DE SULTAN VAN HET UNIVERSUM, ONZE MEESTER DE PROFEET
Muhammad ’alayhis-salâm is de habîb (geliefde) van Allâhu ta’âlâ; hij is in elk opzicht de verhevenste, de mooiste en de eervolste van alle geschapen mensen en van de overige schepselen. Hij is de laatste en verhevenste Profeet, die Allâhu ta’âlâ heeft geprezen en die Hij als profeet voor alle mensen en de jinn heeft uitgekozen en gezonden.
Hij is gezonden als barmhartigheid voor de werelden, en alles is omwille van hem geschapen. Zijn gezegende naam is Muhammad, wat “hij die keer op keer geprezen wordt, de zeer veel geroemde” betekent. Hij heeft ook andere gezegende namen, zoals Ahmad, Mahmûd, Mustafâ. De naam van zijn vader was ’Abdullah; hij werd geboren 53 (51 volgens de zonnekalender) jaar vóór de Hijra, op de twaalfde van de maand Rabî’ al-awwal, in de nacht van zondag op maandag, tegen het ochtendgloren, in Makka al-Mukarrama. De geschiedschrijvers maken bekend dat deze dag overeenkomt met twintig april van het jaar 571 n.Chr.
Enkele maanden vóór zijn geboorte overleed zijn vader ’Abdullah; toen hij zes jaar was, overleed zijn moeder Âmina. Daarom kreeg onze Meester de Profeet ook de bijnaam “Durr-i Yatîm” (de enige, grote en kostbaarste parel in de parelmoerschelp van het universum). Tot zijn achtste jaar woonde hij bij zijn grootvader ’Abdulmuttalib en na diens dood bij zijn oom Abû Tâlib. Op vijfentwintigjarige leeftijd trouwde hij met onze moeder Khadîjat al-Kubrâ. Zijn eerste zoon uit dit huwelijk heette Qâsim. Bij de Arabieren was het gebruikelijk een man met een kunya naar zijn eerste zoon te noemen. Daarom werd onze Profeet “Abu’l-Qâsim” genoemd, dat wil zeggen “vader van Qâsim”.
Op veertigjarige leeftijd maakte Allâhu ta’âlâ hem bekend dat hij profeet was voor alle mensen en de jinn. Drie jaar later begon hij iedereen tot het geloof op te roepen. Toen hij tweeënvijftig was, vond de Mi’râj plaats.1 In het jaar 622 n.Chr., op 53-jarige (51 volgens de zonnekalender) leeftijd, emigreerde hij van Mekka naar Medina. Hij voerde zevenentwintig keer strijd: in negen daarvan viel hij aan als gewoon soldaat, in de overige trad hij op als opperbevelhebber. Hij overleed in het jaar 11 van de Hijra (632 n.Chr.), op de twaalfde van de maand Rabî’ al-awwal, op een maandag vóór de middag, op 63-jarige (61 volgens de zonnekalender) leeftijd, in Madîna al-Munawwara.
Hoewel Allâhu ta’âlâ al Zijn profeten bij hun naam aansprak, eerde Hij hem met de aanspreking “Mijn Habîb” (Mijn Geliefde). Janâb-i Haqq zei in een edel vers in betekenis2: “Wij hebben jou alleen gezonden als barmhartigheid voor de werelden”3, en in een hadîth qudsî: “Als jij er niet was geweest, als jij er niet was geweest, had Ik de schepselen niet geschapen!”4 Zoals Sayyid ’Abdulhakîm Arwâsî zei: “Iedere profeet staat in zijn eigen tijd en op zijn eigen plaats in elk opzicht boven heel zijn volk. Onze Profeet Muhammad ’alayhis-salâm daarentegen is vanaf de dag waarop de wereld werd geschapen tot de Dag des Oordeels, in alle tijden en in alle landen, in elk opzicht de deugdzaamste en de verhevenste van alle schepselen die gekomen zijn en nog zullen komen. Niemand staat in enig opzicht boven hem. Janâb-i Haqq heeft hem zo geschapen.”
De schepping van zijn gezegende nûr
Vóór alles, dat wil zeggen voordat Hij ook maar iets schiep, schiep Allâhu ta’âlâ de gezegende nûr van onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm. De meeste van onze geleerden van tafsîr en hadîth hebben bekendgemaakt: “Janâb-i Haqq schiep uit Zijn eigen nûr een fijne en grootse substantie (jawhar) en bracht daaruit in de juiste volgorde het hele universum tot bestaan. Deze substantie wordt ‘Nûr-i Muhammadî’ genoemd. Het begin en de oorsprong van alle zielen en lichamen is deze substantie.”
“Als jij er niet was geweest, als jij er niet was geweest, had Ik de schepselen niet geschapen!” Hadîth qudsî
Op een dag vroeg Jâbir ibn ’Abdullah, een van de Metgezellen: “Yâ Rasûlallah! Wat heeft Allâhu ta’âlâ vóór alles geschapen?” Rasûlullah antwoordde: “Vóór alles schiep Hij uit Zijn eigen nûr de nûr van jouw Profeet, dat wil zeggen mijn nûr. In die tijd waren er geen Lawh, geen Qalam, geen Paradijs, geen Hel, geen engel, geen hemelen (samâwât), geen aarde (ard), geen zon, geen maan, geen mensen en geen jinn.”
Toen het hart en het gezegende lichaam van Âdam ’alayhis-salâm werden geschapen, werd de Nûr-i Muhammadî tussen zijn beide wenkbrauwen geplaatst. Toen hem de ziel werd gegeven, merkte Âdam ’alayhis-salâm op dat er op zijn voorhoofd een nûr was die schitterde als de ster Venus.
Toen Âdam ’alayhis-salâm werd geschapen, begreep hij door ingeving dat Janâb-i Haqq hem aansprak met Abû Muhammad, dat wil zeggen vader van Muhammad. Toen Âdam vroeg: “O mijn Heer! Waarom hebt U mij de kunya Abû Muhammad gegeven?”, zei Allâhu ta’âlâ tegen hem: “O Âdam! Hef je hoofd op!” Âdam ’alayhis-salâm hief zijn hoofd op en keek: op de ’Arsh-i a’lâ5 zag hij, met nûr geschreven, de naam van onze geliefde Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) – de naam Ahmad. Toen vroeg hij: “O mijn Heer! Wie is dit?” Allâhu ta’âlâ zei: “Dit is een profeet uit jouw nageslacht. Zijn naam is in de hemelen Ahmad en op aarde Muhammad. Als hij er niet was geweest, had Ik jou niet geschapen. Ook de aarde en de hemelen had Ik niet geschapen.”6
Zijn nûr gaat over van reine voorhoofden op reine voorhoofden
Toen Âdam ’alayhis-salâm werd geschapen, werd de gezegende nûr van onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm op zijn voorhoofd geplaatst. Die nûr begon daar te stralen. Zoals in “Tafsîr-i Mazharî” wordt meegedeeld, ging hij vanaf Âdam ’alayhis-salâm over via reine vaders en reine moeders, tot hij bij onze Meester de Profeet aankwam. Allâhu ta’âlâ heeft dit in een edel vers7 in betekenis als volgt bekendgemaakt:
“Jij, dat wil zeggen jouw nûr, werd steeds overgedragen van hen die zich neerbuigen in sajda op hen die zich neerbuigen, tot hij bij jou aankwam.”8
In een hadîth sharîf werd gezegd: “Allâhu ta’âlâ schiep de mensen. Mij bracht Hij voort uit het beste deel van de mensen. Daarna koos Hij het beste van die delen uit (in Arabië). Mij bracht Hij daaruit voort. Daarna koos Hij het beste van de huizen, van de families uit en bracht mij daaruit ter wereld. Daarom zijn mijn ziel en mijn lichaam de beste van de schepselen. Mijn afstamming, mijn voorvaderen zijn de beste van de mensen.”
In een andere hadîth sharîf werd gezegd: “Allâhu ta’âlâ heeft alle dingen uit het niets tot bestaan gebracht. Van alle dingen had Hij de mensen lief en gaf Hij hun waarde; van de mensen vestigde Hij hen die Hij uitkoos in Arabië. Onder de uitverkorenen in Arabië koos Hij mij uit. Hij plaatste mij in iedere tijd onder de uitverkorenen, de besten van de mensen. Wie dus in Arabië hen liefheeft die met mij verbonden zijn, heeft hen lief omwille van mij. Wie vijandschap jegens hen koestert, koestert vijandschap jegens mij.”
Toen Haqq ta’âlâ Âdam had geschapen,
Sierde Hij met Âdam heel deze wereld.
De engelen bogen voor Âdam in sajda neer,
En vele gunsten schonk hem de Heer vol mildheid.
Op zijn voorhoofd legde Hij de nûr van Mustafâ,
En sprak: “Weet, dit is de nûr van Mijn Habîb.”
Die nûr vond op zijn voorhoofd een verblijf,
En bleef daar met hem een lange tijd.
Toen ging hij, weet, over op Hawwâ’s voorhoofd,
En bleef ook daar zoveel maanden en jaren.
Shîth werd geboren – op hem ging de nûr over,
Op zijn voorhoofd schitterde de nûr in glans.
Hij kwam tot Ibrâhîm en ook tot Ismâ’îl,
Zei ik de rest, dan werd het verhaal te lang.
Zo ging hij, als schakels van een keten, ongebroken,
Steeds verder over, tot hij kwam bij Mustafâ.
Toen hij kwam die barmhartigheid is voor de werelden,
Ging de nûr tot hem en vond bij hem zijn rust.
Willen jullie van het vuur gered worden,
Spreek dan met liefde en vurig de salât uit!
“Jij, dat wil zeggen jouw nûr, werd steeds overgedragen van hen die zich neerbuigen in sajda op hen die zich neerbuigen, tot hij bij jou aankwam” Shu’arâ: 219
Omdat Âdam ’alayhis-salâm, de eerste mens die werd geschapen, het deeltje van Muhammad ’alayhis-salâm in zich droeg, straalde de nûr van de Profeet op zijn voorhoofd. Dit deeltje ging over op Hawwâ, van haar op Shîth ’alayhis-salâm, en zo van reine mannen op reine vrouwen en van reine vrouwen op reine mannen. Ook de nûr van Muhammad ’alayhis-salâm ging samen met het deeltje over van reine voorhoofden op reine voorhoofden. Telkens wanneer de engelen naar het gezicht van Âdam ’alayhis-salâm keken, zagen zij op zijn voorhoofd de nûr van Muhammad ’alayhis-salâm en vroegen zij vergeving voor hem (deden zij istighfâr).
Toen Âdam ’alayhis-salâm op het punt stond te overlijden, zei hij tegen zijn zoon Shîth ’alayhis-salâm: “Mijn kind! Deze nûr die op jouw voorhoofd straalt, is de nûr van de laatste Profeet, Muhammad ’alayhis-salâm. Vertrouw hem alleen toe aan gelovige, kuise en reine vrouwen, en laat ook jouw zoon dit als laatste wil na!”
Tot Muhammad ’alayhis-salâm toe lieten alle vaders hun zonen deze laatste wil na. Zij allen volgden die op en trouwden met de edelste en best opgevoede meisjes. Via de reine voorhoofden van mannen en vrouwen bereikte de nûr zijn werkelijke eigenaar. Wanneer een van de voorvaderen van onze Meester Rasûlullah twee zonen had, of wanneer een stam zich in twee takken splitste, bevond de nûr van onze Profeet Muhammad ’alayhis-salâm zich steeds aan de eervolste en voortreffelijkste kant. In iedere eeuw herkende men aan de nûr op zijn gezicht wie zijn voorvader was. Er was een uitverkoren geslacht dat zijn nûr droeg; in iedere eeuw was het gezicht van de man uit dit geslacht bijzonder mooi en vol nûr. Door deze nûr onderscheidde hij zich onder zijn broers, en de stam waartoe hij behoorde stond hoger en was eervoller dan de andere stammen.9
Onze Meester de Profeet zei in een hadîth sharîf: “Geen van mijn voorvaderen heeft ontucht gepleegd. Allâhu ta’âlâ heeft mij ter wereld gebracht uit reine, goede vaders en reine moeders. Als een van mijn voorvaderen twee zonen had, bevond ik mij in de beste, de voortreffelijkste van hen.” Deze nûr, die sinds Âdam ’alayhis-salâm van geslacht op geslacht was overgegaan, kwam bij Târûh, van hem bij zijn zoon Ibrâhîm ’alayhis-salâm, en daarna bij diens zoon Ismâ’îl ’alayhis-salâm. De nûr, die ook op zijn voorhoofd straalde als de zon, ging van zijn nakomelingen over op ’Adnân, van hem op Ma’add en van hem op Nizâr. Toen Nizâr werd geboren, zag zijn vader Ma’add de nûr op het voorhoofd van zijn zoon en verheugde zich; hij gaf een groot feestmaal en zei: “Voor zo’n zoon is dit feestmaal maar weinig” – en daarom bleef zijn zoon Nizâr heten, dat wil zeggen “weinig”. Daarna ging de nûr in volgorde verder over, tot hij zijn werkelijke eigenaar bereikte, het Zegel der Profeten (Khâtam al-Anbiyâ), onze geliefde Profeet Muhammad ’alayhis-salâm.
Onze Meester de Profeet zei in een hadîth sharîf: “Ik ben Muhammad, de zoon van ’Abdullah, van ’Abdulmuttalib, van Hâshim (’Amr), van ’Abdu Manâf (Mughîra), van Qusayy (Zayd), van Kilâb, van Murra, van Ka’b, van Lu’ayy, van Ghâlib, van Fihr, van Mâlik, van Nadr, van Kinâna, van Khuzayma, van Mudrika (’Âmir), van Ilyâs, van Mudar, van Nizâr, van Ma’add, van ’Adnân. Telkens wanneer de gemeenschap waartoe ik behoor zich in tweeën splitste, heeft Allâhu ta’âlâ mij voorzeker in de beste van de twee geplaatst…”10
In een andere hadîth sharîf zei hij: “Allâhu ta’âlâ koos Ismâ’îl uit onder de zonen van Ibrâhîm. Onder de zonen van Ismâ’îl koos Hij de zonen van Kinâna uit. Onder de zonen van Kinâna koos Hij de Quraysh uit. Uit de Quraysh koos Hij de zonen van Hâshim uit. Onder de zonen van Hâshim koos Hij de zonen van ’Abdulmuttalib uit. En onder de zonen van ’Abdulmuttalib koos Hij mij uit.”11
De eervolle afstamming van onze Meester de Profeet tot ’Adnân is als volgt:
Muhammad ’alayhis-salâm ’Abdullah ’Abdulmuttalib (Shayba) Hâshim (’Amr) ’Abdu Manâf (Mughîra) Qusayy (Zayd) Kilâb Murra Ka’b Lu’ayy Ghâlib Fihr Mâlik Nadr Kinâna Khuzayma Mudrika (’Âmir) Ilyâs Mudar Nizâr Ma’add ’Adnân
Zijn grootvader ’Abdulmuttalib
Onze Meester de Profeet (sallallâhu ’alayhi wa sallam) behoort tot de tak van de zonen van Hâshim van de stam Quraysh. Zijn vader is ’Abdullah. De vader van ’Abdullah was Shayba. Shayba, de grootvader van onze Profeet, werd in Medina geboren. Toen zijn vader Hâshim overleed, was Shayba nog een kind. Op een dag oefende hij in Medina, voor het huis van zijn ooms van moederszijde, met zijn vrienden in het boogschieten. De ouderen die toekeken, vermoedden door de nûr die op het voorhoofd van Shayba straalde dat hij de zoon van een eervol man was, en zij sloegen hem vol bewondering gade.
Toen het de beurt van Shayba was om te schieten, spande hij zijn boog en schoot zijn pijl op het doel af. Toen de pijl precies doel trof, riep hij opgewonden: “Ik ben de zoon van Hâshim. Natuurlijk vindt mijn pijl zijn doel!” Uit deze woorden begrepen zij dat hij de zoon was van Hâshim uit Mekka. Hâshim leefde toen niet meer.
Toen een van de zonen van ’Abdu Manâf naar Mekka terugkeerde, zei hij tegen Muttalib, de broer van Hâshim: “Je neef Shayba, die in Medina woont, is een zeer verstandige jongen. Op zijn voorhoofd straalt bovendien een nûr waar iedereen van versteld staat. Is het juist dat jullie zo’n kostbaar kind ver van jullie laten opgroeien?” Daarop ging Muttalib onmiddellijk naar Medina en bracht zijn neef Shayba mee naar Mekka. Aan wie in de straten van Mekka vroegen: “Wie is dit kind?”, antwoordde hij: “Het is mijn slaaf.” Sindsdien heette Shayba ’Abdulmuttalib, wat “de slaaf van Muttalib” betekent.12
“Mijn kind! Deze nûr die op jouw voorhoofd straalt, is de nûr van de laatste Profeet, Muhammad ’alayhis-salâm. Vertrouw hem alleen toe aan gelovige, kuise en reine vrouwen, en laat ook jouw zoon dit als laatste wil na!” Âdam ’alayhis-salâm
’Abdulmuttalib bleef bij zijn oom Muttalib tot deze overleed. Het gezegende lichaam van ’Abdulmuttalib verspreidde een geur van muskus. Op zijn voorhoofd straalde de nûr van Muhammad ’alayhis-salâm, de habîb van Allâhu ta’âlâ, en die verspreidde goedheid en zegen om hem heen. Telkens wanneer het in Mekka niet regende en er droogte heerste, grepen de Mekkanen ’Abdulmuttalib bij de hand, brachten hem de berg Thabîr op en vroegen hem een smeekbede te doen. Hij stelde niemand teleur en deed een smeekbede tot Allâhu ta’âlâ dat Hij regen zou schenken. En Janâb-i Haqq aanvaardde zijn smeekbede omwille van de zegen van de nûr van onze geliefde Profeet die op het voorhoofd van ’Abdulmuttalib straalde, en zond overvloedig regen. Zo namen de waarde en het aanzien van ’Abdulmuttalib met de dag toe. De Mekkanen kozen hem tot hun leider. Niemand verzette zich tegen hem, en wie zich onder zijn gezag stelde, vond rust en vrede. Ook de vorsten van die tijd erkenden de deugdzaamheid en de grootheid van ’Abdulmuttalib. Alleen de Chosroes van Perzië was jaloers op hem en koesterde openlijk en in het geheim vijandschap tegen hem. ’Abdulmuttalib was hanîf, dat wil zeggen moslim.13 Hij ging de weg van de tawhîd: hij geloofde in het bestaan en de eenheid van Allah, had geen andere gedachte dan Hem, en volgde de religie van zijn voorvader Ibrâhîm ’alayhis-salâm, die hanîf was. Daarom heeft hij nooit afgoden aanbeden en is hij zelfs niet bij hen in de buurt gekomen.
Rondom de Ka’ba deed hij smeekbeden tot Allâhu ta’âlâ en verrichtte hij zijn aanbidding.
Zamzam
Op een dag zei iemand in zijn droom tegen hem: “O ’Abdulmuttalib! Sta op en graaf Tayyiba op!” – en verdween. De volgende dag zei hij: “Sta op, graaf Barra op!” De derde dag beval dezelfde persoon: “Sta op, graaf Madnûna op!” De dromen hielden niet op. Toen dezelfde persoon op de vierde dag weer zei: “O ’Abdulmuttalib! Sta op, graaf de Zamzamput op!”, vroeg ’Abdulmuttalib: “Wat is Zamzam? Waar is de put?” De persoon antwoordde: “Zamzam is water dat nooit minder wordt en waarvan men de bodem niet bereikt. Het is genoeg voor alle pelgrims die uit de vier hoeken van de wereld komen. Het is ontsprongen op de plek waar Jibrîl ’alayhis-salâm met zijn vleugel sloeg. Het is het water dat Allâhu ta’âlâ voor Ismâ’îl ’alayhis-salâm heeft geschapen. Het lest de dorst van de dorstigen. Het verzadigt de hongerigen en is genezing voor de zieken. Ik zal je de plaats aanwijzen. Wanneer zij offerdieren slachten, gooien zij de resten op een bepaalde plek. Wanneer jij daar bent, komt er een kraai met een rode snavel.
Hij zal met zijn snavel de grond omwoelen. Op de plek waar de kraai woelt, zul je ook een mierennest zien. Precies daar is de plaats van Zamzam.”14
’s Morgens nam ’Abdulmuttalib zijn zoon Hârith mee, ging naar de Ka’ba en begon vol spanning te wachten. Op een gegeven moment kwam de kraai met de rode snavel, zoals in de droom was gezegd, streek neer in een kuil die daar was en begon met zijn snavel in de grond te pikken. Daaronder kwam een mierennest tevoorschijn. ’Abdulmuttalib en zijn zoon Hârith begonnen onmiddellijk op die plek te graven. Toen zij een tijdje hadden gegraven, werd de opening van de put zichtbaar. Toen ’Abdulmuttalib dat zag, begon hij de takbîr uit te spreken: “Allâhu akbar, Allâhu akbar!”
De Quraysh, die het graven van de put vanaf het begin aandachtig hadden gevolgd, wendden zich tot hem en zeiden: “O ’Abdulmuttalib! Dit is de put van onze vader Ismâ’îl. Ook wij hebben er recht op. Je moet ons bij dit werk laten delen!” Maar ’Abdulmuttalib verzette zich onmiddellijk en antwoordde: “Nee! Deze taak is alleen aan mij gegeven.” Daarop zeiden de Quraysh: “Je staat alleen. Behalve één zoon heb je niemand. Zo kun je niet tegen ons op!”
De Zamzamput
De Zamzamput
lag binnen de Masjid al-Harâm, tegenover de hoek van de Hajar al-Aswad. Hij had een stenen rand. De vloer was met marmer bekleed en liep schuin af naar de muren. ’Abdulhamîd Khan I had hem zo laten bouwen dat er geen water weglekte. Dit mooie kunstwerk, een kostbaar aandenken uit de geschiedenis, werd in 1963 afgebroken. De opening van de put en enkele meters eromheen werden enkele meters onder de grond verlaagd. Later werd hij helemaal afgedekt en met marmer bekleed. Tegenwoordig is deze put niet meer te zien.
Toen voelde hij zijn hart samenkrimpen, want zij verweten hem dat hij niemand had. Hij hief zijn handen ten hemel en smeekte: “O mijn Heer! Schenk mij tien zonen. Als U deze smeekbede van mij aanvaardt, zal ik een van hen bij de Ka’ba offeren.”15
’Abdulmuttalib bedacht dat het graven een gevaarlijke wending nam en dat het uiteindelijk tot hevige gevechten kon komen. Daarom staakte hij het graven en koos hij de weg van een vergelijk.
Hij wilde dat de zaak door een scheidsrechter werd beslecht. Ten slotte besloten zij dat een waarzegger (kâhin) die in Damascus woonde hiervoor een oplossing zou vinden. Met een groep vooraanstaande mannen van de Quraysh gingen zij op weg. Onderweg kon de karavaan, uitgeput door dorst en hitte, niet meer verder. Zij smachtten naar een enkele druppel water. Hoewel dat hun enige wens was, was het onmogelijk midden in de verzengende woestijn water te vinden.
Op een moment dat iedereen de hoop had opgegeven, riep ’Abdulmuttalib hun toe: “Kom, kom! Verzamel jullie! Ik heb water gevonden dat genoeg is voor jullie en voor jullie dieren!” Terwijl ’Abdulmuttalib, die de gezegende nûr van Muhammad ’alayhis-salâm op zijn voorhoofd droeg, water zocht, was de poot van zijn kameel tegen een grote steen gestoten, en toen de steen verschoof, was er water onder vandaan gekomen. Iedereen kwam aangerend.
Zij dronken tot hun dorst gelest was en het was alsof zij opnieuw tot leven kwamen.
Beschaamd tegenover deze grootheid van ’Abdulmuttalib zeiden de Quraysh: “O ’Abdulmuttalib! Wij hebben je niets meer te zeggen. Jij bent het meest waardig om de Zamzamput op te graven. Wij zullen hierover nooit meer met je twisten. Het is niet meer nodig naar de scheidsrechter te gaan; wij keren terug.” En zij namen de weg naar Mekka. Dankzij de nûr die op zijn voorhoofd straalde, verwierf ’Abdulmuttalib de eer de Zamzamput op te graven en zijn water te laten opwellen.16
“Zamzam verzadigt en geneest de zieke” Hadîth sharîf
De zoon die geofferd zou worden
Nadat ’Abdulmuttalib de Zamzamput had opgegraven, namen zijn roem en aanzien nog meer toe. Jaren gingen voorbij. Janâb-i Haqq aanvaardde de smeekbede die uit het diepst van zijn hart was opgeweld, en schonk ’Abdulmuttalib naast Hârith nog tien zonen en zes dochters. De namen van deze zonen waren Qutham, Abû Lahab, ’Abdulka’ba, Hajl, Zubayr, Abû Tâlib, ’Abdullah, Ghaydâq, Dirâr en Muqawwim (Hamza en ’Abbâs waren nog niet geboren). Zijn dochters waren Safiyya, ’Âtika, Umm Hakîm Baydâ, Barra, Umayma en Arwâ. Van zijn kinderen had ’Abdulmuttalib ’Abdullah het liefst, want de nûr die op zijn eigen voorhoofd had gestaan, was op het voorhoofd van ’Abdullah gaan stralen.
Op een dag werd tegen ’Abdulmuttalib in een droom gezegd: “O ’Abdulmuttalib! Kom je gelofte na!”
’s Morgens offerde ’Abdulmuttalib een ram. ’s Nachts kreeg hij in een droom het bevel: “Offer iets groters dan dat!” ’s Morgens offerde hij een rund. Toen hem in een droom opnieuw werd bevolen iets groters dan dat te offeren, vroeg hij: “Wat is groter dan dat?” Toen werd hem gezegd: “Je hebt gezworen een van je zonen te offeren als je tien zonen geschonken zouden worden. Kom je gelofte na!”
De volgende dag riep ’Abdulmuttalib zijn kinderen bijeen en vertelde hun over de smeekbede die hij jaren tevoren had gedaan. Daarna deelde hij zijn zonen mee dat hij een van hen moest offeren. Hij ondervond van zijn kinderen geen enkel verzet. Integendeel, zij stemden in en zeiden: “O onze vader! Kom uw gelofte na! U bent vrij te doen wat u wilt!” ’Abdulmuttalib trok het lot om vast te stellen welke zoon geofferd zou worden. Het lot viel op de zoon die hij het meest liefhad – ’Abdullah, die op zijn voorhoofd de nûr droeg van Muhammad ’alayhis-salâm, de habîb van Allâhu ta’âlâ. ’Abdulmuttalib wankelde even; zijn ogen vulden zich met tranen. Hij moest het woord nakomen dat hij Allâhu ta’âlâ had gegeven. Met het mes in de ene hand en ’Abdullah, zijn eigen vlees en bloed, aan de andere hand ging hij naar de Ka’ba om het woord na te komen dat hij zijn Heer had gegeven. Met betraande ogen trof de vader alle voorbereidingen om ’Abdullah te offeren. Op dat moment volgden de vooraanstaanden van de Quraysh het gebeuren met verbaasde blikken.
Een van hen, de oom van moederszijde van ’Abdullah, zei: “O ’Abdulmuttalib! Stop! Wij stemmen er nooit mee in dat jij deze zoon van je de keel doorsnijdt. Als je zoiets doet, wordt het voortaan een gewoonte onder de Quraysh. Iedereen zal zweren zijn zoon te offeren en hem dan slachten. Ga hierin niet voorop! Stel je Heer op een andere manier tevreden!” Daarna stelde hij voor: “Raadpleeg een waarzegger, dan kan hij je een uitweg wijzen.”
Op deze woorden ging ’Abdulmuttalib naar een waarzegger in Khaybar die Qutba (of Sajâh) heette, en legde hem de zaak voor. De waarzegger vroeg: “Hoeveel bedraagt bij jullie het bloedgeld (diya) voor een mens?” Toen hij als antwoord kreeg: “Tien kamelen,” zei hij: “Trek het lot tussen tien kamelen en je zoon. Valt het lot op je zoon, voeg er dan nog tien kamelen aan toe en ga zo door met verhogen en loten tot het lot op de kamelen valt.”
’Abdulmuttalib keerde onmiddellijk terug naar Mekka en deed wat de waarzegger had gezegd. Hij trok vele malen het lot en voegde er telkens tien kamelen aan toe. Het viel steeds op ’Abdullah. Maar toen het aantal kamelen op honderd kwam, viel het lot op de kamelen. Voor de zekerheid trok hij nog twee keer het lot. Beide keren viel het op de kamelen. Onder het uitspreken van takbîrs – “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” – offerde ’Abdulmuttalib de kamelen. Van het vlees nam noch hijzelf noch een van zijn zonen iets. Hij verdeelde het allemaal onder de armen.17
Daarnaast is er sinds Âdam ’alayhis-salâm ook het voorval van het offer van Ismâ’îl ’alayhis-salâm. Omdat de afstamming van onze Meester de Profeet teruggaat op Ismâ’îl ’alayhis-salâm, zei hij: “Ik ben de zoon van twee offers.”18
Zijn vader ’Abdullah
Toen ’Abdullah werd geboren, die op zijn voorhoofd de nûr droeg van onze Profeet Muhammad ’alayhis-salâm, de Meester der beide werelden, brachten de mensen van het Boek elkaar het bericht: “De vader van de Profeet van de eindtijd is in Mekka ter wereld gekomen.” De Kinderen van Israël hadden een uit wol gebreide mantel; die had toebehoord aan Yahyâ ’alayhis-salâm, die hem droeg toen hij als martelaar stierf, en zijn gezegende bloed was op deze mantel gekomen. In hun boeken stond geschreven: “Wanneer dit bloed weer vers wordt en begint te druppelen, komt de vader van de Profeet van de eindtijd ter wereld.” Aan dit teken begrepen de mensen van het Boek dat ’Abdullah was geboren. Hoewel zij uit jaloezie vele malen probeerden hem te doden, beschermde Allâhu ta’âlâ ’Abdullah door de zegen van de nûr op zijn voorhoofd.
Toen ’Abdullah de puberteit bereikte, onderscheidde hij zich onder de mensen zowel door zijn goede karakter als door zijn knapheid. Vooral toen hij achttien werd, werd zijn schoonheid legendarisch. De nûr op zijn voorhoofd straalde als de zon, en het hart van de meisjes die hem zagen ging, of zij wilden of niet, naar hem uit. Zijn schoonheid en roem hadden zich tot in Egypte verspreid.
Van heinde en ver begon iedereen te wedijveren om hem hun dochters ten huwelijk te geven. Vele vorsten kwamen naar ’Abdulmuttalib en stelden voor dat hij hun dochters voor zijn zoon zou nemen. Ook lieten zij weten dat zij daarvoor ieder offer wilden brengen. Evenzo waren er bijna tweehonderd meisjes tot in Mekka gekomen en hadden te kennen gegeven met ’Abdullah te willen trouwen. Maar ’Abdulmuttalib wees ieder van hen met gepaste woorden af.
Want ’Abdulmuttalib zocht voor zijn zoon een meisje dat hanîf was, dat wil zeggen moslim – het best opgevoede, het edelste en het mooiste – en dat trouw was aan de religie van hun voorvaderen, die zij sinds Ibrâhîm ’alayhis-salâm volgden.
Toen de Kinderen van Israël begrepen dat de Profeet van de eindtijd, die in hun boeken werd aangekondigd, niet uit hun volk zou komen, zwoeren zij uit afgunst ’Abdullah te doden. Daarvoor stuurden zij zeventig gewapende mannen naar Mekka. Die begonnen op een gelegenheid te loeren. Op een dag dat ’Abdullah naar het open veld was gegaan, meenden zij eindelijk dat niemand hen zag; zij trokken hun zwaarden en stortten zich op hem. Die dag was, naar de goddelijke wijsheid19, ook Wahb ibn ’Abdu Manâf, een van de verwanten van ’Abdullah, met enkele vrienden op jacht gegaan. Juist op dat moment zagen zij hoe de Kinderen van Israël zich op ’Abdullah wierpen. Gedreven door verwantschap besloten zij ’Abdullah te hulp te komen. Maar hun tegenstanders waren zeer talrijk. Het was duidelijk dat zij in dit gevecht het onderspit zouden delven. Ten slotte vonden zij het beter de weg van vermaning te kiezen. Toen zij hen naderden, zagen zij hoe vele ruiters die op niemand in deze wereld leken, gezeten op pikzwarte paarden en met het zwaard in de hand, als de bliksem uit het onzichtbare tevoorschijn kwamen, onder het uitroepen van takbîrs de Kinderen van Israël aanvielen, hen allen over de kling joegen en verdwenen. Wahb stond versteld van wat hij had gezien en begreep hoe ’Abdullah werd beschermd en hoe kostbaar hij bij Allâhu ta’âlâ was.
Thuisgekomen vertelde hij zijn vrouw wat er was gebeurd. Beiden erkenden dat de jongeman die hun dochter waardig was ’Abdullah was, en zij besloten Âmina aan hem ten huwelijk te geven.
“Ik ben de zoon van twee offers” Hadîth sharîf
’Abdulmuttalib van zijn kant had gehoord over de schoonheid, de kuisheid, de ingetogenheid en de vroomheid van Âmina, de dochter van Wahb, het hoofd van de stam Banû Zuhra. Ook door afstamming waren zij verwant: hun geslachten kwamen enkele generaties hoger samen. Hij ging naar het huis van Wahb om dit meisje voor zijn zoon ’Abdullah te vragen. Toen ’Abdulmuttalib om haar hand vroeg, zei Wahb: “O neef! Wij hebben dit aanzoek al vóór jou ontvangen,” en hij vertelde de gebeurtenis waarvan hij eerder getuige was geweest. Daarna voegde hij eraan toe: “De moeder van Âmina heeft een droom gehad. Volgens wat zij vertelde, kwam er een nûr ons huis binnen, en zijn glans vulde de aarde en de hemelen. Ook ik zag vannacht in mijn droom onze voorvader Ibrâhîm ‘alayhis-salâm. Hij zei tegen mij: ‘Ik heb zelf de nikâh gesloten tussen ‘Abdullah, de zoon van ‘Abdulmuttalib, en jouw dochter Âmina. Aanvaard jij die ook!’ Sinds vanmorgen sta ik onder de indruk van deze droom. Ik vroeg mij af wanneer zij zouden komen.” Toen ’Abdulmuttalib dit hoorde, kwamen de woorden over zijn lippen: “Allâhu akbar! Allâhu akbar!”
Ten slotte liet hij zijn achttienjarige zoon ’Abdullah trouwen met de veertienjarige Âmina, de dochter van Wahb. Over het huwelijk van Âmina en ’Abdullah zijn er ook andere overleveringen.20
Zijn gezegende nûr gaat over op zijn moeder
Toen de gezegende nûr van de Vorst der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam) op zijn moeder overging, brachten de wolven en de vogels elkaar de blijde boodschap:
“Het moment nadert waarop de Meester van het universum de wereld met zijn komst vereert; hij is de amîn21van de aarde, de zon van zijn tijd.” In die nacht vielen alle afgoden in de Ka’ba voorover. De shaytâns werden machteloos en konden hun werk niet meer doen. De engelen sloegen de troon van Iblîs aan stukken en wierpen hem in de zee, en veertig dagen lang straften en kwelden zij Iblîs. Daarna vluchtte hij, klom op de berg Abû Qubays en slaakte een hevige kreet. Al zijn legers die deze kreet van Iblîs hoorden, verzamelden zich om hem heen. Hij zei tegen hen: “Wee jullie! De geboorte van Muhammad ’alayhis-salâm is nabij. Voortaan zullen Lât en ’Uzzâ niet meer aanbeden worden. De nûr van de tawhîd zal zich over de hele wereld verspreiden.” In die nacht werden alle tovenaars en waarzeggers machteloos in hun werk. De waarzeggerij kwam ten einde. Hun toverij verloor haar uitwerking. In die nacht hoorden de bewoners van de aarde vanuit de hemel een stem: “Het moment nadert waarop de Profeet van de eindtijd komt met duizenden weldaden en gunsten.”
In die tijd heerste er droogte in Makka al-Mukarrama. Al jaren had het niet geregend. Aan de bomen was geen groen blad meer, van een oogst was geen spoor meer te zien. De mensen waren in nood geraakt en wisten niet meer wat zij moesten doen. Nadat de gezegende nûr van onze geliefde Profeet van ’Abdullah op Âmina was overgegaan, regende het zoveel en was de oogst zo overvloedig dat men dat jaar “het jaar van overvloed” noemde. In de negen maanden dat zij hem droeg, voelde Âmina geen enkele pijn of last.
Toen onze moeder Âmina twee maanden zwanger was, was haar man ’Abdullah voor de handel naar Damascus gereisd. Op de terugweg werd hij ziek. Hij overleed in Dâr an-Nâbigha, in de omgeving van Medina, bij zijn ooms van moederszijde, de zonen van Najjâr, op achttien- of vijfentwintigjarige leeftijd.22 Toen dit bericht in Mekka bekend werd, werd de hele stad in rouw gedompeld.23
“Toen ‘Abdullah, de vader van onze Meester de Profeet, overleed voordat zijn zoon geboren was, zeiden de engelen: ‘O onze Heer! Uw Rasûl is wees geworden’” ’Abdullah ibn ’Abbâs (radiyallâhu ’anhumâ)
’Abdullah ibn ’Abbâs (radiyallâhu ’anhumâ), een van de Metgezellen, heeft overgeleverd: “Toen ‘Abdullah, de vader van onze Meester de Profeet, overleed voordat zijn zoon geboren was, zeiden de engelen: ‘O onze Heer! Uw Rasûl is wees geworden.’ Allâhu ta’âlâ zei: ‘Ik ben zijn beschermer en zijn helper.’”
Âmina Khâtûn was diep bedroefd over de dood van haar man. In een gedicht beklaagde zij zijn heengaan als volgt:
Op een onverwacht ogenblik nam de dood hem mee,
Terwijl hij zo edelmoedig was, zo barmhartig.
De gebeurtenis van de Olifant
De gebeurtenis van de Olifant
Het duurde nog ongeveer twee maanden tot de geboorte van Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam). In die tijd vond de gebeurtenis van de Olifant plaats. Abraha, de gouverneur van Jemen namens het koninkrijk Abessinië, wilde verhinderen dat de mensen, die van alle kanten in drommen toestroomden, de Ka’ba bezochten. Met hulp van de Byzantijnse keizer liet hij in San’â een grote kerk bouwen, die “Qullays” werd genoemd. Hij wilde dat de mensen deze kerk zouden bezoeken. Maar de Arabieren, die van oudsher de Ka’ba bezochten, schonken geen enkele aandacht aan de kerk die Abraha had laten bouwen. Zij keken er met minachting op neer. Een van hen bevuilde de kerk zelfs.
Woedend hierover besloot Abraha de Ka’ba te verwoesten; met dat doel bracht hij een groot leger op de been en trok op tegen Mekka. Toen het leger van Abraha Mekka naderde, begonnen de soldaten de bezittingen van de Quraysh te plunderen, en zij legden ook beslag op tweehonderd kamelen die aan ’Abdulmuttalib toebehoorden. ’Abdulmuttalib ging naar Abraha en vroeg zijn kamelen terug. Abraha zei: “Ik ben gekomen om jullie heilige Ka’ba te verwoesten. Jij wilt haar niet beschermen, en dan vraag je om je kamelen?”
’Abdulmuttalib zei: “Ik ben de eigenaar van de kamelen. De Ka’ba heeft ongetwijfeld haar Eigenaar. Hij zal haar beschermen.” “Niemand kan haar tegen mij beschermen!” zei Abraha, en hij gaf ’Abdulmuttalib zijn kamelen terug en stuurde hem weg. Daarna gaf hij zijn leger het bevel op te rukken naar de Ka’ba. In het leger van Abraha was een olifant met de naam “Mahmûda”, die voor de troepen uit werd geleid, omdat men geloofde dat men zo de overwinning zou behalen. Nuqayl ibn Labîb, een van de gidsen van Abraha, boog zich naar het oor van de reusachtige olifant en zei: “O Mahmûda, het huis dat je gaat verwoesten is het huis van Allâhu ta’âlâ. Kniel onmiddellijk neer! Ga vooral niet verder! Anders kom je om!” Toen Abraha hem naar de Ka’ba stuurde, knielde de olifant op de grond neer en kwam niet meer vooruit. Maar zodra men hem naar Jemen keerde, draafde hij die kant op.
Zo zond Allâhu ta’âlâ op het leger van Abraha, dat Mekka genaderd was maar niet de kracht had om aan te vallen, een zwerm vogels af die abâbîl heten, dat wil zeggen bergzwaluwen. Ieder van deze vogels droeg drie steentjes zo groot als een kikkererwt of een linze: een in de snavel en twee in de poten. Die lieten zij op het leger van Abraha vallen. De stenen troffen de soldaten op het hoofd en gingen dwars door hun lichaam. Iedere soldaat die door een steen werd getroffen, stierf ter plekke. Zoals het edele vers meedeelt, werd het leger als afgevreten bladeren van het gewas. Toen Abraha dit zag, wilde hij in paniek vluchten. Maar hij kon niet ontkomen. Het eigenlijke doelwit van de stenen was hij, en ook hij werd getroffen. Terwijl hij vluchtte, viel zijn vlees in stukken van hem af, en zo stierf hij. Deze gebeurtenis wordt in soera al-Fîl van de Qur’ân al-karîm in betekenis als volgt meegedeeld: “(O Mijn Rasûl!) Heb jij niet gezien hoe jouw Heer heeft gehandeld met de mensen van de olifant (het leger van Abraha, uitgerust met olifanten, dat de Ka’ba wilde verwoesten)? Heeft Hij hun list (om de Ka’ba al-Mu’azzama te verwoesten) niet doen mislukken? Hij zond op hen vogels in zwermen af. Ieder van die vogels wierp op hen stenen van klei, gebakken in het vuur. Ten slotte vernietigde Allâhu ta’âlâ hen en maakte hen als bladeren van het gewas die door de mot zijn aangevreten. (Hij maakte hen gelijk aan aangevreten bladeren van het gewas, door wormen afgeknaagd en in stukken verscheurd.)”24
“Ik ben de eigenaar van de kamelen. De Ka’ba heeft ongetwijfeld haar Eigenaar. Hij zal haar beschermen” Shaybat al-Hamd
Arabië en de culturele centra eromheen
