantal kamelen als aandeel toe.

Uit de Banû Sâ’ida kwam Dimâm ibn Tha’laba. Hij kwam bij Rasûlullah en stelde hem veel vragen over het gebed, het vasten, de hajj en de zakât. Toen hij geen vragen meer had, zei hij: “Ik ben tot het geloof gekomen; ik geloof in alles wat u van Allah hebt gebracht.” Hij ging naar zijn volk en verkondigde hun de islam. Die hele stam werd moslim.

Yâ Rasûlallah! Wie het stof dat de voeten raakte
Van de slaaf aan uw deur niet heeft gekust,
En voor dit geluk zijn leven niet heeft geofferd,
Heeft u niet lief; ik geloof hem niet, zijn woord is een leugen.
Als ik het stof waarop u liep tot een kroon op mijn hoofd maakte,
Het kuste, het op mijn ogen wreef, het tot medicijn voor mijn hart maakte,
Het tot een lamp maakte die het rechte pad doet vinden,
En op uw wegen neerviel, verliefd op u en vol verwondering…
Iedere wind die uit uw richting waait, snuif ik op,
En ik zoek of er een spoor van uw geur in is;
Mogen mijn gezin en mijn kinderen voor u geofferd worden,
Mijn moeder, mijn vader, mijn verwanten, en nog duizenden levens.
Mawlânâ Khâlid, die u met heel zijn ziel liefheeft, zegt:
O sultan van de wereld, o beminde van het heelal!
Ik heb één leven, en dat komt van u, het is uw geschenk aan mij;
Ik kan niet zeggen: “Ik heb u een leven gebracht om te offeren.”
Mawlânâ Khâlid Baghdâdî

“O mijn Heer! Verzadig hen (de stam Banû Murra) met water door de regen” Hadîth sharîf

Een nachtelijke aanblik van de Ka’ba al-Mu’azzama