Mijn Geliefde Profeet

DE VEROVERING VAN MEKKA

Het was het achtste jaar van de Hijra. Een van de artikelen van het vredesverdrag van Hudaybiya luidde: “De Arabische stammen die buiten beide partijen staan, mogen zich onder de bescherming stellen van de partij die zij willen; het staat hun vrij zich bij de moslims of bij de afgodendienaren aan te sluiten.” Zo had de stam Khuzâ’a, de bondgenoot van onze Meester de Profeet, zich aan de zijde van de moslims geschaard, en de stam Banû Bakr aan de zijde van de afgodendienaren. De stam Khuzâ’a en de Banû Bakr waren al van oudsher vijanden en vielen elkaar aan zodra zij de kans kregen. Volgens de vrede van Hudaybiya hadden ook zij hun aanvallen een tijdlang gestaakt. Maar de Banû Bakr konden zich daar slechts twee jaar aan houden. Een van de zonen van Bakr droeg een gedicht voor waarin onze geliefde Profeet werd beledigd; een jongeman van de stam Khuzâ’a die het hoorde, kon zich niet inhouden en sloeg hem het hoofd open. De zonen van Bakr grepen deze gelegenheid aan en vielen de stam Khuzâ’a aan, die zich op grond van het verdrag veilig waande. De afgodendienaren van de Quraysh steunden deze aanval door wapens te leveren en in het geheim mannen te sturen, en in de Haram ash-Sharîf doodden zij meer dan twintig mensen van de stam Khuzâ’a. Tijdens het gevecht vroegen enkele moslims van de stam Khuzâ’a onze Meester de Profeet om hulp. Bij deze nachtelijke overvallen op de stam Khuzâ’a hadden sommigen ook afgodendienaren van de Quraysh tussen de zonen van Bakr gezien.

Die nacht verbleef onze geliefde Profeet in Medina in het huis van onze moeder Maymûna. Toen hij opstond om het gebed (salât) te verrichten en de rituele wassing (wudû) verrichtte, hoorde hij met de toestemming van Allâhu ta’âlâ, als een wonder, dat de moslims in Mekka hem om hulp vroegen. Als antwoord zei hij: “Labbayk! (Ik geef gehoor aan jullie oproep!)” Toen onze moeder Maymûna zag dat onze Meester de Profeet zo sprak terwijl er niemand bij hem was, vroeg zij: “Yâ Rasûlallah! Is er iemand bij u?”

Onze geliefde Profeet vertelde haar wat er in Mekka was gebeurd en dat de Quraysh daaraan hadden meegedaan.

Door de Banû Bakr te helpen, de stam Khuzâ’a te overvallen en hun mensen te doden, hadden de afgodendienaren van de Quraysh in strijd met de artikelen van het vredesverdrag van Hudaybiya gehandeld en zo het verdrag geschonden.

Onze geliefde Profeet had dit bericht op hetzelfde ogenblik vernomen. Bovendien kwam drie dagen na de gebeurtenis ’Amr ibn Sâlim van de stam Khuzâ’a met veertig ruiters naar Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en vertelde hem wat er was gebeurd. Maar Abû Sufyân, de leider van de Quraysh, die op dat moment voor de handel naar Damascus was gegaan, wist niets van deze gebeurtenis. Habîbullah zei: “Als ik de zonen van Khuzâ’a niet help, moge ik dan zelf ook geen hulp krijgen!” en liet een brief schrijven. In deze brief, die naar de afgodendienaren van de Quraysh werd gestuurd, zei onze geliefde Profeet: “…Ofwel zien jullie af van jullie bondgenootschap met de zonen van Bakr en houden jullie je afzijdig, ofwel betalen jullie het bloedgeld (diya) voor hen die van de zonen van Khuzâ’a zijn gedood! Als jullie geen van deze dingen die ik zeg nakomen, dan laat ik jullie weten dat ik oorlog met jullie zal voeren!…” De Quraysh begrepen zelfs deze barmhartigheid niet en lieten weten: “Wij verbreken ons bondgenootschap niet en wij betalen ook geen bloedgeld! Wij kunnen alleen oorlog voeren.” Maar zij kregen er duizendmaal spijt van dat zij zo hadden gehandeld, en uit angst begonnen zij op Abû Sufyân te wachten, opdat hij het verdrag zou vernieuwen.

“(O moslims van Mekka!) Labbayk! Ik geef gehoor aan jullie oproep!” Hadîth sharîf

Toen Abû Sufyân uit Damascus terugkwam, vertelden zij hem wat er was gebeurd en zeiden: “Dit is iets wat beslist rechtgezet moet worden. Als het niet wordt rechtgezet, zal Muhammad ons uit Mekka verdrijven!” Abû Sufyân zei: “Hoewel ik van deze gebeurtenis niets wist, moet ik in allerijl gaan om de vrede te vernieuwen en te verlengen,” en hij vertrok onmiddellijk naar Medina.1 Nog voordat Abû Sufyân in Medina aankwam, maakte onze geliefde Profeet zijn komst aan zijn Metgezellen bekend en zei: “Ik begrijp dat Abû Sufyân komt om de vrede te vernieuwen en de duur ervan te verlengen. Maar hij zal zijn doel niet bereiken en terugkeren zoals hij gekomen is!…”

Abû Sufyân, die nog geen moslim was, kwam in Madîna al-Munawwara aan. Hij ging naar het huis van zijn dochter Umm Habîba (radiyallâhu ’anhâ), de gezegende vrouw van onze Meester de Profeet en de moeder van de gelovigen. Hij wilde op de matras van onze geliefde Profeet gaan zitten. Onze moeder Umm Habîba was hem voor en haalde de matras weg voordat hij ging zitten. Haar vader was hierover zeer gekrenkt en zei verbaasd: “Mijn dochter! Gun je mij deze matras niet?” Toen antwoordde Umm Habîba, de moeder van de gelovigen, die de liefde voor Rasûlullah boven alles stelde, haar vader: “Deze matras is de matras van de Rasûl van Allâhu ta’âlâ. Afgodendienaren mogen er niet op zitten! U bent een afgodendienaar en onrein (najis)! Het past u in het geheel niet op deze matras te zitten!”

Toen haar vader zei: “Mijn dochter! Sinds je mijn huis hebt verlaten, is er iets met je gebeurd!”, antwoordde zij: “Alhamdulillâh, Allâhu ta’âlâ heeft mij de islam geschonken. Maar u aanbidt nog steeds afgodsbeelden van steen, die niet horen en niet zien! O vader! Hoe kan iemand zoals u, de grote en de oudste van de Quraysh, ver van de islam blijven?…” Haar vader werd zeer toornig en zei: “Je behandelt mij zo oneerbiedig en beschuldigt mij van onwetendheid! Moet ik dan verlaten wat mijn voorvaderen jarenlang aanbaden, en de religie van Muhammad aannemen?!” Daarop ging hij daar weg.2

De leider van de Quraysh kwam bij onze geliefde Profeet en zei: “Ik ben gekomen om het vredesverdrag van Hudaybiya te vernieuwen en de duur ervan te verlengen. Kom, laten wij dit verdrag tussen ons schriftelijk vernieuwen!” Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei: “Wij doen niets wat in strijd is met het vredesverdrag van Hudaybiya, en wij veranderen het niet!” Hoe vaak de leider van de Quraysh ook herhaalde: “Laten wij het verdrag veranderen! Laten wij het vernieuwen!…”, onze geliefde Profeet gaf hem geen enkel antwoord. Toen de leider van de Quraysh zag dat al zijn moeite niets opleverde, keerde hij naar Mekka terug en vertelde de afgodendienaren hoe de zaken stonden. De afgodendienaren verweten hem: “Je bent dus teruggekomen zonder iets te kunnen bereiken, is het niet?!…” Er bleef hun niets anders over dan te wachten.

Wie zijn toevlucht zoekt in de Masjid al-Harâm

Toen Abû Sufyân Medina had verlaten, besloot onze geliefde Profeet Mekka te veroveren, want de Quraysh hadden hun woord niet gehouden en het verdrag geschonden. Maar hij hield dit geheim zeer goed verborgen: hij wilde Mekka innemen zonder de afgodendienaren de gelegenheid te geven zich voor te bereiden en zonder dat er in de Haram ash-Sharîf bloed vergoten werd. Dit was een maatregel van oorlogsvoering, want wie weet hoevelen de eer zouden krijgen moslim te worden wanneer Mekka eenmaal veroverd was! Hij deelde het alleen mee aan Abû Bakr en aan enkelen van de vooraanstaanden onder zijn Metgezellen. Hij beval zijn Metgezellen zich op een krijgstocht voor te bereiden, maar zei niet waarheen men zou gaan. De Metgezellen begonnen zich op de jihâd voor te bereiden. Onze Meester de Profeet stuurde bovendien bericht naar de moslimstammen in de omgeving – Aslam, Ashja’, Juhayna, Husayn, Ghifâr, Muzayna, Sulaym, Damra – en naar de zonen van Khuzâ’a. In het bericht werd gezegd: “Laten zij die geloven in Allâhu ta’âlâ en in de Laatste Dag aan het begin van de gezegende maand Ramadân in Medina zijn”, en zo werden zij uitgenodigd aan de strijd deel te nemen.

Als voorzorgsmaatregel gaf Habîbullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) ’Umar de taak de wegen naar Mekka te bezetten en de verbindingen af te snijden. ’Umar zette onmiddellijk wachtposten op de bergpaden, in de passen en bij de andere kruispunten van de wegen en gaf hun het bevel: “Iedereen die naar Mekka wil gaan, moeten jullie terugsturen!”

Opdat deze onderneming in het geheim zou verlopen, deed onze geliefde Profeet deze smeekbede tot Allâhu ta’âlâ: “O mijn Heer! Houd de spionnen en de boodschappers van de Quraysh tegen tot wij onverwachts in hun land aankomen; maak dat zij niet zien en niet horen. Laat hen ons onverwachts zien en horen!”

Om de indruk te wekken dat men tegen de afgodendienaren in het noorden of tegen de Byzantijnen zou optrekken, stuurde onze Meester de Profeet Abû Qatâda met een legereenheid naar het noorden, in de richting van het dal Izâm. Intussen maakte onze geliefde Profeet als een wonder bekend dat er een brief was verstuurd om de afgodendienaren van Mekka op de hoogte te brengen van de voorbereidingen in Medina. Hij stuurde ’Alî eropuit en liet die brief onderscheppen.

Tot de tweede dag van de maand Ramadân kwam er hulp van de omliggende stammen, en men verzamelde zich in het legerkamp bij de put van Abû ’Inaba. Het aantal Metgezellen bereikte twaalfduizend. Vierduizend van hen waren Ansâr, zevenhonderd Muhâjirûn, en de rest kwam uit de moslimstammen in de omgeving.3

Onze geliefde Profeet liet ’Abdullah ibn Umm Maktûm als zijn plaatsvervanger in Medina achter.4 Zubayr ibn ’Awwâm stuurde hij aan het hoofd van een ruitereenheid van tweehonderd man als verkenningstroep vooruit. In het achtste jaar van de Hijra, op de tiende van de gezegende maand Ramadân, op een woensdag, vertrok de Meester der werelden met de naam van Allâhu ta’âlâ uit Medina, aan het hoofd van zijn geweldige leger van twaalfduizend man, wier harten vervuld waren van liefde voor Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl. Zij gingen naar Mekka, hun vaderland, dat zij acht jaar eerder onder marteling en onderdrukking hadden moeten verlaten. Zij zouden de geweldige Ka’ba, die in een afgodentempel was veranderd, van de afgoden reinigen…

Zij zouden de afgodendienaren, die hun koppigheid maar niet wilden opgeven, waarheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid tonen… Zij zouden de religie van Allâhu ta’âlâ verbreiden en het middel worden waardoor de mensen daar van de eeuwige bestraffing van de Hel gered zouden worden. O mijn Heer! Wat een grote barmhartigheid was dit!… Toen het leger van de islam bij Dhu’l-Hulayfa aankwam, ontmoette het ‘Abbâs, de oom van onze Meester de Profeet, die met zijn gezin uit Mekka emigreerde. Onze geliefde Profeet was erg blij met de komst van zijn oom en stelde hem gerust met de woorden: “O ’Abbâs! Zoals ik de laatste van de profeten ben, zo ben jij de laatste van de Muhâjirûn.” Hij stuurde de bagage van ‘Abbâs naar Medina. ‘Abbâs bleef bij onze Meester de Profeet en nam deel aan de Verovering van Mekka.5 Toen Rasûl-i akram (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) in Qudayd aankwam, dicht bij Mekka, liet hij zijn roemrijke Metgezellen in slagorde opstellen. Hij gaf iedere stam afzonderlijke banieren (vlaggen) en overhandigde die aan de vaandeldrager van iedere stam. De vlag van de Muhâjirûn werd gedragen door ‘Alî, Zubayr ibn ‘Awwâm en Sa’d ibn Abî Waqqâs (radiyallâhu ‘anhum). De Ansâr hadden twaalf vaandeldragers, de Ashja’ en de Sulaym elk één, de Muzayna drie, de Aslam twee, de zonen van Khuzâ’a drie en de Juhayna vier.6 Het was tien dagen geleden dat zij uit Medina waren vertrokken. Tegen de avond was men Mekka dicht genaderd, en op het tijdstip van het nachtgebed (’ishâ) kwam men in Marr az-Zahrân aan. Onze Meester de Profeet beval zijn Metgezellen hier halt te houden. Bovendien gaf hij ’Umar de taak ervoor te zorgen dat iedere mujâhid een vuur aanstak.7 Toen er in één ogenblik meer dan tienduizend vuren brandden, baadde Mekka in het licht. De afgodendienaren van Mekka, die van niets wisten, waren ontsteld. Om te weten te komen wat er aan de hand was, stuurden zij Abû Sufyân eropuit. Hij nam enkele mensen met zich mee en naderde, zich steeds verbergend, het leger van de islam. Op dat moment zei onze geliefde Profeet tegen enkelen van zijn Metgezellen: “Houd Abû Sufyân in het oog. Jullie zullen hem zeker vinden!” Hoe verder de Quraysh kwamen, hoe groter hun verbazing werd en hoe meer de schrik hen beving. Hoeveel soldaten hadden zich rondom Mekka verzameld, en hoeveel vuren hadden zij aangestoken!… Terwijl zij hierover met elkaar spraken, kwamen zij bij een plaats die Arâk heette.

“O mijn Heer! Houd de spionnen en de boodschappers van de Quraysh tegen tot wij onverwachts in hun land aankomen; maak dat zij niet zien en niet horen. Laat hen ons onverwachts zien en horen!” Hadîth sharîf

Juist op dat moment zei onze Meester de Profeet: “Abû Sufyân is nu in Arâk.” ’Abbâs ging daarop meteen in de richting van Arâk en zei bij zichzelf: “Daar zal ik zeker iemand vinden en hem naar Mekka sturen, opdat hij hun meedeelt dat het leger van de islam tegen hen in aantocht is, en opdat de Mekkanen naar Rasûlullah ’alayhis-salâm komen en om veiligheid (amân) vragen voordat de strijd begint.” Terwijl hij daar naar iemand zocht, herkende hij Abû Sufyân aan zijn stem en riep: “O Abû Hanzala!” Ook Abû Sufyân herkende hem en zei: “O Abu’l-Fadl! Ben jij het! Mogen mijn vader en moeder voor jou geofferd worden!” Daarna gingen zij samen op weg naar het kamp van de islam…

Onderweg vroeg Abû Sufyân aan ’Abbâs: “Wat is het nieuws?” Hij antwoordde: “O Abû Sufyân! Wee jou! Rasûl ’alayhis-salâm komt op jullie af met een leger dat jullie niet kunnen weerstaan. Ik zweer dat het de Quraysh slecht zal vergaan. Wee hun om wat hun te wachten staat!” Abû Sufyân en zij die bij hem waren, gingen vol hoop tussen de mujâhids door en kwamen bij de gezegende persoon van onze geliefde Profeet. De Sultan van het universum ontving hen vriendelijk. Hij won bij hen inlichtingen in over de Mekkanen. Nadat hij tot laat met hen had gesproken, nodigde hij hen uit tot de islam. Hakîm ibn Hizâm en Budayl spraken onmiddellijk de kalima-i shahâda uit en werden moslim (radiyallâhu ’anhumâ). Maar de aarzeling van Abû Sufyân duurde voort. Toen het ochtend werd, zei onze geliefde Profeet, de oceaan van barmhartigheid: “O Abû Sufyân! Wee jou! Is de tijd nog niet gekomen dat je leert dat er geen god is dan Allâhu ta’âlâ?” Hij antwoordde: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden! In zachtmoedigheid, in edelmoedigheid en in het eerbiedigen van de rechten van verwanten gaat niemand u te boven. Na al het leed dat wij u hebben aangedaan, nodigt u ons nog steeds uit tot de weg van de rechte leiding (hidâya). Wat bent u edelmoedig! Ik ben gaan geloven dat er geen god is dan Allah… Als er wel een was geweest, zou die mij van nut zijn geweest. En u bent de Rasûl van Allah.” Zo kreeg hij de eer een van de Metgezellen te worden, radiyallâhu ’anh.8

’Abbâs zei: “Yâ Rasûlallah! Wilt u Abû Sufyân niet iets schenken waardoor hij aanzien krijgt bij de Mekkanen?” Onze Meester de Profeet stemde daarmee in en zei: “Wie het huis van Abû Sufyân binnengaat en daar zijn toevlucht zoekt, krijgt veiligheid (amân) en ontkomt aan de dood.” Toen Abû Sufyân smeekte: “Yâ Rasûlallah! Wilt u het niet wat ruimer maken?”, zei onze geliefde Profeet: “Wie de Masjid al-Harâm binnengaat en daar zijn toevlucht zoekt, krijgt veiligheid! Wie zijn deur sluit en in zijn huis blijft, krijgt veiligheid.” Opdat Abû Sufyân de ontzagwekkende aanblik en de omvang van het leger van de islam zou zien en dit aan de afgodendienaren van Mekka zou vertellen, zei Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) tegen ’Abbâs: “Breng hem naar de bergengte waar het dal smal wordt en de paarden dicht opeengedrongen voorbijtrekken. Laat hem de pracht van de moslims, van het leger van Allâhu ta’âlâ, zien.”

Abû Sufyân moest het zien, opdat hij de afgodendienaren zou vertellen welk tafereel hij had aanschouwd en niemand zich zou verzetten… Opdat er zo in de Haram ash-Sharîf geen bloed vergoten zou worden… Terwijl ’Abbâs met Abû Sufyân naar de bergpas ging, namen de mujâhids hun slagorde in. Iedere stam begon met ontrolde banieren door de pas te trekken. Ieder van hen was gepantserd en gewapend. Iedere groep riep bij het voorbijtrekken de takbîr uit. Abû Sufyân vroeg: “Wie zijn dit?”, en ’Abbâs antwoordde: “Dit zijn de zonen van Sulaym! Hun bevelhebber is Khâlid ibn Walîd!”, “Dit zijn de zonen van Ghifâr!”, “Dit zijn de zonen van Ka’b!…” De roep “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” vulde aarde en hemel, en de menigte van de mujâhids en de schittering van de wapens verblindden de ogen. Waar Abû Sufyân het meest naar uitkeek, was de Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam). Hij was zeer benieuwd naar het voorbijtrekken van de soldaten om hem heen en vermoedde dat zij anders zouden zijn dan de anderen. Daarom kon hij het niet laten telkens te vragen: “Is dit de eenheid van Rasûlullah?”… Ten slotte verscheen op zijn kameel Qaswâ de Sultan der profeten, de Meester der werelden, die als de zon nûr verspreidde. Om hem heen waren de Muhâjirûn en de Ansâr. Ieder van hen was van top tot teen gehuld in maliënkolders van Dâwûd, had Indische zwaarden aangegord en reed op rasechte paarden en kamelen.

Toen Abû Sufyân hen zag, vroeg hij nieuwsgierig: “Wie zijn dit, o ’Abbâs?” Hij antwoordde: “Degene in het midden is Rasûl ’alayhis-salâm. En zij die om hem heen zijn, zijn de Ansâr en de Muhâjirûn, die branden van verlangen om martelaar te worden!…” Toen onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) langs hen trok, zei hij tegen Abû Sufyân: “Vandaag is een dag waarop Allâhu ta’âlâ de luister van de Ka’ba zal verheffen. Vandaag is de dag waarop de Baytullah met een kleed wordt bekleed! Vandaag is de dag van barmhartigheid… Vandaag is een dag waarop Allâhu ta’âlâ de Quraysh (met de islam) in ere zal verheffen.”

Abû Sufyân had gezien wat er te zien was en gehoord wat er te horen was. Hij zei: “Ik heb de heerschappij van de keizer en van de Chosroes gezien. Maar zo’n luister heb ik nog nooit gezien. Nooit ben ik zo’n leger en zo’n menigte tegengekomen als vandaag. Tegen zo’n leger kan niemand standhouden. Niemand is tegen hen opgewassen.” Daarop sloeg hij de weg naar Mekka in…

“Wie het huis van Abû Sufyân binnengaat en daar zijn toevlucht zoekt, krijgt veiligheid en ontkomt aan de dood… Wie de Masjid al-Harâm binnengaat en daar zijn toevlucht zoekt, krijgt veiligheid! Wie zijn deur sluit en in zijn huis blijft, krijgt veiligheid” Hadîth sharîf

Abû Sufyân kwam in Mekka aan en maakte aan de afgodendienaren, die vol spanning op hem wachtten, bekend dat hij moslim was geworden. Daarna zei hij: “O volk van Quraysh! Muhammad ’alayhis-salâm staat met een leger dat zo groot is dat jullie er niet tegen bestand zijn, vlak naast jullie. Laat je niet tevergeefs misleiden. Word moslim, opdat jullie gered worden. Ik heb gezien wat jullie niet hebben gezien. Ik heb talloze helden, paarden en wapens gezien. Niemand is tegen hen opgewassen. Wie het huis van Abû Sufyân binnengaat, krijgt veiligheid en ontkomt aan de dood. Wie zijn toevlucht zoekt in de Baytullah, krijgt veiligheid. Wie zijn huis binnengaat en zijn deur sluit, krijgt ook veiligheid.”9

Daarop kwamen enkelen van de verbetenste afgodendienaren tegen Abû Sufyân in verzet en beschimpten hem. Zij begonnen zelfs haastig voorbereidingen te treffen om zich tegen het leger van de islam te keren. Maar hun aantal was zeer klein. De anderen schonken geen aandacht aan hen en snelden naar hun huizen. Een deel zocht zijn toevlucht in de Masjid al-Harâm.

De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en de roemrijke Metgezellen (radiyallâhu ’anhum) kwamen in het dal Dhû Tuwâ bijeen. Toen de Meester der werelden zijn gezegende blik over zijn Metgezellen liet gaan, dacht hij terug aan zijn vertrek uit Mekka, acht jaar eerder, aan de Hijra. Hij herinnerde zich hoe de afgodendienaren toen zijn gezegende huis hadden omsingeld, hoe hij naar buiten was gegaan terwijl hij edele verzen uit soera Yâ-Sîn reciteerde, hoe hij met Abû Bakr ongezien de grot Thawr was binnengegaan, en hoe hij, voordat hij de grenzen van Mekka verliet, er nog een laatste keer naar had gekeken en had gezegd:

“(O Mekka!) Bij Allah, ik weet dat jij de beste bent van de plaatsen die Allâhu ta’âlâ heeft geschapen. Bij mijn Heer en bij mij ben jij de meest geliefde. Als ik niet met geweld uit jou was verdreven, zou ik jou nooit hebben verlaten, nooit van jou zijn gescheiden.” Hij herinnerde zich ook hoe Jibrîl ’alayhis-salâm, toen hij daarover bedroefd was, het vijfentachtigste edele vers van soera al-Qasas had gereciteerd, zijn gezegende hart had getroost en hem de blijde boodschap had gebracht dat hij naar Makka al-Mukarrama zou terugkeren; en hoe hij met een handvol Metgezellen de vijanden bij Badr, bij Uhud, bij de Gracht, bij Khaybar en bij Mûta had overwonnen. Nu zwermden twaalfduizend Metgezellen om hem heen als motten om een vlam en wachtten op één bevel van hem om Mekka binnen te gaan. De Vorst der wereld loofde Allâhu ta’âlâ, Die hem dit alles had geschonken, vervuld van de diepste gevoelens van erkentelijkheid en dankbaarheid. In nederigheid boog hij zijn gezegende hoofd. De Trots van het universum verdeelde zijn heldhaftige Metgezellen in vier groepen. Hij stelde Khâlid ibn Walîd aan als bevelhebber van de rechtervleugel, Zubayr ibn ’Awwâm als bevelhebber van de linkervleugel, Abû ’Ubayda ibn Jarrâh aan het hoofd van de voetsoldaten en Sa’d ibn ’Ubâda aan het hoofd van de andere groep. Khâlid zou Mekka vanuit het zuiden binnengaan, iedere afgodendienaar die zich verzette zijn straf geven en zich op de heuvel Safâ bij de Trots van het universum voegen. Zubayr zou Mekka vanuit het noorden binnengaan, zijn vlag planten op de plaats die Hajûn heet, en daar op de Vorst der wereld wachten. Vanuit het westen zou Sa’d ibn ’Ubâda oprukken.10

“Vandaag is een dag waarop Allâhu ta’âlâ de luister van de Ka’ba zal verheffen. Vandaag is de dag waarop de Baytullah met een kleed wordt bekleed! Vandaag is de dag van barmhartigheid… Vandaag is een dag waarop Allâhu ta’âlâ de Quraysh (met de islam) in ere zal verheffen” Hadîth sharîf

Rasûl-i akram zei tegen zijn bevelhebbers: “Zolang jullie niet worden aangevallen, gaan jullie met niemand de strijd aan. Jullie doden niemand.” Maar iedereen wiens naam was genoemd, zou, als hij werd gegrepen, onthoofd worden, ook al verborg hij zich onder het kleed van de Ka’ba.11

De waarheid is gekomen, het valse is verdwenen

Toen ’Ikrima ibn Abî Jahl, Safwân ibn Umayya en Suhayl ibn ’Amr met een aantal mensen van de Banû Bakr en de Banû Hârith hoorden dat Khâlid ibn Walîd in aantocht was, bezetten zij het begin van de weg en gingen daar wachten. De eerste van de mujâhids die in actie kwam, was Khâlid ibn Walîd. Toen zij in het zuiden van Mekka aan de voet van de berg Khandama kwamen, zag hij dat de verbeten afgodendienaren van de Quraysh pijlen op hen lieten neerregenen. Twee mujâhids sneuvelden als martelaar: de een was Kurz ibn Jâbir, de ander Habash ibn Ash’ar. Khâlid gaf zijn soldaten, die in slagorde stonden, het bevel: “Alleen wie verslagen wordt en vlucht, wordt niet gedood,” en daarop stormden zij vooruit. In een oogwenk dreven zij de afgodendienaren terug en rukten op tot aan de Masjid al-Harâm. Tijdens het gevecht werden zeventig afgodendienaren gedood.12 Een deel van de afgodendienaren vluchtte de bergen in, een ander deel naar hun huizen.

De Verovering van Makka al-Mukarrama

De roemrijke Metgezellen die het heilige Mekka vanuit de andere richtingen binnengingen, stuitten op geen enkel verzet. Van hen die gedood moesten worden, werden er vijf gegrepen; zij kregen onmiddellijk hun straf. De anderen vluchtten uit Mekka. Op de twintigste van Ramadân, een donderdag, trokken de mujâhids met grote geestdrift, golf na golf, onder de takbîrs “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” Mekka binnen. De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) trok op zijn kameel Qaswâ, met Usâma ibn Zayd achter zich op het zadel, in grote nederigheid het heilige Mekka binnen, de stad waar hij geboren was. Hij loofde Allâhu ta’âlâ, Die hem deze dagen had laten zien, en reciteerde soera al-Fath, die de verovering van Mekka als blijde boodschap had aangekondigd.

De Trots van het universum begaf zich in grote vreugde, te midden van zijn zegevierende Metgezellen, naar de Ka’ba al-Mu’azzama. Met Abû Bakr aan zijn rechterhand en Usayd ibn Hudayr aan zijn linkerhand naderde hij de Ka’ba al-Mu’azzama. Nadat hij de Hajar al-Aswad had begroet, sprak hij de talbiya en de takbîr uit. De Metgezellen volgden hem, en de hemelen van Makka al-Mukarrama begonnen te weerklinken van de stemmen: “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” Bij dit verheven tafereel stortten de moslims tranen van vreugde, terwijl de afgodendienaren die in de Haram ash-Sharîf hun toevlucht hadden gezocht of zich in hun huizen hadden opgesloten, vol angst afwachtten.

Daarna begonnen de Meester der werelden en zijn roemrijke Metgezellen aan de tawâf. Nadat hij ook de zevende ronde had voltooid, steeg onze geliefde Profeet van zijn kameel af en verrichtte bij de Maqâm Ibrâhîm een gebed van twee rak’a’s. Daarna dronk hij van het Zamzamwater dat ’Abbâs uit de put had opgehaald. Hij wenste de wudû met Zamzamwater te verrichten. Terwijl de Trots van het universum de wudû verrichtte, begonnen de Metgezellen het wudû-water dat het gezegende lichaam van onze geliefde Profeet had geraakt in de lucht op te vangen, zonder het op de grond te laten vallen. Toen de afgodendienaren dit zagen, stonden zij verbaasd en zeiden: “Zo’n vorst hebben wij in ons hele leven nooit gezien en nooit van gehoord.” De Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wilde dat alle afgodsbeelden van steen en hout rondom de Ka’ba omvergehaald werden. Terwijl hij het edele vers met de betekenis “Wanneer de waarheid komt, verdwijnt het valse; het valse is altijd gedoemd te verdwijnen”13 reciteerde, strekte hij de staf die hij in zijn gezegende hand hield naar de afgoden uit. De afgodsbeelden die de staf aanraakte, vielen een voor een voorover op de grond. Driehonderdzestig afgodsbeelden werden met de grond gelijkgemaakt.14 Toen de tijd van het middaggebed aanbrak, beval Rasûl-i akram Bilâl de adhân-i Muhammadî op de Ka’ba te laten klinken. Bilâl vervulde deze heilige taak onmiddellijk. Terwijl de adhân klonk, ontstond er in de harten van de gelovigen een onmetelijke vreugde, terwijl de afgodendienaren vergingen van smart en verdriet.15

Onze geliefde Profeet vroeg om de sleutel van de Ka’ba. Men bracht hem de sleutel. Nadat hij de afbeeldingen binnenin en alle omvergehaalde afgodsbeelden had laten verwijderen, ging hij de Ka’ba binnen.

Bij hem waren Usâma ibn Zayd, Bilâl en ’Uthmân ibn Talha. Binnen verrichtte onze Meester de Profeet, met zijn rug naar de deur, een gebed van twee rak’a’s. In iedere hoek sprak hij de takbîr uit en deed een smeekbede. Khâlid ibn Walîd stond voor de deur en probeerde te voorkomen dat het volk zich daar ophoopte.

“Wanneer de waarheid komt, verdwijnt het valse; het valse is altijd gedoemd te verdwijnen” Isrâ: 81

De Sultan van het universum hield met zijn beide gezegende handen de twee vleugels van de deur van de Ka’ba vast. Alle Quraysh hadden de Masjid al-Harâm gevuld en keken met een hoop die met angst vermengd was naar onze geliefde Profeet. Want zij hadden onze Meester de Profeet beledigd, hadden geprobeerd hem te slaan en hadden hem naar het leven gestaan! Zijn Metgezellen hadden zij allerlei martelingen aangedaan. Zij hadden touwen om hun hals gebonden en hen voortgesleept. Zij hadden hen in het vuur geworpen en geprobeerd hen te verbranden. Zij hadden gloeiend hete rotsblokken op hun borst gelegd en hen gefolterd tot zij het bewustzijn verloren. Zij hadden in het vuur gloeiend gemaakte spiezen in hun lichaam gestoken. Drie jaar lang hadden zij hen hongerig en dorstig in een wijk opgesloten en hun alles ontzegd. Zij hadden hen aan hun voeten aan kamelen vastgebonden en hen uiteengereten door die in tegengestelde richtingen te drijven. En bovenal hadden zij hen uit hun vaderland verdreven. Alsof dat nog niet genoeg was, hoe vaak hadden zij niet oorlog tegen hen gevoerd om hen volledig uit te roeien! Maar ondanks dit alles hadden zij hoop. Want voor hen stond de oceaan van barmhartigheid, die als barmhartigheid voor de werelden was gezonden. Nadat onze geliefde Profeet hen een tijdlang had aangekeken, zei hij: “O volk van Quraysh! Wat denken jullie dat ik nu met jullie zal doen?” Zij antwoordden: “Wij verwachten goeds van jou, wij hopen op goeds. Want jij bent een edelmoedige broeder. Jij bent de zoon van een edelmoedige broeder van ons, vol goedheid. Jij hebt ons overwonnen. Wij hopen op goedheid van jou.” Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) glimlachte naar hen en zei: “Mijn toestand en die van jullie is als wat Yûsuf (’alayhis-salâm) tegen zijn broers zei. Net als hij zeg ook ik: ’Vandaag zal ik jullie geen rekenschap meer vragen voor wat jullie hebben gedaan (ik zal jullie jullie fouten niet verwijten). Moge Allâhu ta’âlâ jullie vergeven.’16 Ga. Jullie zijn vrij, jullie kunnen gaan.”

Deze geweldige barmhartigheid had de verharde harten verzacht en de haat in liefde veranderd. Toen de Meester der werelden hen tot de islam uitnodigde, verzamelden zij zich om moslim te worden.

Onze geliefde Profeet beklom de heuvel Safâ, waar hij de Quraysh zijn profeetschap had bekendgemaakt en hen voor het eerst tot de islam had uitgenodigd. Ook daar aanvaardde hij de eed van trouw (bay’a) van alle Mekkanen, groot en klein, vrouwen en mannen. Zo kregen de Quraysh de eer als moslims tot de Metgezellen te gaan behoren. Nadat hij met de mannen een overeenkomst had gesloten, werd ook van de vrouwen over enkele zaken een belofte afgenomen.17 Geen deelgenoten toekennen aan Allâhu ta’âlâ, niet ongehoorzaam zijn aan onze Meester de Profeet, niet stelen, kuisheid en eer bewaren, geen laster (buhtân) verspreiden en geen dochters doden – dat waren enkele daarvan. De vrouwen die bij onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) aanwezig waren, aanvaardden dit alles en legden de gelofte alleen met woorden af. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) deed voor hen een smeekbede om het goede en vroeg vergeving voor hen.

Hind (radiyallâhu ’anhâ), de vrouw van Abû Sufyân en de moeder van Mu’âwiya (radiyallâhu ’anhumâ), was onder hen, en zij was zelfs hun aanvoerster. Bij deze eed van trouw van de vrouwen (bay’at an-nisâ) sprak zij namens de vrouwen. (Vanwege deze gelofte van haar en omdat zij deze smeekbede om vergeving (istighfâr) mocht ontvangen, is er veel hoop dat zij gered is. Iedere moslimvrouw die deze voorwaarden aanvaardt en zich eraan houdt, wordt tot deze overeenkomst gerekend en heeft deel aan deze smeekbede.) Allen die moslim werden, sloegen alle afgodsbeelden in hun huizen stuk. Naar de omliggende stammen werden legereenheden gestuurd, en ook de afgodsbeelden daar werden met de grond gelijkgemaakt. Zo werd, met de komst van de waarheid, het valse met wortel en tak uitgeroeid.

De veroordeelden

Er waren mensen die wegens verschillende misdaden, begaan vanaf de eerste dagen van de islam tot het achtste jaar van de Hijra, ter dood waren veroordeeld. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) noemde hun namen (elf mannen en zes vrouwen) en beval: “Waar jullie deze mensen ook zien, dood hen daar.” De veroordeelde mannen waren: ’Ikrima ibn Abî Jahl, Wahshî ibn Harb Habashî, ’Abdullah ibn Abî Sarh, Habbâr ibn Aswad, Safwân ibn Umayya, Ka’b ibn Zuhayr, ’Abdullah ibn Ziba’râ, ’Abdul’uzzâ ibn Khatal, Huwayrith ibn Mu’âdh, Miqyas ibn Subâba en Hârith ibn Tulâ. De vrouwen waren: Hind bint ’Utba, Qarîta, Qarîte, een andere slavin van Ibn Hanzala, Sâra, een slavin van de Banû ’Abdulmuttalib, en Umm Sa’d.

Zij die barmhartigheid ontvingen

Hind bint ’Utba: onder de vrouwen die moslim werden, was ook Hind, de vrouw van Abû Sufyân, wier naam op de lijst stond van hen die gedood moesten worden. Maar onze geliefde Profeet, die barmhartigheid voor de werelden is, had ook haar vergeven. Zij placht de moslims leed en kwelling aan te doen. Wat Hamza en de andere martelaren van Uhud was aangedaan, was op haar aansporing gebeurd. Op de dag van Mekka beklom de Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) de heuvel Safâ en ging zitten. ’Umar al-Fârûq ging iets lager zitten. Eerst de mannen, daarna de vrouwen kwamen een voor een en werden moslim. Onder de vrouwen waren Umm Hânî, de zuster van ’Alî, en Hind, de moeder van Mu’âwiya. Zij legde de eed van trouw af aan Rasûlullah. Namens de vrouwen sloot zij de overeenkomst met Rasûlullah. Haar viel een gezegende smeekbede ten deel.

’Ikrima ibn Abî Jahl: hij was de zoon van Abû Jahl. Ook hij was een van de mannen die barmhartigheid ontvingen. Op de dag van de verovering doodde hij een Metgezel, die zo martelaar werd, en vluchtte naar Jemen. Toen dit bericht Rasûlullah bereikte, glimlachte hij. Toen de Metgezellen naar de reden vroegen, zei hij: “’Ikrima en degene die hij tot martelaar heeft gemaakt, wandelen hand in hand in het Paradijs.” Zijn vrouw Umm Hakîm bint Hârith ibn Hishâm was bij de eed van trouw van de vrouwen moslim geworden en had Rasûlullah om veiligheid (amân) voor ’Ikrima gevraagd. ’Ikrima keerde met Umm Hakîm naar Mekka terug, kwam bij Rasûlullah en vroeg om vergeving. Rasûlullah hief zijn handen op en vroeg vergeving voor hem. Nadat ’Ikrima (radiyallâhu ’anh) tot het geloof was gekomen, zette hij zich met grote inspanning en ijver in. Hij werd een van de helden onder de Metgezellen. Hij streed in de jihâd in Oman en in Jemen en sneuvelde als martelaar in de Slag bij Yarmûk.

Wahshî ibn Harb Habashî: in de Slag bij Uhud had hij Hamza (radiyallâhu ’anh) tot martelaar gemaakt. De moslims verlangden er sterk naar hem te doden. Bij Uhud had Rasûlullah een verwensing uitgesproken over enkele ongelovigen. Toen men hem vroeg: “Waarom vervloekt u Wahshî niet?”, zei hij: “In de nacht van de Mi’râj zag ik Hamza en Wahshî arm in arm samen het Paradijs binnengaan.” Op de dag van de Verovering van Mekka vluchtte Wahshî. Berouwvol kwam hij met de mensen van Tâ’if naar Medina, naar de moskee, en groette. Rasûlullah beantwoordde zijn groet. Hij kwam tot het geloof en ontving vergiffenis. Maar hem werd bevolen naar de streek van Yamâma te gaan. Hij schaamde zich zeer tegenover Rasûlullah en leefde met gebogen hoofd. Hij kwam nooit meer naar Medina. Toen hij tot het geloof kwam, werd hij volkomen gereinigd. Hij kwam hoger te staan dan alle awliyâ.

“Mijn toestand en die van jullie is als wat Yûsuf (‘alayhis-salâm) tegen zijn broers zei. Net als hij zeg ook ik: ‘Vandaag zal ik jullie geen rekenschap meer vragen voor wat jullie hebben gedaan (ik zal jullie jullie fouten niet verwijten). Moge Allâhu ta’âlâ jullie vergeven’ (soera Yûsuf: 92). Ga. Jullie zijn vrij, jullie kunnen gaan” Hadîth sharîf

In het elfde jaar van de Hijra werd er in Yamâma een zeer hevige strijd tegen de afvalligen gevoerd. Van het leger van Musaylima kwamen twintigduizend man om, van de soldaten van Khâlid ibn Walîd tweeduizend. Aanvankelijk raakten de moslims in wanorde. Toen viel Wahshî heldhaftig aan en doodde Musaylima al-Kadhdhâb met dezelfde speer waarmee hij Hamza tot martelaar had gemaakt.18 Toen de moslims dit zagen, gingen zij tot de aanval over, en de overwinning werd behaald. Zo kwam aan het licht dat het een groot wonder was geweest dat Rasûlullah Wahshî destijds naar de streek van Yamâma had gestuurd. Hij nam ook deel aan de Slag bij Yarmûk, die in het twaalfde jaar van de Hijra werd geleverd, en toonde tegen de Byzantijnen grote heldenmoed. Hij vestigde zich in Homs en overleed daar in de tijd van ’Uthmân.

Hij aanvaardde het excuus van wie schuldig was, met vergeving en goedheid,
Van verheven karakter, vol mededogen en tederheid, die bron van edelmoedigheid.
Hij hield niet van rijkdom; de armoede had hij lief en daarop was hij trots,
De armen maakte hij tot zijn broeders, die bron van edelmoedigheid.
Hij naaide lappen op zijn kleren en droeg eenvoudige sandalen,
Hij ging naar iedere zieke en bracht hem genezing, die bron van edelmoedigheid.
Het werk voor zijn huisgenoten deed hij zelf, en met vreugde,
Iedere moeilijkheid maakte hij licht, die bron van edelmoedigheid.
Al was het maar voor gerstebrood en linzensoep:
Werd hij uitgenodigd, dan was hij te gast, die bron van edelmoedigheid.
Nu eens reed hij op een kameel, dan op een paard, een muildier of een ezel,
Soms liep hij blootsvoets, die sultan, die bron van edelmoedigheid.