DE VEROVERING VAN KHAYBAR
In het stralende Medina woonden joden die uiterlijk moslim waren, maar in werkelijkheid huichelaars (munâfiqs). Voordat Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) naar Medina emigreerde, hadden de inwoners van Medina ’Abdullah ibn Ubayy ibn Salûl tot hun leider gekozen. Zij hadden hem zelfs een met edelstenen versierde kroon gegeven. Toen Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Medina met zijn komst vereerde, begonnen alle inwoners van Medina onze geliefde Meester de Profeet eerbied en genegenheid te tonen, en zij volgden hem. Ibn Salûl verloor alle aanzien en bleef in een hoek achter. Men schonk hem geen aandacht meer. Daarop kwam Ibn Salûl in actie om Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) te doden of hem leed te berokkenen. Op een dag kwamen de joden bij hem bijeen. Zij smeedden daarover enkele plannen en vroegen Labîd ibn ’Âsim om hulp. Labîd zei: “In die en die wijk woont een oude vrouw die Khayra heet. Zij is zeer bedreven in tovenarij. Zoek haar op.” Zij vonden die vervloekte vrouw en gaven haar duizend gouden dirham en tien rollen stof. Zij zeiden: “Als je Muhammad ten onder brengt, zullen wij je nog veel meer geven.” De oude vrouw stak naalden in een jonge duif, legde knopen in draden en wikkelde die om de jonge duif. Zij legde haar in een verlaten put buiten Medina en sloot de opening af. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) werd ziek. Zijn ledematen werden onbeweeglijk. Men gaf hem allerlei geneesmiddelen, maar die hielpen niet. Deze toestand duurde negen dagen.
Daarna kwam Jibrîl ’alayhis-salâm en deelde hem mee wat er was gebeurd. Men bracht Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) daarheen. Hij opende de put en haalde de duif eruit. Maar het was niet mogelijk de knopen in de draden los te maken. Jibrîl ’alayhis-salâm bracht de soera’s Mu’awwidhatayn (al-Falaq en an-Nâs) en zei: “O Muhammad ’alayhis-salâm! Reciteer deze soera’s over die knopen.” Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) begon die soera’s te reciteren. Bij ieder vers dat hij reciteerde, begon een van de knopen los te gaan en een van de naalden eruit te komen. Toen hij de soera’s (de 11 verzen van de twee soera’s) helemaal had gereciteerd, waren alle knopen los. Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was volledig van de ziekte verlost en werd weer gezond. Daarna liet hij die vervloekte mensen roepen en berispte hen. De inwoners van Medina legden hun zulke zware straffen op dat zij omkwamen. Ook de jood Labîd werd gegrepen en voor onze Meester Rasûlullah gebracht. Toen onze Meester de Profeet hem vroeg: “Waarom heb je dit laten doen?”, antwoordde hij: “Uit liefde voor het goud.” Toen enkele Metgezellen zeiden: “Yâ Rasûlallah! Als u het toestaat, laten wij deze jood onthoofden!”, zei onze geliefde Profeet, die nooit iemand om zijn eigen persoon strafte: “De goddelijke bestraffing die hij uiteindelijk zal zien, is zwaarder”, en hij stond niet toe dat Labîd werd gedood.1 Toen de joden uit Medina waren verdreven, waren zij naar de noordelijke streken van Arabië gegaan. Een deel van hen bleef in Khaybar en vestigde zich daar. Een ander deel ging naar Syrië, in het noorden. Zij waren uit hun woonplaatsen verdreven omdat zij een aanslag op onze Meester Rasûlullah hadden beraamd. Maar de wrok, de begeerte en de wraakzucht tegen de moslims in hun binnenste doofden nooit uit. Integendeel, zij werden met de dag heviger: zij wilden zo snel mogelijk een einde maken aan het leven van de Sultan van het universum, de Habîb van Allâhu ta’âlâ, en de religie van de islam uitroeien.
Enkele van hun voornamen zeiden: “Laten wij naar de Ghatafân gaan om hulp te vragen en samen met hen tegen de moslims strijden!” Anderen zeiden: “Laten wij ook de joden van Fadak, Taymâ en Wâdi’l-Qurâ te hulp roepen en, voordat de moslims ons aanvallen, zelf hun stad bestormen en al onze wraak nemen!…” De joden van Khaybar namen dit voorstel aan en riepen de joodse stammen uit de omgeving en de Ghatafân te hulp. Alleen al van de Ghatafân kwamen zeer veel uitgelezen strijders, en in Khaybar begonnen de voorbereidingen. Terwijl zij deze voorbereidingen troffen, kreeg de Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) bericht over de toestand van de joden. Hij gaf ’Abdullah ibn Rawâha drie Metgezellen mee en zond hem onmiddellijk uit om te weten te komen wat er in Khaybar gaande was. ’Abdullah ibn Rawâha en zijn drie metgezellen kwamen snel in Khaybar aan. Het was een rijke stad met acht onneembare vestingen, nog andere kleinere vestingen, vruchtbare grond en zeer veel wijngaarden en boomgaarden. ’Abdullah stuurde een van zijn metgezellen naar de vesting Shiqq, een ander naar Katîba en de derde naar de vesting Natât. Zelf ging hij een andere vesting binnen. Drie dagen lang bekeken zij van dichtbij de toestand van de joden en hun voorbereidingen voor de oorlog. Na drie dagen kwamen zij op de afgesproken plek samen, keerden snel naar Medina terug en vertelden onze Meester de Profeet een voor een over de voorbereidingen van de joden.
Onze geliefde Profeet beval zijn Metgezellen zich haastig gereed te maken. Om te voorkomen dat de joden Madîna al-Munawwara zouden aanvallen, besloot hij tegen Khaybar op te trekken. Toen de joden in Medina van dit besluit hoorden, raakten zij in paniek. Om het moreel van de moslims te breken, zeiden zij: “Wij zweren: als jullie de vestingen van Khaybar en de dappere strijders die daar verzameld zijn hadden gezien, zouden jullie daar nooit een voet zetten!… De vestingen met hoge torens op de bergtoppen worden bewaakt door gepantserde helden. Van alle kanten zijn duizenden soldaten hen te hulp gekomen!… Zouden jullie Khaybar ooit kunnen veroveren?!…” Daartegenover zeiden de heldhaftige Metgezellen: “Allâhu ta’âlâ heeft Zijn Habîb beloofd dat hij Khaybar zal veroveren”, en zij verklaarden dat zij nooit bang zouden zijn voor de joden. Deze vastberadenheid van de Metgezellen maakte de joden nog bedroefder en verontruste hen nog meer. Het hoofd van de huichelaars, ’Abdullah ibn Ubayy, zond met spoed een bericht naar Khaybar: “Muhammad trekt met een kleine strijdmacht tegen jullie op. Er is niets om bang voor te zijn, maar wees voorzichtig en breng jullie bezittingen in jullie vestingen. Kom uit de vestingen en trek hun tegemoet!” De Metgezellen voltooiden hun voorbereidingen, vroegen hun huisgenoten om vergeving en namen afscheid van hen, en verzamelden zich rond onze Meester de Profeet. Zij waren tweehonderd ruiters en duizendvierhonderd voetsoldaten. Zij stonden klaar voor de bevelen van hun geliefde Profeet, om de religie van Allâhu ta’âlâ te verspreiden, jihâd te voeren en de rang van martelaar (shahîd) te bereiken. Op dat moment vroegen enkele vrouwen onze Meester de Profeet om een taak: in de oorlog het eten van de Metgezellen klaarmaken, de gewonden en de zieken verzorgen, de wonden verbinden, geneesmiddelen bereiden en ander werk doen waartoe zij in staat waren. Onze Meester Rasûlullah had mededogen met hen en onthield hun die beloning niet. Zo voegden zich bij de mujâhids ook twintig vrouwelijke mujâhids, met aan het hoofd Umm Salama, de gezegende echtgenote van onze geliefde Profeet.2
Rasûl-i akram (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) liet Sibâ’ van de stam Ghifâr als zijn plaatsvervanger in Medina achter en gaf het bevel naar Khaybar te vertrekken. (Er wordt ook overgeleverd dat Numayla ibn ’Abdullah werd achtergelaten.) De tocht begon met takbîrs. De Metgezellen die door een verhindering niet aan de oorlog konden deelnemen, en zij die geen toestemming kregen omdat zij te jong waren, keken vol verlangen naar onze Meester de Profeet en naar hun heldhaftige vaders, grootvaders, ooms, ooms van moederszijde en oudere broers, en zwaaiden hen uit met takbîrs en smeekbeden.
“De vesting van Khaybar zal door ’Alî ibn Abî Tâlib worden veroverd” Hadîth sharîf
De kalender wees de maand Muharram van het zevende jaar van de Hijra aan. De heilige banier van onze Meester de Profeet werd gedragen door ’Alî, en het bevel over de rechtervleugel had ’Umar.3 Voor de linkervleugel werd een andere Metgezel aangesteld. De tocht verliep in een opgewekte stemming. De dichters loofden met hun gedichten Allâhu ta’âlâ voor de gunsten die Hij had geschonken, spraken salawât uit voor onze geliefde Profeet en prezen de roemrijke Metgezellen. En de Metgezellen deden, alsof zij naar een feest gingen, de hele omgeving weerklinken door samen te roepen: “Allâhu akbar! Allâhu akbar! Lâ ilâha illallâhu wallâhu akbar!”
Bij iedere pleisterplaats deed de Sultan van het universum deze smeekbede: “O Allah! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen zorg om de toekomst, tegen verdriet om het verleden, tegen onmacht en traagheid, tegen gierigheid, lafheid en schuld die de rug doet krommen, en tegen de overheersing door onderdrukkers en onrechtvaardigen!”
Toen zij Khaybar naderden, liet onze geliefde Profeet zijn Metgezellen halt houden. Hij hief zijn handen op en begon te smeken: “O Allah, Heer van de hemelen en van wat zij overschaduwen! O Allah, Heer van de aarden en van wat daarop is! O Allah, Heer van de shaytâns en van wie zij doen dwalen! O Allah, Heer van de winden en van wat zij doen opwaaien! Wij vragen U het goede en het welzijn van deze plaats, het goede en het welzijn van de mensen die hier leven, en het goede en het welzijn van alles wat zich op deze plaats bevindt. Wij zoeken onze toevlucht bij U tegen het kwaad van deze plaats, tegen het kwaad van de mensen en tegen het kwaad van alles wat er is!”
Van de lippen van de Metgezellen klonk: “Âmîn, âmîn.” Daarna zei hij tegen zijn Metgezellen: “Trek verder met de woorden ‘Bismillâhir-rahmânir-rahîm’.”
De Metgezellen, rond Rasûl-i akram geschaard, zetten de tocht opnieuw voort. Zij kwamen bij de vesting Natât, een van de sterkste van Khaybar.
Daar sloegen zij hun kamp op. Het was avond. Volgens de gezegende gewoonte van onze Meester Rasûlullah werd er niet aangevallen voordat het ochtend was, en werd eerst tot de islam uitgenodigd. Als men het aanbod niet aanvaardde, begon de strijd. Daarom wachtten de Metgezellen tot de ochtend. Geen van de joden had gemerkt dat het leger van de islam was gekomen. Nadat de Meester van het universum het ochtendgebed had geleid, voltooide hij de voorbereidingen en zette de mujâhids in beweging. Tweehonderd ruiters en duizendvierhonderd voetsoldaten naderden in geordende rijen de muren van de vesting Natât. Op dat moment stonden de joden die uit de vesting waren gekomen om in de wijngaarden, de boomgaarden en op de akkers te werken, plotseling tegenover de soldaten van de islam en waren zij met stomheid geslagen.
Met de kreet: “Wij zweren dat dit Muhammad en zijn geordende leger zijn!…” begonnen zij terug te vluchten. Toen onze geliefde Profeet hen zo zag, zei hij: “Allâhu akbar! Allâhu akbar! Khaybar is verwoest”, en hij herhaalde deze gezegende woorden drie keer. Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) liet de joden weten dat zij ofwel moslim moesten worden, ofwel zich moesten overgeven en kharâj en jizya betalen; anders zou er oorlog komen en bloed vloeien. De joden gingen naar Sallâm ibn Mishkam, een van hun voornamen, en legden hem de toestand voor. Sallâm zette hen tot de strijd aan met de woorden: “Eerder heb ik jullie gezegd tegen Muhammad op te trekken, en jullie wilden niet. Toon nu tenminste geen zwakte in de strijd tegen hem. Strijdend tegen de moslims sterven is beter dan eenzaam en verlaten in leven blijven!…” De joden brachten snel hun kinderen en vrouwen bijeen in de vesting Katîba, hun voorraden in Nâ’im en hun soldaten in de vesting Natât.
Op het voorstel van het leger van de islam om moslim te worden antwoordden de joden met pijlen. De mujâhids vingen de pijlen op met hun schilden. Op bevel van onze geliefde Profeet werden de bogen gespannen en onder de roep “Allâhu akbar!…” vlogen de pijlen op de joden af die op de torens van de vesting stonden. De strijd was begonnen. Aan de ene kant streden de Sultan van het universum en zijn heldhaftige Metgezellen om de islam te verspreiden en ervoor te zorgen dat de joden moslim werden en van de Hel gered werden. Aan de andere kant stonden de joden, die naar geen raad luisterden, die de moslims bij iedere gelegenheid in de rug wilden treffen en die halsstarrig weigerden de waarheid te zien. Toen zij zagen dat het Zegel der Profeten (Khâtam al-Anbiyâ) niet uit hun eigen volk was voortgekomen, hadden zij hem uit afgunst niet aanvaard. Al sinds de kinderjaren van onze Meester de Profeet hadden zij iedere list beproefd die bij hen opkwam om hem uit de weg te ruimen, maar door de bescherming van Allâhu ta’âlâ hadden zij niets kunnen uitrichten.
Meer dan tienduizend joodse soldaten schoten pijlen op zestienhonderd roemrijke mujâhids. De Metgezellen beschermden zich met hun schilden tegen deze pijlen, die de een na de ander kwamen, en wanneer zij de kans kregen, schoten zij de pijlen die op de grond waren gevallen terug op de joden. Maar enkele Metgezellen raakten gewond.
Op een gegeven moment naderde Hubâb ibn Mundhir Habîbullah met grote eerbied en vroeg: “Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Zou het niet goed zijn ons kamp ergens anders op te slaan?” Onze Meester de Profeet zei: “Inshâ’allâhu ta’âlâ, wanneer het avond wordt, verplaatsen wij het!” De mujâhids waren binnen het bereik van de pijlen gekomen. De pijlen die de joden vanuit de vesting afschoten, reikten tot achter in het kamp van de islam.4 Die dag ging de strijd tot de avond met pijlen door. Ongeveer vijftig Metgezellen raakten door de pijlen gewond. Toen het avond werd, kreeg Muhammad ibn Maslama de opdracht een nieuwe plek voor het kamp te zoeken. Hij gaf aan dat de plaats die Rajî’ heette geschikt was, en daarop werd het kamp van de islam daarheen verplaatst.
“Wij, profeten, laten geen erfenis na. Wat wij nalaten, is sadaqa voor de armen” Hadîth sharîf
De Verovering van Khaybar
De gewonden werden verzorgd.5 De volgende dag verschenen de heldhaftige Metgezellen voor Natât en streden tot de avond. Ook op de derde, de vierde en de vijfde dag ging het beleg door. De joden bleven steeds in de verdediging. In die dagen kreeg onze geliefde Profeet hevige hoofdpijn en kon hij twee dagen niet bij de mujâhids zijn. De eerste dag gaf hij de banier aan Abû Bakr, de tweede dag aan ’Umar. Beiden streden aan het hoofd van de Metgezellen zeer hevig tegen de joden, maar het lukte niet de vesting te veroveren. Intussen openden de joden, wier moed was toegenomen, de poorten van de vesting en gingen tot de aanval over. Nu werd er van man tot man gevochten. De strijd laaide hoog op. Telkens wanneer onze Meester de Profeet tegen zijn Metgezellen zei: “Spreek de takbîr uit: Allâhu akbar! Allâhu akbar!…”, sloegen zij onder het geluid van de takbîr vol liefde en vuur met het zwaard op de vijand in. Op een gegeven moment werd Mahmûd, de broer van Muhammad ibn Maslama, martelaar. De gevechten duurden hevig voort tot de avond.
De volgende dag kwam Marhab, een van de beroemdste bevelhebbers van Khaybar, in harnassen gehuld uit de vesting. Hij was een sterke, krachtige man, als een reus. Tot dan toe was er geen kampvechter tegenover hem verschenen die hem kon verslaan. Hij wendde zich tot de mujâhids en begon te pochen: “Ik ben Marhab, bekend om zijn moed en zijn heldhaftigheid!” Terwijl hij zo stond te pochen, sprong een mujâhid uit het midden van de Metgezellen naar voren. Tegen Marhab riep hij: “En ik ben ’Âmir, die niet bang is zich midden in de verschrikkelijkste en hevigste gevechten te werpen!”, en hij ging onmiddellijk tegenover hem staan. De reus Marhab sloeg met al zijn kracht met zijn zwaard naar ’Âmir; op dat zwaard stond geschreven: “Wie het raakt, komt om!…” De dappere ’Âmir hief op hetzelfde ogenblik zijn schild op. Toen het brede zwaard tegen het schild sloeg, weerklonk rondom een hevig geluid, en het zwaard bleef in het schild steken.
’Âmir zocht zijn toevlucht bij de Schepper, riep: “Yâ Allah!” en sloeg met zijn zwaard naar de gepantserde benen van Marhab. Zodra het zwaard het stalen harnas raakte, sprong het terug en trof plotseling het been van de Metgezel zelf. Door de heftige terugslag van het zwaard werd de slagader in het been van ’Âmir doorgesneden. De Metgezellen snelden toe, namen ’Âmir in hun armen en droegen hem naar het kamp om hem te verzorgen. Maar ’Âmir (radiyallâhu ’anh) werd daar martelaar en vloog naar het hoogste Paradijs.6
De gevechten gingen in alle hevigheid door. Tegen de avond stelde onze geliefde Profeet de afgodendienaren van de Ghatafân, die met vierduizend soldaten de joden te hulp waren gekomen en aan de strijd deelnamen, voor zich af te scheiden en naar hun land terug te keren. Hij beloofde hun ook dat hij hun, als zij dat deden, de dadeloogst van Khaybar van één jaar zou geven. Maar de Ghatafân wezen dit voorstel af. Daarop beval de Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zijn Metgezellen de nacht door te brengen rond de vesting waar de Ghatafân zich bevonden. De Ghatafân waren zeer bang dat de mujâhids ’s nachts zouden aanvallen en konden de slaap niet vatten. Die nacht meldde een stem, waarvan niemand wist waar zij vandaan kwam, dat het land van de Ghatafân was overvallen en dat hun vrouwen, kinderen en bezittingen waren buitgemaakt. Deze stem werd drie keer herhaald, en alle Ghatafân hoorden haar in grote angst. Ook hun bevelhebber ’Uyayna hoorde dezelfde stem drie keer; toen de dageraad op het punt stond aan te breken, nam hij zijn soldaten mee, trok zich haastig uit Khaybar terug en nam de weg naar zijn land. ’s Morgens waren de joden verbaasd dat de Ghatafân Khaybar zonder reden hadden verlaten, en zij vervielen tot wanhoop. Zij hadden ook veel spijt dat zij hen te hulp hadden geroepen.
“Op de dag dat wij de vesting van Khaybar innamen, verbood Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) het vlees van de tamme ezel te eten en een vrouw te nemen door een mut’a-huwelijk” ’Alî (radiyallâhu ’anh)
De heldenmoed van ’Alî
Ook die dag werd er voor Khaybar hevig gestreden, maar de vesting werd niet veroverd. ’s Avonds verkondigde de Sultan van het universum de blijde boodschap: “Morgen zal ik de banier geven aan een held die Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl liefheeft, en die Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl ook liefhebben. Allâhu ta’âlâ zal door zijn hand de verovering tot stand brengen!”
Die nacht wachtten de Metgezellen vol spanning op de ochtend. Ieder van hen hoopte dat de banier aan hem gegeven zou worden en deed daarvoor smeekbeden tot Allâhu ta’âlâ. Bilâl Habashî riep de adhân voor het ochtendgebed af met zijn vurige, mooie stem. Terwijl de adhân werd afgeroepen, ontstond bij iedereen een bijzondere ontroering, een bijzondere vreugde; van die goddelijke vreugde kreeg niemand genoeg. Nadat onze geliefde Profeet voor zijn Metgezellen het ochtendgebed had geleid, stond hij op. Hij liet de gezegende banier van de islam brengen. Terwijl de heilige banier werd gebracht, stonden de Metgezellen te wachten en luisterden zij met gespannen aandacht naar de woorden die van de gezegende lippen van Rasûl-i akram zouden komen.
Ten slotte zei de Meester der werelden: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die Muhammad met het profeetschap heeft geëerd, dat ik deze banier zal geven aan een held die niet weet wat vluchten is”, en terwijl hij zijn gezegende ogen over zijn Metgezellen liet gaan, vroeg hij: “Waar is ’Alî?” De Metgezellen zeiden: “Yâ Rasûlallah! Hij heeft pijn aan zijn ogen.” Onze Meester zei: “Roep hem bij mij.” In die dagen leed ’Alî aan een oogkwaal en kon hij zijn ogen niet openen. Zij gingen naar hem toe, vertelden hem wat er was, namen hem bij zijn gezegende arm en brachten hem bij onze Meester Rasûlullah. De Sultan van het universum deed een smeekbede tot Allâhu ta’âlâ om ’Alî genezing te schenken, maakte zijn gezegende vingers nat in zijn mond en streek ermee over zijn ogen. Op hetzelfde ogenblik was er in de ogen van ’Alî geen enkele pijn meer. Bovendien deed hij deze smeekbede voor hem: “O mijn Heer! Neem van hem het ongemak van hitte en kou weg!” Daarna trok hij hem met zijn gezegende handen een harnas aan, gordde zijn eigen zwaard om zijn middel, gaf hem de witte banier van de islam in de hand en zei: “Strijd tot Allâhu ta’âlâ je de overwinning schenkt. Pas op, keer je niet om!” ’Alî zei: “Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Ik zal tegen hen strijden tot zij de religie van de islam aannemen.” Onze geliefde Profeet zei: “Bij Allah, als Allâhu ta’âlâ door jouw toedoen ook maar één man van hen op het rechte pad brengt, is dat beter voor jou dan dat je veel rode kamelen bezit en die op de weg van Allâhu ta’âlâ als sadaqa weggeeft.”7
Terwijl ’Alî met de banier in de hand op de vesting van de joden afging, liepen de roemrijke Metgezellen achter hem aan. Toen hij de vesting dicht genaderd was en de banier aan de voet van een rots had geplant, ging de poort van de vesting Natât open.
De aanvalstroepen van de joden kwamen naar buiten. Het waren de uitgelezenste helden van Khaybar. Ieder van hen droeg een dubbel harnas en was in ijzeren bescherming gehuld. Een van hen liep op ’Alî af en ging tegenover hem staan om te strijden. Het was Hârith, de broer van Marhab, die in moed zijn gelijke niet had. Hij viel stormachtig aan… Terwijl het geluid van de twee stalen klingen het strijdveld vulde, schoot Dhu’l-Fiqâr als een bliksem neer en scheidde het hoofd van Hârith van zijn romp. Op dat ogenblik stegen de kreten “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” ten hemel op. Toen Marhab hoorde dat zijn broer was gedood, stormde hij met de soldaten onder zijn bevel in volle vaart het strijdveld op en ging tegenover ’Alî staan. Ook hij droeg een dubbel harnas. Met twee zwaarden omgord en met zijn enorme gestalte leek Marhab wel een reus. In al zijn woede begon hij zichzelf te prijzen: “Ik ben Marhab, die zich, wanneer de gevechten het hevigst zijn, in het midden werpt en heldhaftig strijdt! Zelfs brullende leeuwen doorboor ik met mijn lans of mijn zwaard!…”
’Alî (karramallâhu wajhah wa radiyallâhu ’anh) antwoordde: “Ik ben degene die door zijn moeder Haydar (Leeuw) is genoemd. Ik ben als een ontzagwekkende leeuw! Ik ben de held die jou met één slag tegen de grond zal werpen!…”
Toen Marhab van ’Alî het woord “Haydar” hoorde, sloeg de angst hem om het hart. Want die nacht had een leeuw hem in zijn droom verscheurd. Was dit soms de leeuw die hij in zijn droom had gezien? Toen viel de reus Marhab aan, en ’Alî ving hem op met zijn schild. Daarna zocht hij zijn toevlucht bij Allâhu ta’âlâ, riep “Yâ Allah!…” en liet Dhu’l-Fiqâr met zo’n kracht op het hoofd van de kâfir neerkomen, dat het zwaard het dikke stalen schild dat de grote Marhab ertegen ophield en zijn stalen helm in tweeën kliefde, en zijn hoofd van de kruin tot de nek spleet. Het bloed gutste als een bron uit zijn hals, en zijn reusachtige lichaam werd tegen de grond geveld. Het verschrikkelijke geluid van Dhu’l-Fiqâr was in alle hoeken van Khaybar te horen. Onze Meester de Profeet zei: “Verheug jullie! De Verovering van Khaybar is nu gemakkelijk geworden.” De Metgezellen waren vol bewondering voor deze dapperheid van ’Alî en deden de hemel weerklinken met de kreten “Allâhu akbar! Allâhu akbar!…”
De strijd ging in alle hevigheid door. Op een moment dat de Metgezellen al strijdend tot bij de poort van de vesting waren gekomen, sloeg een jood met zijn zwaard op het schild van ’Alî. Het schild viel op de grond, maar er was geen tijd om te bukken en het op te rapen. De jood, die de kans niet wilde laten lopen, griste het schild weg en vluchtte ermee terug. De leeuw van Allâhu ta’âlâ, die hierover zeer bedroefd was, verdreef met Dhu’l-Fiqâr de vijanden om zich heen en besloot daarna de poort van de vesting als schild te gebruiken. Met de woorden “Bismillâhir-rahmânir-rahîm” greep hij de ringen van de enorme ijzeren poort vast. Hij schudde de haken los uit de muur en rukte ze eruit… Terwijl ’Alî de poort losrukte, schudde de vesting op haar grondvesten. Deze poort, die acht of tien sterke mannen niet van haar plaats konden krijgen, gebruikte hij met één hand als schild en zo begon hij te strijden. Deze ongelooflijke gebeurtenis was een wonder van onze geliefde Profeet en een karâma van ’Alî.8
Een voor een kwamen nog zes van de dapperste kampvechters van de joden tegenover hem te staan. Ook hen overwon ’Alî met de toestemming van Allâhu ta’âlâ, en hij ging met zijn heldhaftige metgezellen de vesting binnen. Nu werd er binnen in de vesting gestreden. In korte tijd was er niemand meer over die hun het hoofd kon bieden. Zij plantten de banier van de islam op de vesting. Zo werd Natât, hun sterkste vesting, veroverd. Onze geliefde Profeet kuste ’Alî op zijn ogen en zei: “Vanwege de heldenmoed die je hebt getoond, zijn Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl tevreden met je.” Toen ’Alî deze gezegende woorden hoorde, huilde hij van vreugde. Toen onze Meester de Profeet vroeg: “Waarom huil je?”, antwoordde hij: “Mijn leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Ik huil van vreugde. Want Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl zijn tevreden met mij.” Daarop zei onze geliefde Profeet: “Niet alleen ik, maar ook Jibrîl, Mîkâ’îl en alle engelen zijn tevreden met je.” Op dat moment kwamen vierhonderd moslims van de stam Daws onze Meester de Profeet te hulp.9 Daarna werd de strijd om de andere vestingen te veroveren hevig voortgezet. Toen ook de overige zeven sterke vestingen van Khaybar een voor een waren gevallen, stuurden de joden, die geen uitweg meer hadden, een afvaardiging en vroegen om vrede. Onze Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) aanvaardde dit voorstel, en men kwam de volgende punten overeen: 1. Het bloed van de joden die in deze veldtocht tegen de moslims hebben gestreden, zal niet worden vergoten. 2. De joden die Khaybar verlaten, mogen alleen hun kinderen en één kameellast aan noodzakelijk huisraad meenemen. 3. Alle overige roerende en onroerende goederen; alle wapens zoals harnassen, zwaarden, schilden, bogen en pijlen; alle kleding behalve wat zij aan het lijf dragen; de stoffen, het goud en ook de schatten; alle dieren zoals paarden, kamelen en schapen… alles wat er is, blijft voor de moslims. 4. Niets van wat aan de moslims moet worden achtergelaten, zal op enigerlei wijze worden verborgen. Wie iets verbergt, valt buiten de veiligheid en de bescherming van Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl…
“Ik ben degene die door zijn moeder Haydar (Leeuw) is genoemd. Ik ben als een ontzagwekkende leeuw!” ’Alî (radiyallâhu ’anh)
Kinâna ibn Rabî’, die zich niet aan deze voorwaarden hield en zijn schatten in leren zakken in de grond begroef, werd bestraft. De buit die werd verkregen, was niet te tellen. De vruchtbare gronden en dadelboomgaarden van Khaybar kwamen geheel toe aan het leger van de islam.10 Op dat moment waren de Ghatafân, die naar hun land waren teruggekeerd, naar Khaybar teruggekomen om de joden te helpen. Toen zij zagen dat onze Meester de Profeet Khaybar had veroverd en de joden zich hadden overgegeven, zeiden zij: “O Muhammad! Je had ons beloofd ons de dadels van Khaybar van één jaar te geven als wij Khaybar verlieten. Wij hebben ons woord gehouden. Kom, geef ze ons!” Onze Meester zei tegen hen: “Laat die en die berg van jullie zijn.” De Ghatafân probeerden te dreigen: “Dan zullen wij tegen jullie strijden.” Rasûl-i akram zei: “Laat Janafa de plaats van onze strijd zijn.” Janafa was de naam van een van de streken van de Ghatafân. Toen de Ghatafân dit hoorden, trokken zij zich uit angst terug en gingen weg.
Onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en zijn heldhaftige Metgezellen waren tijdens de Verovering van Khaybar zeer vermoeid geraakt. Aan de ene kant werden de gewonden verzorgd, aan de andere kant rustten zij uit.
Zaynab, de vrouw van Sallâm ibn Mishkam, een van de voornamen van de joden, wilde onze Meester de Profeet vergiftigen en zo doden. Daartoe slachtte zij een schaap, kookte het en deed een grote hoeveelheid gif in het vlees. Daarna verscheen zij voor onze Meester Rasûlullah en zei dat zij een geschenk bracht. Rasûl-i akram aanvaardde het en riep zijn Metgezellen, en allen gingen samen zitten om te eten. De Meester der werelden scheurde een stuk van het geroosterde schaap af en bracht het met de woorden “Bismillâhir-rahmânir-rahîm” naar zijn gezegende mond. Nadat hij er een paar keer op had gekauwd, haalde hij het meteen uit zijn gezegende mond en zei: “O mijn Metgezellen! Trek jullie handen terug van dit eten! Want dit stuk schouder heeft mij laten weten dat het vergiftigd is.” De Metgezellen trokken onmiddellijk hun handen van het eten terug. Maar het lichaam van Bishr ibn Barâ, die een hap van het vlees had gegeten, liep meteen blauw aan, en hij werd martelaar. Jibrîl ’alayhis-salâm kwam bij onze geliefde Profeet en zei hem tussen zijn gezegende schouders koppen te laten zetten (hijâma) en bloed te laten aftappen, om verlost te worden van de werking van het gif dat zich met zijn gezegende speeksel had vermengd. Dat werd gedaan. Daarna werd het vergiftigde gebraad in de grond begraven. Zaynab, die dit had gedaan, werd gegrepen en voor de Profeet gebracht.
Onze Meester zei tegen haar: “Heb jij dit geroosterde schaap vergiftigd?” Zij bekende wat zij had gedaan: “Ja! Ik heb het vergiftigd!” Toen onze Meester de Profeet vroeg: “Waarom wilde je dit doen?”, zei zij: “Jij hebt mijn man, mijn vader en mijn oom gedood. Ik zei bij mijzelf: ‘Als hij werkelijk profeet is, zal Allah het hem laten weten. Zo niet, dan zal dit gif op hem inwerken en zal hij sterven. Zo zijn wij van hem verlost.’” De Metgezellen waren zeer bedroefd over dit voorval. Toen zij vroegen: “Ons leven zij voor u geofferd, yâ Rasûlallah! Zullen wij haar doden?”, vergaf de Meester der werelden, die iedere belediging die zijn eigen persoon werd aangedaan vergaf, ook deze. Toen Zaynab deze grote barmhartigheid zag, sprak zij de kalima-i shahâda uit en werd moslim.11 Onder de buit en de gevangenen die in Khaybar waren genomen, bevond zich ook Safiyya, de dochter van Huyayy ibn Akhtab. Als recht van de opperbevelhebber was zij het deel van onze Meester de Profeet geworden. De Meester der werelden liet zijn gevangene vrij. Zij was hierdoor zeer ontroerd, sprak van ganser harte de kalima-i shahâda uit en werd moslim. Onze geliefde Profeet was hierover zeer blij; hij eerde onze moeder Safiyya door met haar te trouwen en maakte haar gelukkig. Zo werd Safiyya een moeder van de gelovigen. Haar bruiloft werd gehouden op de plaats Sahbâ, en er werd een walîma, dat wil zeggen een bruiloftsmaal, van meloen en dadels gegeven.12
In de gezegende ogen van onze moeder Safiyya was een blauwe plek te zien.
Toen onze geliefde Profeet vroeg: “Wat is dit voor een teken?”, zei zij: “Op een nacht zag ik in mijn droom dat de maan uit de hemel neerdaalde en in mijn schoot viel. Toen ik het aan mijn man Kinâna vertelde, zei hij: ‘Jij hebt je zinnen gezet op de vrouw te worden van die Arabische koning die tegen ons optrekt!’, en hij gaf mij een klap op mijn oog, en zoals u ziet, is het blauw geworden.” Na de Verovering van Khaybar kwamen de joden met dit voorstel bij onze Meester de Profeet: “O Muhammad! Wij zullen uit Khaybar wegtrekken. Maar wij hebben veel verstand van landbouw en van de verzorging van akkers, wijngaarden en boomgaarden. Als je wilt, verpacht deze vruchtbare gronden dan aan ons. Laten wij deze landerijen bewerken en jou de helft van de oogst geven!” Onze geliefde Profeet en de Metgezellen hadden geen tijd om zich met landbouwwerk bezig te houden. Zij zetten zich in om de religie van de islam te verspreiden en werkten voor de jihâd fî sabîlillâh onophoudelijk, dag en nacht.13 Onze Meester de Profeet was blij met dit voorstel en zei: “Op voorwaarde dat wij jullie eruitzetten wanneer wij willen.” De joden aanvaardden dit en begonnen de gronden van Khaybar te bewerken.14 Onze Meester de Profeet keerde met zijn Metgezellen zegevierend naar Medina terug. In die dagen scheepten de laatste Metgezellen die nog als emigranten in Abessinië waren, onder wie ook Umm Habîba (radiyallâhu ’anhâ), zich onder leiding van Ja’far ibn Abî Tâlib in op twee schepen die de Negus hun had verschaft, en gingen zij in de haven van Jâr aan land. Van daar kwamen zij op kamelen naar Medina. Hij was zeer blij toen hij zag dat zijn Metgezellen, die twaalf jaar eerder naar Abessinië waren geëmigreerd, onder leiding van Ja’far ibn Abî Tâlib aankwamen. Hij kuste Ja’far op het voorhoofd, drukte hem aan zijn borst en zei:
“O mijn Metgezellen! Trek jullie handen terug van dit eten! Want dit stuk schouder heeft mij laten weten dat het vergiftigd is” Hadîth sharîf
“Ik weet niet of ik mij moet verheugen over de Verovering van Khaybar of over de komst van Ja’far. Jullie Hijra is tweevoudig: jullie zijn zowel naar het land Abessinië als naar mijn woonplaats geëmigreerd.” Zij overhandigden Rasûlullah de geschenken en de brief die de Negus Ashama had gestuurd. Ook de bruiloft met onze moeder Umm Habîba vond in dat jaar plaats. Onze moeder Umm Habîba was toen zesendertig jaar oud. De buit die in Khaybar was verkregen, werd verdeeld onder alle Metgezellen die aan het Verdrag van Hudaybiya hadden deelgenomen, onder hen die aan de Verovering van Khaybar hadden deelgenomen, onder de Metgezellen die uit Abessinië waren teruggekeerd en onder de stam Daws, die aan de verovering had deelgenomen.15
Met de Verovering van Khaybar kwamen alle joden in Arabië onder het gezag van onze Meester de Profeet. Zij hadden geen mogelijkheid meer de afgodendienaren te helpen. Ook de stammen en de staten in de omgeving begrepen dat de moslims, die de vesting van Khaybar hadden ingenomen – die wat wapens en soldaten betreft onneembaar leek –, een grote macht bezaten, en zij begonnen zich voor deze staat van de islam in acht te nemen. De afgodendienaren van Mekka vervielen door de Verovering van Khaybar tot grote droefheid en wanhoop. Na deze verovering kwamen zeer veel stammen, klein en groot, naar Madîna al-Munawwara om moslim te worden, en zij hadden de eer tot de Metgezellen te behoren – zelfs de Ghatafân… Enkele stammen die niet tot inkeer kwamen, werden door het zenden van troepen onderworpen.
