Mijn Geliefde Profeet

DE VORMING VAN DE METGEZELLEN

Masjid an-Nabawî

Toen onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Medina met zijn komst vereerde, wenste hij als eerste werk een moskee te laten bouwen, waar hij zijn Metgezellen zou vormen en waar het gebed in gemeenschap verricht zou worden. Op dat moment kwam Jibrîl ’alayhis-salâm en zei: “Yâ Rasûlallah! Allâhu ta’âlâ beveelt u voor Hem een huis (moskee) van steen en leemtegels te bouwen.” Habîb-i akram wilde de plaats waar zijn kameel Qaswâ had geknield toen zij in Medina aankwamen, meteen van de eigenaars kopen. De eigenaars wilden haar hem graag schenken en zeiden: “Yâ Rasûlallah! De prijs ervan verwachten wij alleen van Janâb-i Haqq. Wij schenken u deze plaats om het welbehagen van Allah.” Toch aanvaardde onze Meester het geschenk niet en betaalde hun de prijs ruimschoots.1

Terwijl aan de ene kant het terrein werd geëffend en in orde gebracht, werden aan de andere kant leemtegels gevormd en stenen aangesleept. Ten slotte, toen alle voorbereidingen getroffen waren, kwam men bijeen om de fundering te leggen. De eerste steen van de fundering legde Muhammad Mustafâ (sallallâhu ta’âlâ ’alayhi wa sallam) met zijn gezegende handen. Daarna zei hij achtereenvolgens: “Laat Abû Bakr zijn steen naast mijn steen leggen! Laat ’Umar zijn steen naast de steen van Abû Bakr leggen! Laat ’Uthmân zijn steen naast de steen van ’Umar leggen! Laat ’Alî zijn steen naast de steen van ’Uthmân leggen!” Nadat zijn bevelen waren uitgevoerd, zei hij tegen de Metgezellen die daar waren: “Leg ook jullie je stenen.” En zij begonnen ze te leggen.

Bij de bouw van de moskee werkten alle Metgezellen, met onze geliefde Profeet voorop, zonder ophouden en zonder rust. Zij droegen stenen en leemtegels op hun gezegende rug. Met steen trokken zij de fundering anderhalve meter op en daarboven metselden zij muren van leemtegels. Op een dag droeg onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) een leemtegel. Een van zijn Metgezellen kwam bij hem en zei uiterst beleefd: “Yâ Rasûlallah! Staat u mij toe de leemtegel te dragen?” Het Zegel der Profeten zei tegen hem met een nog grotere hoffelijkheid dat hijzelf er meer behoefte aan had beloning (thawâb) te verdienen, en gaf hem de leemtegel niet. Hij raadde hem aan zelf ook een steen te gaan halen.

Onze Meester Rasûlullah was een van degenen die het hardst werkten bij de bouw van de Masjid an-Nabawî. Hij nam de zwaarste rotsblokken op zich en bracht ze, met zijn gezegende borst zwaar hijgend, naar de metselaars. Terwijl hij deze stenen en leemtegels droeg, sprak hij over de waarde van het werk dat werd verricht, kondigde hij de gunsten aan die men zou ontvangen en spoorde hij zijn Metgezellen aan.

Toen de moslims deze inzet van onze Meester zagen, werkten zij met grote liefde. Terwijl ieder één leemtegel droeg, droeg ’Ammâr ibn Yâsir er zelfs twee – een voor onze Meester de Profeet en een voor zichzelf. Toen onze Meester Rasûlullah dit zag, ging hij naar hem toe. Hij streek met zijn gezegende hand over de rug van ’Ammâr en zei: “O zoon van Sumayya! Jij hebt twee beloningen, de anderen één!”

De muren van de moskee waren snel voltooid, en zij werd overdekt. De kamers waren volgens Arabisch gebruik van takken van dadelpalmen gemaakt en van boven met vilt van haar bedekt. Voor de deuren hing alleen een gordijn. De kamers lagen aan de zuidoost- en aan de noordkant van de moskee. Bij de meeste kwam de deur uit op de moskee. Het plafond was een span hoger dan een man van gemiddelde lengte. Tussen de kamer van Fâtima en die van ’Âisha was een deur. Bovendien werden tegen de moskee aan voor onze Meester Rasûlullah twee kamers van leemtegels gebouwd. Ook die werden met stammen en takken van dadelpalmen overdekt. Na verloop van tijd werden deze kamers tot negen uitgebreid. Toen de bouw van de moskee voltooid was, verhuisde onze Meester de Profeet van het huis van Khâlid ibn Zayd naar het huis dat voor hem gebouwd was.2

“De gelovigen zijn slechts broeders” Hujurât: 10

YÂ RASÛLALLAH!
Wat de minnaars altijd waanzinnig maakt van verlangen,
– dat is uw gelaat, yâ Rasûlallah.
Wat hen ’s morgens en ’s avonds van smart doet zuchten,
– dat is het verlangen naar u, yâ Rasûlallah!
Wat dag en nacht klagen tot mijn bezigheid maakt,
Wat mijn hart in het vuur van verlangen doet branden,
Wat mijn ogen onophoudelijk doet wenen,
– dat is de scheiding van u, yâ Rasûlallah!
De gunst van Allah die de asfiyâ aanschouwden,3
De vreugde en zuiverheid die de awliyâ smaakten,4
De verhevenheid die de profeten bereikten, o vorst,
– dat is uw glorie, uw grootheid, yâ Rasûlallah!
Heb erbarmen met mij, de vreemdeling, de zwerver;
Ik ben schuldig: ontferm u over dit zwartgeworden gezicht;
Mededogen tonen met de verlatene en de hulpeloze
– dat is uw gewoonte, yâ Rasûlallah!
O voorspreker van de zondaars, nûr van de Ene,
Nasûhî is uw eigen dienaar: verstoot hem niet.
Wees edelmoedig, wijs hem niet af van de deur van uw gunst:
Hij behoort tot uw umma, yâ Rasûlallah!
Nasûhî Üsküdârî

De klacht van de dadelpalmstam

In de Masjid an-Nabawî stond een dadelpalmstam in de grond. Op vrijdagen hield onze Meester de Profeet de khutba terwijl hij tegen deze pilaar van de moskee leunde, die Hannâna heette.

Later liet hij een minbar met drie treden maken. Op een vrijdag waren onze Meester Rasûlullah en de Metgezellen in de Masjid an-Nabawî bijeengekomen. Toen onze Meester voor de khutba de nieuwe minbar beklom, begon de droge dadelpalmstam waartegen hij vroeger had geleund te huilen en te kreunen, met een geluid dat deed denken aan het huilen van een drachtige kameel, zo luid dat iedereen het hoorde. Alle Metgezellen luisterden verbaasd naar dit geluid. Maar het geluid hield maar niet op. Toen daalde de Meester der werelden van de minbar af en streelde de stam met zijn gezegende handen. Op hetzelfde moment hielden het huilen en het kreunen op. Toen de Metgezellen deze liefde en dit verlangen van de droge dadelpalmstam voor onze Profeet zagen, konden zij hun tranen niet bedwingen.

Over deze gebeurtenis zei Anas ibn Mâlik: “Zelfs de moskee beefde van zijn geluid,” en Ibn Abî Wadâ’a zei: “De dadelpalmstam spleet en kwam van zijn plaats los. Pas toen onze Meester Rasûlullah kwam en zijn gezegende hand erop legde, zweeg hij.”

Onze Meester de Profeet zei: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens macht mijn ziel is, dat hij, als ik hem niet had gestreeld, uit verlangen en verdriet om mij tot de Dag des Oordeels zo zou zijn blijven huilen.” In een andere overlevering wordt het volgende verteld: de Rasûl ’alayhis-salâm wendde zich tot de droge dadelpalmstam en zei: “Als je wilt, breng ik je terug naar de tuin waar je stond. Dan krijg je opnieuw takken en bladeren en word je weer zoals vroeger. Als je wilt, plant ik je in het Paradijs, zodat de vrienden van Allâhu ta’âlâ van je vruchten eten.” Onze Meester Rasûlullah luisterde naar hem en hoorde hem zeggen: “Plant mij in het Paradijs, zodat de vrienden van Allâhu ta’âlâ van mij eten en ik op een plaats ben waar ik niet oud word en niet verga.” Ook wie bij onze Meester de Profeet waren, hoorden deze woorden van de boom. Daarop antwoordde onze Meester Rasûlullah hem: “Ik zal doen wat je wenst.” Daarna wendde hij zich tot zijn Metgezellen en zei: “Hij heeft de blijvende woning (dâr al-baqâ) verkozen boven de vergankelijke woning (dâr al-fanâ, deze wereld).”5 Vervolgens werd de dadelpalmstam op bevel van Rasûlullah begraven.

De komst van de gezinsleden naar Medina

Toen de Vorst der wereld (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) en Abû Bakr emigreerden, hadden zij hun kinderen in Mekka achtergelaten. In een hadîth sharîf die imam Bukhârî overlevert, vertelde ‘Âisha dat onze Meester Rasûlullah tegen haar zei: “O ‘Âisha! Jij bent mij tweemaal in een droom getoond. Het was alsof ik jouw beeltenis zag op een stuk groene zijden stof, en mij werd gezegd: ‘Zij die op deze beeltenis staat, is je toekomstige echtgenote.’” Na deze droom (een jaar na het overlijden van onze moeder Khadîja) waren onze Meester de Profeet en onze moeder ‘Âisha, toen zij nog in Mekka waren, verloofd. Maar de bruiloft had nog niet plaatsgevonden. Onze moeder ‘Âisha vertelde het als volgt: “Toen Rasûlullah naar Medina emigreerde, liet hij ons en zijn dochters in Mekka achter. Nadat hij Medina met zijn komst had vereerd, stuurde hij zijn vrijgelaten slaaf Zayd ibn Hâritha en Abû Râfi’ naar ons toe, met twee kamelen en 500 dirham reisgeld om te kopen wat nodig mocht zijn.

Mijn vader stuurde ook ‘Abdullah ibn Urayqit met twee of drie kamelen met hen mee, en schreef mijn broer ‘Abdullah een brief waarin hij hem opdroeg mijn moeder, mij en mijn zuster Asmâ op de kamelen te zetten en ons te laten vertrekken. Ik, mijn moeder Umm Rûmân, de dochters van Rasûlullah Fâtimat az-Zahrâ en Umm Kulthûm, zijn vrouw Sawda, en verder Umm Ayman en Usâma gingen allen samen op weg. Toen wij bij de plaats Qudayd kwamen, kocht Zayd met de 500 dirham nog drie kamelen. Ook Talha ibn ‘Ubaydullah sloot zich bij de karavaan aan. Toen wij vanaf Minâ bij een plaats kwamen die Bayd heette, sloeg mijn kameel op hol. Ik zat in de draagstoel. Mijn moeder was naast mij. Mijn moeder raakte in paniek en riep: ‘Wee, mijn dochtertje! Wee, mijn bruidje!’ Allâhu ta’âlâ bracht onze kameel tot rust en redde ons. Ten slotte kwamen wij in Medina aan. Ik stapte af bij de familie van mijn vader. De familie van onze Meester Rasûlullah stapte af voor zijn kamers.”

“Als ik hem (Hannâna) niet had omarmd, zou hij om de scheiding van mij tot de Dag des Oordeels hebben gehuild” Hadîth sharîf

Onze moeder ’Âisha woonde een tijdlang in het huis van haar vader Abû Bakr. Hun bruiloft vond plaats na de Slag bij Badr.

Hoe gelukkig is de mens
Wiens lectuur de Qur’ân is!
Die, wanneer hij adhân en iqâma hoort,
Een hart vol îmân heeft!

Adhân-i Muhammadî

Nadat de Masjid an-Nabawî was gebouwd, was er geen manier om op de gebedstijden bekend te maken dat de tijd was aangebroken en de moslims naar de moskee te roepen. Men riep alleen: “As-salâtu jâmi’a (Kom naar het gebed)”.

Op een dag beraadslaagde onze Meester Rasûlullah met zijn Metgezellen en vroeg hun hoe de gelovigen op de gebedstijden naar de moskee geroepen moesten worden. Sommigen stelden voor om, net als de christenen, de nâqûs, dat wil zeggen de klok, te luiden om de gebedstijden bekend te maken; anderen wilden, net als de joden, op een hoorn blazen. Weer anderen gaven hun mening met de woorden: “Laten wij op de gebedstijd een vuur aansteken en het omhoog heffen.” Onze Meester Rasûlullah aanvaardde geen van deze voorstellen.6

’Abdullah ibn Zayd ibn Tha’laba en ’Umar zagen in een droom dat de adhân werd geroepen. ’Abdullah ging naar onze geliefde Profeet en vertelde zijn droom als volgt: “Ik zag een man die een groene sjaal en een lendendoek om had en een klok in zijn hand hield. Ik vroeg hem: ‘Verkoop je de klok die je in je hand hebt?’ Hij zei tegen mij: ‘Wat ga je ermee doen?’ Toen ik zei: ‘Ik ga hem luiden om de gebedstijden bekend te maken,’ antwoordde die man: ‘Ik zal je iets beters leren,’ en hij wendde zich naar de qibla en begon met luide stem te roepen: ‘Allâhu akbar, Allâhu akbar…’ Toen hij klaar was, zei hij: ‘En ook wanneer je opstaat voor het gebed,’ en hij herhaalde de adhân en voegde tegen het einde de zin ‘Qad qâmatis-salâh’ toe.”

Daarop zei onze Meester Rasûlullah: “De droom is waar. Leer die woorden aan Bilâl, zodat hij ze roept!” Dit kreeg de naam adhân.7

Bilâl klom op een hoog dak dicht bij de gezegende moskee en riep de eerste adhân met de woorden die hem geleerd waren.

Toen ’Umar de klank van de adhân hoorde, kwam hij haastig naar onze Meester Rasûlullah. Hij vertelde dat hij precies de woorden die Bilâl had gezegd in zijn droom had gezien. Die nacht hadden ook enkele van de Metgezellen dezelfde droom gehad. Juist toen werd het negende edele vers van soera al-Jumu’a geopenbaard, en zo werd het ook door openbaring bekendgemaakt.

Op een dag riep Bilâl Habashî ten tijde van het ochtendgebed voor de deur van onze geliefde Profeet tweemaal: “As-salâtu khayrun minan-nawm.”8 Dit beviel onze Meester de Profeet. Hij zei: “Bilâl, wat een mooi woord! Zeg dit ook wanneer je de adhân van de ochtend roept.” Zo begon men deze woorden ook in de adhân van de ochtend te zeggen.

Bilâl Habashî, die tot het overlijden van onze Profeet muezzin was, had een krachtige, zeer mooie en uiterst ontroerende stem. Wanneer hij de adhân begon te roepen, luisterde iedereen vol liefde en vervoering en raakte buiten zichzelf. Wanneer hij de adhân riep, deed hij iedereen wenen.

Dat de Metgezellen elkaar op de gebedstijden met de Adhân-i Muhammadî naar de moskee riepen, kwam de afgodendienaren en de joden van Medina zeer vreemd voor. Wanneer de adhân werd geroepen, dreven zij er de spot mee en maakten er een vermaak van. Tegen deze bespotting zei Allâhu ta’âlâ in de Qur’ân al-karîm in betekenis: “Wanneer jullie met de adhân tot het gebed oproepen, maken zij het tot een spel en een vermaak. Dat is omdat zij een volk zijn dat geen verstand heeft.”9

De muezzin riep, stond op en sprak de iqâma uit,
Wendde zijn gezicht naar de Ka’ba en maakte de intentie.
De mensen van îmân hoorden het en luisterden vol eerbied,
Toen stonden zij op voor het gebed en dienden hun Heer.

Ashâb-i Suffa

Onze Meester de Profeet liet tegen de noordmuur van de Masjid an-Nabawî een afdak van dadelpalmtakken maken. Hij beval dat de ongehuwde Metgezellen die uit Mekka waren geëmigreerd en geen bezit of eigendom hadden, daar zouden wonen.10 Deze ongehuwde Metgezellen leefden samen met de armen van de Ansâr en de Muhâjirûn onder het grote afdak dat Suffa werd genoemd, naast de Masjid an-Nabawî, en hielden zich bezig met het leren en onderwijzen van kennis. Hun aantal varieerde tussen tien en vierhonderd. Meestal waren het er zeventig. Deze Metgezellen weken nooit van de zijde van onze Meester Rasûlullah en misten geen enkele van zijn samenzijnen. Dag en nacht reciteerden zij de Qur’ân al-karîm, verwierven zij kennis en leerden zij de hadîths sharîf uit het hoofd. De meeste dagen brachten zij vastend door, en geen ogenblik lieten zij aanbidding en gehoorzaamheid na. Wie hier werd gevormd, werd naar stammen gezonden die pas moslim waren geworden en onderwees hun de Qur’ân al-karîm en de gezegende sunna, dat wil zeggen de religie van de islam. Deze gezegende Metgezellen, die buitengewoon veel deugden bezaten, waren een groot leger van kennis (’irfân). Onze Meester de Profeet hield veel van hen, zat met hen samen en at met hen. Wie daar woonde, werd Ashâb-i Suffa genoemd. Op een dag keek onze Meester Rasûlullah naar de Ashâb-i Suffa en bedacht hoe uiterst arm zij waren. Ondanks deze toestand aanbaden zij met rust en helderheid in hun hart. Onze Meester de Profeet kreeg mededogen met hen en zei: “O mensen van de Suffa! Verheug jullie! Als er iemand van mijn umma overblijft die tevreden is met de zware omstandigheden waarin jullie leven, dan behoort hij zeker tot mijn vrienden.”

“Wanneer jullie met de adhân tot het gebed oproepen, maken zij het tot een spel en een vermaak. Dat is omdat zij een volk zijn dat geen verstand heeft” Mâ’ida: 58

Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) voorzag vóór alles in de behoeften van deze uitgelezen Metgezellen en probeerde pas daarna in die van zijn Ahl al-Bayt te voorzien. Abû Hurayra vertelde: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, buiten Wie er geen god is, dat ik soms van honger met mijn buik tegen de grond lag, en soms een steen die ik van de grond had opgeraapt tegen mijn buik drukte. Ik was weer in zo’n toestand. Die dag ging ik zitten aan de weg waarlangs Rasûlullah naar de moskee ging. Op dat moment kwam het sieraad van de beide werelden, die als barmhartigheid voor de werelden is gezonden, nûr verspreidend naar mij toe. Hij begreep mijn toestand, glimlachte en zei: ‘O Abû Hurayra!’ Toen ik zei: ‘Moge mijn leven voor u geofferd worden, tot uw dienst, yâ Rasûlallah!’, zei hij: ‘Kom met mij mee.’ Meteen liep ik achter hem aan. Hij ging zijn gezegende huis binnen. In huis stond een beker melk. Hij zei: ‘Ga naar de mensen van de Suffa. Roep hen voor mij.’ Terwijl ik hen ging roepen, dacht ik bij mijzelf: ‘Hoe kan één beker melk genoeg zijn voor alle mensen van de Suffa? Zal er voor mij ook maar een slok overblijven?..’ Ik riep hen, wij kwamen naar het gezegende huis, vroegen toestemming en gingen naar binnen. Nadat zij op passende plaatsen waren gaan zitten, zei onze Meester Rasûlullah: ‘O Abû Hurayra! Neem deze beker melk en geef hun te drinken!’ Ik nam de beker en gaf hem de een na de ander aan mijn metgezellen. Ieder nam de beker, dronk tot hij verzadigd was en gaf hem aan mij terug. Telkens wanneer ik hem terugkreeg, zag ik dat de beker in het geheel niet minder was geworden en nog steeds vol melk was. Zo bood ik hem aan alle metgezellen aan die gekomen waren. Allen dronken en werden verzadigd. Daarna nam Rasûlullah (sallallâhu ‘alayhi wa sallam) de beker, glimlachte naar mij en zei: ‘O Abû Hurayra! Alleen ik en jij hebben nog geen melk gedronken. Kom, ga ook jij zitten en drink!’ Ik ging zitten en dronk. Hij zei: ‘Drink nog eens!’, en ik dronk. Onze Meester zei verscheidene malen: ‘Drink!’, en iedere keer dronk ik. Ten slotte zei ik: ‘Mogen mijn vader en mijn moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Ik kan niet meer drinken. Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die u met de ware religie heeft gezonden, dat ik helemaal verzadigd ben.’ Hij zei: ‘Geef mij dan de beker.’ Ik gaf hem de beker. Hij bracht Allâhu ta’âlâ lof en lofprijzing, sprak de basmala uit en dronk de melk.”

De Metgezellen uit Medina koesterden een ongekende liefde voor deze voortreffelijke Metgezellen, die in de moskee kennis verwierven zonder ook maar één samenzijn met onze Meester Rasûlullah te missen. Op een avond kwam een Metgezel van de Suffa, die van honger geen kracht meer had, bij onze Meester Rasûlullah en legde hem zijn toestand voor. Onze Meester de Profeet liet in zijn gezegende huis vragen of er iets te eten was. Toen hij het antwoord kreeg: “Op dit moment is er in huis niets te eten behalve water,” zei hij tegen de Metgezellen die aanwezig waren: “Wie neemt deze hongerige als gast op?” Een van de Metgezellen uit Medina was iedereen voor en zei: “Mogen mijn vader en mijn moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Ik zal hem onthalen.” Hij ging met zijn gast naar huis en zei tegen zijn vrouw: “Maak iets klaar om de gast van onze Meester Rasûlullah te onthalen.” Zijn vrouw antwoordde: “Op dit moment hebben wij in huis niets anders dan het eten van de kinderen.” De Metgezel zei: “Laat de kinderen eerst slapen. Breng dan dat eten,” en met het eten, dat maar voor één persoon genoeg was, ging hij de kamer van de gast binnen. Hij dekte de tafel en nodigde hem uit te eten. Nadat zij samen begonnen waren te eten, stond hij op, deed alsof hij de lamp bijstelde en doofde haar. In het donker ging hij weer aan tafel zitten. Hij deed alsof hij at en wachtte tot de gast verzadigd was. Toen de gast verzadigd was, ruimde hij de tafel af. Die nacht brachten hij en zijn kinderen hongerig door tot de ochtend. Toen zij ’s morgens bij onze Meester de Profeet kwamen, zei hij: “Allâhu ta’âlâ is tevreden over wat jullie vannacht hebben gedaan.” Daarop openbaarde Allâhu ta’âlâ het negende edele vers van soera al-Hashr en zei in betekenis: “Zij (de Ansâr) stellen hen (de Muhâjirûn) boven zichzelf, ook al verkeren zij zelf in armoede en nood.”

Versregel:

Wat het ook zij, over de Vriend spreken is het zoetst!

Het samenzijn met de Sultan der harten

De Trots van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) hield in de Masjid an-Nabawî samenzijnen (suhba) zonder weerga om zijn Metgezellen te vormen en te vervolmaken, en liet de geestelijke gaven (fayd) en zegeningen die Allâhu ta’âlâ hem had geschonken in hun harten stromen. Wie de eer had aan de samenzijnen van onze Meester de Profeet deel te nemen, voelde al bij het eerste samenzijn een grote verandering in zijn hart en bereikte zeer hoge goddelijke kennis (ma’rifa). Door de zegen van deze samenzijnen kwamen de Metgezellen ertoe eerst onze geliefde Profeet en daarna al hun medemetgezellen meer lief te hebben dan hun eigen leven. Allâhu ta’âlâ heeft hen in edele verzen geprezen. In het bijzijn van onze Meester Rasûlullah zaten zij zeer eerbiedig en aandachtig, alsof er een vogel op hun hoofd was neergestreken die bij de minste beweging zou wegvliegen. Zo werden de Metgezellen na de profeten en de grote engelen de voortreffelijkste en verhevenste van alle schepselen. Onze Meester Rasûlullah legde zijn Metgezellen de geboden en verboden van onze religie tot in de kleinste bijzonderheden uit en onderwees hun die: de zuilen van het geloof en van de islam; alle voorschriften over het gebed, het vasten, de hajj en de zakât; de exegese (tafsîr) van de edele verzen; de voedingsmiddelen en kledingstukken die harâm en halâl zijn; eden, geloften (nadhr)11 en zoenoffers (kaffâra); de kennis van koop en verkoop; de etiquette van eten en drinken, kleden, bezoeken en spreken en groeten; de betrekkingen van buren, verwanten en vrienden; de voorschriften over huwelijk, onderhoud (nafaqa), opvolging en erfenis; rechtszaken, straffen, overeenkomsten en vennootschappen; kennis over gezondheid en hygiëne; de strijd met de vijand en het oorlogsrecht… kortom, alle kennis van de religie van de islam over het hiernamaals en deze wereld, van a tot z, zo dat iedereen het kon begrijpen; en een zaak die hij belangrijk vond, herhaalde hij driemaal.12 De kennis die de vrouwen betrof, onderwees hij door middel van zijn gezegende echtgenotes.

De hadîth van Jibrîl

De heldhaftige imam van de moslims, een van de verhevensten van de Metgezellen, bekend als iemand die altijd de waarheid sprak, onze geliefde grote voorganger ’Umar ibn Khattâb radiyallâhu ’anh zegt:

– Het was zo’n dag: enkelen van ons, Metgezellen, waren in het bijzijn en in de dienst van onze Meester Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam). Die dag, dat uur, was een zo eervolle, zo kostbare dag die men nooit meer terugkrijgt. Die dag viel het ons ten deel aanwezig te zijn bij het samenzijn met Rasûlullah, de eer te hebben bij hem te zijn en zijn schone gelaat te zien, dat voedsel is voor de zielen en vreugde en geluk schenkt aan de harten. (Om de eer en de waarde van deze dag uit te drukken, zei hij: “Het was zo’n dag …”. Kan er een tijd zo eervol en kostbaar zijn als een dag waarop het iemand ten deel valt Jibrîl ’alayhis-salâm in mensengedaante te zien, zijn stem te horen en de kennis die de dienaren nodig hebben op een zeer mooie en duidelijke manier uit de gezegende mond van Rasûlullah te horen?)

“O mensen van de Suffa! Verheug jullie! Als er iemand van mijn umma overblijft die tevreden is met de zware omstandigheden waarin jullie leven, dan behoort hij zeker tot mijn vrienden” Hadîth sharîf

Op dat moment kwam er iemand naar ons toe als een opkomende maan. Zijn kleding was heel wit en zijn haar heel zwart. Aan hem waren geen tekenen van een reis te zien, zoals stof, aarde of zweet. Niemand van ons, de Metgezellen van Rasûlullah, kende hem. Dat wil zeggen: hij was niet iemand die wij gezien hadden of kenden. Hij ging tegenover Rasûlullah zitten. Hij bracht zijn knieën tegen diens gezegende knieën. (Hij die kwam, was Jibrîl. Hij had mensengedaante aangenomen. Dat Jibrîl ’alayhis-salâm zo ging zitten, was om iets belangrijks bekend te maken. Dat wil zeggen: het toont dat het niet juist is zich te schamen om religieuze kennis te leren, en dat trots en hoogmoed tegenover de leermeester niet passen. Met deze houding leerde Jibrîl ’alayhis-salâm de Metgezellen dat ieder wat hij van de religie wil leren vrijuit en zonder schroom aan de leraren moet vragen. Want het is niet juist zich te schamen bij het leren van de religie, en ook niet zich te generen bij het vervullen van het recht van Allâhu ta’âlâ, bij het onderwijzen en bij het leren.)

Die eerbiedwaardige man legde zijn handen op de gezegende knieën van Rasûl-i akram en zei: “Yâ Rasûlallah! Leg mij de islam uit, wat het is moslim te zijn.”

Rasûl-i akram zei: “De eerste van de zuilen van de islam is het uitspreken van de kalima-i shahâda. (Het uitspreken van de kalima-i shahâda betekent zeggen: ‘Ash-hadu an lâ ilâha illallâh wa ash-hadu anna Muhammadan ‘abduhû wa rasûluh’. Dat wil zeggen dat iemand die verstandig en geslachtsrijp is en kan spreken, zegt: ’Op aarde en in de hemel is er buiten Hem niets en niemand die het waard is aanbeden en gediend te worden.

De ware Aanbedene (ma’bûd) is alleen Allâhu ta’âlâ. Hij is wâjib al-wujûd. Alle volmaaktheid is in Hem. In Hem is geen enkel gebrek. Zijn naam is Allah,’ en dat hij dit met zijn hart vast gelooft. En verder dat hij zegt: ‘Die verheven persoon die Muhammad heet, de zoon van ‘Abdullah, uit het nageslacht van Hâshim – met een rozekleurig, wit en rood, stralend en innemend gezicht, met zwarte wenkbrauwen en zwarte ogen, met een open, gezegend voorhoofd, met een goed karakter, wiens schaduw niet op de grond viel, met een lieflijke spraak, die Arabier wordt genoemd omdat hij in Arabië, in Mekka, werd geboren – is de dienaar en de rasûl, dat wil zeggen de profeet, van Allâhu ta’âlâ.’)

Verder is het het gebed verrichten wanneer de tijd ervan gekomen is. De zakât van het bezit geven. In de gezegende maand Ramadân iedere dag vasten. De hajj eenmaal in het leven verrichten, voor wie daartoe in staat is.”

Toen die man deze antwoorden van Rasûlullah hoorde, zei hij: “U hebt de waarheid gesproken, yâ Rasûlallah!” Wij, de toehoorders, verbaasden ons over deze woorden van hem en zeiden: “Hij vraagt het en hij bevestigt het ook nog!”

Deze man zei opnieuw: “Yâ Rasûlallah! Maak mij ook bekend wat îmân is.” (In deze hadîth sharîf moet men niet denken aan de taalkundige betekenis van îmân. Want omdat de taalkundige betekenis ervan ‘bevestigen en geloven’ is, was er zelfs onder de onwetende Arabieren niemand die deze betekenis niet kende. Laat staan dat de Metgezellen (radiyallâhu ta’âlâ ’anhum ajma’în) haar niet zouden kennen. Jibrîl ’alayhis-salâm wilde de Metgezellen de betekenis van îmân leren. Hier wordt gevraagd wat in de islam îmân wordt genoemd.) Rasûlullah (sallallâhu ’alayhi wa sallam) maakte bekend dat îmân het geloven in zes bepaalde dingen is, met de woorden: “Het is geloven, allereerst in Allâhu ta’âlâ, in Zijn engelen, in Zijn Boeken, in Zijn rasûls, in de Laatste Dag, in de qadar (de voorbeschikking), en dat het goede en het kwade van Allâhu ta’âlâ komen.” Die man bevestigde het opnieuw en zei: “U hebt de waarheid gesproken.”

Daarna zei hij nogmaals: “Yâ Rasûlallah! Maak mij ook bekend wat ihsân is.” Onze Meester Rasûlullah zei: “Het is dat je Allâhu ta’âlâ aanbidt alsof je Hem ziet. Want ook al zie jij Hem niet, Hij ziet jou zeker.” Die man zei opnieuw: “Yâ Rasûlallah! Vertel mij over de Opstanding (qiyâma)!” De Rasûl ’alayhis-salâm zei: “In deze zaak weet degene die gevraagd wordt niet meer dan degene die vraagt.” De man zei nogmaals: “Maak mij dan haar tekenen bekend.” Onze Meester Rasûlullah zei: “Dat slavinnen hun meesters baren, en dat je ziet hoe barrevoetse, naakte, arme herders (rijk geworden) met elkaar wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.” Daarna draaide hij zich om en ging weg. Rasûlullah wendde zich tot mij en vroeg: “O ’Umar! Weet je wie degene was die vroeg?” Ik antwoordde: “Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl weten het best.” Toen zei Rasûlullah: “Dat was Jibrîl. Hij kwam om jullie je religie te leren.”13 Onze Meester de Profeet legde zijn Metgezellen de dingen uit naar hun rang in de religie, zo dat zij het konden begrijpen.

Op een dag zag ’Umar, een van de verhevensten van de Metgezellen, op weg naar de moskee, dat onze Meester Rasûlullah Abû Bakr as-Siddîq iets uitlegde. Hij ging bij hen zitten en luisterde. Anderen zagen het ook, maar durfden niet dichterbij te komen om te luisteren. Toen zij ’Umar de volgende dag zagen, zeiden zij tegen hem: “O ’Umar! Gisteren legde Rasûlullah jullie iets uit. Vertel het, zodat ook wij het leren.” Want onze Meester Rasûlullah zei altijd: “Vertel wat jullie van mij horen ook aan jullie broeders in de religie! Laat het elkaar horen!” ’Umar zei: “Gisteren had Abû Bakr gevraagd naar de betekenis van een edel vers van de Qur’ân al-karîm die hij niet had kunnen begrijpen, en Rasûlullah legde het hem uit. Ik heb een uur geluisterd en heb er niets van begrepen.” Want hij legde het uit naar de hoge rang van Abû Bakr. ’Umar was zo verheven dat onze Meester Rasûlullah over hem zei: “Ik ben de laatste van de profeten. Na mij komt er geen profeet. Als er na mij een profeet zou komen, zou ’Umar profeet zijn.” Hoewel hij zo verheven was en het Arabisch, zijn moedertaal, zeer goed kende, begreep hij de exegese van de Qur’ân al-karîm die aan Abû Bakr werd uitgelegd niet. De rang van Abû Bakr was veel hoger dan de zijne. Abû Bakr, en zelfs Jibrîl ’alayhis-salâm, vroegen Rasûlullah naar de betekenis en de geheimen van de Qur’ân al-karîm. Rasûlullah heeft de exegese van de hele Qur’ân al-karîm aan zijn Metgezellen meegedeeld.

Zoals onze geliefde Profeet zijn Metgezellen de religie onderwees, zo sprak hij ook recht in rechtszaken, hoorde hij getuigen en beslechtte hij de moeilijkste geschillen; hij deed grote moeite om de islam bekend te maken en te verbreiden en om nog één mens meer van het vuur van de Hel te redden; met zijn gedrag en zijn daden was hij de mensen tot voorbeeld; en hij zorgde er ook voor dat de nodige maatregelen werden getroffen om de gelovigen tegen het kwaad van de afgodendienaren te beschermen.

“O ’Umar! Weet je wie degene was die vroeg? Dat was Jibrîl. Hij kwam om jullie je religie te leren” Hadîth sharîf

O schoonheid die het licht bent van de ogen van de awliyâ,
Sta mij bij, o bron van de nûr van Allah!
Het stof van uw voeten is kohl voor de ogen van de asfiyâ,
Sta mij bij, o bron van de nûr van Allah!
Zonder u bereikt niemand de Haqq;
Door de gave van uw gunst wordt de mens aanvaard;
U bent “een barmhartigheid voor de werelden”, o Rasûl,
Sta mij bij, o bron van de nûr van Allah!
Zonden en misstappen heb ik zonder tal begaan,
Ik werd de gezel van hen die hun begeerten volgen;
Wees voorspraak voor mijn ongehoorzaamheid, o Edelmoedige,
Sta mij bij, o bron van de nûr van Allah!
O schatkamer van vrijgevigheid, Rasûl van de Almachtige,
Deze Selîmî vol fouten, de geringste van uw dienaren,
Zoekt toevlucht aan uw drempel en vraagt een gave:
Sta mij bij, o bron van de nûr van Allah!
Yavuz Sultan Selim (Selîmî)