Mijn Geliefde Profeet

DE GEBEURTENIS VAN HUDAYBIYA

De intentie: ’umra; de afloop: Hudaybiya

Het was de maand Dhu’l-qa’da van het zesde jaar van de Hijra. Op een nacht zag Nabiyy-i muhtaram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) in zijn droom dat hij met de Metgezellen naar Makka al-Mukarrama ging en de tawâf om de Ka’ba al-Mu’azzama verrichtte, en dat een deel van hen hun haar kortte en een ander deel het liet afscheren. Toen onze Meester Rasûlullah deze droom aan zijn Metgezellen vertelde, raakten zij zeer opgewonden. Voor het eerst sinds de Hijra zouden zij naar Mekka gaan, hun mooie geboortegrond, waar zij waren geboren en opgegroeid en die vol bittere en zoete herinneringen was. Zij zouden de heilige Ka’ba bezoeken, waarnaar zij zich bij de vijf dagelijkse gebeden wendden en waarnaar zij zo verlangden, en er de tawâf verrichten. Wat een mooie blijde tijding was dit!… Zodra de Metgezellen de blijde tijding van onze geliefde Profeet hadden ontvangen: “Jullie zullen zeker de Masjid al-Harâm binnengaan!”, begonnen zij onmiddellijk met de voorbereidingen. Toen de voorbereidingen voltooid waren, liet Habîb-i akram ’Abdullah ibn Umm Maktûm als zijn plaatsvervanger in Medina achter. Op de eerste maandag van de maand Dhu’l-qa’da besteeg hij zijn kameel, die Qaswâ heette. Samen met veertienhonderd Metgezellen die zich hadden voorbereid, nam hij afscheid van hen die in Medina achterbleven. Met de intentie (niyya) van de ’umra trokken zij op naar de heilige stad Mekka. Zij hadden hun zwaarden, de wapens van de reiziger, en zeventig kamelen om te offeren bij zich. Van de karavaan waren tweehonderd te paard, en vier waren vrouwelijke Metgezellen. Een van deze vrouwen was de gezegende en reine echtgenote van onze geliefde Profeet, onze moeder Umm Salama. Toen zij bij de mîqât-plaats Dhu’l-Hulayfa aankwamen, traden zij in ihrâm en verrichtten het middaggebed. Daarna merkten zij de oren van de kamelen die geofferd zouden worden, en bonden hun touwen om de hals. Nâjiya ibn Jundub Aslamî werd, met helpers, met de zorg voor de kamelen belast. ’Abbâd ibn Bishr werd tot bevelhebber van een eenheid van twintig ruiters benoemd en als verkenner vooruitgestuurd. Bishr ibn Sufyân werd als bode naar Mekka gezonden.1 Onze geliefde Profeet en de heldhaftige Metgezellen, gekleed in de ihrâm-kleding en in het wit gehuld, begonnen Allâhu ta’âlâ te loven, de verhevenheid van Zijn majesteit te betuigen en Hem te smeken:

“Labbayk, Allâhumma labbayk! Labbayk, lâ sharîka laka labbayk! Innal-hamda wan-ni’mata laka wal-mulk, lâ sharîka lak!”

(Hier ben ik, o Allah, hier ben ik! Ik heb Uw oproep met mijn woord en mijn wezen telkens weer beantwoord en mij aan Uw bevel onderworpen. U hebt geen deelgenoot; met heel mijn bestaan heb ik mij tot U gewend. Lof en gunst komen U alleen toe. Ook de heerschappij is van U. U hebt geen deelgenoot.) Door deze gezegende talbiya weergalmden aarde en hemel, en Dhu’l-Hulayfa werd in een stralende sfeer gehuld. Iedereen was ontroerd, en zij vertrokken uit Dhu’l-Hulayfa om zo snel mogelijk in Mekka te zijn.

Onderweg kwamen ’Umar en Sa’d ibn ’Ubâda naar Habîb-i akram en uitten hun bezorgdheid: “Yâ Rasûlallah! Gaan wij ongewapend naar mensen die met u in oorlog zijn? Wij vrezen dat de Quraysh u zullen aanvallen en uw gezegende lichaam schade zullen toebrengen!…” De Vorst der beide werelden zei tegen hen: “Ik heb de intentie van de ’umra gemaakt. In deze toestand wil ik geen wapens dragen.”

De reis verliep rustig. Onderweg deden zij verscheidene stammen aan, en onze Meester de Profeet nodigde hen uit tot de islam. Sommigen aarzelden het te aanvaarden, anderen stuurden geschenken. Zo legden zij de helft van de weg af en kwamen aan bij een plaats die Ghadîr al-Ashtât heette, voorbij ’Usfân. Daar keerde Bishr ibn Sufyân, die eerder de taak had gekregen de Mekkanen een bericht te brengen, terug na met de Quraysh te hebben gesproken. Hij vertelde onze Meester de Profeet wat hij had gezien: “Yâ Rasûlallah! De Quraysh hebben gehoord dat u komt. Uit angst hebben zij de stammen in de omgeving feestmalen aangeboden en hun hulp gevraagd. Zij hebben een eenheid van tweehonderd ruiters naar u toe gestuurd om te verkennen. De stammen in de omgeving hebben dit verzoek aanvaard en zich verenigd op een plaats die Baldah heet. Zij hebben veel troepen samengetrokken en gezworen u Mekka niet binnen te laten.”

Dit bericht deed de Meester der werelden veel verdriet, en hij zei: “De Quraysh zijn ten onder gegaan. De oorlog heeft hen al helemaal opgevreten… Denken de afgodendienaren van de Quraysh dat zij enige kracht hebben? Bij Allah, ik zal nooit ophouden tegen hen te strijden, totdat Allâhu ta’âlâ deze religie, die Hij mij heeft gezonden om te verbreiden, heersend en verheven maakt, of totdat mijn hoofd van mijn romp wordt gescheiden!” Daarna wendde hij zich tot zijn heldhaftige Metgezellen en vroeg hun mening en hun zienswijze hierover. De roemrijke Metgezellen, die zich met heel hun wezen aan Rasûlullah hadden gewijd, zeiden: “Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl weten het het best. Moge ons leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Wij zijn op weg gegaan met de intentie de tawâf om Baytullah te verrichten. Wij zijn niet gekomen om iemand te doden of om te strijden. Maar als zij ons willen beletten de Ka’ba te bezoeken, zullen wij zeker tegen hen strijden en ons doel bereiken!…” Deze vastberadenheid van de Metgezellen beviel onze geliefde Profeet. Hij zei: “Kom dan, trek op met de edele naam van Allâhu ta’âlâ!…” Rondom onze Meester de Profeet begonnen de Metgezellen naar Mekka op te trekken, terwijl zij de talbiya uitspraken – “Labbayk, Allâhumma labbayk!…” – en de takbîr – “Allâhu akbar! Allâhu akbar!…”.

Op een middag riep Bilâl Habashî met heel de schoonheid van zijn stem de adhân van Muhammad uit en maakte bekend dat de tijd van het gebed was aangebroken. Op dat ogenblik kwam de eenheid van tweehonderd ruiters van de Quraysh daar aan, stelde zich tussen Mekka en de Metgezellen op en stond klaar om aan te vallen. Toch schaarde de Meester der werelden zich met zijn verheven Metgezellen in rijen en begon aan het gebed. Het was een schouwspel dat het zien waard was: ongeveer veertienhonderd Metgezellen die in rijen achter onze geliefde Profeet onbeweeglijk in qiyâm stonden en zich voor de rukû’ bogen. En wanneer zij allen tegelijk in sajda gingen, leek het alsof een ontzagwekkende berg zich boog en weer oprichtte.

“Bij Allâhu ta’âlâ, wat de Quraysh ook van mij vragen, ik zal het aanvaarden, op voorwaarde dat het edele Huis wordt geëerd” Hadîth sharîf

De tocht naar Hudaybiya

De nederigheid die zij toonden door hun eervolle voorhoofden in het bijzijn van Allâhu ta’âlâ op de grond te leggen, deed de liefde voor de islam in het hart van sommige ruiters van de Quraysh vallen. Toen de Metgezellen de salâm hadden gegeven en het gebed hadden beëindigd, beklaagde de bevelhebber van de ruiters van de Quraysh zich: “Als wij van deze toestand van de moslims gebruik hadden gemaakt om hen te overvallen, hadden wij de meesten van hen gedood!… Waarom hebben wij niet aangevallen terwijl zij in gebed waren?” Daarna liet hij zijn kameraden weten dat zij de gelegenheid deze keer niet zouden laten schieten: “Maak je geen zorgen. Zij zullen hoe dan ook aan nog een gebed beginnen, dat hun dierbaarder is dan hun eigen leven en hun kinderen!…” Allâhu ta’âlâ maakte deze woorden van hen aan onze Meester de Profeet bekend door openbaring (wahy) te zenden via Jibrîl ’alayhis-salâm. In het edele vers dat werd geopenbaard, werd in betekenis gezegd: “(O Mijn Habîb!) Wanneer jij onder hen bent en hen (jouw Metgezellen, tegenover de vijand) in het gebed voorgaat, (verdeel hen dan in twee delen, en) laat een deel van hen met jou (in het gebed) staan (en het andere tegenover de vijand). Laten zij hun wapens bij zich houden. Laten zij die met jou in het gebed zijn en een rak’a hebben verricht, naar de vijand gaan (terwijl zij zich hoeden voor handelingen die het gebed ongeldig maken). Laat daarna het andere deel, dat het gebed nog niet heeft verricht, komen en de tweede rak’a met jou verrichten; en laten ook zij hun harnassen, hun beschermingsmiddelen en hun wapens bij zich houden. (Laten zij de tashahhud met jou reciteren. Wanneer jij de salâm geeft, laten zij zonder de salâm te geven naar de vijand gaan; laten zij die eerst een rak’a hebben verricht, terugkomen, op zichzelf nog een rak’a verrichten en de salâm geven. Laten ook zij die de tweede rak’a met de imam hebben verricht, terugkomen, nog een rak’a verrichten, het gebed voltooien en de salâm geven.) De ongelovigen willen dat jullie je wapens en je bagage veronachtzamen, zodat zij jullie onverhoeds kunnen overvallen… Als regen jullie last bezorgt of als jullie ziek zijn, is het geen zonde voor jullie je wapens af te leggen. Maar neem toch alle voorzorgsmaatregelen. Er is geen twijfel dat Allâhu ta’âlâ voor de ongelovigen een vernederende bestraffing heeft klaargemaakt.”2 Toen Bilâl bij het namiddaggebed de adhân uitriep, stonden de ruiters van de Quraysh weer tussen Mekka en de Metgezellen, klaar om aan te vallen. Onze Meester de Profeet ging zijn Metgezellen in het gebed voor zoals in het edele vers was aangegeven. De afgodendienaren verbaasden zich over deze voorzichtige manier waarop de moslims het gebed verrichtten. Allâhu ta’âlâ joeg hun angst aan. Zij durften geen enkele beweging te maken. Zij vertrokken vandaar om in Mekka verslag uit te brengen. Ook onze Meester de Profeet en zijn Metgezellen trokken vandaar verder in de richting van Mekka. Toen zij bij de grens van het heilige Mekka kwamen, knielde Qaswâ, de kameel van onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam), zonder enige zichtbare reden plotseling neer. Zij deden veel moeite om haar te laten opstaan, maar zij stond niet op. Daarop zei de Sultan van het universum: “Zij heeft niet de gewoonte zo neer te knielen. Maar Allâhu ta’âlâ, Die destijds de olifant (van Abraha) tegenhield en hem belette Mekka binnen te gaan, heeft nu ook Qaswâ tegengehouden. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens machtige hand mijn bestaan is: wat de Quraysh ook van mij vragen van de dingen die Allâhu ta’âlâ binnen de Haram harâm heeft gemaakt (zoals het afzien van strijd en bloedvergieten), ik zal dit verzoek van hen zeker inwilligen!”

Daarna wilden zij Qaswâ laten opstaan. De kameel sprong overeind. Zij ging niet binnen de grenzen van de Haram, maar bleef precies op de grens staan, op de plaats die Hudaybiya heet. Onze Meester de Profeet en de Metgezellen sloegen op deze plaats, waar weinig water was, hun kamp op.

“Denken de afgodendienaren van de Quraysh dat zij enige kracht hebben? Bij Allah, ik zal nooit ophouden tegen hen te strijden, totdat Allâhu ta’âlâ deze religie, die Hij mij heeft gezonden om te verbreiden, heersend en verheven maakt, of totdat mijn hoofd van mijn romp wordt gescheiden!” Hadîth sharîf

Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) liet zijn tent buiten de grens van het gezegende Mekka opzetten. Met zijn Metgezellen begon hij daar te wachten. Wanneer de tijd van het gebed aanbrak, verrichtten zij hun gebeden binnen de grens van Makka al-Mukarrama. In de putten was geen water meer om te drinken of te gebruiken. Alleen in de waterkan van onze Meester de Profeet was nog water. De Metgezellen, die in een moeilijke toestand verkeerden, zeiden: “Moge ons leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Bij ons is alleen nog water in uw waterkan. Wij zijn verloren.”

De Meester der werelden zei: “Zolang ik onder jullie ben, zijn jullie niet verloren.” Daarna legde hij met de woorden “Bismillâh” zijn gezegende hand op de waterkan. Toen hij haar optilde en zei: “Neem!…”, begon het water als uit een bron tussen zijn gezegende vingers door te stromen. De Metgezellen dronken tot hun dorst gelest was, verrichtten de wudû, vulden al hun waterzakken en gaven hun paarden en kamelen te drinken. Onze geliefde Profeet, de oceaan van barmhartigheid, die glimlachend naar zijn Metgezellen keek, loofde Allâhu ta’âlâ. Jâbir ibn ’Abdullah, die die dag aanwezig was, zei: “Wij waren met veertienhonderd. Ook al waren wij met honderdduizend geweest, dan nog was dat water genoeg geweest voor ons allen.”

Bay’at ar-Ridwân

Terwijl Rasûl-i akram in Hudaybiya was, kwam Budayl, het hoofd van de stam Khuzâ’a, die sinds lang bevriend was met de moslims, bij hem en liet hem weten dat het leger van de Quraysh, waarbij ook de stammen uit de omgeving zich hadden aangesloten, in Hudaybiya zijn kamp had opgeslagen en dat zij hadden gezworen te strijden tot hun leger uiteen zou vallen. Daarop zei onze Meester de Profeet: “Wij zijn hier niet gekomen om met iemand te strijden. Wij zijn alleen gekomen om de ’umra te verrichten, de tawâf om de Ka’ba al-Mu’azzama te verrichten en haar te bezoeken. Toch zullen wij strijden tegen wie ons wil beletten Baytullah te bezoeken. Zonder twijfel hebben de oorlogen de Quraysh zeer uitgeput, verzwakt en hun veel schade berokkend. Als zij het willen, zal ik met hen een termijn van wapenstilstand vaststellen. Laten zij zich gedurende die termijn van mijn kant veilig weten. Laten zij zich niet tussen mij en de andere stammen mengen, maar mij met hen alleen laten. Als ik die stammen overwin en Janâb-i Haqq hun de rechte leiding (hidâya) schenkt en zij moslim worden, kunnen de afgodendienaren van de Quraysh, als zij dat willen, net als zij moslim worden. En als ik de andere gemeenschappen niet kan overwinnen, zoals zij denken, dan hebben zij zelf rust gevonden en kracht gewonnen. Maar als de afgodendienaren van de Quraysh dit niet aanvaarden en tegen mij gaan strijden, zweer ik bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens machtige hand mijn bestaan is, dat ik voor deze religie, die ik probeer te verbreiden, tegen hen zal strijden tot mijn hoofd van mijn romp wordt gescheiden. Dan zal Allâhu ta’âlâ Zijn belofte mij te helpen zonder twijfel vervullen!”

Budayl, het hoofd van de stam Khuzâ’a, ging op weg om de woorden van onze Meester de Profeet aan het kamp van de Quraysh over te brengen. Nadat de afgodendienaren van Budayl de woorden van onze Meester Rasûlullah hadden gehoord, stuurden zij een van hun voornaamste mannen, ’Urwa ibn Mas’ûd, naar onze Meester de Profeet om te onderhandelen. Toen ’Urwa meedeelde dat de Quraysh vastbesloten waren niemand Mekka binnen te laten, zei Habîb-i akram: “O ’Urwa! Zeg het, omwille van Allah! Mag men beletten dat deze offerkamelen worden geofferd en dat deze Ka’ba al-Mu’azzama wordt bezocht en dat er de tawâf om wordt verricht?” Daarna vertelde hij ’Urwa ook wat hij tegen het hoofd van de stam Khuzâ’a had gezegd.

Terwijl ’Urwa naar onze Meester de Profeet luisterde, lette hij tegelijk nauwkeurig op het gedrag en de manieren van de Metgezellen, op hoe zij met elkaar en met de Meester der werelden omgingen, en op hun respect en eerbied. Nadat hij het voorstel van onze geliefde Profeet had aangehoord, stond hij op en ging het de Quraysh vertellen. Toen hij bij hen kwam, zei hij: “O volk van Quraysh! Jullie weten dat ik als gezant bij vele vorsten ben geweest, zoals de Byzantijnse keizer, de Negus en de Chosroes. Ik zweer dat ik tot nu toe nooit heb gezien dat een vorst het respect en de eerbied werd betoond die de moslims Muhammad betonen. Geen van zijn Metgezellen spreekt zonder zijn toestemming. Als er een haar van zijn hoofd valt, grijpen zij die en bewaren die in hun boezem om er zegen door te verkrijgen. Wanneer zij in zijn bijzijn spreken, dempen zij hun stem zo dat men hen niet hoort. Uit eerbied voor hem kunnen zij hem niet in het gezicht kijken en slaan zij hun ogen neer. Als hij zijn Metgezellen een teken geeft of een bevel geeft, proberen zij het uit te voeren, al kost het hun het leven.

O gemeenschap van Quraysh! Hoe vaak jullie ook naar jullie zwaarden grijpen en alle middelen aanwenden, zij zullen jullie nog geen haar van hun Profeet uitleveren. Ja, zij zullen zelfs niet toelaten dat hem enig kwaad overkomt of dat iemand hem aanraakt. Zo staat het ervoor. Denk goed na over wat daarna komt! Nu het zo is, biedt Muhammad ons een goede wapenstilstand aan; maak daar gebruik van!”

De afgodendienaren van de Quraysh aanvaardden deze woorden niet, bejegenden ’Urwa grof en beledigden hem. Toen er uit het kamp van de Quraysh geen bericht kwam, stuurde Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Khirâsh ibn Umayya als gezant om zijn voorstellen te herhalen. De afgodendienaren behandelden de gezant van de islam zeer grof. Zij slachtten zijn kameel en aten hem op, en zij gingen op hem af om hem te doden. Khirâsh ibn Umayya, die met moeite uit hun handen ontsnapte, kwam bij onze Meester de Profeet en vertelde wat er was gebeurd; deze belediging van zijn gezant deed hem veel verdriet. Op dat ogenblik verscheen uit het kamp van de afgodendienaren Hulays, het hoofd van de stam van de Ahâbîsh. Hij kwam op onze Meester de Profeet af. De afgodendienaren hadden hem als gezant aangewezen. Toen onze geliefde Profeet Hulays zag komen, zei hij: “Deze man die eraan komt, behoort tot een volk dat de offerdieren respecteert en zich beijvert de geboden van Allâhu ta’âlâ uit te voeren en aanbidding te verrichten. (O mijn Metgezellen!) Drijf de offerkamelen naar hem toe, zodat hij ze ziet!” De Metgezellen lieten de offerkamelen naar hem toe lopen en spraken de talbiya uit: “Labbayk, Allâhumma labbayk!” Toen Hulays de offerdieren zag, met touwen om hun hals en gemerkte oren, keek hij er lang naar. Zijn ogen vulden zich met tranen, en met een droeve stem uit de diepte van zijn ziel kon hij niet nalaten te zeggen: “De moslims hebben geen andere bedoeling dan de tawâf om de Ka’ba te verrichten en haar te bezoeken. Wat een slechte daad is het hen daarvan af te houden! Ik zweer bij de Heer van de Ka’ba dat de Quraysh door deze verkeerde daad ten onder zullen gaan!” Toen de Meester der werelden deze woorden hoorde, zei hij: “Ja, zo is het, o broeder uit de zonen van Kinâna.” Hulays kon van schaamte niet alleen niet bij onze Meester Rasûlullah komen, maar zelfs niet naar zijn gezegende gelaat kijken. Hij keerde naar het kamp van de Quraysh terug. Hij vertelde wat hij had gezien en zei openlijk wat hij ervan vond: “Ik vind het niet juist dat jullie hem beletten de Ka’ba te bezoeken.” De afgodendienaren van de Quraysh werden zeer kwaad en beschuldigden Hulays van onwetendheid.

“O ’Urwa! Zeg het, omwille van Allah! Mag men beletten dat deze offerkamelen worden geofferd en dat deze Ka’ba al-Mu’azzama wordt bezocht en dat er de tawâf om wordt verricht?” Hadîth sharîf

Nu stuurden de afgodendienaren Mikraz ibn Hafs, die om zijn wreedheid berucht was, als gezant. Ook hij kreeg zijn antwoord en keerde terug. Na het gezantschap van Mikraz werden de afgodendienaren door angst bevangen dat de moslims een onverwachte overval zouden uitvoeren.

Onze Meester de Profeet wilde de zaak niet half laten liggen en wilde een van zijn Metgezellen sturen die bij de Quraysh in aanzien stond. Ten slotte werd besloten ’Uthmân te sturen. Onze geliefde Profeet zei tegen ’Uthmân ibn ’Affân: “Zeg tegen hen: ‘Wij zijn hier niet gekomen om met iemand te strijden. Wij zijn alleen gekomen om de tawâf om de Ka’ba al-Mu’azzama te verrichten en haar te bezoeken. Wij zullen de offerkamelen die wij bij ons hebben, slachten en terugkeren’, en nodig hen uit tot de islam!” Ook drukte hij hem op het hart de moslims in Mekka de blijde tijding te brengen dat Mekka binnenkort veroverd zou worden.3

’Uthmân ging naar de afgodendienaren en bracht de woorden van onze Meester de Profeet precies over. Ook op het voorstel dat ’Uthmân bracht, gaven zij een afwijzend antwoord. Zij zeiden dat alleen hijzelf, als hij dat wilde, de tawâf om Baytullah mocht verrichten. Maar ’Uthmân zei: “Zolang de Rasûl ’alayhis-salâm de tawâf om Baytullah niet verricht, doe ik het ook niet!” Hierover werden de afgodendienaren zeer kwaad en zij hielden hem vast. Dit bericht bereikte de Metgezellen in deze vorm: “’Uthmân is als martelaar gedood.” Toen zij het onze Meester de Profeet lieten weten, was hij zeer bedroefd en zei: “Als dit bericht waar is, gaan wij hier niet weg zonder tegen dit volk te strijden.” Daarna ging hij onder een boom zitten die daar stond en Samura heette, en nodigde zijn Metgezellen uit tot de bay’a met de woorden: “Allâhu ta’âlâ heeft mij bevolen jullie eed van trouw (bay’a) af te nemen.” De heldhaftige Metgezellen legden hun hand op de gezegende hand van onze Meester de Profeet en gaven hun woord: “Wij hebben de eed van trouw afgelegd om, strijdend vóór u, de overwinning te bewerkstelligen totdat Allâhu ta’âlâ u de zege schenkt, of om op deze weg als martelaar te sneuvelen!” Onze Meester de Profeet legde de ene hand op de andere en legde zelf de eed af namens ’Uthmân, die er niet bij was. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) was zeer verheugd over deze eed van zijn Metgezellen en zei: “Geen van hen die onder de boom oprecht de eed van trouw hebben afgelegd, zal de Hel binnengaan.” Deze eed werd Bay’at ar-Ridwân genoemd.4 De Metgezellen (radiyallâhu ’anhum), die hun zwaarden al hadden getrokken, konden niet stil op hun plaats blijven en wachtten op een teken van de Rasûl ’alayhis-salâm. Op dat ogenblik hadden de spionnen van de Quraysh, die het kamp van de islam in het oog hielden, gezien dat de mujâhids onze geliefde Profeet de eed van trouw hadden afgelegd om op deze weg te strijden tot zij de beker van het martelaarschap zouden drinken, en dat zij voorbereidingen troffen. Onmiddellijk gingen zij naar het kamp van de Quraysh en vertelden wat er gaande was. Onze Meester de Profeet liet voor alle zekerheid ’s nachts wachtposten achter om zijn Metgezellen te beschermen. In een van de nachten waarin ’Uthmân werd vastgehouden, viel een bende van vijftig afgodendienaren onder leiding van Mikraz aan om de soldaten van de islam in hun slaap te overvallen. Die nacht hielden Muhammad ibn Maslama en zijn kameraden de wacht. Na een kort gevecht namen zij de ongelovigen die gekomen waren, stevig gevangen. Alleen Mikraz wist te ontkomen. Zij brachten de gevangenen bij onze Meester Rasûlullah. Een deel werd opgesloten en een ander deel vergeven. De afgodendienaren wilden ook de volgende nacht een overval uitvoeren, maar werden opnieuw gevangengenomen. Onze Meester de Profeet vergaf ook hen en liet hen vrij.

Het Verdrag van Hudaybiya

Toen de ongelovigen begrepen dat het leger van de islam dag en nacht klaar voor de strijd stond en elk ogenblik kon aanvallen, sloeg hun leger de angst om het hart. Toen zij zagen dat er geen andere uitweg was dan een verdrag, kozen zij in haast een delegatie van gezanten. Tegen deze delegatie, die onder leiding van Suhayl ibn ’Amr was gekozen, werd gezegd: “Sluit een verdrag op voorwaarde dat zij dit jaar Mekka niet binnengaan.”

Onze geliefde Profeet ontving de gezanten van de Quraysh. Het eerste verzoek van de gezanten was dat hun opgesloten mannen zouden worden vrijgelaten. De Meester der werelden zei: “Zolang jullie mijn Metgezellen die jullie in Mekka vasthouden, niet vrijlaten, laat ik deze mannen van jullie niet vrij!” Suhayl zei: “Je hebt ons waarlijk zeer rechtvaardig en billijk behandeld”, en zorgde ervoor dat ’Uthmân, die in Mekka werd vastgehouden, en ongeveer tien Metgezellen die zij eerder hadden opgesloten, werden vrijgelaten. Daarna werden de afgodendienaren die bij de overval waren gevangengenomen en opgesloten, vrijgelaten.

Na lange besprekingen kwam men tot een akkoord. Nu moest het op schrift worden gesteld. ’Alî werd als schrijver gekozen. Om het vredesverdrag te schrijven, werden papier en een inktkoker klaargelegd. Habîbullah, die als barmhartigheid voor de werelden was gezonden, zei tegen ’Alî: “Schrijf:

‘Bismillâhir-rahmânir-rahîm!’” Suhayl maakte onmiddellijk bezwaar: “Ik zweer dat ik niet weet wat het woord ‘Rahmân’ betekent. Schrijf het niet zo; schrijf ‘Bismika Allâhumma’! Anders ga ik niet op de vrede in!” Onze Meester de Profeet zag in het sluiten van de vrede zeer grote wijsheden. Daarom zei hij: “Ook ‘Bismika Allâhumma’ is mooi”, en hij beval ’Alî het zo te schrijven. Toen het geschreven was en onze Meester de Profeet zei: “Dit zijn de bepalingen waarover Muhammad Rasûlullah met Suhayl ibn ’Amr overeenstemming heeft bereikt en vrede heeft gesloten, en die hij heeft ondertekend opdat de voorwaarden door de partijen worden nagekomen”, zag men dat Suhayl de hand van ’Alî vasthield. Hij wendde zich tot onze Meester de Profeet en zei: “Wij zweren: als wij hadden erkend dat jij Rasûlullah bent, hadden wij ons niet tegen je verzet en je niet belet de Ka’ba te bezoeken. Schrijf daarom in plaats van ‘Rasûlullah’: ‘Muhammad, de zoon van ‘Abdullah’!”

Onze Meester de Profeet aanvaardde ook dit en zei: “Bij Allah, ook al noemen jullie mij een leugenaar, ik ben zonder enige twijfel de Rasûl van Allâhu ta’âlâ. Dat ik mijn naam en de naam van mijn vader laat schrijven, neemt mijn profeetschap toch niet weg. O ‘Alî! Wis dat uit en schrijf ‘Muhammad ibn ‘Abdullah’.”

Geen van de Metgezellen kon het in zijn hart aanvaarden dat het woord “Rasûlullah” werd uitgewist. In een oogwenk vergaten zij alles en zeiden: “O ‘Alî! Schrijf ‘Muhammad Rasûlullah’; anders kan alleen het zwaard tussen ons en deze afgodendienaren beslissen!…” Onze Meester de Profeet was verheugd over deze ijver van zijn Metgezellen, maar gaf hun met zijn gezegende handen een teken te zwijgen. Toen hij ’Alî beval het uit te wissen, verontschuldigde deze zich met de woorden: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Mijn hand kan het niet over zich verkrijgen deze gezegende hoedanigheid van u uit te wissen!…” Onze geliefde Profeet vroeg hem de plaats aan te wijzen. Toen ’Alî die aanwees, nam hij het geschrift uit diens hand, wiste het met zijn eigen gezegende vinger uit en liet “de zoon van ’Abdullah” schrijven. Daarna begon men de bepalingen op te schrijven: 1) Het verdrag zal tien jaar gelden; gedurende die tijd zullen de twee partijen geen oorlog met elkaar voeren.

“Geen van hen die onder de boom oprecht de eed van trouw hebben afgelegd, zal de Hel binnengaan” Hadîth sharîf

  1. De moslims zullen de Ka’ba dit jaar niet bezoeken, maar een jaar later mogen zij haar bezoeken. 3) De moslims die komen om de Ka’ba te bezoeken, zullen drie dagen blijven en geen andere wapens bij zich hebben dan de wapens van de reiziger. 4) Terwijl de moslims de tawâf om de Ka’ba verrichten, zullen de afgodendienaren van Mekka zich van de Ka’ba verwijderen en hun de gelegenheid geven de tawâf vrij te verrichten.

  1. Als iemand van de Quraysh die moslim wordt, zonder toestemming van zijn voogd naar Medina gaat, zal hij worden teruggestuurd; maar als iemand van de moslims naar de kant van de Quraysh overloopt en naar Mekka gaat, zal hij niet worden teruggestuurd. Toen ’Umar over deze bepaling vroeg: “Yâ Rasûlallah! Zult u ook deze voorwaarde aanvaarden?”, zei onze geliefde Profeet glimlachend: “Ja. Moge Allâhu ta’âlâ hen die van ons naar hen gaan, ver van ons houden!”

  2. Als een van de Metgezellen met de intentie de hajj of de ’umra te verrichten naar Mekka komt, zullen zijn leven en zijn bezit veilig zijn.

  3. Als een van de afgodendienaren op weg naar Syrië, Egypte of elders langs Medina komt, zullen ook zijn leven en zijn bezit veilig zijn.

  4. De andere Arabische stammen zullen zich onder de bescherming kunnen stellen van de partij die zij willen, en zullen vrij zijn zich met de moslims of met de afgodendienaren te verenigen.5

Nu moest het verdrag worden ondertekend. Op dat ogenblik zag men iemand op het leger van de islam afkomen, die de ketenen aan zijn voeten met zich meesleepte. Hij kwam steeds dichterbij en riep: “Red mij!…” Toen het hoofd van de delegatie van de Quraysh deze stem hoorde, sprong hij onmiddellijk op. Met een doornige tak die hij in de hand nam, begon hij hem op zijn hoofd en in zijn gezicht te slaan. Met al zijn krachten wierp de man zich aan de gezegende knieën van onze Meester Rasûlullah en smeekte: “Red mij, yâ Rasûlallah!” Het was een moslim die door zijn vader in ketenen was geslagen omdat hij in Mekka met de islam was geëerd. Iedere dag werd hij zwaar gefolterd en gedwongen de afgoden te aanbidden. Hij had van het vertrek van de afgodendienaren naar Hudaybiya gebruikgemaakt, zijn ketenen verbroken, was ongezien uit Mekka weggegaan en had zich tussen de moslims geworpen. Deze gezegende man, die de rechte leiding (hidâya) had gevonden, was Abû Jandal, de zoon van Suhayl, het hoofd van de delegatie van de afgodendienaren. Suhayl wees op zijn zoon Abû Jandal en zei tegen onze Meester de Profeet: “Volgens het verdrag dat wij zojuist hebben geschreven, is dit de eerste man die jij aan mij moet teruggeven!”

Onze Meester de Profeet en de Metgezellen waren diep geschokt. Iedereen wachtte vol spanning af wat onze Meester Rasûlullah zou antwoorden. Aan de ene kant het vredesverdrag, aan de andere kant een Metgezel onder foltering… De Meester der werelden zei tegen Suhayl: “Wij hebben dit vredesverdrag nog niet ondertekend!” Suhayl hield koppig vol: “O Muhammad! De bepalingen van het verdrag hadden wij al opgeschreven voordat mijn zoon hier kwam. Als jij mijn zoon niet teruggeeft, zal ik dit vredesverdrag nooit ondertekenen!” Hoewel onze Meester de Profeet zei: “Houd hem omwille van mij buiten het verdrag”, aanvaardden de afgodendienaren dat niet. Terwijl Suhayl ibn ’Amr zijn zoon met zich meesleurde, riep Abû Jandal: “Yâ Rasûlallah! O mijn moslimbroeders!… Leveren jullie mij aan de afgodendienaren uit, terwijl ik met de islam ben geëerd en bij jullie mijn toevlucht heb gezocht? Vinden jullie het goed dat mij iedere dag ondraaglijke folteringen worden aangedaan? Yâ Rasûlallah! Stuurt u mij terug, opdat zij mij van mijn religie afvallig maken?!…”

Het was zeer moeilijk deze hartverscheurende smeekbede te verdragen. De Metgezellen, wier harten gewond waren, begonnen te huilen. Ook de gezegende ogen van onze geliefde Profeet, de oceaan van barmhartigheid, waren vol tranen. Hij ging naar Suhayl en vroeg hem: “Kom, doe dat niet! Schenk hem aan mij!” Maar Suhayl antwoordde: “Onmogelijk, ik schenk hem niet!” Daarop troostte onze geliefde Profeet Abû Jandal met de woorden: “O Abû Jandal! Heb nog wat geduld! Verdraag wat je wordt aangedaan! Vraag de beloning daarvoor van Allâhu ta’âlâ. Allâhu ta’âlâ zal jou en de zwakke en hulpeloze moslims zoals jij zeker ruimte en een uitweg schenken”, en hij zei: “Het past ons niet ons gegeven woord niet na te komen.” Abû Jandal zei: “Goed, yâ Rasûlallah”, en liet zo weten dat hij geduld zou hebben.

Zelfs de afgodendienaren in de delegatie konden dit hartverscheurende voorval niet aanzien en zeiden: “O Muhammad! Omwille van jou nemen wij Abû Jandal onder onze bescherming. Wij zullen niet toelaten dat Suhayl hem foltert!”

Daarna voelden onze Meester Rasûlullah en de Metgezellen zich wat opgelucht. (Suhayl ibn ’Amr werd na de Verovering van Mekka moslim en werd een van de Metgezellen.) Het vredesverdrag werd in twee exemplaren geschreven en door de partijen ondertekend. De afgodendienaren keerden naar hun kamp terug.6 De delegatie van de Quraysh was zeer verheugd over deze bepalingen, die in het nadeel van de moslims leken te zijn. In werkelijkheid was dit vredesverdrag echter een grote overwinning voor de gelovigen, en waren deze bepalingen in het voordeel van de moslims. Allereerst erkenden zij dat de moslims een staat vormden. Als een afgodendienaar uit Mekka voor handel of om een andere reden op weg naar Syrië of Egypte langs Medina kwam, zouden zijn leven en zijn bezit veilig zijn. Zo zouden de afgodendienaren het leven van de moslims van dichtbij zien, vol bewondering raken voor de rechtvaardigheid van de islam en voor de goede omgang van de Metgezellen met elkaar, en de islam gaan liefhebben. Uiteindelijk zouden zij moslim worden en zich bij de rijen van de Metgezellen voegen. Door dit verdrag, dat tien jaar moest duren, zouden de moslims in aantal toenemen en sterker worden. De islam zou zich overal verbreiden. Maar de bepaling “Als iemand van de Quraysh moslim wordt en zijn toevlucht in Medina wil zoeken, zal hij worden teruggestuurd” deed onze Meester de Profeet verdriet, en hij zei: “Allâhu ta’âlâ zal voor hen zeker ruimte en een uitweg scheppen.” Er viel met de afgodendienaren niets meer te doen. Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei tegen de Metgezellen: “Sta op! Slacht jullie offerdieren. Scheer jullie hoofd en treed dan uit de ihrâm.” Onze Meester de Profeet slachtte zijn offerdier vóór iedereen. Daarna schoor zijn barbier Khirâsh ibn Umayya hem het hoofd. De Metgezellen grepen die gezegende haren in de lucht, nog voordat zij op de grond vielen, en bewaarden ze om er zegen door te verkrijgen. Ook de Metgezellen slachtten hun offerdieren; een deel liet het haar afscheren en een deel liet het korten.7

“O Abû Jandal! Heb nog wat geduld! Verdraag wat je wordt aangedaan! Vraag de beloning daarvoor van Allâhu ta’âlâ. Allâhu ta’âlâ zal jou en de zwakke en hulpeloze moslims zoals jij zeker ruimte en een uitweg schenken” Hadîth sharîf

Men was ongeveer twintig dagen in Hudaybiya gebleven. Onze Meester de Profeet vertrok met zijn Metgezellen om naar Medina terug te keren. Onderweg openbaarde Allâhu ta’âlâ onze Meester de Profeet soera al-Fath en gaf Hij hem de blijde tijding dat Hij Zijn gunst en Zijn hulp zou voltooien. In de dagen dat de Sultan van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zegevierend het stralende Medina met zijn komst vereerde, werd Abû Basîr, van de stam Thaqîf van de Quraysh, met de islam geëerd. Abû Basîr begreep dat hij niet onder de afgodendienaren kon leven en kwam te voet naar Medina. Maar zoals het Verdrag van Hudaybiya vereiste, verliet hij Medina en vestigde zich op een plaats die Îs heette, aan de kust van de Rode Zee.8

Deze plaats lag aan de handelsweg waarlangs de afgodendienaren van de Quraysh naar Syrië trokken. Voortaan verlieten de Quraysh die moslim werden Mekka en gingen zij niet naar Medina, maar naar Îs, naar Abû Basîr. De eerste van hen was Abû Jandal. Vanaf toen hield het niet meer op. Het werden er vijftig, honderd, tweehonderd, driehonderd. De karavaan van de Quraysh moest op weg naar Syrië noodgedwongen daarlangs. Abû Basîr en de moslims bij hem grepen de afgodendienaren die daar langskwamen, en vroegen hun moslim te worden. Met wie geen moslim werd, streden zij, en zo brachten zij hen in een moeilijke positie. Toen de afgodendienaren van Mekka zagen dat hun handelswegen naar Syrië waren afgesneden, stuurden zij een delegatie naar Medina. Zij smeekten dat de bepaling van het Verdrag van Hudaybiya zou worden geschrapt: “Als iemand van de Quraysh die moslim wordt, zonder toestemming van zijn voogd naar Medina gaat, zal hij worden teruggestuurd!…” Onze Meester de Profeet toonde barmhartigheid en willigde dit verzoek van hen in. Zo werden de handelswegen naar Syrië voor de Quraysh weer geopend. En de moslims kwamen, als beloning voor hun geduld, naar Medina, naar onze Meester de Profeet.

O SCHOONSTE DER SCHONEN!

O schoonste der schonen, met uw liefde hebt u mij verbrand!
Mijn oog ziet niets meer; mijn geest droomt ieder ogenblik van u!
Van “Qâba qawsayn” bent u de vorst, en ik een opstandige slaaf;
Hoe zou deze verbijsterde ooit durven zeggen: ik ben uw gast?
Met één blik vol erbarmen hebt u dode harten tot leven gewekt;
Bij uw eindeloze barmhartigheid zocht ik toevlucht en klopte aan uw deur!
Een bron van goedheid bent u, een oceaan van genezing!
Schenk mij één druppel van uw gunst: voor mijn pijn vond ik geen geneesmiddel!
Iedereen komt naar Mekka – naar de Ka’ba, naar Safâ en Marwa;
Maar ik ben om u over bergen en heuvels getrokken!
Gisternacht raakte mijn hoofd in een droom de hemelen:
Ik dacht dat de dienaren aan uw deur op mijn nek stonden!
O Jâmî, nachtegaal van mijn geliefde!
Uit uw gedichten heb ik dit ene vers gekozen:
“Als schurftige honden met hangende tong
Kwam ik, op één druppel hopend, bij de oceaan van uw gulheid.”
Mawlânâ Khâlid Baghdâdî (quddisa sirruh)

“Voorzeker, Wij hebben jou een duidelijke overwinning geschonken” Fath: 1

De uitnodigingsbrieven van onze Meester Rasûlullah

De zon zou niet op de wereld schijnen,
Als die ziel niet was gekomen;
Zij zou de wereld geen licht geven,
Als het uur van zijn geboorte niet was gekomen.
Zijn rozengelaat zou niet van kristal
En vreugde zijn gekneed,
Als het niet met de nûr die in de harten straalt
Een lichaam van vlees was geworden.
Eyyübî